Rewind: de ster van het Noord – een kerstverhaal

Ergens in het najaar van 2015 kreeg ik op het werk een sollicitatiebrief. Ik twijfelde steeds vaker of mijn administratieve job me nog genoeg voldoening gaf, maar sollicitatiebrieven kreeg ik graag. Ik las ze aandachtig en probeerde steeds een persoonlijk antwoord te geven. Deze brief raakte me: ik kende de afzender ervan. Niet persoonlijk, ik had over haar gelezen. Niet lang geleden had zij een prachtig boek over oude winkelinterieurs gepubliceerd. Met haar vzw Arsène streed ze voor het behoud van waardevolle oude winkelinterieurs.

Ik antwoordde dat zij niet voldeed aan de vereisten voor de job, maar dat ik vond dat zij bijzonder nuttig werk leverde en dat ik haar liefde voor oude winkelinterieurs deelde. Dezelfde dag werden Katherine Ennekens en ik vrienden op Facebook.

Niet lang daarna postte Katherine een foto van de ster van Brussel Noord. ‘Je weet toch dat die ster gaat verdwijnen?’ reageerde Stijn Tormans. Stijn kende ik niet. Hij bleek al jaren prachtige stukken te schrijven voor Knack. Over dingen waar niemand anders over schreef, omdat niemand er oog voor had, kleine menselijke verhalen, vaak in het verleden geworteld. Stijn had aandachtig gekeken op de borden die de renovatiewerken van de centrale hal aankondigden. Hij had gezien dat de ster plaats zou moeten maken voor het lelijke nieuwe NMBS-logo in regenboogkleuren. We waren verontwaardigd: hoe was het mogelijk dat de NMBS de waarde van de ster niet inzag?

De ster zoals ze vroeger was en het geplande ontwerp voor renovatie, zonder ster met NMBS-logo

Niet veel later, op 1 november, reisde ik met de trein naar een literaire ochtend in Boekhandel De Zondvloed in Mechelen. Onder de titel ‘Beste Buren’ stelden enkele Vlaamse schrijvers een Nederlandse schrijvende zielsverwant voor. Dankzij Bernard Dewulf leerde ik daar Miek Zwamborn kennen, een naam die hier niet meteen bekend klinkt omdat zij een schrijver in de luwte is. Niet iemand die met luide stem op sociale media aanwezig is. Miek Zwamborn vertelde die dag dat zij graag wandelingen in de natuur maakte en dan terugkeerde met zes stenen in haar zak. Niet meer, niet minder.

Ze straalde een zekere wereldvreemdheid uit. Ik vond haar intrigerend. Ik was dan ook heel blij toen ik op de terugweg van die literaire ochtend naast deze schrijver op de trein van Mechelen naar Brussel belandde. De trein is een goede plek voor toevallige ontmoetingen. Miek Zwamborn vertelde me dat ze soms als sluiswachter werkte. Zij had gewerkt bij een sluis aan de Vecht, in het mooie stadje Weesp waar ik elke zomer kwam, omdat mijn oom er een tweedehandsboekenwinkel had. Ook dat vond ik een wonderlijk toeval.

Miek Zwamborn en ik stapten uit in het Noordstation. Zij moest ’s avonds in Leuven zijn en vroeg me welke trein ze moest nemen. In de centrale hal keken we samen op de aankondigingsborden. Ik wees naar de ster en vertelde dat die moest verdwijnen. Ik zei dat ik het zo erg vond. ‘Je moet actie voeren,’ zei ze. En omdat ik denk dat het toeval geen toeval is, maar ons iets wil vertellen, besloot ik haar raad te volgen. Nooit eerder had ik actie voor iets gevoerd. Hoe begon je daaraan? Ik vroeg Katherine en Stijn, die ik in het echte leven nog niet ontmoet had, of ze mijn bondgenoten wilden zijn. Niet veel later zaten we samen aan tafel in café Flamingo.

Katherine vertelde me hoe belangrijk ze het vond dat erfgoed op zijn oorspronkelijke plek bewaard werd. Niet in een museum en zeker niet in een depot. Wat konden we ondernemen? Een petitie vonden we zinloos en zielloos. En dat was onze ster net niet. Wie had hem ontworpen?  We zouden het proberen te achterhalen. We zouden fotografe Saskia Vanderstichele vragen een foto van de ster te maken. En zou Plaizier daar een postkaart van willen drukken? Kerst kwam eraan, het zou een mooie kerstkaart zijn.

© Saskia Vanderstichele

We konden schrijvers en dichters vragen om een ode aan de ster. Fotografen om een foto. Illustratoren en schilders konden hem tekenen. We moesten een Facebookpagina maken. Een collega van me kon die naar het Frans vertalen. Iedereen die we kenden, zouden we spreken over de ster. Een draagvlak creëren voor onze actie vonden we belangrijker dan het verzamelen van een paar duizend handtekeningen.

Ik schreef Geert Van Istendael over de ster. Toch erg dat deze in Trainworld zou komen te hangen, in plaats van in het Noordstation. ‘U hebt gelijk. Wat verwacht u van mij?’ luidde zijn antwoord. Ik vroeg of hij een ode aan de ster kon schrijven. ‘Wanneer moet het klaar zijn?’ ‘Volgende week?’ ‘Dat is goed.’ Onze correspondentie was even kort als krachtig. Niet veel later stuurde Geert Van Istendael zijn gedicht, een pleidooi in sappig Brussels voor het behoud van de ster. Ook Kevin Bellemans en Frank De Crits schreven hun ode aan de ster. En Tom Schamp stuurde een prachtige tekening.

© Tom Schamp

Snel begon de ster te leven. Mensen begonnen me erover aan te spreken. Ze stuurden foto’s en tekeningen van de ster. Soms voelde ik enige gêne hierover. Het was maar een ster. Hadden we niet beter voor iets groters, iets nobelers gestreden?

Maar de ster van het Noord had een symbolische waarde. Ze verwees naar L’Etoile du Nord, de stoomtrein die vroeger van Parijs naar Brussel reed. Deze trein was op zijn beurt vernoemd naar de Poolster, die bij nacht de weg naar het noorden wijst en zo verhindert dat mensen verdwalen. De ster was een herkenningspunt voor verdwaalde reizigers. In Brussel Noord en het nabije Maximiliaanpark verbleven mensen die noordwaarts waren gereisd, op zoek naar een beter leven. De ster hing nergens beter dan hier.

Toen we van de NMBS vernamen dat de ster sneller dan verwacht zou verdwijnen, besloten we de stadskrant Brussel deze Week  (nu Bruzz) te contacteren. Tot onze verrassing haalde de ster de voorpagina. Andere kranten namen het bericht over. De ster was nieuws. Het hielp ongetwijfeld dat het bijna Kerstmis was.

Ook TV Brussel berichtte in het nieuws over de ster. Stijn trad op als woordvoerder. Tot onze verbazing kwam ook Geert Van Istendael opdraven om zijn ode voor te dragen. In die reportage zeiden reizigers dat ze de ster nooit eerder hadden opgemerkt. Maar ze vonden toch dat ze moest blijven. Mensen waren bereid om te strijden voor iets waar ze nooit oog voor hadden gehad.

We planden nog een flyeractie aan het station. Dat was niet meer nodig. De NMBS besliste dat de ster mocht blijven. Ze zou worden weggehaald tijdens de restauratiewerken van de centrale hal en intussen zelf gerestaureerd worden. Daarna zou ze netjes teruggehangen worden.

De NMBS hield belofte. Drie jaar later is de centrale hal met ster in eer hersteld. Zonder Katherine, Stijn en mij zou ze er niet meer geweest zijn. En zonder alle mensen die ons gesteund hebben. Het troost me dat je in deze wereld soms wél het verschil kunt maken. Niet met een petitie. Maar met gedichten, foto’s en tekeningen. Door met veel mensen te spreken. Over de betekenis van iets. Door hen te wijzen op iets wat ze niet eerder hebben gezien.

Er zijn zoveel dingen om voor te strijden. Maar actie voeren is intensief. Je kunt het niet altijd opbrengen in deze drukke tijden. Daarvan wordt geprofiteerd om boven onze hoofden beslissingen te nemen waar we het niet mee eens zijn. Vaak krijg je ook de kans niet om actie te voeren. Omdat je onvoldoende geïnformeerd bent. Omdat je onvoldoende tijd krijgt, voor voldongen feiten wordt geplaatst. Het had niet veel gescheeld of we hadden op een dag ineens vastgesteld: de ster is verdwenen.

De ster dankt haar redding aan een reeks toevallige ontmoetingen en gebeurtenissen. Katherine, Stijn en ik zullen door de ster voorgoed verbonden blijven. Intussen vond ik de moed opnieuw te gaan studeren en mijn werk te verlaten. Ik geef nu Nederlandse les aan mensen die de Noordster gevolgd zijn, op weg naar een vredevoller leven. De voorbije maanden passeerde ik elke dag langs de ster, op weg naar mijn nieuwe werk. Met de gedachte: een mens is soms sterker dan hij denkt.

Kerst 2019. Vier jaar na onze actie schittert de ster als nooit tevoren in Brussel Noord. Eén mysterie blijft. We weten nog steeds niet wie de ster ontworpen heeft. Na de overwinning vertelde iemand op onze Facebookpagina dat ze in het Noordstation een dame had aangesproken die een foto maakte van de ster. Ze bleek de dochter te zijn van de ontwerper. Ze vertelde dat haar vader het jaar ervoor op 90-jarige leeftijd overleden was. Hij was erg verknocht geweest aan zijn ster.

Dat is het enige wat we weten over de vader van de Noordster. Ooit hopen we zijn naam te kennen.

De Noordster in de gerenoveerde stationshal

Bekijk de reportage van Bruzz over de ster en bezoek de Facebookpagina van Red de ster.

Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.

Road to nowhere

Ons appartement kijkt uit op de Reyerslaan. De heraanleg van het wegdek loopt er op zijn einde. Dat geeft aanleiding tot een ietwat surrealistisch beeld: een net geschilderd zebrapad dat nergens naartoe leidt.

Foto en tekst: Robert Vandemeulebroucke


Blog.bxl: We love Schaerbeek

Sabrina en Olivier, een Belgisch-Italiaanse uit Luik en een Bretoen, wonen al acht jaar in Schaarbeek in de Dailly-wijk. Ze hebben het er erg naar hun zin en delen sinds september hun liefde voor de ezelsgemeente op hun blog We Love Schaerbeek. Ze zetten hun favoriete adresjes in de kijker en stellen interessante initiatieven voor. We spraken met Olivier: “Ik ontmoet zoveel gepassioneerde en geëngageerde mensen in Schaarbeek.”


Waarom zijn jullie een eigen blog begonnen?

Toen mijn vrouw en ik in Schaarbeek kwamen wonen, ontdekten we de blog van Eric Platteau: Le blog d’un Schaerbeekois motivé, destijds op Facebook beter bekend als Schaerbeek est Fantastique. Om verschillende redenen stopte Eric twee jaar geleden met zijn blog en we voelden dat aan als een gemis. Als vastgoedmakelaar bij We Invest ben ik vaak in Brussel onderweg. Door mijn werk merkte ik dat er in Schaarbeek de laatste drie jaar een bepaalde dynamiek heerst. Ik wilde graag de fakkel van Eric overnemen. Ik schrijf doorgaans de teksten en Sabrina neemt de foto’s.

Hoe kiezen jullie de restaurants, cafés en winkels die jullie bespreken?

We zijn begonnen met adresjes die we zelf leuk vinden, zoals café Copain, pizzeria Saco en decoratiewinkel Mieu. De mond-tot-mondreclame heeft de rest gedaan. Dankzij de blog komen we in contact met mensen die ons plekken aanbevelen. Zo hebben we Boentje ontdekt, een café-restaurant dat de strijd aanbindt tegen voedselverspilling. Op Facebook en Instagram kregen we de tip van de geheime bakker. Martin werkt voor de Waals-Brabantse coöperatie Graines de Vie en verkoopt elke woensdag brood in de Artanstraat. We testen ook graag nieuwe dingen uit, zoals de chocoladewinkel Xocolate.

Hoe zien jullie Schaarbeek verder evolueren?

Als een zeer dynamische gemeente waarin zich steeds meer handelaars en ondernemers vestigen. Ik ontmoet zoveel gepassioneerde en geëngageerde mensen in Schaarbeek. Hun aanwezigheid verbetert de sociale en multiculturele contacten. Als handelaars zich verenigen en regelmatig gemeenschappelijke evenementen organiseren, is dat een perfecte aanvulling op het werk van de gemeente.

Wat bevalt jullie aan Brussel, wat niet?
Brussel is onze adoptiestad. We wonen er al meer dan 20 jaar. Ik vind het leuk om in de stad rond te wandelen en verschillende buurten te verkennen met telkens een eigen sfeer en architectuur. Ik hou van de stedelijke wanorde die voor een stuk de charme van Brussel uitmaakt. Ik haat de files. Sommige straten zijn ook echt vuil.
Hoe zien jullie de toekomst van de blog?

We bereiden de komende weken een Engelse versie voor. We zullen de eerste artikelen vertalen en vervolgens in twee talen publiceren. We werken eraan!

De Brusselse blogosfeer is als een huis met vele kamers. In de rubriek Blog.bxl wandelen we door de verschillende vertrekken. Vandaag werpen we een blik op We Love Schaerbeek. De blog is actief op Instagram en deelt zijn bijdragen ook in de Facebook-groepen La Schaerbeekoise et Expats in Schaerbeek.

Hoe goedkoop reizen naar Brussels Airport?

Reizigers die met het openbaar vervoer naar de luchthaven Brussel-Zaventem gaan, hebben het al gemerkt: een treinkaartje naar dit vliegveld is behoorlijk duur vanwege de zogenaamde Diabolotoeslag. Gelukkig zijn er vanuit Brussel en omstreken ook nog andere manieren om je vliegtuig te halen. Ik zet ze even voor je op een rijtje.

IMG_1828

Het Diabolo-project om de luchthaven te ontsluiten kostte veel geld en leidde tot hogere treintarieven. Hier een nieuwe brug tussen Brussel en het vliegveld bij Haren.

Continue reading

Valse start voor de Laiterie?

Er is met spanning uitgekeken naar de heropening van La Laiterie (De Melkerij) in het Josaphatpark in Schaarbeek. Een decennium geleden brandde het pand af, waarna het lange tijd aan zijn lot overgelaten werd. In 2016 besloot de gemeente Schaarbeek 1,2 miljoen euro te investeren in een nieuw gebouw op die plek. De keuze viel op hedendaagse architectuur. Uitbater werd Bernard Leboucq, medeoprichter van de brouwerij Brasserie de la Senne, die in hetzelfde park ook al de Buvette Sint-Sebastiaan uitbaat. Eind maart ging het café-restaurant open. De kritieken in de Facebook-groep La Schaarbeekoise zijn niet mals. Waren de verwachtingen van de Schaarbekenaars te hoog gespannen en worstelt de nieuwkomer nog met kinderziekten? Of is er meer aan de hand?

(c) La Capitale
Een greep uit de citaten:

  • La Laiterie. Dan bouw je jaren aan een etablissement op een absolute toplocatie, met enorm potentieel. Wat zie je dan? Een matig visueel bouwwerk (maar goed, smaken verschillen) met een interieur dat niet bepaald charmant kan genoemd worden. En als het dan eens mooi weer is smijten ze 5 afgedankte tafels buiten met een paar stoelen waar je het geen 10 minuten op volhoudt wegens te oncomfortabel. Dat is toch ongelooflijk? Je zou bijna denken dat ze het expres doen op zeker niet te veel volk aan te trekken?!?
    Doe eens een beetje moeite zeg. Maak het gezellig. Het is mooi weer. Zet wat leuke zeteltjes buiten, overdek het met mooie parasols, speel een muziekje af (en verlaag misschien ook de prijzen, want het is een beetje belachelijk voor de setting die je momenteel terug krijgt).
    Zwaar ontgoocheld. (Bart M.)
  • A mon sens La Laiterie à raté le coche. J’y suis passé hier et alors que j’avais soutenu le projet, le résultat n’est pas satisfaisant. C’est un endroit froid et chic, un énième restaurant lounge, pas de bancontact, pas de glace et une terrasse de 4 tables. La place devant est un endroit où les enfants jouent et finalement il n’y a rien pour eux ! (Dimitri A. G. )
  • Quelle occasion ratée que cette Laiterie! Ni restaurant, ni bar! Du design pour le design! Quant à la terrasse et son exposition, n’en parlons même pas. L’exploitant n’y est sans doute pour rien mais bien la commune qui a développé le projet. (Jean-François M.)
  • Avec l’ouverture de La Laiterie, annoncée depuis si longtemps, je dois bien avouer qu’il y a un peu/beaucoup de deception. Il y avait un formidable potentiel pour en faire un lieu plein de charme et de vie au cœur du parc et de Schaerbeek. Mais au final, cela n’a ni charme ni attrait. C’est un peu fade et même très bof. Dommage ! (Mathieu C.)
  • Ze zeggen dat ze een restaurant zijn maar een paar pintjes aan een twintigtal klanten bedienen en je krijg al een kassierster die doodgestresseerd is. Niet te begrijpen. (Kristian C.)
  • Quelle grande déception! Nous y sommes allés aujourd’hui en fin d’après-midi. Il n’y a que 23 chaises sur la terrasse et elles étaient toutes occupées. Nous avons demandé à la serveuse (qui, en plus, n’avait pas l’air de connaître la carte de la maison et n’était pas du tout accueillante) si nous pouvions sortir deux des chaises se trouvant à l’intérieur mais ce n’est pas permis. Par beau temps on a envie de boire un verre dehors mais nous l’avons fait debout! (Richard D.C.)

Stef Adriaenssens over bedelarij en prostitutie

Drie en een half jaar. Zo lang hield Yvan ‘de verschrikkelijke’ Mayeur het vol als burgemeester van de hoofdstad. Toen kwam het Samusocial-schandaal. De manier waarop een sociale vzw door politici werd gebruikt om zichzelf te verrijken middels nepvergaderingen, was zelfs voor Mayeur en de Brusselse PS niet meer verdedigbaar. Er ging vast nog nooit zoveel media-aandacht naar een daklozenorganisatie als door deze politieke schandalen en intriges. Voor de minimaal 2.600 thuislozen (waarvan ongeveer één derde dakloos is) is er doorgaans minder (media-)aandacht.
Als iemand ons een beeld kan schetsen van onder meer bedelarij is het wel Stef Adriaenssens. Hij is als socioloog verbonden aan de Onderzoeksgroep Economie van de KU Leuven, Campus Brussel en leidt er een team dat zich toelegt op de informele economie. In die hoedanigheid mocht hij bijvoorbeeld de Brusselse ondergrondse economie in beeld brengen op de ‘nacht van de kennis over Brussel’ in 2015. Prostitutie en bedelarij zijn de meest opvallende segmenten van wat de burger wel maar de overheid of de fiscus niet ziet (of niet wil zien).

Een soort “schimmige wereld met halfmensen”, zo beschreef auteur Joost Vandecasteele ooit zijn observaties over daklozen in Brussel. Een herkenbare omschrijving van die zeer zichtbare maar tegelijk zeer onbekende wereld. En auteur Luc Sante beschrijft en documenteert in “Het andere Parijs” de donkere kantjes van de lichtstad tussen 1815 en 1914 met een mengeling van weemoed en fascinatie  De ware flaneur van die tijd, schrijft Sante, “heeft oog voor bouwterreinen en stortplaatsen, wisselt een groet met zwervers en vrachtwagenchauffeurs en met vrouwen die ’s morgens de stoep voor hun huis schrobben. Hij drinkt koffie en gros rouge bij evenveel bushaltecafés als op chique boulevardterrassen.” De hedendaagse stedelijke flaneur heeft vast ook iets meer aandacht voor havelozen en lichtekooien. Al is de vraag wel of we die ‘onderkant’ zo romantisch moeten benaderen als Sante dat doet.
Daarvoor hebben we dus afgesproken met Adriaenssens. Wanneer we van wal steken, moet hem meteen iets van het hart.
“Veel mensen, zowel binnen als buiten de academische wereld hebben rotsvaste overtuigingen over bedelarij of prostitutie. Meestal hebben ze nochtans in het beste geval een anekdotisch verhaal uit derde hand. Weinig mensen hebben al echt gesproken met een bedelaar of sekswerker. Omdat die meestal ver staan van de modale burger hebben we er weinig contact mee. Desondanks – of net daardoor – is er ook weinig schroom om opinies te spuien. Die meningen lijken meer uitgesproken naarmate mensen er verder van staan omdat ze bijvoorbeeld niet in een stad wonen en dus zelfs nooit een bedelaar zien.
Terwijl net de onderzoekers die bezig zijn met informele economie sommige van die ideeën kunnen weerleggen, maar verder bescheiden zijn over wat we zeker weten.”
Over welke ideeën hebt u het dan?
Allerlei ideeën, die vaak zelfs tegenstrijdig zijn. Zowel stigmatiserende verhalen als romantische verhalen en zogenaamde ‘moeke-meelij’-verhalen. Volgens sommigen zit het diep in bepaalde culturen, of zijn het allemaal mensen die ervoor gekozen hebben of zijn het criminele bendes. Terwijl het meestal ‘gewoon’ een overlevingsstrategie is. Het aantal mensen die het kiest als levenswijze – ik denk aan anarchistische, meestal jonge, krakers – is verwaarloosbaar klein.
En ja, er zijn netwerken, maar ik zou dat geen bendes noemen, en al zeker geen criminele organisaties. Een rationele crimineel richt zich echt niet op iets knulligs als bedelarij, waar de opbrengst zeer beperkt is.
Wat niet wegneemt dat daklozen of bedelaars vast wel in contact komen met zaken die strictu sensu onwettelijk zijn, in de sfeer van de drugs of het in bewaring houden van wapens – zelfs zonder dat ze die zelf gebruiken of hanteren. De Amerikaanse onderzoeker Sudhir Venkatesh heeft onderzocht hoe die zaken in elkaar kunnen overlopen: voor een dakloze, die in een absolute overlevingsmodus zit, is het onderscheid tussen wettelijk en onwettelijk zeer efemeer. Deze mensen komen er wel mee in contact, maar maken geen deel uit van criminele bendes, laat staan dat ze die zouden aansturen. Nu, uiteraard is dat onderscheid wel legitiem voor de beleidsmakers, zeker als het beleid de strijd tegen drugs en wapens belangrijk vindt.
Bedelt elke dakloze? En is elke bedelaar dakloos?
Neen. Ongeveer twee derde van de bedelaars heeft min of meer officiële huisvesting en één derde is thuisloos, al kan die laatste ook tijdelijke ‘huisvesting’ zoals in een kraakpand wonen. Roma bijvoorbeeld zijn meestal niet dakloos. Omgekeerd zijn er veel thuislozen die niet bedelen.
Hoe kan dat?
Veel mensen hebben nog een uitkering, maar zijn dakloos wegens een verslaving of hebben geen borg om te gaan huren, of kunnen gewoon niet overleven als ze van hun uitkering huur moeten betalen. Of ze krijgen het niet georganiseerd om te huren en rekening te houden met administratie, stipte betalingen en een huisbaas. Vaak hebben autochtone daklozen nog maar weinig officiële papieren, maar kunnen ze via het OCMW toch een uitkering bekomen.
Er zijn wel meer mensen die zich afvragen of zoveel ‘marginaliteit’ rond bijvoorbeeld rond het Brusselse Zuidstation goed is voor de personen in kwestie, of – het is misschien cynisch – voor de uitstraling van de stad.
Ik kan die aanklacht begrijpen, met die nuancering dat ik geen enkele stad ken zonder bedelaars. Zelfs in zeer koude steden zoals Oslo zijn die er. Kan je dat managen en sturen? Ja, zolang het geen beleid is dat alle bedelaars weg wil. Je kan het eventueel verbieden in bepaalde buurten, bijvoorbeeld vanuit redenen van citymarketing.
Als je bedelen helemaal wil verbieden en strafbaar stellen, waarschuw ik graag voor de – vermoedelijk – ongewenste neveneffecten. Want als je bedelarij verbiedt, zal je een deel inderdaad niet meer zien, maar een deel – misschien slechts een tiende – zal overgaan tot echte criminaliteit zoals winkeldiefstallen. Is de maatschappelijke schade dan groter of kleiner?
Bepaalde locaties hebben ook bepaalde kenmerken. In het Zuidstation zijn nu eenmaal veel ruimtes, bruggen, … waar daklozen ’s nachts droog en soms ook iets warmer kunnen vertoeven. Dus dan moet je alternatieve huisvesting voorzien voor die mensen en ervanuit gaan dat je de dakloosheid tot nul kan beperken. Maar dat lijkt me even ambitieus als naïef.

Zuidstation (c) lalibre.be
Is het onmogelijk?
Dat weet ik niet. Finland heeft die ambitie wel. Maar bedelarij is niet enkel een kwestie van huisvestingsbeleid, zelfs niet enkel van armoedebestrijding. Bij dakloosheid is er een groot verschil tussen België en West-Europa en de Verenigde Staten waar het sociale vangnet grote gaten heeft.  In de VS is er een relatief grote en brede populatie van daklozen (meer dan 560.000), waarvan je een groot deel wellicht ook relatief gemakkelijk terug aan de bak of in opvang zou krijgen.
Bij ons is er een redelijk adequaat vangnet. Daardoor hebben we te maken met een kleinere groep, maar die is veel problematischer en clustert meer in de grote steden. Mijn ervaring is toch dat de meerderheid van de niet-Roma bedelaars of daklozen uit een problematische en precaire gezinssituatie komt, zelf vroeg uit het huis is gegaan of vertrokken en nooit een echt vangnet of netwerk heeft gehad. Soms wel tijdelijk min of meer aan de bak maar niet op lange termijn. Velen hebben ook een psychische problematiek of hebben die ontwikkeld door het leven op straat of de voorgeschiedenis.

(c) Andres Serrano (fotoreeks in de Brusselse straten: Denizens of Brussels)
En het verhaal van de dakloze die voorheen een goede baan had, maar verlaten werd door zijn vrouw, ging drinken, zijn job verloor en op straat belandde.
Dat zal wel bestaan maar het is zeer uitzonderlijk. De ladder naar beneden bestaat zeker, maar meestal eindigt die neerwaartse spiraal niet op straat. Er zijn nog steeds zeer veel armen die weliswaar in precaire huisvesting wonen en de eindjes moeilijk aan elkaar kunnen knopen – pakweg 200.000 in Brussel – maar die nooit op straat belanden. Tussen de arme die net onder de armoedegrens zit en de thuisloze gaapt vaak een grote diepte, ook in niet-financiële aspecten van armoede.
Hoe los je het op? Hoe verminder je het aantal daklozen en bedelaars?
Wat we niet moeten doen is met een centraal aangestuurd bedelministerie komen. Ten eerste is de problematiek bij elke individuele bedelaar zo complex. Je moet zwaar investeren in een multidimensionale aanpak die rekening houdt met verslavingsproblematiek, psychische problematiek, enzovoort. Ten tweede is de bedelpopulatie zeer divers, ik denk aan de Roma – een groep die wel geïmmigreerd is maar niet meer zal verdwijnen. Die groep is zeer mobiel – wat integratie trouwens ook niet zo evident maakt; als je dat al moet willen trouwens. Ze hebben een eigen levensstijl: ze leven in een gesloten groep, huwen jong en worden geconfronteerd met twee zeer reële problemen: een lage scholingsgraad en discriminatie.
Aan de andere kant heb je de ‘klassieke’ daklozen. Die kennen de officiële en caritatieve instellingen wel, maar hebben weinig vrienden en zijn extreem vereenzaamd.  De Roma hebben een hecht netwerk – vanuit een bepaald perspectief zou je kunnen zeggen: te hecht – maar kennen het systeem niet en hebben in de praktijk geen toegang tot het officiële circuit van werk, gezondheidszorg, enz.

Het valt op dat u het vooral hebt over autochtonen enerzijds en Roma anderzijds. Waarom zijn deze groepen opvallend aanwezig en andere ‘allochtonen’ of illegalen niet?
De neiging om te culturaliseren is dan nogal groot, maar ik zou zeker niet zeggen dat het cultureel is in die zin dat het ergens de norm is. Het is wellicht wel meer of minder taboe bij bepaalde groepen. In bepaalde groepen komt het meer voor, zien groepsleden het dus meer bij elkaar, leren ze van elkaar, en wordt het daardoor enigszins ‘genormaliseerd’.  Dat geldt trouwens ook voor prostitutie. Al moet ik die normalisering meteen ook relativeren: ook Roma hebben daarover een zekere schroom, zelfs intern.
Wat de illegalen betreft: er zijn per definitie geen cijfers over de aantallen. Enkele jaren geleden schatte men dat er 100.000 mensen zonder papieren in België waren, wellicht zeer veel – de helft? ‑ in Brussel. Intussen zijn het er vast meer. Maar die mensen bedelen niet allemaal. Bedelen is een ‘publieke’ activiteit en illegalen zijn natuurlijk nogal bang van mogelijke politiecontroles. Zeker groepen die je raciaal gemakkelijk herkent, bijvoorbeeld Afrikanen, vallen meer op en zullen dat daardoor misschien niet doen.

(c) Andres Serrano
Zijn er mensen die in Brussel komen bedelen? Pendelaars als het ware?
Nee, wel integendeel: de Brusselse bedelmarkt is verzadigd. Bedelaars zullen eerder vanuit Brussel de trein of bus nemen naar andere gemeenten om daar post te vatten aan een grootwarenhuis, een kerk of een treinstation.
U becijfert dat bedelen niet lonend is omdat bijvoorbeeld Roma gemiddeld een bedrag ophalen dat overeenstemt met slechts één derde van onze armoedegrens. Maar misschien moeten we eerder kijken naar wat die opbrengst betekent in de landen van herkomst?
Dat hebben we ook berekend, maar dat heeft de finale versie van onze paper niet gehaald. Dat is in zeer grote mate een theoretische en abstracte denkoefening want intussen leven die mensen natuurlijk wel hier. Maar zoals ik zei is het ook een rationele calculus, ook voor Roma. Zeker omdat zij hun landen van herkomst ook al weinig verdienen en gediscrimineerd worden.
Kent u de BBC-reportage over bedelen met en door kinderen in Londen?

Zucht, de beruchte BBC-reportage. Wat moet ik daarover zeggen? Wij hebben uitgebreide observaties en berekeningen gedaan voor één stad, namelijk Brussel, en natuurlijk is ons onderzoek vatbaar voor kritiek. Ik ben zeer benieuwd naar wetenschappelijk onderzoek over andere steden. Maar alle ‘visies’ dat bedelaars in hun land van herkomst met een Cadillac rondrijden is nooit op cijfers gebaseerd, maar vooral van horen zeggen.
In Londen vond men inderdaad bedelaars die een villa hebben in Roemenië. Daar is een gerechtelijk onderzoek gevoerd met 200 arrestaties maar niemand is veroordeeld voor dwang of bendevorming. Ons onderzoek toont dat je met bedelen niet rijk kan worden, ook niet in je eigen land. Tenzij bedelen in Londen veel meer opbrengt, of tenzij het gecombineerd wordt met grootschalige uitkeringsfraude, wat dan de hoofdmoot van de inkomsten zou zijn. Ik gok op het laatste. Net zoals uitkeringsfraude overal bestaat.
Daarmee zal ik niet zeggen dat er geen problemen zijn zoals schuldslavernij en leningen die binnen de gemeenschap moeten worden terugbetaald. Maar dwangarbeid of uitbuiting is dit niet. De evidentie voor mensen die van hun vrijheid beroofd zijn die enkel buiten mogen komen om te bedelen, is uiterst zwak. Ik druk me nu nog voorzichtig uit. Als je kijkt naar slachtoffers van mensenhandel zijn dit zelden bedelaars. In het Westen zijn het vooral mensen verbonden aan het sekswerk.

BBC-documentaire Britains Child Beggars
Over prostitutie gesproken, welke vooroordelen leven daar die niet kloppen?
Het beeld dat de bevolking maar ook sommige feministische of religieus geïnspireerde activisten hierover hebben, is vooral eenzijdig. In dat beeld wordt prostitutie altijd herleid tot extreme uitbuiting en mensenhandel. Het is toch net iets genuanceerder, al is er ook wel een kern van waarheid. Zeker in de ruige jaren 80-90 waren er wel ‘Natascha-verhalen’ van vrouwen die bij wijze van spreken vastgeketend werden tot er een klant kwam.
De uitbuiting is vermoedelijk fel verminderd en subtieler geworden. Er zijn Roemeense of Bulgaarse vrouwen die bewust naar België komen. Als je uit een dorp of stadje komt waar sekswerk geen extreem taboe is, maar een manier van snel geld verdienen, waar 10 à 20 procent van de jonge vrouwen aan deelneemt, zal je die optie zelf ook sneller overwegen. Zeker als er weinig andere economische mogelijkheden zijn.
Deze vrouwen komen wel in contact met – criminele – bendes voor hun diensten: een kamer of een ‘raam’ regelen, een ‘madam’ die toezicht houdt en bescherming biedt. Dat gebeurt uiteraard zonder enige vorm van wettelijke bescherming of terugvalbasis, wat betekent dat de zwakkere meestal aan het kortste eind trekt bij een dispuut of als er iets fout loopt. Correct of gezellig is het dus zeker niet.
Maar de meeste meisjes weten dus waarvoor ze hierheen komen? In welke omstandigheden ze moeten werken en hoeveel ze daarmee zullen verdienen?
Ja, of toch meer dan sommigen denken. Maar uiteraard blijft het ondergrondse economie dus , zoals ik zei, je kan moeilijk naar de arbeidsrechtsbank als het mis loopt. En de intermediaire netwerken zijn crimineel, en die hebben hun eigen – ook gewelddadige – methodes.  Ik zou het ook geen normale, open, vrije arbeidsmarkt noemen.

Henri de Toulouse-Lautrec: “Vrouw die haar kous optrekt ” (1894)
U pleitte ook voor hogere raambelastingen, las ik.
Dat klopt niet helemaal, al heeft een journalist me inderdaad na een lang gesprek ooit dat ‘voorstel’ in de mond gelegd.
Ik ontwikkelde een langere redenering naar aanleiding van een vraag over het Zweedse model. Daar bestraft men ook de klant. Door de vraag te verkleinen zou ook de markt verkleinen, was de redenering, en het verminderen van de meisjes die zich prostitueren is daar een doel op zich.
Het zal wel kloppen dat je daarmee de markt verkleint, maar de meisjes op de ‘markt’ die overblijven duw je in veel minder zichtbare en dus miserabelere omstandigheden. Mijn punt was dus dat je misschien de markt ook op andere manieren kan verkleinen, door via belastingen de tarieven te verhogen, bijvoorbeeld door de belastingen op de ramen te verhogen. Maar dat was een losse geïmproviseerde piste. Ik ken immers geen concrete gevallen waar men dit gedaan heeft, en toegegeven – misschien houden de sekswerkers ook gewoon zelf minder over. Het leek me alleszins beter dan sekswerk buiten de wet te stellen.
Welke minder zichtbare prostitutie bedoelt u?
Privéprostitutie en -bordelen, escort, online advertenties. Het online adverteren door sekswerkers heeft veel positieve gevolgen, dat is onderzocht door een Amerikaanse econoom. In vergelijking met straatprostitutie zijn mensen autonomer, kunnen ze hun eigen keuzes maken, hebben ze directer toegang tot cliënten. De vraag zou dan zijn of we die verschuiving zo erg vinden. Al kan je dan minder ingrijpen op de marktwerking. De achterliggende vraag is vanuit welk kader je beleid voert: wil je de omstandigheden verbeteren voor elke sekswerker, of wil je de markt verkleinen omdat je minder mannen en vrouwen in die omstandigheden wil of omdat je prostitutie moreel afkeurt? Er wordt ook soms geschreven over de link tussen raam- en straatprostitutie. Maar straatprostitutie is zo een klein segment, dat ik daar weinig zinvol of wetenschappelijk kan over zeggen.
Je zou ook kunnen pleiten voor verregaande legalisering: laat sekswerkers zich registreren, belastingen en socialezekerheidsbijdragen betalen en sociale rechten opbouwen.
Ik denk ook eerder in die richting, maar de kans is klein dat je erin slaagt om die markt helemaal bovengronds te krijgen. Overal waar er experimenten zijn om prostitutie te legaliseren of reguleren bestaat er ook nog een significant informeel segment. Toch denk ik dat we eerder deze richting uitmoeten dan de richting van het verder verbieden.
Op dat vlak vind ik de twee uitersten wat naïef. Zowel de voorstanders van een radicaal wettelijk verbod als de voorstanders van verregaande legalisering denken dat je die sector bij decreet kan doen verdwijnen of formeel maken, en zodoende uitwassen uitroeien. Maar zolang er in Brussel en in België veel mensen zijn zonder papieren, zal je altijd een informele economie hebben, inclusief een deel van het sekswerksegment, naast de andere delen van de informele economie natuurlijk zoals delen van de bouwsector en de horeca.
Hoe geraak je daaruit?
Dames die lang doorwerken zijn de uitzondering, zoals de legendarische Brusselse Sonia Verstappen die enkele jaren geleden stopte toen ze 59 was. Er zijn andere uitzonderingen, bijvoorbeeld omdat ze zich toeleggen op niches zoals SM of promotie maken en ‘madam’ worden met verantwoordelijkheden zoals toezicht houden in bordelen en de organisatie op zich nemen. Maar de meesten hebben een relatief korte loopbaan in de sector en zoeken daarna elders een job op basis van hun competenties op dat moment. Zoals iedereen die van loopbaan verandert. Maar er is eigenlijk te weinig onderzoek over exit-strategieën, waar sekswerkers terechtkomen en dergelijke meer. Een beleid dat onder meer focust op het faciliteren van de exit, zonder dwang, zou overigens misschien wel op een ruimere consensus kunnen rekenen.

André Derain: “La femme en chemise” (1906)
Zijn er factoren die beïnvloeden?
Jazeker, seizoenen en gebeurtenissen spelen een rol. In de raamprostitutie daalt het aanbod in de zomer hier met de helft. Dan zijn badsteden zoals het Bulgaarse Varna aan de Zwarte Zee zeer populair en werken daar veel prostituees. Maar in de winter werken ze hier, in de West-Europese steden.
Sekswerkers zijn vaak mobiel, dus als men een toename verwacht in de vraag, dan heeft dat gevolgen. Denk aan grote voetbaltornooien, congressen, enzovoort. Er is ooit een Amerikaanse paper geschreven over de link tussen prostitutie en de Republikeinse en Democratische conventies. Er was in beide gevallen een zeer opvallende toename van prostitutie. Bij de Democraten nog net iets meer (lacht). Ook de demografie speelt een rol: Brussel is bij uitstek een internationale expat-stad, waar de hogere segmenten van de markt, die overigens nog minder zichtbaar zijn, zich op richten.
Zijn er goede praktijken? Landen of steden die het goed aanpakken?
Antwerpen is een rolmodel op een aantal vlakken, al was het maar omwille van de brede politieke consensus die het beleid schraagt. Dat betekent dat het beleid niet om de haverklap van naam verandert en dat is goed. Het nadeel daar is wel dat er weinig aandacht gaat naar de meer verborgen prostitutie. Bovendien kost het ook wel wat aan politieaanwezigheid, maar aangezien dat kadert binnen een bredere visie lijkt dat me geen probleem.

Het Antwerpse model: Villa Tinto.
Moet er vanwege de overheid dan meer aandacht gaan naar de meer verborgen prostitutie?
Om de redenen die ik reeds aanhaalde is het wellicht niet slecht dat we ons daar niet te veel mee moeien. Er zijn gemiddeld wel minder problemen, maar anderzijds zouden de ergste gevallen van uitbuiting zich ook hier kunnen bevinden. Dat helemaal buiten beschouwing laten en politiek enkel focussen op het reguleren van straat- en raamprostitutie lijkt me daarom te kort door de bocht.
Is er een verband tussen de aanwezigheid van informele economie en stadsplanning of de inrichting van de openbare ruimte?
Zeker voor de zichtbare vormen van informele economie worden de debatten inderdaad vaak gevoerd vanuit de invalshoek ‘openbare ruimte en citymarketing’. Maar veel belangrijker zijn de technologische evoluties zoals het internet. Daardoor is meer zichtbare ‘overlast’ verdwenen dan door welke stadsplanner ook. Voor bedelaars geldt uiteraard het belang van passage en commerciële aantrekkelijkheid.
Waarom vindt prostitutie plaats op die specifieke plaatsen?
Daar zijn een aantal sociaaleconomische en geografische logica’s voor.  Als een buurt bij veel mensen bekend is voor prostitutie krijg je dat moeilijk weg. Het is geen sector zoals andere die je met beleid en een promotie- of sensibiliseringscampagne kan verplaatsen. In de meeste steden blijkt dat in de buurten waar zichtbare prostitutie is, dat 150 jaar geleden vaak ook al zo was. Dat geldt zeker zo voor de Brusselse Alhambrawijk waar al in de 19de eeuw ‘racolage’ bestond – zo stond het in een soort toeristische gids.

Prostitutie in de Alhambra-wijk
Vanwaar eigenlijk uw belangstelling voor deze onderwerpen?
Voor de duidelijkheid: ons onderzoek en onze belangstelling gaan naar alle vormen van informele economie, inclusief bijvoorbeeld belastingontduiking, waar het over veel meer geld gaat. Maar daarover is al veel meer onderzoek uitgevoerd. Merkwaardig genoeg schijnen de media daar toch minder in geïnteresseerd te zijn – of ze hebben andere specialisten om te bevragen.
Voor een wetenschapper zijn bedelarij en prostitutie dan toch meer onontgonnen gebied. En ik snap die interesse van de buitenwereld ook wel. Er is een element van fascinatie denk ik, van aantrekking en afstoting tegelijk. En ook: bedelen en prostitutie mobiliseren sterke morele gevoelens en opinies.
Wat de concrete aanleiding betreft: ik ben socioloog en tijdens mijn doctoraat aan de KUB in Koekelberg was ik vaak op stap met een student van mij, Michaël Van Droogenbroeck, die nu journalist is. In een metrostation hadden we eens een discussie over bedelarij. We geraakten het niet eens en wilden wat vakliteratuur opzoeken. Die bleek nagenoeg onbestaande te zijn. Dus schreven we zelf samen een project uit voor de onderzoeksgroep… en zo ben ik erin gerold. Dus ik ben er op de meest anekdotische manier in terechtgekomen, maar ik had er ook wel zin in natuurlijk.
Voor ik aan de KUB doctoreerde studeerde ik in Antwerpen. Ik zat op kot aan het Falconplein, waar prostitutie toen zichtbaar aanwezig was. Sommige sekswerkers gingen hun frietjes halen bij hetzelfde frietkot enzovoort. Achteraf beschouwd was er toen al een fascinatie. Maar goed, ons onderzoek rond prostitutie is toch vooral een uitloper van het onderzoek rond bedelarij en informele economie.
Zijn er andere onderzoeken gepland binnen dit domein?
Zoals ik al aanhaalde zijn er veel fenomenen in de informele economie die minder ‘sexy’ zijn. Ik denk aan het fenomeen van de dagloners: asielzoekers zoals aan het Klein Kasteeltje die één dag ergens meedraaien in het zwart. Er is ook een grote markt van huishoudelijke hulp, die zich ook vaak in de informele economie situeert.
De opties voor onderzoek beperken zich automatisch: om te beginnen doen we haast enkel kwantificeerbaar onderzoek en zelf kiezen we ook onderzoek waar onze onderzoeksgroep een meerwaarde kan betekenen en er dus nog niet veel  onderzoek verricht is.  We hebben daarom geen plannen om uit te breiden naar andere domeinen. Binnen onze niche zijn we wel goed bekend. We hebben bij prostitutie vooral gekeken naar bedragen en budgettaire omvang van de sector, maar we willen meer gaan kijken naar aantallen: het aantal sekswerkers, transacties, klanten, enz.

Momenteel ben ik bezig met de gevolgen van de economische crisis op envelope wages: het extra betalen in het zwart aanvullend op geregistreerde arbeid. Betreffende bedelarij werd het vorige onderzoek ten dele betaald door Brusselse overheden en zou ik graag vervolgonderzoek doen. Maar het is wachten op budgetten.
Helpt het dat de campus in Brussel gevestigd is?
Zeker. Waarnemingen en anekdotische ervaringen kunnen wel degelijk aanzetten tot analyse, al willen we die dan uiteraard wetenschappelijk onderzoeken en theoretisch onderbouwen aan de hand van cijferstudie. Ik woon zelf niet in een stad, maar door het bedelonderzoek heb ik voor het eerst het gevoel gehad dat Brussel meer is dan een werkplaats. Jarenlang hebben wij tellingen gedaan en dus uren en uren hebben we mensen en hun activiteiten bekeken. Gewoon rondkijken is ook belangrijk en ik doe op dat vlak niet veel anders dan wat jij ook doet in deze stad: aandacht hebben voor de omgeving.
Lieven De Rouck schrijft op zijn blog Lieven Brusselt over steden, stedelijkheid en Brussel. Zijn interview met Stef Adriaenssens verscheen in het juninummer (nr. 228) van het maandblad Meervoud.
 
Enkele feiten en cijfers op een rijtje
Bedelarij
(zie bron)

  • In 2015 werd het aantal dak- en thuislozen in de hoofdstad geschat op ongeveer 2.600 mensen. Dertig procent daarvan is dakloos: zij brengen meestal de nacht op straat door. Daarnaast is er een ongeveer even grote groep thuislozen: zij hebben geen eigen woning, maar wel een dak boven het hoofd (bijvoorbeeld in een opvangtehuis). De derde groep leeft in “onaangepaste huisvesting” zoals in kraakpanden.
  • Meer dan de helft van de dak- en thuislozen verblijft in de grote stations of in de Vijfhoek.
  • Meer dan 85% van de bedelaars in Brussel zijn ofwel ‘autochtone’ mannen , ofwel vrouwelijke Roma
  • Roma verdienen gemiddeld ongeveer 16 euro per dag en bedelen daarvoor gemiddeld 4 tot 5 uur. Er is nauwelijks verschil tussen bedelen zonder of met kinderen, alleszins levert het laatste zeker niet meer op.
  • Autochtone bedelaars bedelen gemiddeld 6 uur per dag en halen gemiddeld zo’n 50 euro per dag op.
  • Van de autochtone bedelaars heeft 72% nog een uitkering. Voor Roma is dit zeer uitzonderlijk.

Prostitutie
(zie deze en deze bron)

  • De totale omzet van prostitutie in België is ongeveer 970 miljoen euro (goed voor een toegevoegde waarde tussen de 617 en 688 miljoen euro (2015))
  • Het geschatte aantal transacties in de Belgische raamprostitutie bedraagt 2.290.500. Antwerpen is goed voor 915.000. Schaarbeek en Sint-Joost samen voor 620.200 transacties. Derde in de rij is Gent (361.800). Daarna volgen onder meer Seraing en Oostende.
  • De gemiddelde prijs per transactie is 66,60 euro, maar er zijn verschillen per stad.
  • Raamprostitutie is – in termen van omzet – goed voor 30% van de prostitutiemarkt. Escort- en privéprostitutie zijn belangrijker (42%). Straatprostitutie is zeer beperkt: minder dan 1% van de markt. Clubs en bordelen (11%) en massagesalons (16%) zitten ertussenin.
  • In Brussel werken (wellicht) zo’n 4.000 à 5.000 prostituees. Ongeveer een 1.000-tal werken in de raam- of straatprostitutie.

Vier inbraken in een jaar

Een voormiddag in Schaarbeek. Om 7.30 uur stellen we vast dat er voor de vierde keer op rij dit jaar werd ingebroken. Maar deze keer ‘s nachts terwijl mijn man, ik en onze dochtertjes aan het slapen waren. Opnieuw namen ze onze laptop mee, opnieuw doorzochten ze ons huis. We investeerden nochtans fel in een goede beveiliging.
Politie Brussel Noord
(c) Polbruno
Om 8 uur bel ik de lokale politie: “We sturen een patrouille.”  Om 9 uur bel ik terug: zelfde antwoord.  Om 10 uur word ik kribbig, want ik moet werken en bel opnieuw: “Ga dan werken, er zijn dringendere zaken.” Om 11 uur bel ik het nationale nummer: “U staat inderdaad op de wachtlijst.” Om 12 uur belt mijn man: ” Ze zijn onderweg.” Om 12.15 uur zijn ze er. Ze maken een proces-verbaal op en vijf minuten later zijn ze weg.
De gemeente neemt geen maatregelen tegen inbraken, ik ken mijn wijkagent niet, er zijn geen patrouilles in de straat en het duurt meer dan vier uur vooraleer de politie ter plaatse is. Dit is gewoon onaanvaardbaar.
Naschrift: Noor heeft intussen contact gehad met de gemeente Schaarbeek, maar het antwoord dat de politie druk bezet is, dat ze contact kan opnemen met de preventieadviseur om verdere veiligheidsmaatregelen te nemen en de wijkagent op de website kan terugvinden bevredigt haar niet.
Het duurde meer dan vier uur voordat de politie beschikbaar was. Bij inbraak nummer twee waren de dieven nog binnen en stond ik buiten met mijn toen 1-jarige dochter. Toen duurde het een uur voor de politie kwam terwijl ik duidelijk in gevaar verkeerde. Ik begrijp zeker dat de politie moet gaan waar er een dringende tussenkomst nodig is, maar een van de taken van de politie is ook preventie, ervoor zorgen dat er geen inbraken meer gebeuren in ons huis. Ik zou zeer graag willen weten wat de frequentie is van de patrouilles, wat hun aandachtspunt is en of er in de statistieken enige verbetering merkbaar is.
Wij hebben alle suggesties van de lokale preventieadviseur uitgevoerd. Ik vind dan ook niet dat er nog een verantwoordelijkheid bij ons te leggen valt. Hoe komt het dat je überhaupt ’s nachts meer dan 2 meter hoog op een gevel kan klimmen om ergens binnen te breken? Toch wel, omdat je weet dat niemand je zal zien? En als iemand je al ziet, je gewoon de benen kan nemen zonder gevat te worden.
Je kunt natuurlijk niet voortdurend in elke straat politie plaatsen. Maar je kunt er wel voor zorgen dat als burgers iets verdacht zien, ze een wijkagent kunnen contacteren die dit direct opvolgt. Dat is net een van de betrachtingen van de wijkagent: mogelijke criminele broeihaarden of bronnen van onveiligheid opsporen, inspelen op verwachtingen van burgers, nabijheidspolitie.
Hoe is dat mogelijk als we zelfs niet weten wie die wijkagent is? Hoe kunnen we de persoon in kwestie kennen: hij heeft tientallen straten waar hij/zij voor verantwoordelijk is. Niemand in onze straat kent onze wijkagent. Nochtans is het zijn taak om aanwezig te zijn in de wijk en dicht bij de burger te staan. Zelfs toen we ons gedomicilieerd hebben in Schaarbeek hebben we de wijkagent niet gezien.
Ik ben ervan op de hoogte dat er heel wat nieuwe agenten worden tewerkgesteld in de kanaalzone. Ik vind dat een zeer goed plan. Ik hoop echter dat ze niet enkel brandjes zullen gaan blussen, maar ze ook effectief in dienst zullen staan van onze gemeente en dat ook voor preventie.
Na het verspreiden van mijn bericht ontving ik veel reacties van bevriende Brusselaars die het probleem herkennen. Bij een fietsdiefstal, een fietsongeval, een inbraak of lawaaihinder komt de politie vaak gewoon niet langs. Velen hebben dat aanvaard. Ik weiger me hierbij neer te leggen.
Schaarbeek is een mooie en complexe gemeente maar er leeft te veel een gevoel van straffeloosheid. Boefjes kunnen hun gang gaan, onbeleefd gedrag wordt getolereerd, onhoffelijk zijn is voor velen de norm.
We staan voor een enorme uitdaging en ik wil heel graag weten hoe deze, ook voor de gewone man in de straat, zal worden aangepakt.

Ik vraag om actie, zowel lokaal, gewestelijk als nationaal. Ik aanvaard de genomen maatregelen niet en wil me er niet bij neerleggen. Mijn man en ik gaan hiermee verder tot we verbetering zien in het gevoerde veiligheidsbeleid.

Noor D’Heere (31) is muzikante en lector muzische opvoeding in de bacheloropleiding kleuteronderwijs in Odisee. Ze is mama van twee kleuters, fietser, pleegouder en intussen al acht jaar Brusselaar.

Schoolmaaltijd van eigen kweek

What’s in a name? Directeur Stef Colens investeerde in een moestuin op het dak van zijn nieuwbouwschool in hartje Schaarbeek. Van de oogst eten elke dag 160 ‘warme eters’ een vegetarische maaltijd. Bovendien krijgt Stef zo ook diverse ouders op zijn dak. Letterlijk. “Ook een hooggeschoolde middenklasser zit graag met zijn polle in de aarde.”
Kok Patrick in moestuin Heilige Familie (c) Radio 1
Foto: Kok Patrick in de moestuin, (c) Radio 1, #BEL10, Met groene vingers op school
De scherpe geur van prei en ui slaat je meteen in de neus wanneer je om 10 uur ’s ochtends de deur van basisschool Heilige Familie openzwaait. In de keuken staat de soep van de dag al broederlijk te pruttelen naast een gigantische kom couscousgroenten.

Met die soep is het allemaal begonnen?

Stef Colens: “Chef Patrick en zijn vzw organiseerden al soepvoormiddagen met de ouders op onze school via het duurzaam wijkcontract hier in de Helmet-wijk. Toen dat afliep, zijn we gaan praten over een bestendiging en uitbreiding van het bestaande soepproject. Zo kwam ook Karima, die eerst opvangjuf was, in het verhaal. Haar achtergrond werkt drempelverlagend voor de ouders. Wij hadden intussen ook gekozen voor een eigen keuken en de aanleg van een dakmoestuin in ons nieuwbouwproject.”

En dat terwijl de meeste scholen net de omgekeerde beweging maken naar externe catering?

Stef Colens: “Het is natuurlijk financieel niet evident voor een school, maar het past helemaal in ons pedagogisch project. We willen een echte buurtschool zijn en daarom kopen we zo veel mogelijk dingen lokaal aan. Dus ook de extra groenten die we nodig hebben om onze eigen oogst aan te vullen. En ja, dat is wat duurder, maar daardoor hebben we ook een sterk netwerk dat ons zeer geregeld van pas komt.”

Is het ook voor de leerlingen duurder, zo’n duurzame maaltijd?

Stef Colens: “De prijs is wat gestegen: van 3,5 naar 4,5 euro, maar dat houdt ouders klaarblijkelijk niet tegen, want we gingen van 40 naar 160 ‘warme eters’. Voor wie dat moeilijk ligt, past de school overigens bij. De voordelen van onze ‘eigen kweek’ wegen door: kinderen leren door zelf te zien en te doen opnieuw waar onze voeding vandaan komt, het komt hun gezondheid ten goede – zeker bij leerlingen uit een kansarme omgeving – en, een onbedoeld neveneffect, ‘halal of niet’ is geen issue meer voor onze moslimleerlingen.”

Klinkt als een troef waarmee je je als school kan profileren.

Stef Colens: “Ik geef dat grif toe: uitpakken met zo’n daktuin en duurzame maaltijden ís een vorm van marketing. Maar niet in termen van concurrentie. Ik zou niet liever hebben dan dat alle naburige scholen ook met een moestuin beginnen. Moeilijk is dat niet: elke tuinzaak heeft van die 1m²-bakken en elke school kan wat dals uitgraven op de speelplaats.”
“Het is zo’n eenvoudige manier om ouderbetrokkenheid en –verbondenheid te stimuleren: ouders van heel diverse achtergronden vinden elkaar dankzij de groenten. Want tuinieren is iets wat iedereen kan en graag doet (enfin, de meesten toch). En geen enkele ouder kan ertegen zijn dat zijn kind gezond eet op school.”

Was het dan echt zo makkelijk om ouders mee te krijgen?

Stef Colens: “Dat ging in stappen. Eerst was er het soepverhaal. Toen stelden we de vraag ‘wie doet er mee aan een proefproject vegetarische maaltijden de laatste week van juni?’ Veel ouders die nog nooit warme maaltijd bestelden, stapten mee. Daarna deden we een bevraging. Na die positieve testfase konden we niet meer terug.”
“Het vraagt wel wat engagement van je ouders, het onderhoud van zo’n moestuin. Ook voor de vakanties moet er een beurtrol worden opgesteld. Die zomeroogsten worden direct bereid en ingevroren. Het teveel wordt verdeeld. Ouders op ons dak tijdens de zomervakantie, ook dat lukt dus. Als je mensen materiaal en vooral verantwoordelijkheid en kansen geeft, komt de rest meestal vanzelf.”

Wat zijn de plannen voor dit schooljaar?

Stef Colens: “Binnen het oudercomité is er een werkgroep opgericht die aan alle klassen workshops gaat geven op vaste namiddagen, tijdens de lesuren. Op die manier worden ook de leraren meer meegetrokken in het verhaal. Ik verwacht enthousiasme bij hen: ze kunnen hun lessen verrijken, leerlingen worden ‘natuurslim’, ze werken aan attitudes … Je staat ervan versteld hoeveel leerplandoelen je met zo’n moestuin op je dak bereikt. En we willen de leerlingen vanaf nu trouwens ook tijdens de speeltijd ‘vrij’ op het dak laten om in de tuin te werken. Misschien toch de tuinslang even opbergen dan?”

 Klasse, een multimediaal communicatieplatform dat onderwijsprofessionals, ouders en leerlingen in Vlaanderen versterkt en verbindt.

Schaarbeek, ik ben uw fan

Sara Leemans is een 25-jarige Brusselse pur sang. Ze heeft als communicatie-experte en freelance journaliste een eigen blog en schrijft voor BILL, de jongerencultuurwebsite van CJP. In De negentien bezoekt ze alle gemeenten van het Brussels Gewest. Vandaag: Schaarbeek.
Schaarbeek een gezicht geven lijkt haast een onmogelijke opdracht. Een gemeente die zo groot is, zo veel verschillende wijken rijk is, daar schieten woorden te kort. Toch deed ik een poging.
Mijn broer en zussen zaten altijd op kot in Schaarbeek. Als kleine koter mocht ik dan van tijd tot tijd eens op bezoek in de grote stad. Ik herinner me zonnige dagen in het Josaphatpark, de drukke oversteekplaats aan Meiser en een memorabele theatervoorstelling aan Chazal. Tijd om met volwassen ogen nog eens door dat stukje Brussel te trekken. Ik gooi het ditmaal over een andere boeg. Blogs staan vol met gebakken lucht over places to be, hotspots en eettenten waar je intussen geweest moét zijn, dat wordt een mens snel beu. Benieuwd?
Ik dook Schaarbeek in met een aantal echte connaisseurs: de zesdejaars van het Koninklijk Atheneum Emanuel Hiel. Ze zetten in het kader van hun geïntegreerde proef het project Public Revelations op. Een nobel initiatief, waarbij de Brusselse jongeren leeftijdsgenoten uit de rand, maar evengoed ambtenaren van de Vlaamse overheid bij de hand nemen en hen hun wijk laten zien. En ik mocht ook mee, met een fotografe in de achterhoede.
© Elke Vanoost

Continue reading

Fotograaf Serge Anton exposeert in Brussel

Bier en Brussel
Place du Châtelain heeft er een pop-up store bij! En wat voor één. Een leegstaande ruimte werd omgetoverd tot tijdelijke proeverij van enkele bijzondere brouwsels van streekbier Affligem, én de plek werd voorzien van formidabele creaties van gelauwerd Frans-Belgisch fotograaf Serge Anton.

Continue reading