Rewind: de ster van het Noord – een kerstverhaal

Ergens in het najaar van 2015 kreeg ik op het werk een sollicitatiebrief. Ik twijfelde steeds vaker of mijn administratieve job me nog genoeg voldoening gaf, maar sollicitatiebrieven kreeg ik graag. Ik las ze aandachtig en probeerde steeds een persoonlijk antwoord te geven. Deze brief raakte me: ik kende de afzender ervan. Niet persoonlijk, ik had over haar gelezen. Niet lang geleden had zij een prachtig boek over oude winkelinterieurs gepubliceerd. Met haar vzw Arsène streed ze voor het behoud van waardevolle oude winkelinterieurs.

Ik antwoordde dat zij niet voldeed aan de vereisten voor de job, maar dat ik vond dat zij bijzonder nuttig werk leverde en dat ik haar liefde voor oude winkelinterieurs deelde. Dezelfde dag werden Katherine Ennekens en ik vrienden op Facebook.

Niet lang daarna postte Katherine een foto van de ster van Brussel Noord. ‘Je weet toch dat die ster gaat verdwijnen?’ reageerde Stijn Tormans. Stijn kende ik niet. Hij bleek al jaren prachtige stukken te schrijven voor Knack. Over dingen waar niemand anders over schreef, omdat niemand er oog voor had, kleine menselijke verhalen, vaak in het verleden geworteld. Stijn had aandachtig gekeken op de borden die de renovatiewerken van de centrale hal aankondigden. Hij had gezien dat de ster plaats zou moeten maken voor het lelijke nieuwe NMBS-logo in regenboogkleuren. We waren verontwaardigd: hoe was het mogelijk dat de NMBS de waarde van de ster niet inzag?

De ster zoals ze vroeger was en het geplande ontwerp voor renovatie, zonder ster met NMBS-logo

Niet veel later, op 1 november, reisde ik met de trein naar een literaire ochtend in Boekhandel De Zondvloed in Mechelen. Onder de titel ‘Beste Buren’ stelden enkele Vlaamse schrijvers een Nederlandse schrijvende zielsverwant voor. Dankzij Bernard Dewulf leerde ik daar Miek Zwamborn kennen, een naam die hier niet meteen bekend klinkt omdat zij een schrijver in de luwte is. Niet iemand die met luide stem op sociale media aanwezig is. Miek Zwamborn vertelde die dag dat zij graag wandelingen in de natuur maakte en dan terugkeerde met zes stenen in haar zak. Niet meer, niet minder.

Ze straalde een zekere wereldvreemdheid uit. Ik vond haar intrigerend. Ik was dan ook heel blij toen ik op de terugweg van die literaire ochtend naast deze schrijver op de trein van Mechelen naar Brussel belandde. De trein is een goede plek voor toevallige ontmoetingen. Miek Zwamborn vertelde me dat ze soms als sluiswachter werkte. Zij had gewerkt bij een sluis aan de Vecht, in het mooie stadje Weesp waar ik elke zomer kwam, omdat mijn oom er een tweedehandsboekenwinkel had. Ook dat vond ik een wonderlijk toeval.

Miek Zwamborn en ik stapten uit in het Noordstation. Zij moest ’s avonds in Leuven zijn en vroeg me welke trein ze moest nemen. In de centrale hal keken we samen op de aankondigingsborden. Ik wees naar de ster en vertelde dat die moest verdwijnen. Ik zei dat ik het zo erg vond. ‘Je moet actie voeren,’ zei ze. En omdat ik denk dat het toeval geen toeval is, maar ons iets wil vertellen, besloot ik haar raad te volgen. Nooit eerder had ik actie voor iets gevoerd. Hoe begon je daaraan? Ik vroeg Katherine en Stijn, die ik in het echte leven nog niet ontmoet had, of ze mijn bondgenoten wilden zijn. Niet veel later zaten we samen aan tafel in café Flamingo.

Katherine vertelde me hoe belangrijk ze het vond dat erfgoed op zijn oorspronkelijke plek bewaard werd. Niet in een museum en zeker niet in een depot. Wat konden we ondernemen? Een petitie vonden we zinloos en zielloos. En dat was onze ster net niet. Wie had hem ontworpen?  We zouden het proberen te achterhalen. We zouden fotografe Saskia Vanderstichele vragen een foto van de ster te maken. En zou Plaizier daar een postkaart van willen drukken? Kerst kwam eraan, het zou een mooie kerstkaart zijn.

© Saskia Vanderstichele

We konden schrijvers en dichters vragen om een ode aan de ster. Fotografen om een foto. Illustratoren en schilders konden hem tekenen. We moesten een Facebookpagina maken. Een collega van me kon die naar het Frans vertalen. Iedereen die we kenden, zouden we spreken over de ster. Een draagvlak creëren voor onze actie vonden we belangrijker dan het verzamelen van een paar duizend handtekeningen.

Ik schreef Geert Van Istendael over de ster. Toch erg dat deze in Trainworld zou komen te hangen, in plaats van in het Noordstation. ‘U hebt gelijk. Wat verwacht u van mij?’ luidde zijn antwoord. Ik vroeg of hij een ode aan de ster kon schrijven. ‘Wanneer moet het klaar zijn?’ ‘Volgende week?’ ‘Dat is goed.’ Onze correspondentie was even kort als krachtig. Niet veel later stuurde Geert Van Istendael zijn gedicht, een pleidooi in sappig Brussels voor het behoud van de ster. Ook Kevin Bellemans en Frank De Crits schreven hun ode aan de ster. En Tom Schamp stuurde een prachtige tekening.

© Tom Schamp

Snel begon de ster te leven. Mensen begonnen me erover aan te spreken. Ze stuurden foto’s en tekeningen van de ster. Soms voelde ik enige gêne hierover. Het was maar een ster. Hadden we niet beter voor iets groters, iets nobelers gestreden?

Maar de ster van het Noord had een symbolische waarde. Ze verwees naar L’Etoile du Nord, de stoomtrein die vroeger van Parijs naar Brussel reed. Deze trein was op zijn beurt vernoemd naar de Poolster, die bij nacht de weg naar het noorden wijst en zo verhindert dat mensen verdwalen. De ster was een herkenningspunt voor verdwaalde reizigers. In Brussel Noord en het nabije Maximiliaanpark verbleven mensen die noordwaarts waren gereisd, op zoek naar een beter leven. De ster hing nergens beter dan hier.

Toen we van de NMBS vernamen dat de ster sneller dan verwacht zou verdwijnen, besloten we de stadskrant Brussel deze Week  (nu Bruzz) te contacteren. Tot onze verrassing haalde de ster de voorpagina. Andere kranten namen het bericht over. De ster was nieuws. Het hielp ongetwijfeld dat het bijna Kerstmis was.

Ook TV Brussel berichtte in het nieuws over de ster. Stijn trad op als woordvoerder. Tot onze verbazing kwam ook Geert Van Istendael opdraven om zijn ode voor te dragen. In die reportage zeiden reizigers dat ze de ster nooit eerder hadden opgemerkt. Maar ze vonden toch dat ze moest blijven. Mensen waren bereid om te strijden voor iets waar ze nooit oog voor hadden gehad.

We planden nog een flyeractie aan het station. Dat was niet meer nodig. De NMBS besliste dat de ster mocht blijven. Ze zou worden weggehaald tijdens de restauratiewerken van de centrale hal en intussen zelf gerestaureerd worden. Daarna zou ze netjes teruggehangen worden.

De NMBS hield belofte. Drie jaar later is de centrale hal met ster in eer hersteld. Zonder Katherine, Stijn en mij zou ze er niet meer geweest zijn. En zonder alle mensen die ons gesteund hebben. Het troost me dat je in deze wereld soms wél het verschil kunt maken. Niet met een petitie. Maar met gedichten, foto’s en tekeningen. Door met veel mensen te spreken. Over de betekenis van iets. Door hen te wijzen op iets wat ze niet eerder hebben gezien.

Er zijn zoveel dingen om voor te strijden. Maar actie voeren is intensief. Je kunt het niet altijd opbrengen in deze drukke tijden. Daarvan wordt geprofiteerd om boven onze hoofden beslissingen te nemen waar we het niet mee eens zijn. Vaak krijg je ook de kans niet om actie te voeren. Omdat je onvoldoende geïnformeerd bent. Omdat je onvoldoende tijd krijgt, voor voldongen feiten wordt geplaatst. Het had niet veel gescheeld of we hadden op een dag ineens vastgesteld: de ster is verdwenen.

De ster dankt haar redding aan een reeks toevallige ontmoetingen en gebeurtenissen. Katherine, Stijn en ik zullen door de ster voorgoed verbonden blijven. Intussen vond ik de moed opnieuw te gaan studeren en mijn werk te verlaten. Ik geef nu Nederlandse les aan mensen die de Noordster gevolgd zijn, op weg naar een vredevoller leven. De voorbije maanden passeerde ik elke dag langs de ster, op weg naar mijn nieuwe werk. Met de gedachte: een mens is soms sterker dan hij denkt.

Kerst 2019. Vier jaar na onze actie schittert de ster als nooit tevoren in Brussel Noord. Eén mysterie blijft. We weten nog steeds niet wie de ster ontworpen heeft. Na de overwinning vertelde iemand op onze Facebookpagina dat ze in het Noordstation een dame had aangesproken die een foto maakte van de ster. Ze bleek de dochter te zijn van de ontwerper. Ze vertelde dat haar vader het jaar ervoor op 90-jarige leeftijd overleden was. Hij was erg verknocht geweest aan zijn ster.

Dat is het enige wat we weten over de vader van de Noordster. Ooit hopen we zijn naam te kennen.

De Noordster in de gerenoveerde stationshal

Bekijk de reportage van Bruzz over de ster en bezoek de Facebookpagina van Red de ster.

Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.

Opinie: stadstol is geen pestbelasting

Beste Vlaams minister van Mobiliteit, beste Lydia,

If you love nature, go live in the city, they said. Zo gezegd, zo gedaan: we wonen inmiddels 20 jaar in Brussel. Ondertussen herken ik mijn groen Herentals van weleer bijna niet meer. Vol.Ge.Bouwd. Zoals de rest van Vlaanderen. Verkavelingetje hier, nieuwbouwwijkje daar.

Hey, iedereen moet mogen wonen waar hij of zij wil dus passons. Maar mogen de stedelingen – die meer dan hun duit in het klimaatzakje doen – dan ook een ‘beetje’ leefbaarheid vragen? Nee, we hoeven geen alleenstaande woning met tuin. Wij stapelen wel. We vragen gewoon een beetje lucht, misschien wat minder toeterende auto’s, een beetje ruimte, ja, die mag openbaar zijn, gewoon een stukje straat is al oké hoor. Jullie zijn nog altijd welkom met de auto, we willen alleen die files wat korter maken.

Nee zegt u? Inderdaad. De pendelaars geven u groot gelijk en blijken de weg naar het station maar niet te vinden. Kijk, daarom willen onze Brusselse ministers hen wat aanmoedigen met een tolheffing. Naughty naughty. Wat een pestbelasting zeg! Tiens, in Londen vinden ze dat nochtans al 17 jaar prima en iedereen weet wat voor meegaande diersoort dat is. Et voilà, nu zijn wij Brusselaars toch weer de bad guys zeker.

Maar mag ik ook eens iets zeggen: die pendelende auto’s in onze stad, die files, dat gevaar, die stank, de overlast, de schaarse openbare ruimte die wordt ingepikt, de stress voor het overstekende kind: wie zijn de pestkopjes in deze eigenlijk?

U fulmineerde zondag in De zevende dag: probeer maar eens met de trein van Leuven naar Brussel te komen. Wel Lydia: er zijn morgenvroeg maar liefst 6 treinen tussen 8 en 9 uur ‘s morgens. Zes! Daarna nodig ik je uit om het geweldige Brussels openbaar vervoer eens te proberen of – niet schrikken – de fiets. In 10 minuten zoef je van Brussel Noord naar Brussel Zuid. Wat moet dat niet geven op de elektrische fiets? 6 minuten? Want we hebben het hier over welgeteld DRIE volle kilometers. Maar ja, ai oeps auwch nee… de fiets in dat stinkende gevaarlijke Brussel. Dat is raar… tussen al die pendelaars. Bah.

Nadia Verbeeck

Sonia is weg

Sonia is weg. Weggerukt door een autochtone of allochtone onverlaat. Geroofd in een overdekte ondergrondse parkeergarage aan het Zuidstation in Brussel. Het QPark, uitgerust met surveillancecamera’s en gesurveilleerd door bozige geüniformeerde mannen met zware bottines en een hond. Daar werd Sonia met geweld meegenomen.

Nooit nog zal ik haar nog horen zeggen: ‘links aanhouden’, ‘flauw afdraaien’, ‘aan de volgende rotonde twee afrit van rechts’, of ‘herberekenen, herberekenen’. Zij had een Zuid-Nederlandse tongval, zonder spoortje dialect. Onmogelijk om te zeggen waar ze vandaan kwam.

Een aangename stem, soms irritant als ze door de radio heen begon te praten, of als ze aan een herberekening begonnen was. Dan kon ze zichzelf weleens herhalen en zo het verkeerde ding zeggen. Haar onverstoorbaarheid was uniek. Ze deed rustig verder, ook als ik haar voor stomme trut uitmaakte, of haar toeriep dat ze moest zwijgen.

Mijn vriend Bart heeft zijn Sonia Monique genoemd. Zij zit helemaal in het koetswerk van zijn Jaguar verwerkt en ze spreekt ook een toontje beschaafder. Na elke instructie zegt ze zelfs ‘alstublieft’. Mijn Sonia was mobiel en ze zat met een plug in de sigarettenaansteker. Dan ben je kwetsbaar voor autochtone of allochtone onverlaten die geen respect voor andermans eigendom hebben en die niet afgeschrikt worden door de veiligheidsmaatregelen van een dure betalende parking.

Op woensdagavond 28 augustus omstreeks 23.13 ontdekte ik de ingeslagen ruiten aan de passagierskant van mijn auto, en dus ook de afwezigheid van mijn Sonia. Glas overal. Ik was geschokt. Ging naar de nachtwaker die in een van alle mogelijke technische snufjes voorziene controlebokaal resideert en feliciteerde hem cynisch met de kwaliteit van zijn beveiliging. ‘Nog zo’n zagevent’, zag ik hem verveeld denken. ‘Monsieur, c’est chaque jour comme ça.’ Daar moest ik het mee doen. ‘Il y a de la police dans la gare,’ voegde hij er grootmoedig aan toe.

De politie bleek echter van het federale soort te zijn dat enkel binnen het Zuidstation mag optreden, ik moest bij de politie van de lokale soort zijn, die van Anderlecht. Die moesten hier ergens een bureau hebben. Probleem opgelost voor de federale jongens. Als we maar weten waar we belastingen voor betalen.

Sonia is dus weg. Hadden die onverlaten het op haar gemunt? Het betonnen autoparadijs afgedweild op zoek naar een gps met een Zuid-Nederlandse tongval? Met Bluetooth haar stralingen opgespoord? Heeft zij die jongens geprovoceerd, uitgedaagd, hen gejend met hun kansarme afkomst en diplomaloze curriculum? Ik denk het niet. Zo was ze niet. Ze maakte geen onderscheid des persoons. Een Amerikaanse tv-inspecteur zou zeggen : ‘she was in the wrong place at the wrong time.’

Sonia was geen gemakkelijke en ze liet al eens een steekje vallen, maar gedurende drie jaar heeft ze me toch grotendeels op het rechte pad gehouden. Haar taal getuigde van een ander ruimtelijk inzicht, dat toch wel aandoenlijk was. ‘Bij de rotonde tweede afrit rechts’ betekende eigenlijk ‘rijd rechtdoor’. Maar dat gaat dus niet, omdat die rotonde in de weg ligt. Elegante oplossing toch, en heel correct, en duidelijk. Ik ben niet zeker of ik zonder haar die rotondes wel foutloos kan nemen.

Jan Flamend (Sint-Truiden, 1959) studeerde Germaanse Filologie en Filosofie. Na zijn academische carrière aan het Instituut voor Literatuurwetenschap aan de K.U.Leuven, stapte hij over naar het zakenleven en werd hij commercieel directeur bij Hewlett Packard en bij Ubizen. In 2000 richtte hij het opleidingsbedrijf Valueselling op.

Waarom er meer autoloze zondagen zouden moeten zijn

De jaarlijkse autoloze zondag zit er weer op. Door de coronamaatregelen was het aantal activiteiten beperkt, maar er was heel veel volk in Brussel op de been, ook al door het stralende weer. Maar volstaat één zondag in het jaar? Greenpeace Brussels lanceert onder het motto ‘De straat is van u!’ een petitie die pleit voor zes autoloze zondagen per jaar, elke eerste zondag van april tot september. De milieuorganisatie noemt vijf goede redenen.

(c) Brussel Blogt
  1. Heel het jaar door nemen auto’s bijna 70% van de Brusselse openbare ruimte in beslag. Op een autoloze zondag kunnen zwakke weggebruikers ook gebruik maken van deze plekken. Een unieke gelegenheid voor jong en oud om hun stad opnieuw te ontdekken en te heroveren.
  2. Op een autoloze zondag is de luchtkwaliteit veel beter. De uitstoot van schadelijke stoffen door auto’s vermindert met bijna 70%.
  3. Een autoloze dag is een ideaal ontspannings- en ontmoetingsmoment voor de inwoners. In 2019 organiseerden 11 van de 19 Brusselse gemeenten gratis activiteiten. Het perfecte moment om van je vrije tijd, cultuur, sport en het samenleven te genieten.
  4. Op een autoloze dag kan je iedereen warm maken voor een zachte mobiliteit, onder andere door gratis openbaar vervoer en veiligere straten om te fietsen en te wandelen. Zo is een geleidelijke mentaliteitsverandering mogelijk.
  5. Door autoloze dagen kunnen we samen dromen van de stad van morgen: aangenamer, properder, duurzamer en inclusiever.

Je kunt de petitie ondertekenen op de website van 11 Million Voices.

Verkeerschaos op de werf van metro 3

Beste werfverantwoordelijken, aannemers, bouwheren, veiligheidscoördinatoren,

De situatie voor fietsers (en auto’s) op de werf van metro 3 op het kruispunt Stalingradlaan-Zuidlaan is helaas weer verslechterd. De New Jersey-blokken staan los en laten overal openingen en doorgangen toe. Dit heeft als gevolg dat auto’s de zeer schaarse ruimte voor fietsers en voetgangers – de fietspaden, voetpaden en zebrapaden – ook innemen en zo de file op de ring trachten te omzeilen.

Dit omzeilen van de file lukt nog ook, maar dat is uiteraard tot grote frustratie van de vele automobilisten die wél braaf de regels volgen. Zij worden immers de pas afgesneden, er worden bottlenecks gecreëerd en de file wordt alleen maar erger. Alles staat bumper tegen bumper en blokkeert. Het is een watervaleffect dat voor niemand goed is.

De situatie voor fietsers en voetgangers is uiteraard nog veel erger. Het hindernissenparcours voor de automobilist is al zo chaotisch – hij of zij moet een ware strijd leveren om een beetje vooruit te geraken – dat er al helemaal geen aandacht in zijn/haar brein nog kan overblijven om óók nog eens rekening te moeten houden met de fietser of voetganger. U zou met mij dit parcours eens enkele malen moeten doen per fiets, want ik kan me niet inbeelden dat u de ernst van de situatie beseft. Ik toon u dit met plezier.

Wist u trouwens al dat Google Maps bij file op de ring (veroorzaakt door deze bottleneck dus) de auto’s die komen van de Wetstraat in deze richting door het centrum en via de Nieuwlandstraat rechtsaf door deze onbedoelde werfdoorgang stuurt? Ik hou mijn hart al vast voor het begin van het schooljaar met de vele scholen in de buurt en dus de vele kinderen die zich er een weg door moeten banen. U heeft hier een enorme verantwoordelijkheid.

Los daarvan, kan ik eigenlijk moeilijk geloven dat het Jersey-ontwerp bedoeld is om meerdere jaren mee te gaan. Dat kan je toch niet meer tijdelijk noemen? Bovendien werkt dit ontwerp al helemaal niet als het niet gehandhaafd wordt. Ik ben er zeker van dat de ontwerpers de situatie met lede ogen aanzien. De volledige doorstroming en veiligheid valt als een kaartenhuis is elkaar als er één enkele betonblok wordt verplaatst. Doe hier iets aan, als u Brussel, zijn inwoners en zijn gebruikers een beetje serieus neemt.

Doe geen half werk, maar bekijk het globaal en hou rekening met iedereen. Of waarom bouwt u anders aan een nieuwe metrolijn?

Alvast bedankt voor uw reactie, uw actie op het terrein & vriendelijke groeten,

Bert

Bert Busselen is inwoner van Anderlecht en heeft kinderen die naar school gaan in Brussel. Hij schreef deze brief naar de verantwoordelijken voor de bouw van metro 3 (MIVB, Beliris en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest). De werken aan de Stalingradlaan en Zuidlaan zijn gelieerd aan de bouw van het nieuwe metrostation Toots Thielemans.

De Vismet revisited

Beste vrienden bij het Brusselse stadsbestuur,

Hier ben ik weer! En: ik ben hier niet om te zagen.

Ten eerste wil ik toch even kwijt dat jullie goed werk leveren. Ik schrijf dit niet om eens een flink potje te janken en zagen. Dit stukje is maar een kleine suggestie, een bijdrage om een steentje te helpen verleggen in de grote, woelige, wereldbefaamde, BXL-rivier. Een steentje. Beetje bij beetje dragen jullie ook bij aan beter Brussel.

Hier en daar, en in de mate van het mogelijke, maken jullie werk van een Brussel 2020 – 2030 godbetert – een Brussel waar alsmaar meer Brusselaars zich in terug kunnen vinden. En dat is goed. Goed voor ons, Brusselaars. Goed voor de 181.726 inwoners, de mensen die het moeilijk en nodig hebben, de fietsers, de toeristen, de handelaars, de smartlappen, vaartkapoentjes en zievereirs, noem maar op. Het tijdperk-Mayeur-Problème begint achter ons te liggen. Fijn zo.

Foto: Sophie Nuytten, in opdracht van VGC

Ten tweede. Ik las daarnet op onze internationaal gerenommeerde stadsgazet BRUZZ dat de heer Mangain nadenkt (‘de optie bestuderen’, heet dat dan in bobotaal), om na — uiteraard- een duchtig rondje gepalaver, de Vlaamsesteenweg autovrij te maken. En ik dacht bij mezelf: “Wel, dat zou eens niet slecht zijn.” Daarom dat ik avec plaisir wil bijdragen aan het bestuderen van deze optie.

Want wat moet een Brusselaar anders in deze coronatijden?

Ten derde dan: doe niet te zot, he mannekes. Versta me niet verkeerd. In deze coronatijden is het normaal dat de ruimtelijke capaciteit wordt opgetrokken voor cafés en restaurants. Ze moeten kunnen overleven natuurlijk. En als je een terrasje hebt van 2 vierkante meter. Tja. Ik bedoel maar. Ik las anderzijds wel dat er terrasuitbreidingen worden uitgedeeld alsof het rollen toiletpapier waren in de begindagen van deze helse coronaperiode. Hoe meer, hoe beter. Jullie gaan toch moeten opletten niet te veel terrasjes te willen aanleggen. De Brusselaar moet zich ook nog wat kunnen manoeuvreren doorheen de jungle terrassende pendelaars, datende lovebirds en dinerende kameraden.

De publieke ruimte is er niet om alleen maar gecommercialiseerd te worden. Zie maar goed wat er zich op het Sint-Katelijneplein voltrok. Free 54 kan erover meespreken. In niet-coronatijden, en op zeer zomerse zonnige dagen, staan daar haast twee tot drie verdiepingen aan terrassen, mochten ze kunnen. En de Brusselaar, de voetganger, de flaneur? Tja, die moet er zich maar tussen wurmen. Neerzitten langs de kant voor een drankje of hapje? Forget it.

En al zeker wanneer de bloemenmarkt, of biomarkt, of boekenmarkt, of Brusselse-biermarkt, of babymarkt, of boemelmarkt staat opgesteld op het 54-plein. Die combinatie zorgt ervoor dat er niets, maar dan ook niets meer overblijft voor de inwoner. Casual dining-plekjes zoals Ellis, Bavet, Umamido zijn al dominant genoeg. Vraag maar na in Elsene, Leuven, Gent, Antwerpen of Brugge. Zulke zaken zijn commercieel vergif, maar soit, dat is een andere discussie (Disneyland aan de Zenne: de discussie in Bruzz).

De publieke ruimte is er niet om alleen maar een utilitair doel na te streven. Gebruiken groeien organisch, zeker in de stad. En al zeker in Brussel. Neem nu de Vismarkt, de place to be voor menigeen na een dagje hard werk, of gewoon voor Brusselaars die op zoek zijn naar sociaal contact. De Vismarkt is een ontmoetingsplek geworden. Dat was 3 jaar geleden al zo. En dat is, zeker tijdens deze warme coronadagen, alleen maar gegroeid. Als stad kun je het dan ook niet maken om daar plotsklaps terrassen neer te gaan poten.

Dan hou je absoluut geen rekening met de 1000–2000 man die daar soms verzamelen blaast. Daarom lijkt het me aangewezen om breder te denken dan enkel de Vlaamsesteenweg. Ik zou dit doortrekken naar de Baksteenkaai en Sint-Katelijneplein.

Check ⚫ ️op de kaart en zie wat ik juist bedoel.

Maak daar delen autovrij van, of anderen stukken dan toch autoluw. Waarom? Wel, enerzijds: hoe minder auto’s in Brussel, hoe beter. Door de coronacrisis merkte ik vooral hoe weinig buurtbewoners een auto hebben. Tijdens de lockdown bleek er dagenlang parkeerplaats overal. Echt. Overal lege, lege, lege plekken. Je gaat mij dus niet wijsmaken dat de mensen hier wakker zullen liggen van een parkeerplaats meer of minder. Je kan dus gerust stellen dat de buurtbewoners hier niet diegene zijn die urenlang liggen rond te toeren op zoek naar parkeerplaats.

Nee, nee. Ik merk nu, nu de scholen geleidelijk opengaan, de werkplekken, de cafés en restaurants, dat het weer aanschuiven is voor een parkeerplekje. Dat de files zich weer gezapig vormen en dat het weer vrolijk tuffen is richting BXL. Er komt weer meer volk naar Brussel. Dat betekent dus: meer auto’s. Daarom stel ik: als je enerzijds de terrasjes wil uitbreiden, dan zal je anderzijds parkeerplaatsen moeten schrappen en grote delen van de Vismet autovrij maken. Waarom de Vismet?

Die plek is eigendom geworden van de Brusselaar. Het is een dagelijkse ontmoetingsplek geworden voor heel wat mensen. Zeker op zonnige dagen. vergelijk het met de Graslei en Korenlei in Gent of Dageraadsplaats in Antwerpen. Dat zijn organisch gegroeide ontmoetingsplekken in de stad.

Hier aan de Vismarkt is de infrastructuur niet aangepast aan de capaciteit. Er staan ten eerste al te weinig vuilnisbakken. Er staan te weinig bankjes. Er rijden daar dus nog te veel auto’s. Ze rijden vaak ook veel te snel op de Baksteenkaai. Dit wordt vrij gevaarlijk aan het begin, waar het ijssalon en water veel spelende kinderen telt en aan het punt met het Sint-Katelijneplein, waar restaurantgangers en obers (in niet-coronatijden) heen en weer hossen. Of gaan we wachten op een eerste dodelijk ongeval?

Ik schreef het al in 2018, maar die plek moet eens een flinke update krijgen. Daarom, opnieuw, onderstaande suggestie.

Water is heel belangrijk in een stad. Hoe zou Brussel er hebben uitgezien als de Zenne niet overwelfd zou zijn geweest? Stel je dat eens voor. Move over Brugge en Gent, hier is Brussel. Het is een oude droom om die oude overwelfde Zenne weer bloot te leggen. Misschien moet daar ook maar eens werk van gemaakt worden. Ik suggereer dus eveneens: breek de hele bassin voor de Anspach-fontein open en leg daar een subtiele, frisse, waterpartij aan.

Eugène Boudin — Haven van Brussel (1871)

Ten eerste. Daar hoort water te zijn, als referentie naar de haven Brussel die ooit tot daar kwam. Bekijk hier maar eens hoe de Franse impressionist Eugène Boudin dit schilderde. Zonder water vervalt de Vismarkt tot een dorre kei-woestijn.

Ten tweede. Aan het water zitten is gezellig, maar je wilt na 2–3 weken je voeten echt niet in dat bassin, dat openbare riool, steken hoor. Ik zou er geen slokje water uit willen drinken.

Ten derde. Neem op dat vlak een voorbeeld aan Keulen (check bovenstaande foto). Aan de Rijn ligt de Rheingarten. Het is een plek waar de Rijn en de Hohenzollern-brug elkaar kruisen. Prachtig plaatsje in het coole Keulen. Tijdens de lente- en zomermaanden hangen hier ook heel wat Keulse gezinnen hier in het parkje, op de terrasjes verderop en kuieren en luieren ze tussen de stenen van deze waterpartij.

Laten jullie je daardoor inspireren? Combineer dat dan met de geplande heraanleg van het parkje op de Steenkoolkaai en de Schuitenkaai. Je kan dit gerust doortrekken. De wandelboulevard op de Handelskaai, een gezellig parkje op de Steenkoolkaai en de Schuitenkaai, een autovrije (of -luwe?) zone op de Baksteenkaai met waterpartij waar het heerlijk toeven is.

Ik zeg het nogmaals: jullie leveren goed en hard werk. Dit stukje is dan ook maar louter een suggestie, een ideetje, een voorstel.

Jurgen Masure schreef deze tekst voor het bloggersplatform Medium.

Maak Ter Kamerenbos permanent autovrij

In het zog van de coronacrisis werden in Brussel recent hoopgevende stappen gezet op het vlak van mobiliteit. We denken aan de eenmaking van Ossegempark en het Park van Laken, de aanleg van nieuwe fietspaden, autovrije straten, woonerven, en het voorstel van burgemeester Philippe Close om het Ter Kamerenbos ook na afloop van deze bijzondere periode op zaterdag en op vakantiedagen voor doorgaand verkeer af te sluiten.

Wat dit laatste betreft willen we de Brusselse politici graag een hart onder de riem steken en aanmoedigen verder te gaan. Sluit het Ter Kamerenbos voorgoed af voor alle autoverkeer en zet een onontbeerlijke stap om de stad leefbaarder te maken voor een zo groot mogelijke groep mensen.

Waarom?

Steeds minder mensen werken klassiek van maandag tot vrijdag. Om maar één beroepsgroep te noemen die ons in deze crisis uit de nood helpt: zorgverleners maken geen verschil tussen week of weekend. Voor vele anderen is een park dat van maandag tot vrijdag een racebaan is niet meer van deze tijd. Daarboven heeft de coronacrisis het telewerk bevorderd. Voor veel burgers wordt die verandering wellicht permanent. Hierdoor heeft een steeds grotere groep mensen ook op weekdagen nood aan grote, toegankelijke groene ruimtes om ‘s ochtends, ‘s middags, of ‘s avonds aan sport te doen, of gewoon even pauze te nemen tussen twee shiften.

Het Central Park in New York is sinds 2018 volledig autovrij. Ook daar bleven chaos en opstoppingen uit. In het veel kleinere Brussel, hoofdstad van Europa, moet dat zeker kunnen. De wegen die momenteel door het park snijden verdubbelen onnodig de capaciteit van de grote slagaders: de Waterloosesteenweg en de Franklin Rooseveltlaan, die er parallel aan lopen. Het afsluiten van de wegen die door het Terkamerenbos lopen, waar gewoon te snel gereden wordt, brengt de toegankelijkheid van Brussel geenszins in het gedrang.

Toenemend telewerk en dus algemeen minder verkeersdruk zal ervoor zorgen dat het naburige Ukkel leefbaar blijft. Van het groeiend publiek dat naar dit volwaardig park komt kan ook Ukkel profiteren. 

Schrijver Tom Kenis startte deze enquête op 22 mei. De tekst in in drie talen opgesteld. Intussen ondertekenden al bijna 7.000 mensen. De MR van Ukkel lanceerde prompt een tegenpetitie. Moge de beste idee winnen!

Opgehokt

Rare tijden, heel de wereld geteisterd door een onzichtbare vijand die ongeveer alles lamlegt. Je wil het ‘monster’ een gezicht geven of op zijn minst een ander beeld voor ogen hebben dan het groen snotterig bolletje met buisachtige uitstulpingen dat in een twisted brein als het mijne aan een latex seksspeeltje doet denken (my dirty mind that on this very moment is no joy anymore).

Vandaag voel ik me voor het eerst een beetje moedeloos en claustrofobisch. Mag ik het wat van me af schrijven? Ik ben namelijk geen beller, nooit geweest. En de zaken die ik nu zie passeren, zijn al helemaal niet aan mij besteed: Zoom, Praatbox, Jitsi, Skype, Microsoft Teams, Houseparty, Google Meet, Whatsapp-videocall, enz. Noch in koorverband, noch voor onlinevergaderingen in werkcontext en eigenlijk ook niet voor familiezaken – al wil ik me voor dit laatste forceren indien nodig. Ik beklaag de mensen die plots gedwongen worden om via deze tools thuis te moeten functioneren, terwijl ze gelijktijdig een stel peuters, kleuters en/of tieners in toom moeten houden en schoolwerk dirigeren via nog andere elektronische platformen! En daarbovenop nog een huishouden moeten runnen…

Tot ik ziek werd verliep mijn coronamatisch leven nog vrij normaal. Ik ging alle dagen de deur uit naar mijn werk. Ik realiseerde me dat ik tot de happy few behoorde die nog gewoon naar buiten mochten als voorheen. Alleen, het was allesbehalve als voorheen. Onderweg werd het alsmaar wezenlozer omdat er haast geen ander levend wezen te bespeuren viel. Niet op de bus noch op de trein, maar ook niet wanneer ik me met de wagen verplaatste wegens ontoereikend openbaar vervoer. ‘s Avonds laat reed ik met de auto over lege rijvakken, ik wachtte als enige automobilist een kwartier tot een ellenlange goederentrein voorbijgesjoekt was maar er stond ondertussen niet één voertuig méér voor de barelen. Ook geen voetganger of fietser.

Overal werd er alleen nog maar gecommuniceerd over vorona si en corona là. De briefings op het werk waren verre van ‘brief’ en ze gingen vooral over de in het coronaverhaal passende voortdurend wijzigende afspraken, maatregelen, voorwaarden, veiligheidsvoorschriften en penaliseringen bij overtredingen daarvan binnen ons opvangcentrum. Het coronahandboek. De coronalijst (van mogelijk besmette bewoners die in quarantaine gezet werden). De corona-wiki, enz.

Door de nieuwsbulletins en de duidingsprogramma’s die je overal om de oren slaan, ja die zich ronduit aan je opdringen en die alléén maar over het virus gaan, ging ik angstig worden. Hulp, ik kom alle dagen buiten! Hulp, ik begeef me dagelijks tussen honderden mensen die de afstandsregels (althans de eerste weken) niet zo nauw nemen. Ook niet altijd nauw kúnnen nemen want verzoekers om internationale bescherming in een opvangcentrum leven noodgedwongen enorm dicht op elkaar. Ze slapen met 4 tot 7 op één kamer, ze eten in een refter die sowieso al te klein is, ze maken gebruik van gemeenschappelijk sanitair, van gemeenschappelijke tv-ruimten, van een gemeenschappelijke fitnessruimte, van gemeenschappelijke laptops, van gemeenschappelijke strijkijzers en -planken, spelmateriaal, poetsgerief; materiaal dat ik en mijn collega’s beheren, hanteren. Bovendien is het niet eenvoudig om al die ingewikkelde – en vaak veranderende – informatie aan anderstaligen uit te leggen!

In het begin mochten wij, werknemers, geen mondmasker dragen (de bewoners zouden kunnen denken dat we ziek waren en ook allemaal mondmaskers eisen, en… er waren onvoldoende mondmaskers). Dan mochten we enkel onder strikte voorwaarden in bepaalde situaties chirurgische mondmaskers voorbinden. Nu moéten we mondmaskers (gaan) dragen!

De vraag was op den duur niet meer of ik ziek zou worden, dan wel wanneer. Het onvermijdelijke gebeurde. Ik werd ziek. En ook mijn partner werd ziek en dat was erger. Want hij behoort tot een risicogroep of twee, drie.

Reeds bijna drie volle weken ben ik nu arbeidsongeschikt verklaard en mag ik het huis niet verlaten. Nog eens zovele dagen en het is letterlijk een ‘quarantaine’. Nooit eerder voelde ik me zo volkomen arbeidsongeschikt. Van week tot week moest ik mijn huisdokter bellen voor een evaluatie van de symptomen en telkens schreef ze een verlenging van het attest want ik was overduidelijk niet in staat om mijn werk te verrichten. Ik was “geen sjiek waard”. In het begin waren er koorts, hoofdpijn, spierpijn en stijve gewrichten, hoesten, geen stem meer hebben en vooral: moe zijn, altijd moe zijn, enkel willen slapen en in de zetel hangen. Ook de hele vreemde gewaarwording dat je je reukzin volledig kwijt bent, en niets meer proeft.

Daarna leek het te verbeteren maar het hoesten blijft en zeker het vermoeid zijn doorkruist je plannen om weer aan de slag te kunnen. Het gaat veel op en af, het lijkt beter en dan gaat het toch weer in neerwaartse spiraal. Je wil op een dag eens proberen om al die vuile was te doen want het wordt zo’n enorme stapel. Oké, daar is een apparaat voor, maar je moet ervoor naar beneden, je moet de was sorteren en daadwerkelijk in de machine steken en er product bijvoegen, na het wasprogramma de kledingstukken aan het rek te drogen hangen enz. Aan het eind van de rit ben je uitgeput en laat je die was maar wapperen want je kan amper uit de zetel.

Wat een geluk dat er lieve vrienden zijn die boodschappen aan huis brengen. Maar zelfs het bedenken en doorzenden van een boodschappenlijst vraagt soms te veel energie.

En wat een geluk dat mijn liefste meestal kookt en de heerlijkste maaltijden op tafel tovert. Tot hij (te) ziek werd en zelfs opgenomen moest worden in het ziekenhuis.

Dat is het allerergste, je wil niet weten hoe het voelt om je geliefde in een ambulance te zien verdwijnen en hoe een slap zwaaiend handje als een mogelijk lang of in het ergste geval zelfs definitief afscheid aanvoelt. Want deze onzichtbare vijand heeft al veel mensen weggerukt. Pijnlijk.

Y. wordt snel beter. Momenteel bevindt hij zich in die akelige omgeving waar verplegenden en dokters er eerder als brandweerlui uitzien met hun bevreemdende uitrusting. Er wordt keigoed voor de patiënten gezorgd, maar er mag helemaal geen bezoek komen en de organisatie loopt soms spaak omdat er een hele reorganisatie gebeurde waarbij vaak minder mensen het hele logistieke en verzorgende gebeuren op een andere afdeling op een heel andere wijze moeten bolwerken. Chapeau voor hen allen!

Ik ben blij dat mijn partner niet op intensive care ligt, hij is bij de ‘gelukkigen’ voor wie er vrijwel zeker een gunstige prognose is.

Een nieuw tijdperk lijkt aangebroken. Vroeger toen de dieren nog spraken wordt nu vroeger toen we elkaars grimassen en glimlachen nog konden onderscheiden, toen we elkaar nog een welgemeend schouderklopje konden geven, elkaar tijdens het groeten nog over de rug konden wrijven of in elkaars armen konden vliegen nadat we elkaar een poosje niet gezien hadden. Toen kinderen nog onbezorgd mochten ravotten en op elkaar springen, proeven van elkaars lolly, elkaar kopje onder duwen in het zwembad. Toen leerlingen bij een toets nog een poging konden doen af te kijken van hun ijverige buur. Toen we onze ouders nog onbeperkt mochten knuffelen, ook al waren ze reeds 80 en ouder, al dan niet in een rust- en verzorgingstehuis. Toen we in trein of bus nog rustig een praatje konden slaan met wie naast of tegenover ons zat. Toen mensen niet hoefden te aarzelen om een beetje te flirten op een bank in het park. Toen we nog lekker konden wegzakken in een cinemastoel en geïrriteerd een boze blik konden werpen op een luidruchtig chipsetende cultuurbarbaar vlak naast ons.

Nu zal een (denkbeeldige?) meetstok deel gaan uitmaken van het dagelijks leven.

Maar. Alles wordt beter. Als we ooit de maskers mogen afzetten.

Mattie Billen schreef deze tekst voor de blog Pierewit.

Daar is de flessenpost

Het jonge Brusselse bedrijf Contaynor moest snel schakelen tijdens de coronacrisis. Het transport voor bedrijven, vooral catering voor personeelslunches, viel weg van de ene dag op de andere. Nu levert de start-up dranken aan huis. Een gesprek met Andreas Van Assche (28), een van de twee oprichters.

Wat is het verhaal achter Contaynor?

Ik en Pieter-Jan (Wouters, nvdr) zijn oude schoolvrienden. We hebben allebei een economische richting gevolgd en het kriebelde om samen een zaak op te starten. In november 2019 hebben we Contaynor opgericht, een duurzaam transportbedrijf voor B2B. We leaseten bestelwagens en investeerden in een magazijn in Grimbergen.

We werkten al samen met traiteurs die aan bedrijven leverden tot de coronacrisis toesloeg. Dat verplichtte ons om het concept te veranderen.

Hoe kwamen jullie op het idee om dranken aan huis te leveren?

Heel simpel. We vroegen ons af wat bij het inkopen het lastigste is om naar huis te dragen. We dachten meteen aan zware bakken water, frisdrank of bier of kisten wijn. We contacteerden leveranciers en boksten snel een website in elkaar.

Bij ons bestel en betaal je via de webshop. We leveren aan huis, de dag na je bestelling. Je kunt je bestelling gemakkelijk volgen via track & trace. We bieden ook een extra service aan: we halen het leeggoed op als je opnieuw bestelt.

Jullie bieden opvallend veel Brusselse producten aan.

Klopt, we verkopen bier van Brasserie de la Senne en Brussels Beer Project en biologische limonade van Simone a Soif. We zetten lokale producten graag in de kijker.

Ik woon zelf in Molenbeek en Pieter-Jan in Brussel-stad. Ik kom uit Leuven, maar dat werd me te klein. Brussel geeft me meer prikkels.

Jullie streven naar ‘zero emission city delivery’. Hoe doen jullie dat?

We gebruiken elektrische bestelwagens van het Chinese merk Maxus EV80. Die zijn ideaal voor stedelijk transport. Nee, geen cargofietsen, omdat we grotere volumes in één bestelronde willen leveren. We laden onze vloot op in ons distributiecentrum, dat zonnepanelen op het dak heeft.

Hoe ver reikt jullie ambitie?

We hopen dat ons nieuwe concept aanslaat en dat we kunnen groeien, eerst in Brussel en de randgemeenten en daarna in andere Belgische steden. Ons voorbeeld is Flaschenpost, dat in Duitsland erg succesvol is. Het potentieel is er.

Contaynor heeft een eigen website, Facebook– en Instagrampagina.

Fonsnylaan verdient beter

Time flies. Bijna zeven jaar geleden schreef ik een stukje over het gevaar van de Fonsnylaan. Er kwamen toen lauwe reacties op van de toenmalige minister en staatssecretaris De Lille en Grouwels. Het was er gevaarlijk fietsen, het was er levensgevaarlijk, een toegangspoort naar Brussel onwaardig. Het is er nog steeds gevaarlijk, er is nog steeds bijzonder weinig gebeurd om de verkeersveiligheid te verbeteren. We zijn zeven jaar verder. Ook de PING IF YOU CARE campagne kon hier tot vandaag geen soelaas brengen.

Een echte fietsostrade

Nu, we blijven positief uiteraard. Zeker in coronatijden. Vandaar dit voorstel. Een droom voor sommigen, een kleine ingreep voor anderen die het echt willen. Een afgescheiden en veilig fietspad dat het centrum met Sint-Gillis en Vorst verbindt: lijkt dat jullie wat?

Moeilijk kan het niet zijn. Enkele parkingplaatsen zullen sneuvelen, maar die zijn er ondergronds genoeg onder het Zuidstation. De verf-fietspaden zullen plaats maken voor een oker fietspad. De stoep wordt verbreed en krijgt wat meer groen. Zo krijg het nieuwe Zuidstation, want er is er eentje in de maak, er meteen een mooie boulevard bij. De situatie nu, met wat verf op asfalt, is onaanvaardbaar en een ambitieuze stad onwaardig.

Zuilenattractie

We zijn aan het dromen. Wie de Fonsnylaan een beetje kent weet ook dat er je op een gegeven moment onder een zuilengang begint te fietsen. Vandaag ietwat verloederd en helemaal onderbenut. Naar analogie met wat ze in Lyon doen met de Croix-Rousse tunnel kunnen we de zuilengang van Fonsny ook een nieuw leven geven. Hieronder volgt een simulatie van cycletainment.

Vorst staat bekend om zijn culturele instellingen: WIELS, BRASS, Fondation A, de abdij, P.A.R.T.S. Waarom vragen we artiesten die verbonden zijn met het WIELS bijvoorbeeld niet om een video-interventie te doen in de Fonsny-zuilengang? Een dansvoorstelling door ROSAS? Of maken we video’s die toeristen én Brusselaars wat kunnen bijbrengen? Thematisch bijvoorbeeld: van de Brusselse geschiedenis, tot sport of groen in de stad. Op die manier wordt deze zuilengang een landmark, een toegangspoort naar het centrum of naar Sint-Gillis en Vorst.

Aan creativiteit ongetwijfeld geen gebrek, waar blijft de ambitie?

Update: Ik kreeg heel wat vragen over het ontbrekende voetpad. Voor alle duidelijkheid: het is een droom- en geen expertenbeeld. Ten tweede lijkt het me logisch dat er zich onder de zuilengang geen voetpad bevindt aangezien er ook geen huizen zijn, zo wordt het een snelle doorgang zonder gevaar voor andere zachte weggebruikers.

Kwinten Lambrecht heeft zijn eigen communicatieagentschap KWIN. Hij blogt over Brussel, mobiliteit, duurzaamheid en een vleugje politiek op zijn blog Lambyk.