Author: Gast

GR-wandeling van Brussel naar Woluwe

Brussel is een knooppunt van tal van Grote Routepaden. De GR579 vertrekt van achter de Sint-Michiels en Sint-Goedelekathedraal in de Belgische hoofdstad en loopt tot in Luik, maar ook de GR126 gaat van Brussegem via de kathedraal tot aan de Semois. Tot slot is er de GR12 die Amsterdam en Parijs verbindt en op zijn weg door Brussel passeert.

Sint-Michiels en Sint-Goedelekathedraal

Ik maak van de gelegenheid gebruik om mijn geboorte- en thuisstad voor te stellen en maak hierbij gebruik van de GR12, maar ook de GR512, die door de zuidelijke randgemeenten en het Zoniënwoud loopt. Een mooie wandeling langs tal van toeristische trekpleisters en andere blikvangers. Het wordt voor de verandering een eerder atypische dagtocht, niet alleen in bossen of in de velden. De eerste twintig kilometer gaan immers grotendeels door de stad.

Beginnen doe ik aan het Centraal Station van Brussel en ik begeef me dan naar het knooppunt van de GR126 en 579 met de GR12 achter de kathedraal. Een verguld beeld van drakendoder Sint-Michiel, patroonheilige van de stad en tevens naamgever van de kathedraal, wacht me daar op. Onder zijn goedkeurend oog begin ik aan dit stedelijke avontuur, waarbij ik regelmatig voor een verkeerslicht halt moet houden. Maar dat zal de pret niet bederven.

Na een paar honderden meters draai ik de Beenhouwersstraat in. Het straatje staat bekend om zijn restaurants, maar van kwaliteit is daar weinig sprake (op misschien Aux Armes de Bruxelles na, en dan nog). Het is eerder de soms agressieve en aanklampende manier van de restaurantuitbaters om toeristen te lokken die van zich doet spreken. Het blijft wel een charmant straatje, ware het niet dat er al een tijdje geen terrassen meer mogen staan en corona geeft het al helemaal een zielige aanblik.

Onderweg passeer ik nog de Koninklijke Sint-Hubertusgalerijen. Dan gaat het over het mooiste plein van de wereld: de Grote Markt. Tot de jaren ’70 was de Grote Markt zo waar een openluchtparking. Gelukkig is dat tegenwoordig niet meer het geval, al zorgen bestelwagens wel voor wat drukte op het lege plein. De vele gildenhuizen kregen in de afgelopen jaren ook een nodige poetsbeurt, zodat de Grote Markt tegenwoordig straalt. Bij Manneken Pis, waar het in normale tijden ook over de koppen lopen is, is nu amper een toerist te bespeuren.

In de Villersstraat kom je nog een stuk van de 11de-eeuwse omwalling tegen. In november 2018 stortte een deel van de muur in en viel op de speelplaats van de daarachter liggende Sint-Jorisschool. Gelukkig gebeurde dat op een zondagnacht en vielen er dus geen gewonden. Enkele meters verder staat ook nog een toren van diezelfde omwalling, op de Keizerslaan.

Stadsmuur uit de 11de eeuw

Via de Grote Zavel, het parkje van de Kleine Zavel en het Egmontpark kom ik bij het Justitiepaleis (eind 19de eeuw) uit. Dat uit de kluiten gewassen gerechtsgebouw is van de hand van Joseph Poelaert, ook wel smalend “Skieven Architèk” genoemd door de Marolliens en Brusseleirs. Voor de bouw van dat onding moest een deel van de volkswijk Marollen tegen de vlakte. Het gebouw is onpraktisch en totaal niet geschikt als gerechtsgebouw. Al jaren vinden er herstellingswerken plaats en die duren nu al zo lang dat de stellingen ook al hersteld moesten worden. Een kleine anekdote: ik heb het gebouw nooit zonder stellingen gekend en ik woon al mijn hele leven (35 jaar!) in Brussel. Vanaf het Poelaertplein voor het Justitiepaleis heb je ook een mooi panorama over de hele stad.

De GR loopt van het Justitiepaleis naar de Hoogstraat, een van de twee evenwijdige assen die de Marollen doorsnijdt. Je kan ofwel de lift nemen, of de zigzaggende weg (eerder een parking) naar beneden volgen. Na 4,5 kilometer kom ik bij de Hallepoort uit, waar ik de Kleine Ring moet oversteken. De Hallepoort maakte ooit deel uit van de tweede stadsomwalling van Brussel uit de 14de eeuw. Al is het huidige gebouw een fantasietje van architect Hendrik Beyaert die er eind 19de eeuw zijn ding mee mocht doen. Tegenwoordig is het een museum dat wel de moeite waard is om te bezoeken.

Ik kom in de populaire gemeente Sint-Gillis, dat met het gelijknamige voorplein over een hotspot beschikt voor cafégangers. Al is daar in de huidige omstandigheden natuurlijk niks van te merken. Langs het impressionante gemeentehuis van Sint-Gillis wandel ik naar het Park van Vorst, gevolgd door het bosachtige Dudenpark. Nu de bomen hun bladeren kwijt zijn kan je het stadion van Union Saint-Gilloise zien liggen. Ooit was dit een van de beste voetbalclubs van België, met maar liefst 11 landstitels en 8 tweede plaatsen tussen 1904 en 1933.

Het pad gaat in een grote boog om Hoogte 100 heen. Je kan er de bleke Sint-Augustinuskerk zien staan. Via de Coghensquare en de Sint-Pieterskerk kom ik bij de Heldensquare en het Wolvendaalpark uit. De GR gaat niet door het park, maar volgt de Crabbegatweg. Deze oude voetweg is één van de laatste van zijn soort in heel Brussel. De weg blijkt gesloten voor renovatiewerken, maar dat merk ik pas als ik halfweg ben en er plots een karrevracht kasseien over de hele breedte van het pad ligt. Omdat het ondertussen ook is beginnen regenen, is het geen pretje om daarover te wandelen.

Crabbegatweg

Na zo’n 11 kilometer passeer ik het kerkhof van Dieweg. Ik ga er niet binnen, maar het is wel de moeite om er een kijkje te nemen als je het nog niet kent. Het heeft wat van Père Lachaise in Parijs, maar bij ons beperkt het aantal beroemdheden met een graf op het kerkhof zich tot Hergé (tekenaar van Kuifje), Paul Hankar (architect, bekend om zijn art nouveau), Charles Woeste (politicus) en Jean-Pierre Cluysenaar (architect en de man achter de Sint-Hubertusgalerijen). De Dieweg loopt door tot aan het treinstation van Ukkel-Kalevoet. Daarachter is het park van de Keyenbempt, waar ook de Groene Wandeling passeert. Hier zijn nog steeds overblijfselen van een molen aan de Geleytsbeek die begin 20ste eeuw in verval raakte.

Wat verder steek ik de onzichtbare grens tussen het Brussels Gewest en Vlaanderen over in Drogenbos. Het kasteel aldaar is lelijk, maar verderop is er wel een mooi park: het Frankveld. Na 16 kilometer, bij de spoorwegbrug, kom ik aan de splitsing van de GR12 met de GR512. Opletten dus, of voor je het weet ben je in Parijs. Ik moet door het Dwersbos en Kleetbos naar Linkebeek. Ook hier is een treinstation: Holleken (na 21,5 km). Langs villabuurten, velden en soms flink wat modder, gepaard met af en toe een regenbui, kom ik na bijna 25 kilometer bij de Waterloosesteenweg. Die steek ik over om in het Zoniënwoud te geraken.

Het gaat nu vijf kilometer in bijna rechte lijn. Voor de kruising van de Duboislaan is er het Monument voor de Boswachters uit 1920. Op de Bundersdreef die pal op de grens tussen Brussel en Vlaanderen ligt, kan ik stevig tempo maken. Het is ten noorden van deze dreef dat ik als kind opgroeide. Dat deel van het bos was mijn speelterrein. Leuke herinneringen! Pas na de tunnel onder de spoorweg en de oversteek van de Terhulpsesteenweg wordt het pad echt interessant en verlaat ik de brede boswegen.

Het Eikendalpad langs een van de waterloopjes die de Drij Borrenvallei vormen is een van mijn favoriete paden in het Zoniënwoud. Bij de kruising met de Tamboerdreef verlaat ik de GR512 en ga via de Blankedelleweg en het Drieborrenpad richting E411-snelweg. Die autoweg snijdt, net als de Brusselse Ring, jammer genoeg het Zoniënwoud in stukken. Aan de overkant wacht met het Rood Klooster (oorsprong 14de eeuw) wel nog een pareltje. Zeker in de drie warmste seizoenen is dit een ideale plek om tot rust te komen met prachtig natuurschoon. Via nog wat kleine paadjes en de villawijk Putdaal kom ik aan het einde van de tocht, aan tramhalte Madoux in Sint-Pieters-Woluwe (niet te verwarren met metrostation ‘Madou’, zonder x).

Rood Klooster

Wil je je ook aan deze mooie wandeling wagen? Download de GPX van deze wandeling hier.

Met het openbaar vervoer: Startpunt ligt bij het trein- en metrostation “Centraal Station”. Eindpunt ligt aan de tramhalte Madoux in Woluwe, vanwaar je met de tram (39 of 44) en na overstap op de metro (halte Montgomery, lijn 1) binnen een half uur terug aan het Centraal Station bent.

  • Datum: Dinsdag 22 december 2020
  • Pad: GR12 + GR512
  • Afstand: 35,7 kilometer
  • Stijgingsmeters: 396m
  • Dalingsmeters: 370m

Alternatieve dagtochten:

  • Centraal Station Brussel > Ukkel-Kalevoet (treinstation): 12 kilometer
  • Centraal Station Brussel > Drogenbos Kasteel (tram 51 naar Zuidstation): 13,8 kilometer
  • Centraal Station Brussel > Holleken (treinstation): 21,5 kilometer
  • Ukkel-Kalevoet > Tramhalte Madoux: 24 kilometer
  • Drogenbos Kasteel > Tramhalte Madoux: 22 kilometer
  • Holleken > Tramhalte Madoux: 14 kilometer

Michel schreef deze tekst voor zijn wandelblog Ultimate Hiking.

Ode aan Brussel

Brussel

Uw gesnurk soest me

Uw beweging roert me

Uw files vertragen de dagen

Het kan altijd erger

We mogen niet klagen

Brussel

Uw ritme laat me dansen

Uw sfeer laat me zoeken naar nog niet gegrepen kansen

Uw snelheid maakt me zweverig

De inhoud van de veel te dure winkels hebberig

Mag ik u hebben nu?

Ik stel me vragen

Ze zijn niet allemaal even mooi

Maar bij de comment ça va, peux-tu encore respirer

valt het gewicht van mensen zonder daken

boven het hoofd nog mee

of wordt het moeilijker te dragen?

Brussel

Uw moeilijkheden dagen ons uit

Laten ons groeien

Laten ons slapen op straten die veel te smal zijn

om anderhalve meter te bewaren

Brussel

U bent de stad die rust op schouders

van gastarbeiders, hoeren en zij die dapper genoeg waren

om er huizen te bouwen

met inwoners die eindeloos in een beter morgen vertrouwen

Brussel

Met uw ontelbare wegen

die ons met elkaar verbinden

kom ik vaker dan eens de ander tegen

in de weerspiegeling van de regen

kan ik de wereldstad vinden

in de glimlach van een vreemde

in alles wat u ons leerde

With your many languages from yesteryear

in between your thighs I hold no fear

Met uw inwoners die niet van stoppen weten

Elke dag van nieuwe culturen proeven

Laten we onze buren niet vergeten

We weten wel beter

Brussels, Bruxelles, Brussel,

Misschien bent u wel thuis

En thuis delen we met velen

Allen verschillend

Maar zou het voor geen seconde anders willen

De Antwerpse woordkunstenaar Hind Eljadid schreef deze ode aan Brussel voor Citizenne Vormingsplus. Ze geeft workshops, lanceerde het sociaal-artistieke platform ZonderWolk en treedt regelmatig op met haar eigen teksten, zoals onlangs bij de Toots-sessies op Canvas. Haar literaire debuut Kruimeldief, geïllustreerd door haar zus Zarah, verschijnt in januari bij EPO.

Opinie: stadstol is geen pestbelasting

Beste Vlaams minister van Mobiliteit, beste Lydia,

If you love nature, go live in the city, they said. Zo gezegd, zo gedaan: we wonen inmiddels 20 jaar in Brussel. Ondertussen herken ik mijn groen Herentals van weleer bijna niet meer. Vol.Ge.Bouwd. Zoals de rest van Vlaanderen. Verkavelingetje hier, nieuwbouwwijkje daar.

Hey, iedereen moet mogen wonen waar hij of zij wil dus passons. Maar mogen de stedelingen – die meer dan hun duit in het klimaatzakje doen – dan ook een ‘beetje’ leefbaarheid vragen? Nee, we hoeven geen alleenstaande woning met tuin. Wij stapelen wel. We vragen gewoon een beetje lucht, misschien wat minder toeterende auto’s, een beetje ruimte, ja, die mag openbaar zijn, gewoon een stukje straat is al oké hoor. Jullie zijn nog altijd welkom met de auto, we willen alleen die files wat korter maken.

Nee zegt u? Inderdaad. De pendelaars geven u groot gelijk en blijken de weg naar het station maar niet te vinden. Kijk, daarom willen onze Brusselse ministers hen wat aanmoedigen met een tolheffing. Naughty naughty. Wat een pestbelasting zeg! Tiens, in Londen vinden ze dat nochtans al 17 jaar prima en iedereen weet wat voor meegaande diersoort dat is. Et voilà, nu zijn wij Brusselaars toch weer de bad guys zeker.

Maar mag ik ook eens iets zeggen: die pendelende auto’s in onze stad, die files, dat gevaar, die stank, de overlast, de schaarse openbare ruimte die wordt ingepikt, de stress voor het overstekende kind: wie zijn de pestkopjes in deze eigenlijk?

U fulmineerde zondag in De zevende dag: probeer maar eens met de trein van Leuven naar Brussel te komen. Wel Lydia: er zijn morgenvroeg maar liefst 6 treinen tussen 8 en 9 uur ‘s morgens. Zes! Daarna nodig ik je uit om het geweldige Brussels openbaar vervoer eens te proberen of – niet schrikken – de fiets. In 10 minuten zoef je van Brussel Noord naar Brussel Zuid. Wat moet dat niet geven op de elektrische fiets? 6 minuten? Want we hebben het hier over welgeteld DRIE volle kilometers. Maar ja, ai oeps auwch nee… de fiets in dat stinkende gevaarlijke Brussel. Dat is raar… tussen al die pendelaars. Bah.

Nadia Verbeeck

Sonia is weg

Sonia is weg. Weggerukt door een autochtone of allochtone onverlaat. Geroofd in een overdekte ondergrondse parkeergarage aan het Zuidstation in Brussel. Het QPark, uitgerust met surveillancecamera’s en gesurveilleerd door bozige geüniformeerde mannen met zware bottines en een hond. Daar werd Sonia met geweld meegenomen.

Nooit nog zal ik haar nog horen zeggen: ‘links aanhouden’, ‘flauw afdraaien’, ‘aan de volgende rotonde twee afrit van rechts’, of ‘herberekenen, herberekenen’. Zij had een Zuid-Nederlandse tongval, zonder spoortje dialect. Onmogelijk om te zeggen waar ze vandaan kwam.

Een aangename stem, soms irritant als ze door de radio heen begon te praten, of als ze aan een herberekening begonnen was. Dan kon ze zichzelf weleens herhalen en zo het verkeerde ding zeggen. Haar onverstoorbaarheid was uniek. Ze deed rustig verder, ook als ik haar voor stomme trut uitmaakte, of haar toeriep dat ze moest zwijgen.

Mijn vriend Bart heeft zijn Sonia Monique genoemd. Zij zit helemaal in het koetswerk van zijn Jaguar verwerkt en ze spreekt ook een toontje beschaafder. Na elke instructie zegt ze zelfs ‘alstublieft’. Mijn Sonia was mobiel en ze zat met een plug in de sigarettenaansteker. Dan ben je kwetsbaar voor autochtone of allochtone onverlaten die geen respect voor andermans eigendom hebben en die niet afgeschrikt worden door de veiligheidsmaatregelen van een dure betalende parking.

Op woensdagavond 28 augustus omstreeks 23.13 ontdekte ik de ingeslagen ruiten aan de passagierskant van mijn auto, en dus ook de afwezigheid van mijn Sonia. Glas overal. Ik was geschokt. Ging naar de nachtwaker die in een van alle mogelijke technische snufjes voorziene controlebokaal resideert en feliciteerde hem cynisch met de kwaliteit van zijn beveiliging. ‘Nog zo’n zagevent’, zag ik hem verveeld denken. ‘Monsieur, c’est chaque jour comme ça.’ Daar moest ik het mee doen. ‘Il y a de la police dans la gare,’ voegde hij er grootmoedig aan toe.

De politie bleek echter van het federale soort te zijn dat enkel binnen het Zuidstation mag optreden, ik moest bij de politie van de lokale soort zijn, die van Anderlecht. Die moesten hier ergens een bureau hebben. Probleem opgelost voor de federale jongens. Als we maar weten waar we belastingen voor betalen.

Sonia is dus weg. Hadden die onverlaten het op haar gemunt? Het betonnen autoparadijs afgedweild op zoek naar een gps met een Zuid-Nederlandse tongval? Met Bluetooth haar stralingen opgespoord? Heeft zij die jongens geprovoceerd, uitgedaagd, hen gejend met hun kansarme afkomst en diplomaloze curriculum? Ik denk het niet. Zo was ze niet. Ze maakte geen onderscheid des persoons. Een Amerikaanse tv-inspecteur zou zeggen : ‘she was in the wrong place at the wrong time.’

Sonia was geen gemakkelijke en ze liet al eens een steekje vallen, maar gedurende drie jaar heeft ze me toch grotendeels op het rechte pad gehouden. Haar taal getuigde van een ander ruimtelijk inzicht, dat toch wel aandoenlijk was. ‘Bij de rotonde tweede afrit rechts’ betekende eigenlijk ‘rijd rechtdoor’. Maar dat gaat dus niet, omdat die rotonde in de weg ligt. Elegante oplossing toch, en heel correct, en duidelijk. Ik ben niet zeker of ik zonder haar die rotondes wel foutloos kan nemen.

Jan Flamend (Sint-Truiden, 1959) studeerde Germaanse Filologie en Filosofie. Na zijn academische carrière aan het Instituut voor Literatuurwetenschap aan de K.U.Leuven, stapte hij over naar het zakenleven en werd hij commercieel directeur bij Hewlett Packard en bij Ubizen. In 2000 richtte hij het opleidingsbedrijf Valueselling op.

Wat bezielt die Brusselse jongeren toch?

Een grote groep Brusselse jongeren, voornamelijk met migratieachtergrond, worden niet bereikt via klassieke media en lappen de coronamaatregelen aan hun laars. Dat is kort samengevat de boodschap die op 21 oktober in ‘De Afspraak’ weerklonk. De verontwaardiging in de studio was voelbaar. Hoe kan het toch dat die jongeren deze situatie niet serieus nemen? Hoe onverantwoordelijk om zich wantrouwig op te stellen en niet mee te werken aan dit gezamenlijk doel!

De verontwaardiging deed me een beetje denken aan iemand die vol ongeloof vaststelt dat het binnen regent in het huis dat hij of zij al jaren verwaarloost.

Want uiteraard kunnen WIJ ons niet voorstellen dat de urgentie van de situatie niet doordringt tot die groep jongeren. Wie op een of andere manier met hen in grootsteden in contact komt, van leerkracht, jeugdopbouwwerker tot politieagent, zal ik niet moeten overtuigen van een andere, veel pijnlijkere ‘waarheid’. Deze jongeren hebben een fundamenteel wantrouwen tegenover de maatschappij en zijn instituties. Van VDAB (of Actiris), school, openbare omroep tot politie. Vraag aan deze jongeren naar hun ‘rating’ van deze diensten en je mag er van op aan dat er meer dan één mediacampagne of Instagram-account nodig is om hier iets aan te veranderen. Het probleem wortelt veel dieper.

Want zeg nu zelf, als je dit leest is de kans groot dat school een plaats is waar je een diploma hebt gehaald? Wel, voor hen is dat een plaats waar je geschorst wordt. Voor jou is politie er om je te beschermen, voor hen is het iemand die je te pas en te onpas fouilleert of je identiteitskaart opvraagt. Voor jou helpt VDAB je om je droomjob te vinden, voor hen zijn het jobaanbiedingen waar je toch niet voor in aanmerking komt.  En ga zo maar door.

Uiteraard gaat dit niet voor allen op, toch is de vaststelling dat voor jongeren in sommige Brusselse straten geen enkel bewijs van het tegendeel voorhanden is. In dat klimaat van wantrouwen gaan fake news en complottheorieën binnen als zoete broodjes. Om dat te zien hoef je geen panel van experts in te huren.

Doordat we zo’n fundamenteel andere kijk hebben op welke kansen de samenleving ons biedt zitten we nu met velen hoofdschuddend te kijken naar die Brusselse ‘probleemjongeren’. Onze samenleving spoort op twee snelheden, met een steeds groter wordende groep die al veel te lang achterop hinkt en zijn achterstand als onoverbrugbaar ziet. Het is simpelweg het gevolg van een structurele verwaarlozing van een ganse generatie.

Maar genoeg vaststellingen en pessimistische boodschappen. Jongeren zijn fundamenteel veerkrachtig, want hun leven ligt voor en niet achter hen. Ze willen, net als u en ik, dromen, plannen maken voor hun toekomst en beter doen dan hun ouders. En deze crisis heeft één voordeel: het wrakhout van onze maatschappij is komen bovendrijven en we weten allemaal dat er iets móet veranderen. We zien de juiste intenties ook bij beleidsmakers, bijvoorbeeld door in te zetten op influencers om deze werelden weer dichter bij elkaar te brengen. Maar zo gaan we er niet geraken. Het onderliggende probleem zit bij het fundamenteel wantrouwen in elkaar. Het momentum is daar om het structureel over een andere boeg te gooien.

Scholen moeten omgevingen worden die je nooit laten vallen en die sociale gelijkheid in de hand werken. Politiemensen moet de wijken opnieuw leren kennen en weten wat er speelt. Want als alleen interventieploegen actief zijn in een wijk dan heeft de politie daar maar één gezicht waar vooral naar gespuwd zal worden. Het lijstje is eindeloos. Al die diensten en instellingen moeten een herkenbaar gezicht krijgen en de hand uitsteken. Straathoekwerkers en jeugd(opbouw)werkers weten het al jaren. Van achter een bureau is nog geen enkele band met een jongere ontstaan, laat staan via digitaal contact. Geef deze mensen dus de ruimte om alle jongeren te bereiken en gebruik hun expertise ook op andere terreinen.

En de jongeren zelf, hoor ik je denken? Wel, die dragen natuurlijk ook een verantwoordelijkheid. Een die ze willen opnemen zoals we dat zelf ook wilden toen we jong waren. Maar ze nemen die enkel als er ook in hen geloofd wordt. Als we hen zeggen dat we dit verhaal samen schrijven en zeggen dat er wél een toekomst is voor hen. We zouden kunnen beginnen met een blijk van bewondering voor alle jongeren die de maatregelen wél respecteren en dat doen in keiharde omstandigheden. Dat werkt beter dan een beschuldigende vinger vanuit een ruime woonkamer met haardvuur.

En tot slot. Laten we voorbij het gevoel van verontwaardiging gaan over wat we nu zien. Laten we deze jongeren een hand reiken en het huis herstellen. Want we wonen onder hetzelfde dak.

Jan Langeraert schreef dit opiniestuk. Hij is medewerker bij Groep INTRO en jeugdwerkadviseur in de Vlaamse Jeugdraad.

De kaakslagflamingant

Louis is een overtuigde flamingant. Hij heet eigenlijk Lode, maar we noemen hem Louis. Dat irriteert hem soms. ‘Ik noem Lode,’ roept hij dan. Wij repliceren: ‘Je heet Lode, maar wij noemen je Louis.’ En dan weet hij niet meer wat te zeggen. Zoals bij de meeste flaminganten is zijn Nederlands niet zo goed.

(c) Taverne du Passage

Hij is een goede vriend, valabele kerel, maar dat flamingantisme, het is niet gemakkelijk om dat erbij te nemen. Bij hem is het vooral een kaakslagflamingantisme. Hij voelt zich altijd verongelijkt en tekort gedaan. Een woord Frans in zijn omgeving is een persoonlijke belediging en hij kan dan heel kregelig en vervelend worden. Vlaming zijn, of flamingant, dat ziet hij als zijn opdracht, zijn identiteit, en dat moeten wij, zijn vrienden maar aanvaarden.

Zijn familie met haar donkere geschiedenis heeft er genoeg voor afgezien. ‘In het collaboratiecachot, zeker,’ roept Linkse Willy dan. Willy krijgt het op zijn heupen van dat slachtoffergedrag van de zwarten, zijn vader was bij de Witte Brigade en hij werd door een zwarte geliquideerd. Maar toch, we zijn vrienden, en we proberen onze verschillen te overstijgen.

Dus, die avond zaten we in de Taverne du Passage in de Brusselse Koningsgalerij. Louis, Willy, Hubert en ikzelf. We gingen americain met friet eten. De zaak is daarvoor bekend. We verheugden ons op een gezellige avond eten, drinken, babbelen, roddelen, grappen vertellen. Oude vrienden onder elkaar, quoi.

Louis roept de ober. ‘Garçon!’ De obers in de Taverne du Passage dragen nog zo’n ouderwets wit vestje, koperen knopen, en zwart-gouden epauletten. Een rijzige man met een tarwekleurige huid en donker haar komt naar ons toe. Hij buigt lichtjes voorover, bekijkt ons alle vier in de ogen, glimlacht uitermate vriendelijk en hij zegt: ‘Messieurs. Vous désirez?’

Ik zie Louis verstijven. ‘Vlaams’, blaft hij. De ober is erg verschrikt door de brutale toon van Louis en hij is compleet verbouwereerd. Hij bevriest en hij kijkt hulpeloos naar ons, de tafelgenoten van Louis. Deze pijnlijke seconden lijken eeuwen te duren. De ober herpakt zich, en probeert het in het Engels. ‘Gentlemen, good evening. How can we serve you?’ Vriendelijk en beleefd, maar iets meer op zijn hoede.

Louis blaft opnieuw, ‘Vlaams!’ Willy en Hubert zeggen niets. Ze willen Louis helemaal op zijn vlaamskiljonse bakkes laten gaan, in dit gerenommeerde Brusselse restaurant dat heel veel internationale toeristen aantrekt. Mensen aan andere tafels beginnen naar ons te kijken. Ik hoor er een zeggen. ‘Voilà les flamouches’. Alsof er nog iets moest bewezen worden. Subtekst : Vlamingen zijn grove boeren, onbeschofte hufters die niet thuis horen in een klasserestaurant.

Ik sta op en ga de manager halen. Die staat achteraan aan de toog de zaak te superviseren. De zaak zit redelijk vol. Ik fluister hem in het oor dat we een communautair probleem hebben. Hij geeft me een wereldwijze knipoog en stapt gezwind op onze tafel af. ‘Heren. Welkom in de Taverne du Passage.’ Perfect Nederlands, met een licht Hollands randje. Willy vraagt neutraal: ‘Mogen wij de kaart?’ ‘Natuurlijk.’ De manager geeft teken aan de verbouwereerde ober.

‘Wacht eens even.’ Louis kan het niet laten. ‘Wij werden in het Frans aangesproken door deze man.’ Alsof er een roofmoord gepleegd werd, de natuurlijke orde van het universum verstoord werd en hij tot in het diepst van zijn wezen mishandeld werd. De manager neemt het rustig op , de ober is de menu’s gaan halen. Louis zegt het nog eens. ‘Wij werden in het Frans aangesproken.’

‘Ja, dat is mogelijk. We hebben heel veel nationaliteiten in ons cliënteel. 75 procent van onze klanten spreekt Frans, 20 procent Engels en 5 procent Nederlands. ’Hij laat een stilte vallen om Louis de kans te geven zijn klacht uiteen te zetten. Die stilte zegt: wat is er met jou aan de hand, man?

Louis begint ongemakkelijk op zijn stoel te schuiven. Hij weet dat hij in deze materie geen steun van zijn maten moet verwachten. ‘Je hebt hem ‘garçon’ genoemd, toen je hem geroepen hebt, Louis. Dan verwacht de man dat er Frans zal gesproken worden.’ zegt Willy. ‘Je had ober kunnen zeggen.’ Hubert steekt het mes nog wat dieper en voegt er ook wat zout bij. Louis zit erbij als door de hand Gods geslagen.

De verkoper in de manager neemt over. ‘Zal ik de bestellingen opnemen, heren?’ ‘Vier keer americain,’ zeg ik. ‘Wenst u een voorgerecht?’ ‘Wat stelt u voor? ‘We hebben zeer lekkere ajuinsoep, of escargots. Of carpaccio van zalm.’ Louis vindt nog steeds dat hij onheus is behandeld en hij zit ostentatief te mokken.‘Kan die man geen Nederlands?’ Wij draaien onze oogbollen naar boven, en Willy zegt: ‘Het is nu genoeg, Louis.’

De manager zet zijn meest empathische gezicht op, maar de blik in zijn ogen is duidelijk verhard. ‘Achmed is twee jaar geleden uit Syrië als vluchteling in België aangekomen. Hij is tandarts en zijn hele familie werd door de Assad-clan uitgemoord. Zijn vader was een vooraanstaande politicus en er staat nog steeds een prijs op het hoofd van Achmed. La Taverne du Passage helpt met vluchtelingenwerk en ik heb hem aangeworven omdat hij redelijk Frans en Engels sprak, en omdat hij hard werkt, heel vriendelijk en beleefd is tegen onze klanten. Wij zijn allemaal heel trots op Achmed en veel klanten komen speciaal voor hem. Wij zullen hem graag ook Nederlandse les laten volgen. Bent u misschien bereid om hem Nederlands te leren?’

Zo’n verpletterende glimlach heb ik nog nooit gezien. Noch zo’n harde blik in zijn ogen. En Louis? Louis, die was uitgeteld. Ik had bijna medelijden met hem. Maar het is zoals mijn moeder altijd zei: ‘Wie zijn gat verbrandt, moet op de blaren zitten.’

Jan Flamend (Sint-Truiden, 1959) studeerde Germaanse Filologie en Filosofie. Na zijn academische carrière aan het Instituut voor Literatuurwetenschap aan de K.U.Leuven, stapte hij over naar het zakenleven en werd hij commercieel directeur bij Hewlett Packard en bij Ubizen. In 2000 richtte hij het opleidingsbedrijf Valueselling op.

Verkeerschaos op de werf van metro 3

Beste werfverantwoordelijken, aannemers, bouwheren, veiligheidscoördinatoren,

De situatie voor fietsers (en auto’s) op de werf van metro 3 op het kruispunt Stalingradlaan-Zuidlaan is helaas weer verslechterd. De New Jersey-blokken staan los en laten overal openingen en doorgangen toe. Dit heeft als gevolg dat auto’s de zeer schaarse ruimte voor fietsers en voetgangers – de fietspaden, voetpaden en zebrapaden – ook innemen en zo de file op de ring trachten te omzeilen.

Dit omzeilen van de file lukt nog ook, maar dat is uiteraard tot grote frustratie van de vele automobilisten die wél braaf de regels volgen. Zij worden immers de pas afgesneden, er worden bottlenecks gecreëerd en de file wordt alleen maar erger. Alles staat bumper tegen bumper en blokkeert. Het is een watervaleffect dat voor niemand goed is.

De situatie voor fietsers en voetgangers is uiteraard nog veel erger. Het hindernissenparcours voor de automobilist is al zo chaotisch – hij of zij moet een ware strijd leveren om een beetje vooruit te geraken – dat er al helemaal geen aandacht in zijn/haar brein nog kan overblijven om óók nog eens rekening te moeten houden met de fietser of voetganger. U zou met mij dit parcours eens enkele malen moeten doen per fiets, want ik kan me niet inbeelden dat u de ernst van de situatie beseft. Ik toon u dit met plezier.

Wist u trouwens al dat Google Maps bij file op de ring (veroorzaakt door deze bottleneck dus) de auto’s die komen van de Wetstraat in deze richting door het centrum en via de Nieuwlandstraat rechtsaf door deze onbedoelde werfdoorgang stuurt? Ik hou mijn hart al vast voor het begin van het schooljaar met de vele scholen in de buurt en dus de vele kinderen die zich er een weg door moeten banen. U heeft hier een enorme verantwoordelijkheid.

Los daarvan, kan ik eigenlijk moeilijk geloven dat het Jersey-ontwerp bedoeld is om meerdere jaren mee te gaan. Dat kan je toch niet meer tijdelijk noemen? Bovendien werkt dit ontwerp al helemaal niet als het niet gehandhaafd wordt. Ik ben er zeker van dat de ontwerpers de situatie met lede ogen aanzien. De volledige doorstroming en veiligheid valt als een kaartenhuis is elkaar als er één enkele betonblok wordt verplaatst. Doe hier iets aan, als u Brussel, zijn inwoners en zijn gebruikers een beetje serieus neemt.

Doe geen half werk, maar bekijk het globaal en hou rekening met iedereen. Of waarom bouwt u anders aan een nieuwe metrolijn?

Alvast bedankt voor uw reactie, uw actie op het terrein & vriendelijke groeten,

Bert

Bert Busselen is inwoner van Anderlecht en heeft kinderen die naar school gaan in Brussel. Hij schreef deze brief naar de verantwoordelijken voor de bouw van metro 3 (MIVB, Beliris en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest). De werken aan de Stalingradlaan en Zuidlaan zijn gelieerd aan de bouw van het nieuwe metrostation Toots Thielemans.

Alhambrawijk kreunt onder drugs- en prostitutieoverlast

Beste burgemeester Philippe Close

De laatste weken is de drugs- en prostitutieoverlast weer enorm toegenomen in de wijk. De situatie nu lijkt nog intenser dan die van 2018, toen we drie dagen lang de overlast in de Alhambrawijk hebben gefilmd.

Openlijk druggebruik, het roken van crackpijpen, drugsdeals in het zicht van iedereen, inbraken en vandalisme, vechtpartijen, geroep en getier, ruzie onder gebruikers, prostituees en klanten, enz. Het is alsof wij bewoners voor het drugs- en prostitutiemilieu helemaal niet bestaan.

Covid maakt het er niet gemakkelijker op. Enerzijds zien we prostituees ronselen op straat zonder masker over de neus. Anderzijds kunnen de bewoners de openbare ruimte niet gebruiken – nochtans een noodzaak in tijden van corona – omdat er grote groepen junkies door de straten waren. Het is dagelijks slalommen tussen miserie, arrogantie, ruzies, maar ook menselijke uitwerpselen, urine, achtergelaten vuil, enz.

Vanuit onze ramen zien we hoe grote groepen prostituees, junkies, klanten en dealers in tijden van corona de meest elementaire maatregelen niet respecteren. Als wij daartegen een ‘speelstraat’ organiseren met alle nodige voorzieningen en vergunningen van de stad krijgen we tot viermaal controle van de interventiepolitie.

De hele dag door zijn er incidenten waarvoor we de 101 moeten bellen.

Een tijd geleden was er een steekpartij tussen drugsverslaafden aan de KVS. Deze keer geen dode, maar de Lakensestraat en alle zijstraten werden om een forensisch onderzoek mogelijk te maken een tijdlang voor het verkeer afgesloten.

Een prostituee werd onlangs beroofd in de Koopliedenstraat en schreeuwde minutenlang de hele wijk bijeen. Wel vijftien bewoners keken vanuit hun raam om te zien wat er gebeurde. Dag en nacht voor overlast zorgen, maar dan wel op de hulp van de omwonenden rekenen in geval van nood.

Heroïneverslaafde prostituees werken klanten overdag openlijk af op straat zoals onlangs nog in de Van Gaverstraat, de Pelikaanstraat en heel dikwijls in de Bloemenstraat of aan de inrit van de garages van The Cosmopolitan.

Sommige klanten maken ongegeneerd misbruik van sekswerkers die in precaire omstandigheden leve, maar als je hen daarop aanspreekt dan riskeer je niet alleen een agressieve reactie van de klant maar ook van de prostituee.

Een prostituee heeft een bewoner in het gezicht gespuwd en dan gezegd dat ze covid heeft. Hij heeft klacht tegen haar ingediend.

Dus, ‘Mond houden, deur achter u dichttrekken en negeren wat er op straat gebeurt’, dat lijkt wat er van ons verwacht wordt maar voor de meeste bewoners – dikwijls geëngageerde mensen die zich op allerlei manieren inzetten voor een leefbaardere stad – is dat een onmogelijke opgave. De frustratie is daarom heel groot momenteel.

Zoals u weet ijveren wij als wijkcomité al sinds 1999 voor structurele maatregelen om de prostitutie- en drugsoverlast aan te pakken.

Onze video van 2018, toen we drie dagen lang de drugoverlast hebben gefilmd, heeft mede de aanzet gegeven tot de opstart van een gebruikersruimte op het grondgebied van de Stad Brussel, een initiatief dat we altijd hebben gesteund.

We zijn nu jaren verder en de gebruikersruimte – nochtans helemaal af – heeft nog altijd de deuren niet kunnen openen om administratieve redenen.

En zo ook met de prostitutieproblematiek. Er moeten oplossingen gevonden worden op regionaal, liefst federaal niveau. Enkel zo kan een kader gecreëerd worden dat fatsoenlijke leef- en werkomstandigheden garandeert voor de sekswerkers. U kunt zich voorstellen dat deze ambitie ons als buurtcomité ver te boven gaat. Maar het is wel degelijk de taak van onze politici en alle bevoegde administraties om tot zo’n kader te komen.

Ondertussen willen we dat de stad en de lokale politie alle middelen aanwendt om de afwerkhotels en prostitutiecafés in onze woonwijk voorgoed te sluiten en zo de daarmee gelieerde overlast op straat aanpakt. Drugs en prostitutie horen niet thuis in een woonwijk, niet nu en ook niet in de toekomst.

1. We hadden een update gewild van hoever de stad nu precies staat in de aanpak van de afwerkhotels en de prostitutiecafés in de wijk. We begrijpen dat u het momenteel druk heeft met het toepassen van de covid-maatregelen maar de afgelopen zes maanden hebben we geen enkel antwoord van uw kabinet meer gekregen op onze mails. Nochtans staat u bekend voor een nabijheidscommunicatie en heeft u ons bij het begin van uw legislatuur tweemaandelijkse vergaderingen beloofd.

2. Wat de lokale politie betreft, we beseffen dat nu met covid de maandelijkse vergaderingen niet kunnen plaatsvinden. Wel hadden de wijkregisseurs veel beter hun rol kunnen opnemen door ons via mail te informeren over nieuwe richtlijnen en beslissingen die belangrijk zijn voor de wijk. Van de wijkregisseurs hebben we sinds maart bijna niets meer gehoord, en dat ondanks onze mails met vraag naar informatie.

Gelukkig hebben we een proactieve wijkagent die ons wel op regelmatige tijdstippen informeert, over het verplicht dragen van mondmaskers door de straatprostituees bijvoorbeeld, of de nieuwe voorschriften voor de afwerkhotels, de openingsuren van de nachtwinkels, enz. Informatie maakt voor ons echt wel een verschil uit. Het geeft perspectief en houvast.

3. We vragen een strikte toepassing van alle covid-maatregelen:

Het mondmasker is verplicht voor iedereen, ook voor de straatprostituees, de uitbaters van de nachtwinkel aan de KVS en het personeel in de prostitutiecafés. In dat opzicht zijn ze niet anders dan u of ik, of al het reguliere horecapersoneel in de wijk dat de hele dag door met masker op moet werken.

De afwerkhotels noteren de namen en telefoonnummers van hun klanten niet. Ook daar moet controle op komen. Het kan toch niet dat een man van bil gaat met een prostituee en dan gewoon huiswaarts keert zonder contactgegevens na te laten. In geval van een besmetting kunnen de bevoegde instanties die klant niet traceren, en zo komt zijn eigen gezondheid, maar ook die van zijn familie, vrienden, collega’s en andere klanten in gevaar.

De nachtwinkels moeten ’s nachts dicht en mogen na middernacht niet nog stiekem alcohol verkopen zoals de nachtwinkel aan de KVS dat doet.

Om een efficiënte controle te kunnen uitvoeren zou de lokale politie meerdere malen per dag te voet en in burger door de wijk moeten patrouilleren. We hopen dat die controles er zo snel mogelijk komen want de situatie momenteel is onhoudbaar.

Meneer de burgemeester, dit is alweer een noodkreet van een woonwijk in moeilijkheden. We hebben uw hulp nodig, want we worden overspoeld door drugs en prostitutie.

We hopen dat u met ons communiceert en dat u de lokale politie de opdracht geeft om een duidelijk actieplan op te stellen.

We zijn als bewoners van de Alhambrawijk wel wat gewoon. We begrijpen dat het speciale tijden zijn en dat ook andere wijk hun problemen hebben. Maar aan alles zit een grens en die is sinds enige tijd overschreden.

Alvast bedankt voor uw reactie.

Comité Alhambra

Het Comité Alhambra stelt zich tot doel om de leefbaarheid van de wijk rond de Lakensestraat te verbeteren en de belangen van de bewoners en handelaars te verdedigen. De groep heeft een tweetalige website en is erg actief op Facebook. 

Flower place

Een voluptueuze dame, gehuld in een verlepte bloemetjesjurk en voorzien van een bijbehorend Oostblokaccent, spreekt me aan in de buurt van het Brusselse Centraal Station. ‘Excuse, where flower place?’ Daar heb ik niet zo gauw van terug. ‘Flower place?’

‘Yes, nice flower place.’ Zo, dat vermindert meteen het aantal zoekresultaten drastisch. ‘I show’, zegt ze, en steekt de hand in eigen boezem. Uit bovenvermelde jurk haalt ze niet waar ik even aan gedacht had, maar een stuk van een doorweekt krantenartikel. Ze heeft het zo te zien warm gehad.

Op de foto bij het vochtige artikel kan ik nog net met enige moeite de Grote Markt onderscheiden, versierd met een bloementapijt, zoals dat om de twee jaar enkele dagen in augustus te bewonderen valt. Alleen is het nu geen augustus, niet die paar dagen, en bovendien net dat andere jaar.

‘Is not now’, verval ik in haar pidgin-Engels.
‘You not know?’ begrijpt ze. ‘OK, I ask other person.’

Het Bloementapijt is dit jaar afgelast door de coronacrisis. Het evenement wordt op op zaterdag 15 augustus vervangen door een klank- en lichtspel op de Grote Markt, dat ook te volgen is op Facebook Live (zie Facebookpagina Flower Carpet en website van Stay Safe Events).

Roger Delahaye schrijft stukjes. Een bloemlezing verschijnt in december in zijn boek ‘Stukjes metaal’.

Een aarzelende schoonheid

We zijn op weg naar Brussel, voor een concert van onze favoriete band. Ze spelen voor de tweede avond op rij een uitverkochte show. “Heb je gezien wat ze gisteren speelden?”, vraagt mijn vriend aan het stuur naast me.

Ancienne Belgique

“Serieus, staat die playlist online?”, vraag ik terwijl ik mijn telefoon uit mijn broekzak haal. “Ze spelen nooit twee avonden na elkaar allemaal dezelfde nummers”, zegt hij. “Anders is het voor hen ook niet plezant.” “Ja, daar is iets van”, zeg ik. “Dat is alsof je elke dag hetzelfde zou eten. Alhoewel, vroeger bakten we thuis op maandag de overschot van de op zondag gekookte aardappelen in de pan. Met wat er over was van de groenten. Ik vond het dan nog beter smaken.” We hebben tijd om over vroeger te mijmeren.

“Ze hebben gisteren ‘Hesitating beauty’ gespeeld”, zeg ik met een blik op de setlist. “Wist je dat Woody Guthrie die song geschreven heeft?” Natuurlijk weet hij dat. “Dat wordt geen aarzelende schoonheid vanavond”, zegt hij. We hebben tijd om taallolligheden in het rond te strooien.

Nog meer dan het liedje zelf, is de titel van de song een parel. Schoonheid begint aarzelend. Het laat zich niet meteen zien. Soms moet je twintig keer naar een schilderij kijken om die schoonheid te zien. Of een song telkens opnieuw beluisteren. Of dertig keer een gedicht lezen. Echte pracht neemt een aarzelende start, maar blijft dan hangen. Maar dat vertel ik allemaal niet in de auto.

“Van Brussel zeggen ze ook dat het een aarzelende schoonheid is”, zeg ik. “Na een tijdje ga je ervan houden.” Dat aarzelend blijkt te kloppen. De bus die ons vanaf de randparking naar de concertzaal brengt, moet aan een slakkengangetje rijden. Brussel zit potdicht. Alsof het prachtig concert ook aarzelend op gang moest komen.

Wilco

Rudi Lavreysen schrijft columns en verhalen. Binnenkort verschijnt zijn eerste bundel ‘Allesbehalve super’. Meer info vind je op zijn website.