Ik bevind me, buiten de Ring, tussen de Pedevijver en de Westland Shopping, Anderlecht: kleine wandelpaden, een heuvelachtig landschap, vierkantshoeven en uitgestrekte vlakten. Opmerkelijke rust ook. De Neerpedebeek kabbelt het Pajottenland door, richting Zenne. Op een van de heuvels staat de Luizenmolen. Bruegel doemt op in mijn fantasie.
(c) Gaetan Carlier
Fans van Suske en Wiske kennen de molen uit ‘Het Spaanse Spook’. Willy Vandersteen liet zich erdoor inspireren toen hij het album in 1950 tekende. Historisch klopt dat niet. Het stripverhaal speelt zich af in de 16de eeuw, aan de vooravond van de Beeldenstorm. De molen werd pas gebouwd in 1864. Bruegel noch de Spanjaarden hebben hem ooit gezien.
Vijf jaar na publicatie van de strip werd de molen, die in verloederde staat verkeerde, gesloopt. In 1999 bouwden molenliefhebbers een kopie en sindsdien is de Luizenmolen opnieuw in werking. Je kan zien hoe de molen functioneert en hoe het graan vroeger tot meel werd gemalen.
Sinds 2007 is de Luizenmolen een beschermd monument. Het moet een van de meest recent opgerichte gebouwen zijn die deze eer te beurt vallen.
In de reeks Verborgen sporen langs de Brusselse Ring gaat fotograaf Gaetan Carlier op zoek naar bijzondere plekken langs de belangrijkste verkeersader van en naar de hoofdstad. Meer info over de Luizenmolen vind je bij Erfgoed Brussel.
De fictiereeks Generatie B is deze zomer opnieuw te zien op VRT NU. Het absurdistische geesteskind van Joost Vandecasteele en Pieter Van Hees intrigeert door zijn messcherpe satire en behoort tot het geestigste wat de afgelopen jaren op tv-gebied in Vlaanderen gemaakt werd.
Het uitgangspunt van Generatie B is eenvoudig: België zinkt weg in een diepe crisis nadat de rating van het land verlaagd is van AA+ naar B. De zondebok is snel gevonden: de hoopopgeleide blanke jongeren in de stad. Zij vallen ten prooi aan werkloosheid en kunnen zich geen dak meer boven hun hoofd permitteren. De volgevreten babyboomers laten intussen geen kruimels vallen van hun rijke feestdis. De ouders zijn in die ijzeren economische logica niet langer de beste vrienden van hun kinderen. Geen wonder dat het Generation Liberation Front het licht ziet.
Te laat geboren
Tegen die grimmige achtergrond proberen twintigers in Brussel te overleven. We zien hoe Jonas (een rol van Jeroen Van der Ven) zich tevreden moet stellen met een gehuurde zetel in een schamel appartement en een nachtelijke job in een ondergronds callcenter onder leiding van slavendrijver Ibrahim (Zouzou Ben Chikha). Hij kan zijn ex-vriendin Brulletje (Eva Binon) maar moeilijk vergeten. Flatgenote Lisa (Ella-June Henrard) probeert als wrapster aan de bak te komen, al moet ze daarvoor met de tv-producent naar bed gaan. Voor Sebastiaan (Jeroen Perceval) gaan vrije liefde en politieke revolutie hand in hand: “Deze keer gaan ze echt ontploffen, die babyboomers!” De goeroe leidt een sekte met stuk voor stuk bloedmooie vrouwen.
De reeks valt niet alleen op door de verfrissende kosmopolitische insteek, die het Vlaanderen van onder de kerktoren feestelijk negeert, maar ook door de ijzersterke dialogen. Een voorbeeld: als Jonas te horen krijgt dat hij als loslopende jongere moet terugkeren naar zijn eigen land, verdedigt hij zich door te zeggen dat hij hier geboren is. “Maar te laat”, is het gevatte antwoord. Of wat te zeggen van de vraag van één miljoen van Sebastiaan: “Brussel vraagt toch ook geen geld aan al die pendelaars die hier komen werken?”
Van vlees en bloed
De levensechte dialogen dragen er ook toe bij dat de personages mensen van vlees en bloed worden. Antihelden, zeg maar. Jonas tracht zich bijvoorbeeld vergeefs los te rukken van zijn bemoeizuchtige moeder en slaagt er niet in om geld los te weken bij zijn grootvader tijdens een familiefeest dat volledig ontspoort. Hij klampt zich vast aan het verleden en kan moeilijk keuzes maken. Lisa doet zich stoer voor, maar is hopeloos romantisch en drinkt te veel.
Ondanks het bevreemdende absurdisme zijn sommige geschilderde wantoestanden pijnlijk herkenbaar voor de jeugd van tegenwoordig. Denk maar aan de uitbuiting op de arbeidsmarkt door stagecontracten en andere onbeschermde statuten, de verre droom van een eigen huis voor jonge tweeverdienersgezinnen en discriminatie van bepaalde groepen.
De jeugdige acteurs, die vooralsnog weinig schermbekendheid genieten, voelen zich zichtbaar in hun sas, terwijl er ook heerlijke gastrollen weggelegd zijn voor gevestigde waarden als Josse De Pauw, Peter Van den Eede, Damiaan De Schrijver, Anemone Valcke en Katelijne Damen.
En ja, er is ook naakt te zien. Het geslacht van Jeroen Perceval bungelt al eens nonchalant in beeld. Het is eens iets anders dan borsten. De soundtrack bevat aanstekelijke Franstalige rap. Generatie B ging in 2017 in première op Canvas. De reeks bevat zes afleveringen van circa 35 minuten. Nog tot 31 augustus 2020 te zien op VRT.NU.
Heb je ideeën rond leren, opgroeien, meedoen, samen maken, ontmoeten of gezond leven in Brussel? Van grote uitgewerkte plannen tot kleine voorstellen, alle ideeën zijn welkom bij de Vlaamse Gemeenschapscommissie. De VGC gebruikt de input als ‘stadspiratie’ om haar beleid voor de komende jaren uit te stippelen.
Van 19 februari tot 15 mei kunnen Brusselaars en Brusselgebruikers op het drietalige online platform Stadspiratie hun ideeën indienen en erop stemmen. Burgers en organisaties komen op 6 juni samen om een aantal ideeën verder uit te werken tot concrete voorstellen. Na een tweede bijeenkomst met verenigingen, organisaties, buurten en burgers die zich willen engageren om de ideeën ook effectief mee te realiseren, vloeien de resultaten door naar het meerjarenplan 2021-2025 van de VGC.
De eerste ingediende ideeën: één tarief voor alle zwembaden voor alle inwoners van het Brussels Gewest, een regelmatig overleg tussen scholieren van verschillende scholen om te praten over hun ideeën over het Brusselse onderwijs, taalbuddy’s om de talenkennis te verbeteren, collectief tuinieren op school.
Zelf je idee indienen kan op de website van Stadspiratie.
Heb jij het voorbije weekend ook zo goed gevierd? Naar jaarlijkse traditie gingen we naar het Bal National. Voor wie hier nog nooit is geweest: zeker reeds aanstippen in de agenda van volgend jaar. De dag vóór onze Nationale feestdag vindt er al een pré-feestje plaats op het Vossenplein. Al is ‘feestje’ misschien wat misplaatst, het is een heus volksfeest waar je moet geweest zijn om het gevoel van het Bal National te kunnen beschrijven.
Wat ons meteen opviel, was dat er vanaf het begin meer volk op het appel aanwezig was. Achteraf bleek dat er nog nooit zoveel volk aanwezig was geweest. En ook deze keer was het een feest om ‘u’ tegen te zeggen. De regenbuien waren al verdreven en de polonaises kwamen op gang.
Bal National (Vossenplein – Place du Jeu de Balle) 20 juli 2019
De avond/nacht werd beëindigd met een pakje friet en bijhorende kaaskroket.
Op zondag vierden wij met z’n allen onze Nationale feestdag. De voormiddag begon voor ons vrij rustig, maar we besloten dan toch om eens richting Warandepark te trekken.
Aandachtspunt voor ons, een tip voor iedereen: zeker tijd nemen om dit programma rustig te bekijken. De Joodse Synagoge was uitzonderlijk open. Jammer dat we dit hebben gemist, maar er was dan ook zo veel te doen! Zo hebben we voor de eerste keer het Justitiepaleis bezocht. Ondertussen kwamen we langs attracties voor jong en iets minder jong (klimmuren, tanks waar je in kon gaan, oude volksspelen waarmee je kon kennismaken…). Muzikaal werden de oortjes getrakteerd op nostalgische deuntjes van Queen. Maar voor je denkt dat alleen Radio Nostalgie paraat was: wees gerust, in het Warandepark was de hiphopscene overduidelijk aanwezig.
We sloten dit feestweekend af met een optreden. Nog wat moe van het Bal maar genietend van het volk om ons heen. Geloof me, niet alleen tijdens het voetbal is er een tous-ensemble-gevoel, maar ook het afgelopen weekend. Wij werden er bij momenten zelfs emotioneel van. Zo vieren wij onze feestdag… tous ensemble. Wij waren blij om erbij te zijn en met jullie te vieren…want dit was onze feestdag van jou, van mij, van ons allemaal.
En volgend jaar? Dan maken we er een Nationaal feestweekend van!
Er bloeit iets moois in Anderlecht. De Community Land Trust Brussel wil vier leegstaande magazijnen in de Pastoor Cuylitsstraat omvormen tot negen betaalbare collectieve koopwoningen. In afwachting van de verbouwing kunnen sociale en culturele verenigingen er hun projecten ontvouwen. Buurtbewoners en geïnteresseerde bezoekers waren gisteren uitgenodigd om er de iftar te vieren, de maaltijd die in de ramadan na zonsondergang de vasten breekt.
Vier loodsen, vier voorlopige bestemmingen. De eerste ruimte wordt gebruikt voor laagdrempelige sociale, culturele en vormingsactiviteiten. Zo organiseert Samen voor Morgen er regelmatig straatfeesten en wordt het pand de ontmoetingsplaats voor de toekomstige bewoners van de woningen. Home for Less zal in de tweede loods twee modulaire woningen voor daklozen bouwen. Het bouwproces wordt een participatief proces. Het derde magazijn richt zich op stadslandbouw: de ontwikkeling van verticale tuinen en de kweek van champignons. In de vierde loods bewaart het jonge artistieke collectief Gilbard rest- en recuperatiemateriaal van bedrijven en bewoners en stelt het ter beschikking voor de buurt. In de werkplaats kan iedereen met het materiaal aan de slag.
Community Land Trust Brussel heeft op elf verschillende plaatsen in Brussel projecten lopen. Gezinnen met een bescheiden inkomen kunnen een eigen woning kopen, maar de grond blijft eigendom van de gemeenschap. Coördinator Geert De Pauw: “We kopen met de steun van het Brussels Gewest een grond aan en zoeken naar een mix van kopers. Na een oproep krijgen de geïnteresseerden die het langste lid zijn de woning toegewezen. We hebben momenteel 400 gezinnen op de wachtlijst staan. De vraag naar betaalbare woningen is dus enorm.”
Niet alleen buurtbewoners zijn afgezakt naar de iftar, maar ook Franse architectuurstudenten, die in Gent en Brussel voorbeelden van tijdelijk gebruik en collectieve woonvormen komen bekijken. ‘Monsieur Geert’ krijgt van de locals veel complimenten, omdat het project een positieve dynamiek teweegbrengt en zich uitdrukkelijk openstelt voor de buurt. Een bewoner van Noord-Afrikaanse afkomst toont trots een krantenartikel van vele jaren terug dat hem portretteert als symbool van integratie, omdat hij voor België kungfukampioen was. Na de terreuraanslagen van 2016 heeft hij het wantrouwen tussen gemeenschappen enkel zien groeien. De verkiezingsuitslag in Vlaanderen baart hem zorgen.
Als de klok kwart voor tien aangeeft, wordt het startschot gegeven van een grote, vriendelijke receptie, met muntthee in plaats van cava. Het buffet is aangevuld met dadels en noten, brood en beleg, soep en vooral veel zoet gebak. Tussen de gasten bewegen joelende kinderen, die de weg naar de trampoline gevonden hebben. Kan het Pastoor Cuylitsproject een springplank worden voor de ketjes van Anderlecht?
Het vierde nummer van het Brusselse interreligieuze magazine Glimp is uit. Het thema van de valentijnseditie is de liefde. Koppels met een andere levensbeschouwelijke achtergrond gingen met elkaar in gesprek tijdens double dates.
“Brussel is een betere matchmaker dan Tinder. Er zijn in de stad zo veel activiteiten en kansen om fijne mensen te ontmoeten”. Dat zei Bianca Debaets, Brussels staatssecretaris voor Gelijke Kansen, bij de voorstelling van het magazine. Koppels delen vaak eenzelfde levensbeschouwing, maar niet altijd. Brussel is volgens Debaets “een stadsmozaïek van religies”.
De geselecteerde koppels in het nummer zijn inderdaad divers. Rahel en Sebastian zijn een Zwitsers-Belgisch echtpaar met een protestants-evangelische overtuiging. Jeremy en Natalie zijn ingeweken uit de Verenigde Staten en belijden het anglicisme. Theodora en haar man Georges zijn orthodox. Miłka, een Poolse atheïste, is samen met Roger, een niet praktiserende Argentijnse jood. François en Baptiste zijn een protestants homopaar. Mathias en Elisabeth zijn allebei vrijzinnig, David en Shelly joods en Ihsane en Youssef moslim.
Het blad wil de interreligieuze dialoog op gang brengen en legt de focus op de vele gelijkenissen, en niet op de verschillen. Koppels vinden elkaar in de eerste plaats in gedeelde interesses en waarden. De religieuze overtuiging van de partner speelt een rol, maar ook de culturele achtergrond en uiteraard de persoonlijkheid. Elk stel heeft zijn rituelen. Kinderen opvoeden, betekent waarden doorgeven. Vrienden met een andere levensbeschouwing openen je geest voor de wereld, zegt Ihsane.
In onze geseculariseerde samenleving wordt religie meer en meer als een privézaak gezien. Ikzelf kom als katholiek opgevoede atheïst, buiten de zondagsmis op radio en tv, nog weinig in contact met het geloof. Glimp geeft een boeiende inkijk in de wereld van diepgelovige mensen. Rahel: “Ik zie God aan het werk in wat Sebastian doet en dat maakt me zo verliefd op hem.” Sebastian: “Ons huwelijk was al lang vastgelopen zonder ons geloof.” Nathalie: “Het doopsel van onze dochter wilde zeggen ‘Jij behoort tot deze familie.'” Ihsane: “We bidden vijfmaal per dag. Het zijn belangrijke rustpunten tijdens de dag, ogenblikken waarop je even ophoudt om je te bezinnen.” David: “De sabbat staat voor delen, het openstellen van de tafel.”
Blijft de vraag of het blad religie en kerklidmaatschap niet eenzijdig beschouwt als een positieve kracht. Godsdiensten en mensenrechten, het blijft immers vaak een moeilijk huwelijk. Zie de gelijkstelling van mannen en vrouwen en de aanvaarding van andere geaardheden dan de heteroseksuele. Ook wetenschappelijke inzichten zoals de evolutieleer botsen op tegenstand. Veel bloedige conflicten wereldwijd hangen samen met godsdienst en religieus fundamentalisme is een bedreiging voor vrijheid en democratie. Maar net daarom is dialoog tussen mensen die in dezelfde stad wonen ook van cruciaal belang.
Glimp is online beschikbaar op de website en ligt in gedrukte vorm ook in openbare plaatsen, zoals bibliotheken, scholen en jeugdverenigingen.
Ik moest me gaan inschrijven bij de werkloosheid. Dat was vijftien jaar geleden. De nacht voordien sliep ik slecht. Ik bewaarde nare herinneringen aan de tijd waarin ik interimjobs deed en me heel geregeld opnieuw moest gaan inschrijven bij de Brusselse Hulpkas voor Werkloosheid, beter bekend als de CAPAC. Hoewel ‘werklozen’ tegenwoordig met het meer positieve ‘werkzoekenden’ worden omschreven en de BGDA (de Brusselse VDAB) intussen de dynamische naam Actiris heeft gekregen, heeft de Brusselse uitbetalingsinstelling van de RVA in al die jaren geen naamsverandering ondergaan. Het blijft een hulpkas voor werklozen – een naam die je instant een gevoel van hulpeloosheid en hopeloosheid bezorgt.
Dit gevoel wordt versterkt door de buurt waar de HVW zich bevindt. In de Plantenstraat, waar alles grijs en niets groen is. Achter de Aarschotstraat, waar vrouwen hun lichaam moeten verkopen om aan de kost te komen. In de groezelige Noordwijk, waar vuile, verkommerde straten sterk contrasteren met steriele, anonieme, hypermoderne buildings. Wat zal het worden? De grens tussen een job als topmanager en een leven in de goot is hier bijzonder klein.
Vijftien jaar geleden kwam je de CAPAC binnen en moest je met trappen naar boven. In de trappenhal had iemand graffiti op een deur gespoten: ‘FUCK CAPAC’. Hij was er al jaren, niemand leek er aanstoot aan te nemen. Dan kwam je in een kleine ruimte met een zestal loketten. Je moest een nummertje trekken. Soms had je 96, terwijl ze nog maar aan 9 waren. Het wachten op de harde banken kon beginnen. Er stonden harde banken die voor een park bestemd waren, banken met een gietijzeren onderstel en een zitting van houten latjes die een sierlijke achterwaartse boog maakten zo net onder je schouderbladen. Je rug hield het er hooguit een half uurtje op uit.
Het wachten duurde makkelijk twee tot drie uur. Soms had je pech, en werd je niet meer voor de middagpauze behandeld. Die middagpauze duurde een uur of twee. Er zat niets op dan even de stad in te gaan en in de namiddag terug te keren. Of de volgende ochtend, want de HVW was op sommige dagen niet in de namiddag open – dat is nog steeds zo.
Als het dan eindelijk jouw beurt was, kon het zijn dat je weer pech had en een Nederlands onkundige bediende voor je kreeg. Dan kon je wachten tot er iemand vrij was die Nederlands sprak, of je beste Frans bovenhalen. Het was koud bij de CAPAC en het tochtte er erg. De bedienden zaten achter een glasplaat waar gaatjes in zaten om het geluid door te laten. Ze plaatsen voor deze gaatjes echter een stuk bruin karton omdat er anders te veel tocht door kwam. Daardoor moest je altijd roepen aan het loket, anders verstonden ze je niet. Zo kreeg je tijdens het wachten altijd delicate verhalen over ontslagen en moeilijke privé-situaties te horen. Privacy bestond er niet.
Deze herinneringen zorgden ervoor dat ik er niet echt naar uitkeek om me nog eens te gaan inschrijven bij de HVW. De reviews op het internet – want niet alleen restaurants en reisbestemmingen worden daar tegenwoordig gerecenseerd – beloofden alvast niet veel goeds. Incompetent, lange wachttijden, telefonisch onbereikbaar. Ik zag dat je tegenwoordig online een afspraak kon maken, dit leek me een goede service. Maar toen ik het probeerde, bleek de eerste vrije plaats pas over drie weken te zijn.
Mijn bezoek aan de werkloosheid zou misschien een stukje opleveren, troostte ik me. Vol goede moed vertrok ik maandagochtend. Ik stapte uit bij Rogier. De deprimerende tunnel van het Rogierplein naar de Plantenstraat was intussen een beetje gerenoveerd zonder echt een vrolijker aanblik te bieden. Een kleine Brico rechts en enkele troosteloze winkels links zorgden er voor wat licht.
Aan het eind van de tunnel zag ik een sluikstort en daarachter een rij wachtenden die tot bij de hoek van de Plantenstraat kwam. Het was kwart na acht. Om half negen zou de dienst openen. De wachtrij viel nog mee, een tiental meter lang was hij. Voor me in de rij wachtte ook een werkloos droogrek op zijn beurt.
Ik was nog net op tijd, want na mij werd de rij al snel langer en langer. De eerste mensen werden binnengelaten. Het ging traag. Ik wist niet hoe het kwam. Pas toen ik zelf naar binnen mocht, begreep ik het: meteen bij het binnenkomen gebeurde een triage. Er vormden zich twee rijen voor twee loketten. Ze vroegen waarvoor je kwam. Dan kreeg je een nummertje.
Er hing een hippe neonlamp met HVW-CAPAC in gele en groene letters. Je moest geen trappen meer op. ‘FUCK CAPAC’ was na vijftien jaar verdwenen, al had het me niet verbaasd als het er nog steeds gestaan had. De sloophamer had het weggehaald. Er was op het gelijkvloers een grote hal met daarin een soort voetbaltribune van waaruit je zicht had op de tafeltjes beneden. Daar werden de werklozen geholpen.
Ik had nummer N005 en hoopte vurig dat de N voor Nederlands stond. Hoewel: waar stonden A, B, C en D dan voor? Het was best mogelijk dat ik de vijfde Nederlandstalige vandaag was. Ik nam plaats op de betonnen tribune. Witte en groene plastic stoelen wisselden elkaar af. Ergonomisch leken ze niet, maar toch beter dan de banken van vroeger. Ik ging op een groene zitten.
De meeste mensen zaten op hun smartphone te staren en keken niet naar de match die de werklozen beneden aan de tafels met hun dossierbeheerders speelden. Twee mensen waren aan het lezen. Eén man las een boek van Michel Tournier over Robinson Crusoe. Nummer N002 werd behandeld, ik dacht dat het wel snel aan mij zou zijn. Maar het vorderde traag. Het duurde bijna een half uur eer het volgende nummer aan de beurt was.
Intussen kreeg ik per mail een jobaanbod. Dat beurde me op. Hopeloos was mijn situatie niet. Meteen nadat ik me had ingeschreven kon ik gaan solliciteren. De tribune was intussen goed volgelopen. Er zaten meer dan honderd mensen, mannen waren duidelijk in de meerderheid. Er was weinig contact tussen de mensen. Dit was een omgeving vol rijen met geduldig wachtende ruggen.
Ik zag N005 op het scherm verschijnen, daalde de tribune af en nam plaats aan de juiste tafel. Een vriendelijke jonge vrouw hielp me in het Nederlands. Ze nam haar tijd om me alles goed uit te leggen en gaf me nuttig advies. Ze zei dat ik me bij Actiris moest inschrijven binnen de acht dagen, en raadde me aan dat online te doen. Ik vroeg haar hoeveel tijd je had om je in te schrijven bij de HVW. ‘Twee maanden,’ zei ze tot mijn verbazing. Ik antwoordde dat op hun site stond dat je je onmiddellijk moest inschrijven. ‘Ja, ik weet het,’ zei ze. ‘Die info is niet juist. Je had gerust die afspraak over drie weken kunnen nemen.’ Mijn werkloosheidsvergoeding zou dan wel wat langer op zich laten wachten hebben. Maar toch goed om te weten.
Bij het verlaten van het gebouw stonden er lange rijen. Vroeg komen is de boodschap. Ik voelde dat mijn bezoek aan de CAPAC de pijnlijke herinneringen van vroeger een beetje verzachtte. Ik verliet het kantoor en vertrok naar mijn sollicitatiegesprek.
Alles moet tegenwoordig opgeleukt worden. Je kan niet gewoon meer door de stad wandelen en zien wat je zou willen zien: een rustig, groen park waar je doorheen kan slenteren, met enkele banken en een fontein. Een plein waar je even kan vertoeven om vogels te observeren, met een kiosk en een stuk of wat standbeelden. Een straat die naar de kerk leidt met hier en daar een winkel: de bakker, de beenhouwer en een apotheek.
Winterpret
Een park wordt dezer dagen gepimpt met kilometers lampenlinten, schijnwerpers die de bomen afwisselend in geel, rood, paars en blauw uitlichten en van spuitende fonteinen een nog unieker spektakel moeten maken. De meeste keren is er ‘iets’ te doen, de plaatselijke jeugd is neergestreken om er luidkeels zijn stripverhalen en andere rommel te slijten, er moet keihard popmuziek knallen uit de grote boxen van een stereoketen op jaren die ook te koop wordt aangeboden.
In een ander park wordt de nieuwe “fit-o-meter” of hoe dat ding ook mag heten ingehuldigd en honderden mensen, begeleid door boem-kadzjiing-iiiep-iiiep-‘muziek’, rennen joelend tientallen rondjes en draaien, hangen en springen in het rond op de nieuw geplaatste toestellen. Of een of andere gemeenschap – de Portugezen, de noeste Noren, de Friuliërs, Canadese jagers of Hasseltse houthakkers – houdt haar jaarlijkse volksfeest en rookt de ganse buurt uit met haar gegrilde vis, gebraden rendier, gevulde lebmaag, gestookte jenever of whatever.
Ieder stadsplein wordt voortdurend ingenomen door hetzij een ijsbaan, hetzij honderden kerstkramen, een reuzenzandbak, een springkasteel zo groot als een half voetbalveld, een bloementapijt, een crossparcours, een kermis. Afwisselend wordt het plein bezet door de jeugdbeweging, de kinderopvang (het speelplein wordt dan letterlijk een pleingebeuren!), voetbalsupporters, de atletiekclub, de plaatselijke neringdoeners, de marktkramers.
Voor deze laatsten is het oorspronkelijk bedoeld, peins ik, pleinen waren een plaats waar het volk enkele keren per week samenkwam om te ruilen, te onderhandelen, te babbelen. In een verder verleden werden er ook al eens zaken beslecht en vonnissen uitgevoerd. In de middeleeuwen kwamen bij hangen, trekken en vierendelen kijklustigen elkaar verdringen op het dorpsplein.
Nu zijn er dus andere brood en spelen! Bij ieder pleinevenement klinkt steeds de obligate niet te negeren muziek, en wordt de locatie zodanig versierd dat er vooral niets oorspronkelijks meer te zien is. Daarbij al dan niet aangename geuren, verspreid door eetstallen die hamburgers, frieten, dürüms, pizza’s en oliebollen aan de man brengen. Wil je toevallig aan de andere kant van het plein zijn, moet je overal tussendoor laveren. Laatst vond ik als voetganger de entree van de parkeergarage niet terug omdat ik letterlijk doorheen alle (kerst)kramen de weg niet meer zag, er was geen doorkomen aan. Iemand van het parkeerbedrijf wist ook niet waar ik doorgang kon vinden. Uiteindelijk werd ik ter plaatse gebracht door een ‘geel hesje’ dat het gemotoriseerd verkeer omheen het drukke plein stond te regelen.
Winkelstraten zijn wat ze zijn, één aan elkaar geregen reeks van winkels die overal ter wereld dezelfde zijn. Ook hier word je meegezogen in een kolk van muzak en blazend lawaai. Grote kledingzaken hebben zelfs bij vrieskou de deuren wijd open om je naar binnen te lokken met een warmwindmachine. Voor mij is winkelen een noodzakelijk kwaad om een voorraad voeding in te doen, het is zeulen met zakken vol dagelijkse benodigdheden. Shoppen daarentegen, dat schijnt je van het te zijn. Winkel in winkel uit en alle pashokjes verkennen, mee neuriënd met de onontkoombare kwelerige hits. Neon- en ander licht verblindt je. Gegarandeerd krijg ik hiervan schele hoofdpijn binnen het kwartier.
Je kan je voorstellen dat de kerstperiode niet erg aan mij besteed is. Ik leg dan op voorhand nog grotere voorraden voedsel aan en kom zo weinig mogelijk buiten. Het dagelijks brood gaan halen is bijna een kwelling. Liefst zou ik twee weken onder mijn dekbed willen liggen slapen, lezen, eten. Pas na de jaarwisseling kom ik mijn hol weer uit.
Op de eerste dag van het jaar komen we gewoonlijk samen met de familie. Wat vroeger een gezellige, rustige uitwisseling van de beste wensen was met een hapje en een drankje (type ‘potluck’) is ondertussen echter een beetje ontspoord in de richting van de ‘opleuking’. Het feestje in iemands living moet zo nodig opgeluisterd worden met tv-beelden van open haard, plaatjes van besneeuwde bergen, watervallen, eindeloos machtig ogende bossen waar roofvogels van reuzenformaat over cirkelen. Het is onschuldig hoor, niemand heeft er iets kwaad mee in de zin. Maar helaas, mensen kunnen op die manier niet normaal meer praten met elkaar. De aandacht wordt weggezogen naar het bewegende licht op tv, de bijhorende natuurgeluiden en muziekjes op de achtergrond (in stereo- en soms zelfs quadrofonie) overklinken en verstrooien de stemmen, de gespreksonderwerpen worden voornamelijk bepaald door de wisselende zaken die je op dat grote, gebogen scherm ziet. Je wordt nauwelijks of niet gehoord door deze bijkomende pregnante informatiebronnen.
Na enkele uren stap je geheel verzadigd – want heus veel lekkers! – en toch een beetje gefrustreerd in de auto om de lange rit naar huis aan te vatten met op de achtergrond … the sound of silence!
Mattie Billen schreef deze tekst voor de blog Pierewit.
Mijn opa en oma woonden in een bos. Vanuit haar keuken zag mijn oma haar grote composthoop, waarin de kippen van een nabije boerderij pikten. Er stond een vogelhuisje naast waaraan mijn oma halve kokosnoten hing, die ze vulde met frietvet en een zadenmengeling. ‘Daar is het winterkoninkje,’ of de bonte specht – ik hoor het haar nog zeggen. Elke dag zag ze dezelfde eekhoorn in dezelfde hoge boom.
Mijn opa was een dromer. Sommige dromen realiseerde hij, zoals in een bos gaan wonen. Wanneer je tegen hem praatte, staarde hij vaak door het raam. Je wist dan niet zeker of hij wel luisterde. Zoals nu bij mensen die op hun smartphone kijken terwijl je hen iets vertelt. In het midden van een gesprek zei mijn opa soms plots: ‘Wat zijn de bomen toch mooi.’ Dan wist je dat hij niet geluisterd had.
We wonen al jaren in deze stad, mijn man en ik. Maar altijd hebben we gewoond in een huis waarin we naar bomen konden kijken. Ons eerste adres was in de Léon Lepagestraat, een van de weinige straten in Brussel centrum die aan weerszijden hoge bomen heeft. Toen het centrum ons te druk werd, verhuisden we naar de Richard Neyberghlaan in Laken, een heerlijk groene laan die je vanop het nabije grijze Bockstaelplein niet kan vermoeden. We woonden er op de eerste verdieping, te midden van de kruinen. ’s Zomers ruisten de fijnbladige bomen er als de zee.
Twaalf jaar geleden verhuisden we naar het Jetse Brusselaarsplein. Het huis was klein, het uitzicht groots. Een pleintje met een tiental kleine platanen lag voor onze deur. Daarachter nog de dubbele rij platanen van de Jetselaan. Hoge, oude bomen, die veel wind vingen. Inkijk kenden we niet, in de zomer konden we de overkant niet eens zien. Twaalf jaar lang heeft dit uitzicht ons geluk en rust gegeven.
Tot de tram kwam. En alle bomen voor onze deur genadeloos tegen de grond gingen. Een van de ergste dagen van ons leven. De Ster van het Noordstation heb ik kunnen redden, de bomen voor mijn deur niet. Waarom niet? Ik heb nooit geweten dat ze omgehakt zouden worden. Op de plannen stond dat ze bewaard zouden blijven. Pas later is beslist ze te kappen. Dan sta je als burger machteloos. De plannen voor ons plein waren onduidelijk. Zelfs de ombudsman van de tramwerken kon, toen ik hem raadpleegde, er niet meteen uitleg bij geven. Ook hij geloofde niet dat een kale vlakte met nauwelijks banken en één boom ons pleintje zou vervangen.
‘Het pleintje voor je deur gaat heel mooi worden. Vroeger was het wat sinister,’ zei de Ecolo-schepen me toen ik bezorgd informeerde naar de toekomst.
Alsof iemand zei dat mijn kind lelijk was. Het deed pijn hem op deze manier over ons plein te horen praten. Een plein waar oude mannen in de zomer triktrak speelden. Een plein waar oude dames elkaar in vertrouwen namen over hun kwalen en medicijnen, terwijl ze op de bus wachtten. Waar een koorddanseres tussen de bomen moeizaam haar evenwicht zocht. Waar honden elkaar besnuffelden terwijl hun baasjes aan de praat geraakten. Een plein waaronder het zonlicht zo mooi viel, dat zelfs een achtergelaten stoel of sofa een bijzondere glans kreeg.
Het plein waar ooit de rode valies stond waarnaar ik mijn blog heb vernoemd. Waar je het gevoel had in de Provence te zijn, wanneer de zondagse markt op een zomerse dag voor de deur stond. Ja, soms zat er een clochard, maar hij deed geen vlieg kwaad. Hij leek zelfs over het plein te waken. Hier, aan de kop van de Vlamingen- en de Walenstraat, kwamen Brusselaars samen. Het Brusselaarsplein droeg zijn naam goed.
Wij, de bewoners, wisten dat het hier niet sinister was. Niemand heeft ons iets gevraagd. De bomen werd ook niets gevraagd. Nochtans weten we dat bomen kunnen spreken. Ondergronds, via hun wortelstelsel, communiceren ze met elkaar. Wij kunnen dat niet horen. Daarvoor zijn wij bovengronds veel te lawaaierig.
Er komt een tijd waarin we zullen beseffen dat bomen levende wezens zijn. Die zoveel ouder en wijzer zijn dan wij. Die ons zoveel geven. Ons beschermen voor onze domheden. Met schaamte zullen we terugkijken op onze barbaarse daden jegens deze weldoeners. “We zijn niet geïnteresseerd in de redding van de aarde, maar wel in de redding van onze eigen arrogantie,” stelde schrijver Richard Powers onlangs in De Morgen. In zijn laatste roman spelen bomen de hoofdrol.
De tram waarmee we tien minuten sneller in het centrum zijn zouden we meteen inruilen voor ons vroegere groen.
‘Heb je gezien dat ze onze nieuwe boom eindelijk hebben geplant?’ vroeg mijn man gisteren. Nee. Ik had hem niet gezien. Een smalle spriet. Dat het herfst is en hij maar enkele bladeren heeft, helpt natuurlijk niet. Ik heb medelijden met hem.
Ik kijk naar de lege vlakte met één boom en betonnen banken zonder leuning. Veel kouder kan het komende winter niet meer worden. Vroeger hingen er Kerstlichtjes in de bomen. We zullen ze nu aan ons balkon hangen. In de zomer zullen we wat bloempotten buitenzetten. En een bankje. Zodat we een beetje kunnen praten met de voorbijgangers. Over vroeger.
Ik voel mijn grootvader, dertig jaar na zijn dood, zo dichtbij de laatste tijd. In mijn herinnering zit ik niet tegenover hem te praten, maar naast hem. Samen kijken we door het raam. De bomen waren zo mooi. Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.
Vier jaar geleden, bij de federale, regionale en Europese verkiezingen, mocht onze blogger opdraven als voorzitter van een stembureau. Hij vond het een verrijkende ervaring, maar is ook wel blij dat hij morgen niet opgeroepen is als voorzitter of bijzitter, maar enkel zijn stem moet uitbrengen.
Je moet er iets voor over hebben om een dag als ‘monsieur le président’ door het leven te gaan. Als voorzitter van het stembureau 63 in Vorst werd ik zondag om 7 uur stipt in het kieslokaal verwacht. De werkdag duurde door de traagheid van de administratieve controles uiteindelijk tot 9 uur ’s avonds. Ter voorbereiding had ik al een infovergadering bijgewoond en de instructies en documenten grondig doorgenomen. Ik vond dat ik mijn snipperdag de dag erna wel verdiend had.
Verkiezingen zijn het feest van de democratie. Elke burger mag naar eer en geweten zijn stem uitbrengen en kiest de volksvertegenwoordigers die de politieke arena betreden en de komende jaren belangrijke maatschappelijke keuzes maken.
Als voorzitter van het stembureau beleefde ik het schouwspel vanop de eerste rij. Ik zag buurtbewoners van allerlei pluimage naar de stembus gaan. Ik mocht zelfs sommige mensen, vooral ouderen en mensen met migratieachtergrond, in het stemhokje begeleiden. Vragen om stemadvies wimpelde ik beleefd af (“je suis neutre”), maar als ze erom vroegen, gaf ik wel toelichting en leidde ik ze door de elektronische stemprocedure. Sommige kiezers hadden alvast een briefje bij zich waarop de naam van hun kandidaat prijkte.