Author: Lieven De Rouck

Jean Paul Van Bendegem, pendelend tussen Gent en Brussel

Misschien kent u hem van het onvolprezen De Ideale Wereld of van promotiespotjes voor het Feest van de filosofie. VUB-professor emeritus Jean Paul Van Bendegem is niet enkel Gentenaar pur sang, maar ook een van Vlaanderens bekendste filosofen. Zijn focus ligt bij wetenschapsfilosofie, maar zijn belangstelling gaat immens breed – met onder meer een zeer uitgesproken interesse in architectuur. In 2017 publiceerde hij ‘Verdwaalde stad – Filosoferen langs straten en pleinen‘.

De Gentse filosoof pendelde tijdens zijn beroepsleven naar Brussel en verplaatst zich nu in heel Vlaanderen voor zo’n 100 lezingen per jaar. Geen ivoren toren voor dit heerschap. Van Bendegem praat zoals hij schrijft: analytisch maar ook associatief, badinerend en meanderend. Ontegensprekelijk met liefde voor zijn stad. En met meer dan de nodige scheut humor en zelfrelativering.

Hoewel u in Brussel werkte, was u “niet weg te halen uit Gent”, zegt u. Hoezo?

Om te beginnen: toen ook mijn vrouw in Brussel werkte, hebben we wel degelijk overwogen om in Brussel te gaan wonen. Maar waar wij wilden wonen, in de buurt van het Jubelpark, is een huis haast onbetaalbaar. Toen was Gent wel nog betaalbaar – dat is intussen trouwens ook enorm veranderd.

Los daarvan ben ik nu eenmaal verknocht aan deze stad. “Geboren en getogen”, heet dat dan. Dat gaat terug tot mijn jeugd. In mijn middelbareschooltijd was ik niet meteen de meest sociale persoon. Ik deed vooral dingen die ik op mijn eentje kon doen. Lezen uiteraard, maar op zaterdagmiddag ging ik altijd wandelen. Met de systematiek dat ik telkens een andere buurt verkende. Zo leer je een stad natuurlijk goed kennen en die stad wordt dan vertrouwd. Er is dan het psychologische fenomeen – en dat is onderzocht – dat je overstapt van een mentale ‘kaart’ naar een ‘traject’ als je je oriënteert omdat je ergens heen moet.

Als je een stad van binnenuit kent, heb je geen overkoepelende mentale kaart met hoofdassen meer nodig. Hoewel ik mijn werkplaats Brussel vaak verken, oriënteer ik me daar wel nog op die manier. Brussel is ook geen eenvoudige stad. En zeer groot.

Een stad als Gent – een kwart miljoen mensen – vind ik qua grootteorde prima. Kleiner hoeft niet, maar groter ook niet. Ik heb hier ook het idee in een stad te wonen waar veel gebeurt, waar een cultureel en ander aanbod is. Ook al ‘consumeer’ ik niet zo heel veel. Als ik in bijvoorbeeld de Vooruit of in de Krook kom, is dat vooral omdat ik zelf deelneem aan een debat of een lezing kom geven.

Is verknochtheid of gehechtheid aan een stad te vergelijken met affectie voor een object of persoon?

Er is natuurlijk het element van vertrouwdheid dat ik aanhaalde: je weet wat je kan verwachten. Maar zoals in een relatie ligt de verveling op de loer na verloop van tijd. Daarom ben ik gefascineerd door het spel van de transformaties die een stad kan ondergaan. Ik ben zeker niet nostalgisch, verlangend naar het Gent van vroeger. Wel integendeel. Het Gent van pakweg 40 jaar geleden was geen vrolijke stad. Gilbert Temmerman (burgemeester van 1989-1994) is begonnen met het opwaarderen van de moeilijke wijken. Dat had een sneeuwbaleffect op de hele stad. Tot het punt dat sommige Gentenaars zeiden, ‘we moeten het ook niet te vrolijk maken, waar is de grimmigheid’? (lacht)

Ken ik Gent door en door? Ja en neen, want een stad verandert constant. Kijk naar het Patershol, daar woonde vroeger het ‘crapuul’. Nu is er een restaurantstop omdat het zo hip is en er zoveel restaurants zijn. Had men me dat 50 jaar geleden gezegd, ik had je uitgelachen.

Patershol

Denk ook aan de buurt rond Dampoort die in zijn totaliteit geherwaardeerd werd en waarbij vele woningen vernieuwd werden. En dat is positief. Als inwoner is het dus telkens weer aanpassen als je stad verandert. Maar het hoort erbij.

Dus ja, er zijn veel gelijkenissen met een relatie. Er is dan geen enkel probleem om op een latere leeftijd in een stad te komen wonen. Je kan ook op een latere leeftijd een relatie beginnen. Dat kan anders zijn. Misschien zelfs interessanter, want je kan vergelijken. Dat kan ik niet.

De stad zoals de ark van Theseus: de identiteit blijft ondanks de constante veranderingen.

Exact! Er zijn natuurlijk ook zaken die veranderen of verdwijnen en die minder geslaagd zijn, en dat zeg ik zeker niet uit nostalgie. Denk aan het Zuid. Dat is een gigantische blokkendoos, een ordinair winkelcomplex zonder aansluiting met de architectuur van het plein. Daarvoor moest het Coliseum sneuvelen. Dat gebouw was schitterend qua architectuur in art-nouveaustijl en gebruik van gietijzer. Er werden onder meer bokswedstrijden en revues georganiseerd.

Winkelcentrum Gent Zuid: een ordinaire blokkendoos 

Bij de afbraak ervan voor een winkelcentrum werd beloofd om elementen van het gebouw te integreren in het winkelcentrum. Die belofte bleek maar zeer beperkt: men heeft ergens in een donkere hoek één boog weerhouden. Terwijl de herinnering aan dat gebouw toch iets meer aandacht waard was. Op datzelfde plein is bibliotheek De Krook dan weer wel geslaagd.

Gent is er de laatste 40-50 jaar op vooruitgegaan, zegt u. Kunnen steden ook achteruitgaan?

Specifiek voor Gent ben ik wel wat bezorgd over gettovorming aan de Noorderdokken. De Turkse buurt, die voorheen nog een link had met de Muide, wordt daar als het ware steeds meer ingesloten door nieuwe – duurdere – bebouwing. Door de gentrificatie wordt de buurt bovendien zeer duur voor de mensen die er nu wonen en geen eigen woning bezitten.

Ik heb nog in die buurt aan de Dampoort gewoond, fantastisch was dat. Ik heb daar vele Turken als dichte buren gehad. Dat was amicaal en zeer boeiend. Wat me dit leerde, is dat integratie een kwestie is van meerdere generaties. Van drie, soms zelfs vier of vijf generaties. Als de gettovorming te sterk is, duurt het langer. En dan moet je misschien proactiever optreden om dat ‘los te weken’.

Let wel, ik gebruik het woord getto zorgvuldig. Het miljoenenkwartier heeft ook aspecten van een getto.

Gentse miljoenenkwartier

Wat betreft de transformatie en evolutie van een stad hebt u ook veel aandacht voor de uitdaging van restauratie. U schrijft daarover: “Ik ben er zeker van dat ik hier sta te vloeken in de kerk maar de vraag is toch best interessant: mogen wij vergissingen uit het verleden rechtzetten?”

Dat klopt. Ik ben momenteel zeer nieuwsgierig naar wat men zal doen met de Notre Dame. Ik zie op dit moment namelijk tot op zekere hoogte een terugkeer naar het 19de-eeuwse restauratiedenken van de Franse architect en architectuurtheoreticus Eugène Viollet-le-Duc: waarom zouden we een historisch gebouw bij de noodzakelijke restauratie niet afwerken en herstellen volgens het oorspronkelijke opzet? Er is toch geen enkele reden waarom de oorspronkelijke bedenker daar een probleem mee zou hebben? Integendeel, die zou blij zijn. Wij beschikken bovendien over meer geavanceerde bouwtechnieken. Waarom zijn we dan zo terughoudend?

Viollet-le-Duc ging wel verder: als we betere technieken hebben, waarom zouden we niet alleen voltooien, maar het zelfs béter maken?

Bij elke restauratie komen er voorstellen om het helemaal anders te doen. Nu denkt men bijvoorbeeld aan een plat dak op de Notre Dame om er een tuin te maken.

Hoe zal het aflopen, denkt u?

Wellicht zal men wel een klassieke restauratie doen, maar men zal sowieso andere materialen moeten kiezen. Dus wordt het sowieso een ander gebouw. Prima. En als het verder een klassieke restauratie wordt, is daar niks mis mee. We hebben tenminste de discussie gehad – inclusief de meest gekke en onzinnige voorstellen die altijd wel worden geformuleerd – en dat is goed.

Een stad toont haar geschiedenis niet enkel in gebouwen, maar ook in monumenten en namen van straten en pleinen. Ook de ‘foute’ delen van de geschiedenis. Denk aan de discussie over kolonisatie en standbeelden van Leopold II. De pendant daarvan is ‘vergeten’ of genegeerde delen van de geschiedenis alsnog een plaats te gunnen – denk aan het Lumumbaplein. Hoe kijkt u daar tegen aan?

Ook die debatten en vragen zijn onvermijdelijk. Maar ik ben tegen het wegvegen van de geschiedenis, want dat verhindert net de discussie. Eerder zou ik zeggen: voeg er een monument aan toe! Dat maakt het interessanter voor de toeschouwer of bezoeker. Maak bijvoorbeeld een tweede beeld van Leopold II, en zet dat vol met handen. Zoiets is creatief en uitnodigend en zet aan tot denken.

Iets anders dan. U looft de goede bedoelingen van grote hoogbouwprojecten in de sociale woningbouw , maar erkent tegelijk dat het vaak misliep en noemt het zelfs “barbaars”. Toch kan u in publicaties niet echt de vinger op de wonde leggen waar, waarom en wanneer het fout liep, lijkt het.

Ik heb het dan over die modernistische en idealistische architectuurstijl van Le Corbusier, Rietveld en JJP Oud. De problematiek gaat niet enkel over stadsplanning, maar ook over architectuur. Die architecten en planners hadden de prachtige ambitie om in goede behuizing voor iedereen te voorzien, maar wel betaalbaar en dus gestandaardiseerd. Maar het ging samen met een te naïef mensbeeld. Het idee dat mensen in een beperkte ruimte samenbrengen automatisch het sociaal gevoel zou aanwakkeren … je kon dat wel hopen, maar meestal gebeurde dat niet.

Ik zag in Marseille het gebouw van La Cité radieuse. Dat is erger dan een getto! Alle winkels zijn daar binnen, dus je hoeft niet buiten het complex te komen. Vast wel handig, maar daarmee is het dan ook gezegd.

La Cité radieuse, wooncomplex ‘Unité d’Habitation’, Marseille

Hedendaagse cognitieve psychologen wijzen terecht op nefaste effecten. Zoiets leidt tot een gesloten wereld en een buitenwereld die als bedreigend wordt gezien. De parkjes daarbuiten worden niet meer bezocht en daardoor steeds meer louter oord van minder frisse activiteiten. Denk aan de Bijlmer in Amsterdam.

Ik verwijt die planners en architecten overigens niets. Het was toen zeer redelijk om die weg te bewandelen. Het paste bij het toenmalige mens- en wereldbeeld en wellicht hadden we die projecten nodig om eruit te leren en het dus niet meer te doen.

Waar zat hun mensbeeld dan ‘fout’?

Ze hielden helemaal geen rekening met hoe een mens met zijn/haar omgeving omgaat, laat staan een bebouwde omgeving. Ze wisten er dan ook nog niets over. Zelfs nu weten we daar nog relatief weinig over: wat doet dat met een mens? Welke ideeën, percepties, vooroordelen ontstaan in een bebouwde omgeving? En wat betekent dat dan voor hoe we moeten bouwen? We krijgen daar nu wel steeds meer zicht op.

Denk aan de klassieke 19de-eeuwse woonkamer in Nederland: weinig ramen, donker, volgepakt, veel tapijten, soms zelfs meerdere tapijten boven elkaar. En dan kwam het idee van openheid. Openheid als bevrijding. Het moest anders: ramen van beneden tot boven, veel licht, open ruimte. De schok was groot. Het was bijna een omgekeerde gevangenis. Weg privacy.

Welnu, als ik op een terras zit, zit ik ook het liefst in een hoek – dan heb ik minstens een of twee wanden die oké zijn (lacht).

Het eiland Malem vindt u beter geslaagd.

Inderdaad. Dat Gentse project is analoog aan de tuinwijk Floréal in Watermaal-Bosvoorde. Die projecten zijn wel geslaagd, onder meer omdat het laagbouw was en toch betaalbaar. Ook dat veranderde echter: dit soort projecten kwam steeds meer onder invloed van de art nouveau en Horta. Dat werd natuurlijk zeer duur.

Floréal, Door Ben2 – Eigen werk, CC BY-SA 3.0, Wikipedia

De uitdaging blijft dus om iets betaalbaar te maken dat toch architecturaal aantrekkelijk is en aangenaam wonen. Het Barcelona-paviljoen van Mies van der Rohe bijvoorbeeld is voor mij het perfecte gebouw. Alleen is het niet bewoonbaar (lacht).

De voor Gent iconische Rabottorens kent u goed?  

Ja, ik ben opgegroeid aan de Vrijdagmarkt, maar als kind ging ik met mijn ouders naar een protestantse kerk aan het Rabot. Ik herinner me de bouw van de torens. Ze zijn nu zo goed als weg. En hoewel de torens inderdaad iconisch waren, was de afbraak logisch in het kader van de herwaardering van de buurt waarover ik het reeds had. Ik doe daar niet nostalgisch over.

De Rabottorens (c) Stadsarchief Gent

Flaneren hoort ook bij de stad. Het impliceert en betekent allerlei zaken, maar ook observatie. Dat lijkt me dan wel iets voor u?

Ja, sowieso, maar dat doe ik altijd en overal. Ik observeer dolgraag. Als mensen zeggen ‘er moet toch meer zijn tussen hemel en aarde’, dan denk ik ‘dan moet je eens echt leren rondkijken.’ Ik geraak maar niet uitgekeken. Zeker in een stad is van alles te zien.

Maar flaneren zoals beschreven in Walter Benjamins oeuvre, dat kan ik niet. Onbestemd kuieren of het toeval laten beslissen en mijn plannen loslaten – ik heb het daar zeer moeilijk mee. Dat heeft te maken met mijn protestantse opvoeding: ik weet op voorhand weer ik heen wil en via welke weg.

Ik zou wel willen dat ik het kon, maar er zit een onvermogen in mezelf. Dat onvermogen leidt niet enkel tot melancholie maar zelfs tot onvrede of woede, of een gelatenheid in filosofische betekenis.

De afleveringen van de gelijknamige Klara-reeks, ‘Verdwaalde stad’, eindigen telkens met Jan De Wildes ‘fanfare van honger en dorst’. Waarom?

Voor de reeks werkte ik samen met Rolly Smeets en Annick Lesage. Annick vroeg naar mijn muzikale wensen in functie van de finale montage. Aangezien we vele uren zijn samen geweest en ook over muziek hadden gepraat, gaf ik haar carte blanche. En haar keuzes waren schitterend.

En waarom was dit nummer dan schitterend?

Zij zocht iets dat verdwalen kon uitdrukken, een verwijzing naar de titel van mijn boek. Ik wilde met de titel van mijn boek uitdrukken dat ik in de stad ronddwaal, maar ook en vooral dat de stad zelf (ver)dwaalt en op zoek is. Ik ben op zoek, maar de stad ook. En af en toe vinden we elkaar.

Dit nummer drukt dat goed uit. Onderweg zijn met een doel, maar tegelijk is vooral de reis  belangrijk.

Ik moest vooral denken aan het nachtelijke, ondergrondse, bucolische.

Het ondergrondse beschouw ik als volwaardig onderdeel van een stad. Ik zou even goed een rondleiding kunnen organiseren langs de boeiende zaken die je normaal niet ziet maar die ondergronds zitten – denk aan elektriciteit, watervoorzieningen.

Ik heb ook een jaar als student in een souterrain gewoond. Het zicht dat je van daar hebt op de straat is helemaal anders dan je gewoon bent. Carmiggelt heeft daar nog hilarische stukjes over geschreven. Dostojevski heeft er ook een boek over geschreven met ‘Aantekeningen uit het ondergrondse’. Dat was letterlijk te nemen.

Op dezelfde manier beschouw ik het figuurlijk ondergrondse,  ‘louche’, het nachtelijke ook als volwaardig onderdeel van mijn stad. Vaak liepen realiteit en fictie overigens door elkaar. Denk aan de stadslegendes. Op een hoek van de Veldstraat had je tot 2011 sigarenwinkel Caron. Dat waren de betere en duurdere sigaren en rookwaar. Daarom vond het gerucht dat er boven die winkel kamers verhuurd werden voor ander vertier voor de rijken veel weerklank. Dat sloeg echter nergens op.

Er zijn natuurlijk ook zaken die wel kloppen, maar niet bekend zijn. Vele Gentenaars weten niet meer of hebben nooit geweten dat in de Donkersteeg prostitutie welig tierde. Het grappige is dat de straat in het Frans Rue du paradis heette – dan zou toch een belletje moeten doen rinkelen. Het was natuurlijk enkel het paradijs voor wie het zich kon permitteren. Let wel, ook dit kan een stadslegende zijn.

Als je denkt aan het nachtelijke Gent, kan je niet voorbij de Gentse Feesten. In mijn studententijd was het vooral een nachtelijk gebeuren, maar dat is al jaren steeds minder het geval. Ik mag er niet meer aan denken in die nachtelijke drukte mee te moeten draaien. Ik heb het gedaan, met volle goesting, en ik heb er geen seconde spijt van. Nu ben ik zelf vooral betrokken bij activiteiten overdag, waar ik vaak iets moet doen zoals debatteren of een lezing geven.

Je merkt ook dat de feesten veranderd zijn: het aanbod overdag, met cultuur, voor kinderen,… wordt steeds groter. Ik heb ook de beginjaren meegemaakt. Nostalgie is me vreemd, maar het maakt wel dat ik een evolutie heb kunnen ervaren, en dat is altijd boeiend. Niet iedereen beseft dat de Gentse Feesten al heel lang bestaan en nooit zijn verdwenen. Al van in mijn jeugd was er vuurwerk en feest in de cafés naar aanleiding van 21 juli. Eind de jaren 60 begonnen Walter De Buck en de zijnen in café Trefpunt evenementen te organiseren om de kleinkunst een kans te geven. Prima. Maar dat betekent niet dat de Gentse Feesten toen pas begonnen, zoals je vaak hoort.

Hoe belangrijk zijn de universiteit en haar studenten voor Gent of andere steden?

De VUB in Brussel is heel speciaal omdat het een aparte, enigszins geïsoleerde campus is. Misschien wordt de link met de stad sterker als de rijkswachtkazernes aan de overkant ook in gebruik worden genomen. Ik ben niet zo’n voorstander van een afgescheiden campus – je wordt dan nauwelijks aangespoord om de buurt te verkennen. VUB-studenten komen nauwelijks in het centrum. Ze vinden dat vreemd genoeg te ver. Gelukkig heeft de huidige rector Caroline Pauwels een aantal initiatieven gelanceerd om het tij te keren.

VUB-campus. Door Ad Meskens – Eigen werk, CC BY-SA 4.0, Wikpedia

Mijn hart gaat daarom toch eerder uit naar universiteiten zoals in Leuven en Gent. In Leuven heb je wel minder het gevoel dat je vanuit elk universiteitsgebouw meteen in de stad belandt. In Gent buitenkomen betekent echt in de stad komen. In Cambridge of Oxford is dat helemaal niet zo – daar zou ik gek worden.

Ik heb zelf zowel in de Plateaustraat gestudeerd als aan de Sterre. Dat was een groot verschil. Aan de Sterre leerde ik studenten kennen die enkel de weg kenden van het station naar hun studentenhome en dan naar de campus aan de overkant van de straat. Wat een beperkt beeld van Gent, denk ik dan!

Hebt u tijdens uw academische loopbaan in andere steden gewoond?

In de jaren 80 heb ik vier maanden in Pittsburgh, Pennsylvania gewoond. Het eerste idee dat ik moest laten varen is dat de Amerikaanse en de Europese cultuur gelijk(aardig) zijn. Er zijn natuurlijk overeenkomsten, maar vooral veel verschillen. Bijvoorbeeld: een deel van de stad is zogenaamd ‘zwart’. Blanken komen daar niet en vinden het heel evident dat zo te benoemen, daar niet te komen en je daarvoor te waarschuwen. Ik ben er één keer per ongeluk beland, en ik was echt de enige blanke – de verbazing bij de zwarte bewoners was navenant.

Ander voorbeeld: wat opvalt als je terugkomt is de stugheid hier. In de VS is er een culturele bovenlaag die het sociaal contact zeer gemakkelijk maakt. Niet dat men hier onvriendelijk is, maar het contact met onbekenden loopt stroever.

Welke vragen worden te weinig gesteld door stadsbestuurders en stadsplanners?

Men mag gerust meer gewicht geven aan de inzichten van psychologen, socio-psychologen en zo verder. Zij hebben inzicht in hoe een particulier mens in een specifieke omgeving leeft. Of ze willen dat inzicht tenminste verdiepen.

Ik denk aan de herinrichting van het treinstation Gent Sint-Pieters. Er was ooit een hoorzitting over de herinrichtingsplannen. Op de plannen zag je een zeer grote open ruimte en de mensen waren maar kleine figuurtjes. De – zeer typische – ingenieur lichtte de plannen toe en zei: “Daar kunnen de mensen allerhande activiteiten ontplooien.” Sindsdien is dat de running gag tussen mijn vrouw en mij: ‘gaan we nog activiteiten ontplooien?’ Ik bedoel maar: gaan de mensen daar origami doen of zo? Een station, daar passeren mensen om hun trein te halen. Mensen hebben soms vreemde, naïeve ideeën over de mens in een open ruimte die niet overeenstemmen met hoe mensen zich daar echt gedragen of voelen.

De recente politieke actualiteit, gaande van brexit over Trump tot de laatste verkiezingen in België – wordt steeds meer geduid in termen van een kloof tussen stad en (vergeten?) platteland. Ziet u dat ook zo?

Ik kan enkel spreken vanuit mijn ervaringen. Dat is onvoldoende voor een ernstig onderbouwd betoog, maar tegelijk vind ik het wel significant.

Ik doe grofweg 100 lezingen per jaar en kom daardoor op veel plaatsen en bij veel verenigingen terecht. Een vereniging zoals NEOS – het netwerk van ondernemende senioren – vraagt me vaak en is met meer dan 300 afdelingen in Vlaanderen zeer vertakt, van stad tot platteland. Je merkt wel een verschil. Niet dat je een stap terug zet in de tijd op het platteland. Maar bepaalde gebruiken en gewoontes, ook qua eten en drinken, blijven wel langer aanwezig op bepaalde plaatsen. Het idee dat het platteland ‘nog niet mee’ is, dat betwist ik. Al zijn er wel gedragingen die niet stedelijk aandoen, maar dat is nogal intuïtief en moeilijk te duiden. Zelfs de houding tegenover migranten vind ik niet noemenswaardig verschillend. Een volkse Gentenaar zal dan wel kafferen over migranten, maar het als eerste opnemen voor zijn buur Mehmet.

Ik merk ook dat het sociaal weefsel hechter is op het platteland. Hoewel…  Ook op het platteland merk ik de sterke ontkerkelijking, zelfs bij het genoemde Neos, dat toch uit de christelijke zuil komt. Mensen, ook vrijzinnigen, gaan er net heen omwille van het sociaal contact, om niet in een sociaal isolement terecht te komen. En dat merk ik zowel in de stad als op het platteland. De stad kan qua isolement trouwens erger zijn, omdat je vaak mensen ziet en toch eenzaam en alleen kan zijn.

De stad staat natuurlijk ook voor anonimiteit. Mensen kiezen daar soms voor. Ik ben vaak aanwezig op infodagen voor nieuwe studenten. Soms vragen ze dan: moet ik naar Gent of Brussel om moraalwetenschappen te studeren?

Mijn eerste vraag is dan: ‘heb je het liefst een groep van 1000 studenten waar niemand je opmerkt, of heb je liever een groep van een 30-tal waar iedereen elkaar snel kent’. En dan zijn er studenten die zeggen: “liefst dat eerste. Ik hoef niet meteen ‘opgenomen te worden in een groep. Dat is me te benauwd.’”

Ook in ruimtelijke termen moet je de kloof enigszins relativeren. Ik heb het meegemaakt dat ik met een buitenlandse gast tussen Brussel en Gent spoor, waarna die dan zegt, “so you live in the suburbs”. Om maar te zeggen: qua afstand is dat niks. En op dat traject heb je ook nauwelijks een stuk land dat niet bebouwd of bewoond is.

Maar je ziet wel het verschil natuurlijk. Ik doe alles met openbaar vervoer. Dat betekent dat ik soms niet meteen op de plaats ben waar ik moet zijn. Als het minder dan 5 km is, dan wandel ik. Als ik pakweg van Oostende naar Mariakerke wandel, moet ik heus geen bordjes bekijken om te merken dat ik in Mariakerke ben.

Maar het is wel een geleidelijke overgang. Op dat vlak is een stad als Sydney een opmerkelijke ervaring. De grens is scherp. Op een bepaald moment ben je buiten Sydney en zit je meteen in de bush. Wij zijn uitwaaierende steden gewoon.

Ik probeer dus genuanceerd te zijn in die zaken.

Jean Paul Van Bendegem, Verdwaalde stad – Filosoferen langs straten en pleinen, Houtekiet, 2017, 250 bladzijden. Herbeluister de uitzendingen op Klara als podcast.

Lieven De Rouck schrijft op zijn blog Lieven Brusselt over steden, stedelijkheid en Brussel. Zijn interview met Jean Paul Van Bendegem verscheen eerder in het oktobernummer (nr. 250) van het maandblad Meervoud.

De Buik van Brussel. Lucas Catherine over eten, drinken en aanverwanten

Ge kunt dô vanalles vinne, Russe macreaux en sardinne, fritten en moules parquées, slôge dei Brusseleirs in uile gilei, in de rue des Bouchers.

Die oorwurm geraakt u vandaag niet meer kwijt. Maar waarom zingt Johan Verminnen sinds 1979 over fritten en moules parquées? Een lied tot trouwens uit de koker komt van de Brusselse volkszanger Jan De Baets (1866-1953).

Je hebt geschiedenis en geschiedenis. Geschiedenis zoals in de boekjes. De middeleeuwen. De moderne tijd. Politieke geschiedenis, cultuurgeschiedenis, krijgsgeschiedenis.

Maar er is ook de ‘kleine geschiedenis’. Bijeengesprokkeld door ‘historici van vergeten zaken’, zoals schrijver Lucas Catherine. Het leven van de kleine man. Per definitie samengesteld op basis van verhalen, liedjes, foto’s, sporen in de stad en orale geschiedenis.

In het geval van Lucas Catherine niet over de Rue de Bouchers, maar over de wijk van de Vismet, ‘de buik van Brussel’. Die term voor de markten van Sint-Katelijne en de Vismet is ooit gelanceerd door architect en socialistisch volksvertegenwoordiger Fernand Brunfaut: “(…) de slagerwinkels waar het verse vlees en de vleeswaren verleidelijk liggen uitgestald … de staminees die uitpuilen van het volk omdat het bier er zo goed is … deze levendige buurt kan je bijna de buik van Brussel noemen” (1950) … Daarbij refererend aan Emile Zola’s roman Le Ventre de Paris (1873), die rond de Hallen van Parijs speelt en de sociale strijd beschrijft.

Catherines raamvertelling begint ergens in 1551-1561 met de aanleg van het Kanaal van Willebroek en een haven in het centrum. Een haven waarvan later de dokken worden gedempt en die dienst zal doen als marktplaats. Een centrum van aanvoer en verkoop van allerlei vis, gevogelte, groente, ander voedsel en andere waren. Een centrum met veel bedrijvigheid en het bijhorende werkvolk, ook in de “staminees”.

Waarom dit boek?

Over de Grote Markt en de Marollen is al veel geschreven, maar over dit – ook zeer authentieke en belangrijke – deel van de stad niet. Het is nochtans speciaal, want dit stuk is door Leopold II niet aangeraakt om er boulevards aan te leggen. En Paul Vanden Boeynants en Charlie De Pauw hebben dan wel het De Brouckèreplein en de Noordwijk afgebroken, maar hier zijn ze weggebleven.

Ik wilde eigenlijk gewoon een foldertje over deze wijk publiceren. Om te beschrijven hoe fel de wijk is veranderd, alleen al in de vijftien jaar dat ik hier woon.

Toen ik hier kwam wonen, waren er nog tien visboeren, nu is er maar één meer. Er zijn de ingeweken Vlamingen die rond de Oude Graanmarkt hun officieuze dorpsplein hebben, met de gekende cafés in hun circuit. Er zijn ook onvoorstelbaar veel Fransen ingeweken. Daarnaast zijn er ook de expats.

Bijna alle restaurants op de Vismarkt zijn overgenomen door Assyriërs. De kwaliteit is fel verminderd. Daarvoor komen mensen van de hoogstad echt niet meer naar hier. Ik pleit zeker niet voor enkel chique zaken, maar wel voor wat diversiteit en afwisseling: voor elk wat wils, voor rijk en arm. Ook historisch: de eerste chocolade van Leonidas, maar ook de karaboe(z)ja. Tot in de jaren zestig werd in  de Brusselse staminees karaboezja erkocht, zwarte brokkelsnoep op basis van restjes suikersnoep en zoethout die gemaakt werd op de Vlaamsesteenweg en per schep werd verkocht. Volgens de overlevering op basis van een Congolees recept.

Er was het wild en gevogelte van de bekendste handelaars van heel Brussel: Matthys & Van Gaever in de Melsensstraat, maar mensen zonder geld konden ook merels en lijsters kopen en eten. De diversiteit is weg. Er zijn nog wel enkele goede restaurants, met dank aan La Belle Maraîchère, waar de liberalen komen, maar er zijn er veel verdwenen.

Daarbovenop heeft ook le piétonnier, de verkeersvrij gemaakte centrale laan, de breuk tussen de hoogstad en de laagstad versterkt, net toen die stilaan weg was. Mensen weten niet goed meer hoe ze met de auto hier moeten komen en hoe ze de piétonnier moeten oversteken. En een bepaald publiek uit de hoogstad komt vooral met de auto. Vergeet niet dat ook de helft van de bussen werd afgeschaft.

De handelaars zijn er in elk geval niet over te spreken. Het oudere publiek vindt nog moeilijk de weg naar hier, en het jongere publiek heeft daar zijn eigen buurten. Mensen uit Sint-Gillis, Elsene, zelfs Vorst komen niet meer naar hier, omdat de buurten en pleinen zoals Flagey en het Sint-Gillis-voorplein zich daar ontwikkelen. De leemte wordt helaas opgevuld door horeca voor toeristen. Het wordt hier een pretpark. Maar de sfeer verdwijnt stilaan en dat gebrek aan authenticiteit beginnen ook de toeristen op te merken. Er is dus veel veranderd, en daarom wilde ik beschrijven hoe het vroeger was in de tijd die ik heb gekend en lang daarvoor.

Het centrum van Brussel als toeristisch vermaak. Het is niet de eerste keer dat we het horen.

Inderdaad, denk aan het lichtfestival Bright Brussels – afgekeken van Gent – met dezelfde hokjes die ze gebruiken voor Winterpret en Brussel Bad. Zoveel maanden per jaar haast dezelfde banaliteiten, zij het in een andere setting. Leuk is zo’n Winterpret niet voor de handelaars, want de kraampjes vormen een muur waardoor de handelaars niet meer zichtbaar zijn. En geen enkele politicus neemt zijn verantwoordelijkheid, want daarvoor hebben ze natuurlijk een ontoegankelijk en ontransparant vehikel opgericht zoals Brussels Major Events.

Er moet ook altijd en overal muziek en rumoer zijn. Ik at vroeger graag bij de Indiër aan de Beurs, maar nu is er altijd muziek. De bewoners tellen niet meer, enkel nog de toeristen … en zo heel af en toe denkt men eens aan de handelaars. Je moet van de stad geen museum maken, maar toch ook geen pretpark.

Het is hier ook zeer duur geworden, mede door de expats. Huurprijzen gaan tot 1.600 euro, veel mensen verdienen dat niet. Daarnaast is er de opkomst van Airbnb. In Amsterdam is dat ook een probleem. Maar daar beseffen ze dat en proberen ze het terug te dringen.

Mensen verhuizen vaak naar de Rand. Ook Franstaligen die wel Nederlands-Brussels spreken, maar het niet schrijven of lezen – dat is zeer typisch voor de mensen in de cafés waar ik kom – kunnen in de Rand nog wel terecht.

Welke cafés zijn dat?  

Dat ga ik u niet zeggen (lacht). Wij hebben daar geen nood aan ‘vremde’ (’vrumde’) – ik zeg het bewust op zijn Brabants, met een Brabantse mentaliteit: geen nood aan mensen van over het water in die cafés. De cafés waar ik ga, zijn op zaterdag en zondag dicht. Die hebben geen ander publiek nodig.

Zijn er auteurs die u geïnspireerd hebben, bijvoorbeeld omdat ze ook over de volkse geschiedenis van Brussel hebben geschreven?

Gustave Abeels (1928-2014) schreef over de geschiedenis en het werkvolk van de haven. In zijn boek stonden tenminste de oorspronkelijke Nederlandse bronnen. Ik ben geen nationalist, maar sta wel op mijn taal. Ik ben flamingant zoals mijn grootvader. In de Franstalige bronnen vertalen ze alles maar zonder te melden dat de oorspronkelijke bron in het Nederlands is. Jean D’Osta (1909-1993) was ook een inspiratiebron.

Dat waren inspiratiebronnen qua stijl, maar inhoudelijk baseerde ik me meer op verhalen. Je hoorde bijvoorbeeld wel verhalen over gevonden lijkjes van foetussen en je denkt: horror en urban legends. Tot ik stootte op een Oostenrijkse verordening uit 1738 die duidelijk maakte dat ontuchtige (buitenechtelijk zwangere) meisjes en vrouwen van deftige komaf opgesloten werden in een soort klooster-gevangenis, het Maison de la Sainte-Croix. Dan kan het wel eens kloppen: de nonnetjes als aborteurs. Dat soort verhalen vond ik belangrijk.

Ik ontdekte onlangs ook nog enkele 17de en 18de-eeuwse poorten en achter elke poort zit wel een verhaal. Er waren ook nog vele andere verhalen die ik links en rechts hoorde van oudere mensen uit de buurt. Ik wilde daar iets mee doen en zo werd de brochure een boek.

Ik ben blij dat ik het bestaan ontdekte van de Brusselse kalksteengroeven. De Brusselse steen kwam uit de groeven in Elsene, Etterbeek, Oudergem, Obbrussel (nu Sint-Gillis). Met deze steen werd de eerste omwalling gebouwd, waaronder de bekende Zwarte Toren in onze wijk.

De Brusselse steen daarvan werd uitgevoerd. Die gingen dan naar Zeeland en er kwamen boten terug  met mosselen en paling. Dat is ook een belangrijk element om onze Brusselse geschiedenis en realiteit te begrijpen, bijvoorbeeld de aanwezigheid van vis en zeevruchten in onze streekkeuken.

© Comité d’Etudes du Vieux Bruxelles

Naast de verhalen zijn er ook de liedjes. De liedjes van de Folies Bergère bijvoorbeeld, het grootste muziektheater in Brussel, dat floreerde in de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw. Mijn vader zong die liederen en ik vond dat fantastisch. Maar die zijn nooit neergeschreven en dus zijn die gedoemd om te verdwijnen.H

Die vorm van geschiedschrijving hangt samen met de taal van het volk natuurlijk, het Brussels. Maar het Brussels is ongeveer uitgestorven, hé. Je moet al zeventig jaar zijn om het te kunnen spreken. En zeggen dat ze vroeger het verschil konden horen tussen iemand van centrum-Brussel zelf, echt het centrum, de Marollen, de wijk van de Lakensestraat en de Antwerpsesteenweg (de kassa), en de wijk van de Congreskolom (de bafon).

Het Brabants rond Brussels is dezelfde taal. Bepaalde woorden worden hier niet meer gebruikt, maar in bepaalde dorpen rond Brussel wel nog.

Het Brussels is niet, zoals velen denken, een folkloristische mengeling van Frans en Nederlands. Er zit geen woord Frans in. Wij zeggen niet chicon, maar witluuf, niet cendrier maar asjepot. Maar ook het Brussels werd geleidelijk verfranst. Door de TV ontstond er ook een karikatuur van het Brussels als was het een mengtaal. Denk aan types zoals Hilaire Baconfoy in de tv-reeks De Collega’s.

U citeert een gezegde uit Baasrode, bekend voor de kweek van palingen voor de Brusselse afzetmarkt: “Als ze in Baasrode niet scheten, hadden ze in Brussel geen eten.” Welk beeld had de ‘plattelander’ van die ‘stedeling’ aan wie hij zijn waren verkocht?

Eerst wilde de uitgever dat citaat er niet in, maar ik wilde dat wel (lacht). Baasrode was de grootste binnenhaven van de Nederlanden, en daar kwam de paling aan tot de Eerste Wereldoorlog. Met de kruiwagen kwam men dan naar Brussel, 6 à 7 uur stappen. Mijn grootmoeder Lise Dubois woonde halverwege en kwam hier met melk en eieren. Ik heb het boekje aan haar opgedragen.

De stedelingen spraken natuurlijk over de ‘boeren’ als ze het hadden over de mensen die toeleverden, de mensen van ‘den buiten’. In Antwerpen kijken ze ook zo naar die van Linkeroever, vermoed ik. Dat heb je overal een beetje in de steden. Ze voelen zich wat beter, hé.

Die van de buiten kijken dan weer op naar de stad en de Brusselaars. Vandaar de sterke verfransing – men dacht dat men Frans moest spreken om hogerop te komen. Ze weten dat het goed is om hier een business te beginnen. Kijk naar de toevloed in de jaren zestig. Alle bakkers waren West-Vlamingen toen.

Het boek gaat in essentie over wat deze buurt betekende voor de import en export van de stad, zeker voor voedsel: groente, vis, gevogelte. Wat waren de andere aanvoerlijnen naar het centrum?

Vooral uit Obbrussel, nu Sint-Gillis, en Schaarbeek werden allerlei fruit en groenten hier aangeleverd. Molenbeek niet. Molenbeek was altijd al industrieel, zeker nadat alle werkvolk daar moest gaan wonen toen Leopold II zijn lanen maakte rond 1900 en de Zenne overwelfd werd. Pas op, hier was ook wel wat industrie en bedrijvigheid. Die fabrieksbazen hadden geld. De baas van L’Oréal had om 11 uur gedaan met werken en deed de ronde van de cafés om champagne te gaan drinken. Vandaar de mythe in deze wijk over de golden sixties en ‘de tijd van toen’.

En hoe zit dat met de huidige – ook internationale – import-export?

Die internationale trafiek heb je natuurlijk aan het Zuidstation en de Stalingradlaan, waar de Marokkaanse grossisten zitten en de autobussen uit Marokko aankomen. Je hebt ook de Brabantstraat in Schaarbeek. Mensen komen daar van ver, tot Nederland toe, producten kopen. Al die winkels doen dienst als kleinhandel en groothandel tegelijk. Die waren uit Marokko of Turkije worden dan van hier verder verdeeld.

Heeft migratie de buurt ook veranderd?

Heel Brussel verandert, dat is het probleem niet. Mij enerveert niet dat de buurt hier verandert en verkleurt. Wel dat de diversiteit – met cafés voor arm en rijk – vermindert, waardoor het monotoon wordt.

Migratie was niet doorslaggevend in mijn verhaal. Mensen schatten deze buurt wel vaak verkeerd in. 50% van dit deel heeft Marokkaanse origine, denk ik. Aan de andere kant wonen dan weer zeer veel Congolezen. Congo is een thema dat me ook boeit, zoals je weet.

De Afrikanen komen hier desalniettemin niet zo vaak. De concurrentie van Matonge is te groot. Al wonen ze daar niet, ze gaan er wel op café, restaurant, bij de kapper. Die Afrikanen gaan nu trouwens ook steeds vaker buiten de stad wonen. Denk aan Ninove, Aalst, Denderleeuw. We denken trouwens te vaak dat die Franstalig zijn. Maar velen hebben in Nederland gewoond. Of de kinderen zijn hier naar een Nederlandstalige school geweest. Waarom gaan ze daar wonen? Die steden en gemeenten hebben een prima treinverbinding met Brussel, en voor de helft van de prijs in Brussel koop of huur je er een woning. “En onze vent kan niet de hele dag op café in Matonge”, voegen de vrouwen er fijntjes aan toe.

Roaring twenties, golden sixties, de bloeitijd van de haven. Wanneer had u willen leven?

Ik leef graag nù (lacht). Ik houd van geschiedenis en van wat nostalgie, maar ik wil zeker niet terug in de tijd. De wijk is nu anders – internationaler – en dat heeft ook zijn voordelen. Dankzij de mensen hier in de wijk weet ik vaak meer dan door het VRT-journaal.

Denk aan de eerste protesten tegen Bouteflika – dat wist ik voor de media er hier over berichtten – , de boycot van bepaalde producten in Marokko, de verkiezingen in Congo, de verzoening tussen Ethiopië en Eritrea. Zeker als buren weten dat je in bepaalde zaken geïnteresseerd bent, spreken ze je daar over aan.

Zou u zelf ooit verhuizen?

We denken daar wel eens over na. Mijn vrouw suggereert soms om terug in Schaarbeek te gaan wonen. Maar meestal besluiten we dat we hier graag wonen, net omdat het een dorp is en we iedereen wel kennen, oud of nieuw in de buurt.

Lucas Catherine, De Buik van Brussel, Epo, 131 blz.

Lieven De Rouck schrijft op zijn blog Lieven Brusselt over steden, stedelijkheid en Brussel. Zijn interview met Lucas Catherine verscheen eerder in het aprilnummer (nr. 246) van het maandblad Meervoud.

Gilles Ledure: "Brussel draagt, net als Wenen, een verrassing in zich"

Gilles Ledure is sinds dit jaar juryvoorzitter van de instrumentale sessies van de Koningin Elisabethwedstrijd. Alsof zijn agenda nog niet druk genoeg was. De culturele duizendpoot is betrokken bij artistieke projecten links en rechts, en vooral algemeen directeur bij Flagey.

Gilles Ledure (c) Goethe-Institut Brüssel, 2016

Recent vond de tweede editie van het opmerkelijke project ‘Religie in de Stad’ plaats. Vanwaar dat project?

Het idee is ontstaan in 2015 en effectief opgestart in 2016, met name tussen de aanslagen in Parijs en Brussel. Dat is toeval, maar staat inhoudelijk natuurlijk niet los van het project.

We wilden zo’n project opstarten omdat we zoals iedereen merkten dat een bepaalde godsdienst oprukte, met duidelijke ideeën en een welomlijnd doel. Dat was voor onze sterk gelaïciseerde maatschappij – waarbij kerk en staat gescheiden zijn en godsdienst een privézaak is – toch nieuw en opvallend. Ook al gaat het om een kleine stroming binnen die godsdienst, daarover moeten we eerlijk zijn, toch was er vraag naar duiding en debat daarover. Tegelijk merkten we al langer een hang naar spiritualiteit bij onze bezoekers, aansluitend bij hun passie voor klassieke muziek.

Vanuit die twee vaststellingen wilden we het gegeven spiritualiteit uitdiepen. Er kwam een concreet voorstel van Jean-Philippe Schreiber, professor godsdienstvergelijking aan de ULB en wij waren meteen getriggerd. Hoe zit dat nu met godsdienst in onze maatschappij? Is dat deel van onze culturele identiteit? Die vragen en onderwerpen domineren nu eenmaal het publieke debat van de laatste jaren.

Het werd een overrompeling, een enorm succes: we kregen 7.000 mensen over de vloer, dat hadden we helemaal nooit verwacht. Mensen waren hongerig naar kennis en de sfeer was hartelijk, hoewel er harde en directe zaken gezegd werden over het thema. Ik was ook trots op mijn stad dat ze daarvoor open stond, hoewel Brussel toch een reputatie heeft van laïcisering en zelfs papenvreterij; Zo kwam de net benoemde aartsbisschop Jozef De Kesel spreken. Later kwam bijvoorbeeld ook nog de aanslag bij Charlie Hebdo. We konden dus niet actueler zijn. We hebben dan beslist om het evenement te herhalen. Dit jaar vond dus de tweede editie plaats, die handelde over het lichaam. Het lichaam is immers ook een instrument in het ideologisch-levensbeschouwelijk beïnvloeden of onderwerpen van mensen.

We lieten enkel vrouwen aan het woord, want het zijn bijna altijd vrouwen die moeten boeten. Hun lichaam is gevaarlijk is en moet onderworpen worden.

Waarom moet dat dan net in een huis van cultuur en muziek?

Het leven kent yin en yang: actie en reflectie. Ik wilde een plek waar men op niet-activistische, niet-praktische wijze kon spreken over de consequenties van het denken in je leven. Theater bijvoorbeeld kan activistisch zijn en moet dat soms ook zijn, maar wij zijn bezig met etherische materie: muziek. Muziek is er enkel op het moment zelf, en in je geheugen. Het vraagt scholing om dat te kennen, herkennen, daarvan te genieten. Om je ervaringsveld zo rijk mogelijk te maken.

Popmuziek is de uitzondering, want die nodigt uit tot dansen, bewegen, actie, maar klassieke muziek is anders. We merkten een grote vraag naar aandacht voor yang, voor rust en reflectie. Ik verwijs naar Flagey’s the Circle of Silence, beïnvloed door de band tussen muziek, spiritualiteit en natuur. Dat is een heilige driehoek in de Scandinavische en Baltische landen. Na de Tweede Wereldoorlog is hun hele cultuurgebeuren, zowel politiek als esthetisch, daarop gebaseerd. Uit de actieve wereld trekken ze zich terug in die veilige driehoek die fundamenteel deel uitmaakt van hun identiteit. En musiceren is echt deel van hun identiteit.

In die context organiseerden we begin dit jaar ook het Arvo Pärt-weekend. Deze nog levende componist uit Estland is de eerste die zich daar opnieuw mee bezig hield. Hij trad ook toe tot de orthodoxe kerk.

Part-Arvo-08
Arvo Pärt

Voor Flagey als ‘productiecentrum van klank’ is die yin, die stilte en reflectie een belangrijk gegeven. Muziek zorgt voor introspectie, maar plaatst je ook in een relatie tot iets wat je overstijgt.

Durf je te spreken van componisten uit de stad en componisten uit de natuur of het platteland?

Dat is geen domme vraag, maar wel een beetje een gevaarlijke vraag, omdat je snel in clichés belandt. Alsof een natuursymfonie van Dvorak in New York van hem dan een natuurcomponist maakt. Als je wil opdelen, dan niet in termen van stad en platteland, maar op basis van de plaats van de mens. Staat de mens centraal als denkend en ordenend wezen, of maakt hij deel uit van iets dat hem overstijgt? Bach was de laatste in die tweede categorie, waarbij de kunstenaar ondergeschikt werd aan een opperidee of opperwezen. Daarna kwam enkel nog de kunstenaar en zijn kunst centraal te staan.  Tot het irrationale en bijna egocentrische van de romantiek – denk aan Wagner en waartoe dat geleid heeft. De muzikanten die ik aanhaalde, willen terug naar die eerste invalshoek, via het een zijn met natuur, natuurfenomenen, het ecologische gevoel.

Trouwens, ook in algemene termen is de oppositie tussen stedelijkheid en landelijkheid overdreven, in een wereld waar pakweg 90% van de bevolking op de ene of andere manier aangewezen is op de stad. Dat onderscheid is niet meer zo sterk, en toch denken we vaak in clichés. Ik hoop dat ook Flagey bijdraagt aan meer nuance, op vele vlakken.

U bent een stadsmens?

Ja, ik ben hier niet alleen voor het werk. De stad is veel te boeiend om de rug toe te keren. De voorzitster van het Goethe-Institut zei me ooit, toen ze net in Brussel kwam wonen, dat ze hier het gevoel had dat ze constant valium moest nemen wegens de chaos en drukte. Zes maanden later zei ze dat Brussel één van de meest fascinerende steden is waar ze ooit kwam.

Een stad kent natuurlijk vele problemen, maar draagt ook de kiemen van vele oplossingen. Denk aan het mobiliteitsprobleem. Was niet iedereen buiten de stad gaan wonen met twee wagens, hadden we geen mobiliteitsprobleem. Ik bedoel dat niet aanvallend, want de meeste mensen wonen zo en ik ben ook zo opgegroeid, maar het is wel zo.

Je had het over de driehoek rust, spiritualiteit, muziek. Vind je die in de stad?

Dat is niet gemakkelijk. Ik ben niet afkomstig uit Brussel, maar uit een dorp 25 km ervandaan. Ik kwam hier wel vaak, maar toen ik hier 25 jaar geleden kwam wonen, had ik moeite met het gebrek aan stilte. Al ik het nu beschouw, hebben we als Brusselaars geluk. Parijs en Brussel zijn ongeveer even groot, maar daar wonen wel  3 tot 4 keer meer mensen. Dus eigenlijk zijn wij in Brussel gezegende mensen.

De levenskwaliteit in Brussel is, net als in de andere Belgische steden, hoog. Ik wil zeker niet blind zijn voor de realiteit van vele mensen die in kleine, verouderde appartementen moeten wonen in deze stad, maar wij Brusselaars wonen – gemiddeld gesproken – comfortabel in relatief grote woningen en vaak ook rustig. Ik heb een kleine stadstuin, zoals best vele huizen in Brussel, en als je daar zit, hoor je alleen de vogels en spelende kinderen.

Als ik echt zou kunnen kiezen, denk ik soms aan een huis in een landelijke omgeving naast een bos. Maar dat is de paradox van dit land: het platteland bestaat echt niet meer. Dorpen zijn voorsteden geworden. Het stiltepatroon, zoals ik het me herinner uit mijn jeugd, bestaat niet meer. Je hoort auto’s, mensen die hun gras afrijden, kinderfeestjes. Ik vraag me steeds meer af: wie woont dan kalmer? Ik in mijn rustige stadstuin, of mensen het zogenaamde platteland waar veel ander lawaai de rust verstoort. Mensen van het zogenaamde platteland die me bezoeken zijn vaak verrast door de rust hier. Dus die initiële romantische droom van de terugkeer heb ik niet meer.

Een grotere stad trekt je minder aan?

Er zijn grotere steden die fascineren, maar waar ik niet zou willen wonen. Als je miljardair bent is het leuk om in New York te wonen, maar de meeste mensen, zoals ikzelf, zijn dat niet. Ik heb in Parijs gewoond, dat is zeer leuk maar ook zeer duur. Amsterdam is een fijne stad. Maar als je zegt dat je hier misschien een appartement van 100 m² hebt, dan bekijken ze je heel raar. En als je in Tokyo iets groter wil dan 30 m², merkt men op dat het wel bescheidener kan.

De manier waarop wij Belgen uiterst slordig maar genereus omgaan met onze ruimte, is vrij uniek. Ik ken geen andere landen waar dat zo is. Behalve dan het Amerikaanse platteland, en dat land is 100 keer groter dan België. Dat is totaal absurd. In Nederland hebben ze het rationeler bekeken en ingericht. Logisch dat het landschap er veel mooier is.

Maar we plukken er ook de voordelen van. In Brussel, om daarnaar terug te keren, worden wij als individuele bewoner best in de watten gelegd. Niet dat het allemaal peis en vree is. Ik vind Brussel best vuil, dat toont een gebrek aan burgerzin.

Flagey is ontegensprekelijk een landmark. Leuk?

Ik werk graag in een zo mooi gebouw, zeker. Het schept zelfs een soort dankbaarheid en plichtsbesef. Maar belangrijker vind ik de binnenkant, de innerlijke technische kwaliteit van het gebouw. Het vernuft inzake akoestiek om stilte en geluid te beheren, met gebruik van de meest moderne technologie.

Foto 26-02-19 20 38 13
Foto 26-02-19 20 38 12
Foto 26-02-19 20 38 11

Steden zijn steeds diverser. Hoe bereik je die bevolking? Komen bijvoorbeeld meer mensen van buitenlandse herkomst naar de activiteiten van Stad en Religie?

Dat is een interessante maar moeilijke problematiek. We moeten daar blijven op werken. Ikzelf sta nog maar aan het begin van mijn reflectie daarover.

In Flagey zal je zeker mensen van diverse religies aantreffen, zoals een joodse dokter, een islamitische pianist, een orthodoxe zangeres of een vrijzinnige professor. Wat die mensen bindt, is vooral niveau, levensstandaard, opleiding. Ze hebben meestal van hun ouders bepaalde kansen gekregen. Bepaalde instrumenten meegekregen om bepaalde zaken te waarderen. Ooit stonden je zuil, je ideologie, je opinie van bij de geboorte vast. Daarna werden we allemaal ongebonden en vrij. Maar nu worden onze opinies subtiel aangestuurd, aan de hand van sociale media bijvoorbeeld.

Daarom is het zo belangrijk dat individuen zelf tools hebben, en dus aangereikt kregen, om daar mee om te gaan. Dat is een sociologisch feit, dat los staat van geloof, maar te maken heeft met kansen en kansarmoede.

En dat geldt ook voor het waarderen van klassieke muziek. Ik geloof in de ontvoogdende taak van de maatschappij en instrumenten zoals de media. De jaren zestig waren economische hoogdagen, maar gingen ook gepaard met ontwikkeling, democratisering van het onderwijs, het geloof in onderwijs en ontvoogding. Er was een vooruitgangsgeloof. Kennisverwerving was niet nutteloos, maar een manier om meer mens te worden.

Ik verwijs naar Singing Molenbeek, dat we mee ondersteunen, en El Sistema Centre/Transcanal, dat we zelf hebben opgezet. Die projecten willen vaardigheden en kennis aanreiken. Vaardigheden zoals stiptheid, respect voor een groep, werkethiek, discipline. We geven hen respect mee – dat ze vaak zelf niet krijgen – en daarmee ook de verantwoordelijkheid om respect op te brengen voor anderen. Dat is een veeleisend proces en een grote uitdaging. Het vraagt een inspanning en een strategie op lange termijn. Als je het vrijblijvend doet, kan je het beter niet doen.

Kijk, representatie is iets speciaal. De scène is onze manier om taboes zoals incest, moord, oudermoord uit te beelden en een plaats te geven en zo een boodschap door te geven. Wat niet mag, wordt op de scène vorm gegeven. Maar dat is onze cultuur. Andere culturen hebben vaak andere taboes, en veruitwendigen die ook anders. We moeten vaak nog ontdekken waar we anderen schofferen en waarom. Dat is een subtiel evenwicht. Waar vooral nog veel kennis van elkaars cultuur voor nodig is.

U hoopt dat de kinderen van pakweg Singing Molenbeek later Flagey bezoeken?

Zeker. Of een ander cultuurhuis. Als je vindt dat wat je nu doet relevant is, dan wil je dat ook relevant houden. Waarom zou je over 50 jaar nog luisteren naar Brahms, Stravinsky, Lassus, Beethoven? Die andere muziek moet je kennen of leren kennen. Het is een oefening in het scherpen van de zintuigen. En met name het gehoor: wat heb ik juist gehoord? En wat voelde ik daarbij?  Dat is onze taak, maar ook van ouders, van scholen, van de overheid. Van alle mensen die een maatschappelijk belang hebben.

Waar zou u willen wonen vanuit louter cultureel oogpunt?

Ik ben een grote Wenen-liefhebber. De stad is wel 1.000 jaar lang de hoofdstad geweest van een groot imperium. Dat kunnen weinig andere (hoofd)steden zeggen, zelfs Parijs niet.

De stad is niet duurder of groter dan Brussel. Ze is ook zeer gediversifieerd, maar wel net iets meer geordend, natuurlijk. Het klimaat is er leuk, het cultuuraanbod enorm. De stad is ook dubbelzinniger en tegenstrijdiger dan de meesten denken en weten.

Zo was de stad zeer progressief met haar moderne en interessante kunst in de 19de begin 20ste eeuw. Tegelijkertijd is het een stad die het populisme gevoed heeft en zo aanleiding heeft gegeven tot een van de meest onfraaie episodes in onze geschiedenis.

Wenen had al vanaf eind 19de eeuw problemen door de grote bevolkingsdruk en een grote diversiteit. In 1880 had je meer dan honderd nationaliteiten. Bovendien was er de industriële revolutie en de ontwakende arbeidersklasse. Dat veroorzaakte problemen, waar de keizer niet op voorzien was. Hij legde de Ringstraße aan, met imperiale, grote gebouwen vol grandeur zoals het Burgtheater. Dat was een paternalistische visie op het probleem, maar geen oplossing. En dan komt daar de antisemitische burgemeester Karl Lueger (1844 – 1910), die het volk geeft wat het zogenaamd wil.

image_gallery
De Ringstraße in  Wenen, grandeur in een poging om het volk te paaien

Ondanks en zelfs doorheen die ruwe episode, blijft Wenen deftig, ordelijk, Wienerisch zeg maar. Vorm en inhoud lopen heel sterk uit elkaar. Want de mooie façade blijft intact. Dat fascineert. Nog steeds heb je in Wenen die mix van een charmant, overjaars, oubollig conservatisme en interessante ‘cutting edge’ kunstproductie – denk aan de Wiener Festwochen. Ik houd van steden als Brussel en Wenen, die niet evident zijn en een verrassing in zich dragen.

Lieven De Rouck schrijft op zijn blog Lieven Brusselt over steden, stedelijkheid en Brussel. Zijn interview met Gilles Ledure verscheen eerder in het februarinummer (nr. 244) van het maandblad Meervoud.

“Steden groeien te snel.” Filip Canfyn over de inclusieve stad

De meeste stadsonderzoekers en -auteurs schrijven doorwrochte studies, boeken en essays. Sommigen wagen zich aan een opiniestuk voor een breder publiek. Filip Canfyn doet die zaken ook, maar hij schrijft ook columns. Zijn spitse columns ‘Steen en Been’, geschreven met kennis van zaken en ook nog eens ad rem, zijn wekelijks te lezen op architectura.be. Even recht voor de raap is zijn boek ‘Het syndroom van Verkavelingsvlaanderen, een radicaal pleidooi voor stedelijk wonen’.

Canfyn is burgerlijk ingenieur-architect en was directeur bij projectontwikkelaars, directeur stadsplanning en -ontwikkeling van Stad Kortrijk en gastdocent aan Sint-Lucas. Hij heeft aandacht voor de problemen van de suburbanisatie en voor de voordelen van de stedelijke creativiteit, maar bouwt zijn discours vooral op expliciet klassiek-linkse thema’s zoals diversiteit en inclusie, recht op wonen, gelijkheid en ongelijkheid.
Na vier andere publicaties schreef hij recent zijn eerste roman. ‘Lysboa (Lyssabon)’ vertelt het vergeten verhaal van Portugese soldaten aan de oevers van de Leie tijdens de Eerste Wereldoorlog. We zouden elkaar treffen met diezelfde Portugese vibes in Cantinho da Cidade in de Argonnestraat nabij het Zuidstation. Dat lukt niet, dus wordt het Eetcafé De 7 Zonden in die andere thuishaven, Kortrijk. Canfyn nipt van een blauwe Bockor, de lokale arbeiderspils en zijn lievelingsbier, voor hij aan zijn exposé begint.
Een boek over Lissabon. Mogen we daaruit afleiden dat Lissabon uw lievelingsstad is?
Dat weet ik niet. Parijs en Rome horen ook bij mijn favorieten. Parijs ken ik door en door binnen de ‘péripherique’ (de Boulevard Périphérique, de ringweg rond Parijs, red.). Vroeger verbleven we er tot drie keer per jaar, elke keer in een andere buurt, waar we dan echt enkele dagen ‘woonden’. Met andere woorden, we verlieten die buurt zelfs niet en zo leerden we die beter kennen. Van Rome ben ik ook fan. Ik ga er elk jaar zeker een keer heen. Ik ga er ook rugby kijken in het Olympisch stadion.
New York is voor mij mythisch. De ongelijkheid is er wel zeer aanwezig en zeer stuitend. Wat je daar betaalt om een dag te parkeren, is een veelvoud van wat de parkeerwachter, meestal een zwarte, daar op die dag verdient – terwijl er tientallen of honderden auto’s staan.
Lissabon ken ik inderdaad goed en ik zou er kunnen wonen, maar ik word, zoals de inwoners zelf, het slachtoffer van het succes van de stad. Ik erger me aan de aanwezigheid van toerisme en meer bepaald Airbnb. Ik vind Lissabon zeer boeiend, omdat de stad mediterraan en zelfs zeer Afrikaans is. Bovendien boeit de specifieke politieke geschiedenis met staatshoofd António de Oliveira Salazar (1889-1970) me enorm – een politieke geschiedenis met een wrede kolonisatiesmaak en uitlopers tot de Eerste Wereldoorlog in Vlaanderen, zoals ik beschrijf in het boek. Salazar regeerde liefst tot 1968, en ik voel me verwant met de verknechte Portugezen. Dat werkt door tot in de fado. Ik kan huilen als ik fado hoor. Ik ben zeven jaar op rij naar Lissabon geweest om die stad te leren kennen en wandel dan vaak rond.

Bent u enkel onderzoeker of ook stadsobservator? Hoe belangrijk is rondlopen in de stad?
Zeer belangrijk. Je kan niet beweren bezig te zijn met stedelijkheid zonder er interesse van binnenuit voor te tonen. Door rond te lopen heb ik steden als Brussel, Antwerpen en Gent goed leren kennen.
Ik fotografeer veel, met veel aandacht voor kleuren en patronen. Ik observeer hoe mensen wonen en leven. Welke cafés en restaurants zijn er? Waar wonen welke mensen? Hoe verhouden wijken zich tot elkaar? Dat zijn boeiende vragen.


(c) Filip Canfyn

Ik ga ook langer dan de meeste mensen. Ik verkies geen citytrip van 3 dagen, maar 5 of 6 dagen om een stad of stadsdeel echt te leren kennen.
U hebt veel kritiek op het beleid in onze steden. Welke steden binnen of buiten België doen het goed?
Ik heb bewondering voor Mechelen. Vergeet niet dat Mechelen op een bepaald moment echt verloederd en vuil was en qua bevolking zowel ‘zwarter’ was als ‘bruiner’ stemde dan Antwerpen. Een échte clash behoorde tot de mogelijkheden, maar men heeft dat kunnen afwenden en een positieve dynamiek in de stad kunnen brengen. Burgemeester Bart Somers heeft daar zeker zijn verdienste in. Natuurlijk is hij een echte marketeer en heeft hij dat niet alleen gedaan, en als ik zijn boeken lees, vind ik het vaak onzin. Maar hij heeft zeker gezorgd voor een positieve vibe voor die stad en die negatieve spiraal keren is wel een prestatie. Ook nu zoekt Somers niet de communicatieve tegenstellingen om zich te profileren. Hij voert beleid – een lik-op-stukbeleid én een inclusief beleid – en voert het debat niet alsof het of/of is, want dat is het ook niet.
Ik ben op mijn hoede om buitenlandse steden te noemen. Over Vlaanderen en Vlaamse steden spreek ik met kennis van zaken. Over buitenlandse steden ken ik veel, maar te weinig om zo’n vraag gedegen te beantwoorden.
Barcelona vind ik wel fascinerend. Ik was aangenaam verrast door een model van reconversie van begin deze eeuw. Toen hebben ze in een gebied met voormalige stedelijke nijverheid – in de buurt van Torre Agbar van Jean Nouvel – twee zaken gedaan. Ten eerste kwam er overal internet. En ten tweede kwam er een stedenbouwkundige norm die een vloeroppervlakte van maximum de grondoppervlakte voorschreef. Met andere woorden, je mag evenveel oppervlakte bebouwen als de bouwgrond zelf. Als je veel oppervlakte inneemt, bijvoorbeeld voor een atelier, mag je niet hoog bouwen. En omgekeerd: als je in de hoogte bouwt, moet je ook meer ruimte open en groen laten. Niet minder en niet meer. Die maatregel was zeer succesvol in het heractiveren van de stad. Daar kwamen IT-start ups, artiesten, enz.
Ik zie nu ook wel de overkolonisatie door het toerisme in Barcelona. Door Airbnb en dergelijke worden de locals verdreven, maar dat is in vele steden zo. Anderzijds is de evolutie in steden als Londen ook niet goed, waar – bij wijze van spreken – enkel rijke Russen komen wonen.
Steden groeien te spontaan. Verstedelijking zien we als een natuurlijke proces en van bidonvilles schrikken we niet meer. Ik geloof daar niet in. Plannen is altijd essentieel. Natuurlijk kan je niet alles plannen. Het probleem is alleen dat we vaak te laat ingrijpen, wanneer de problemen zich al scherp stellen. Als we wachten tot we het probleem zien en dan pas nadenken over een oplossing, kost het nog tijd en geld om het uit te voeren. En hebben we dus veel tijd verloren. En dan blijkt dat de overheid op het einde van de rit niet zo veel kan oplossen, als ze niet mee stuurt van in het begin. En eigenlijk houden we niet van dat vooraf plannen. Het model ‘we doen maar, de overheid moet zich niet moeien, de gevolgen of problemen zijn voor een ander en desnoods moet diezelfde overheid het maar oplossen’ krijgt de voorkeur. Omdat we zo – op het protectionistische en repressieve af – kunnen beschermen wat we hebben.
Maakt u dat eens concreet.
In Vlaanderen loopt alles door elkaar: stad, platteland, suburbaan Vlaanderen. Dat zorgt voor drie even concrete als reeds bekende zorgenkindjes: ruimte, energie en mobiliteit. We wonen met steeds meer in een sowieso dichtbevolkte regio. Als we zo verder gaan, bouwen we Vlaanderen helemaal vol en vernietigen we alle open ruimte. En doordat we niet nadenken over wonen in relatie tot werken pendelen veel mensen met de auto, met immense files tot gevolg. Ooit zal het helemaal stilstaan.
Ten slotte verspillen we veel energie en blijven we CO2 en fijn stof uitstoten als we slecht gelokaliseerd blijven wonen en bouwen én alles met de auto doen. We willen allemaal behouden wat we hebben en blijven leven, bouwen, pendelen, zoals we nu doen. Dat heeft te maken met een aantal zogenaamde vrijheden: ik kies waar ik woon, hoe ik woon, en neem mij dat en mijn auto niet af. Dat is wat Hugo Matthijsen de buxusgordel en het buxusdenken noemt. Maar die drie uitdagingen zullen we allemaal als problematisch ervaren als we niks doen en het helemaal fout loopt. Je kan de fles niet blijven vullen. Ooit loopt ze over. En we zitten vlakbij rampscenario’s. Vroeger was er ruimte zat, energie zat, mobiliteit was geen probleem: the sky is the limit. Maar dat is toen en we zitten niet meer in die situatie.
Als je dieper gaat kijken, gaat het ook over meer dan dat. Het betreft eveneens andere thema’s zoals gelijkheid en ongelijkheid, diversiteit. Willen we gelijkheid of willen ‘we’ houden wat we hebben, zelfs als maatschappelijke ongelijkheid daarvan de consequentie is? Ik ben daarover erg pessimistisch.
Hoe moeten we de link zien tussen ongelijkheid en stedelijkheid?
Ik heb zes jaar gewerkt voor de Stad Kortrijk. Elk jaar hebben we gemeten wie de stad verlaten heeft en wie erbij gekomen is. In Kortrijk verlaten nagenoeg evenveel mensen de stad als er mensen komen wonen. De vertrekkers zijn dertigers, vaak met een beginnend gezin, die een huis willen kopen. De mensen die aankomen zijn de eenoudergezinnen, alleenstaanden en grote gezinnen die een huis moeten huren. Die beweging is in alle steden gelijkaardig en bevestigt de stadsvlucht door de middenklasse. Een stadsvlucht die we trouwens subsidiëren, denk aan de woonbonus en de salariswagen.
Gentrificatie is in die context eigenlijk niet significant: er zijn toch te weinig hoge inkomens die in die wijken met lagere inkomens komen wonen. Daarom ben ik ook eerder mild voor gentrificatie, in tegenstelling tot vele critici. Alleen is er overdreven veel aandacht voor de jonge, hippe, goed verdienende stedeling. In de realiteit buiten de media is die nog steeds helemaal niet de norm. Dat zie je ook in Brussel, waar kansarmoede in het centrum manifest aanwezig is. In alle grote steden in het buitenland worden de armen buiten de stad geduwd, naar de banlieues.
Er is een fantastisch boek van Dyab Abou Jahjah, “De stad is van ons“. Hij schuift drie scenario’s naar voren. Die zijn al overgenomen in urbanistische, academische literatuur. Optie één: we laten de steden helemaal verpauperen en sluiten ze af van het hinterland. Isolatie en repressie dus. Een soort ‘gated community’ van buitenuit. Tweede mogelijkheid: we evolueren naar middenklassegetto’s in de stad, met de verpaupering weggestopt van de feeststad. Camouflage en decoratie. De derde en laatste optie is de echt inclusieve stad.
Optie 1 vinden we meestal toch wel een brug te ver. Dus verkiezen we impliciet de tweede optie, aangezien optie 3 niet realistisch is. Je voelt dat we nu in het tweede model zitten. Maar we evolueren niet in de goede richting: we verminderen en beperken de mogelijkheden tot inclusie. Bijsturen richting meer inclusie gebeurt meestal traag en tegen de zin van velen, enkel omdat de alternatieven nog erger zijn.

Wat betekent inclusief voor u?
Het tegengestelde van exclusief. Ik wil geen stad enkel met en voor rijken. Of enkel met en voor armen en gekleurden. Ik heb het niet over ‘de middenklasse terug naar de stad’, want dat is een nietszeggende oneliner. De middenklasse is zo breed en 80% van de bevolking valt eronder. Alle partijen, ook de linkse, mikken op die 80%. De rest zijn 5% rijken en 15% armen. Die 15% is wel oververtegenwoordigd in de stad, maar politiek nauwelijks vertegenwoordigd.
Als die grote groep ‘middenklasse’ de stad helemaal verlaat en de anti-sfeer rond de stad voedt, evolueren we naar het eerste model van Abou Jahjah en dat is gevaarlijk. Als je almaar zegt dat iets een vuilnisbak is, is dat een self fulfilling prophecy.
Moeten we meer en sneller bijbouwen?
Er is nood aan grootschalige renovatie van onze steden. Je zou hele buurten moeten aanpakken. Maar dat is moeilijk in ons model van versnippering van eigendom. Er is ook veel te weinig sociale huisvesting – en dat is een fundamentele onrechtvaardigheid. Dat is historisch zo gegroeid, vanuit het ideologische beleidsverleden met de christendemocratische partijpolitiek die prioritair andere vormen van wonen wilde subsidiëren.
Ons sociaal model is zeker niet slecht. Kijk naar gezondheidszorg, dat zit snor. Idem voor ons onderwijs. De grootste lacune zit in het derde grondrecht, het huisvestingsbeleid. Is dat rechtvaardig? Woont iedereen in waardige omstandigheden? Het baart me evenwel zorgen dat we dat niet kunnen oplossen, dat het beleid de verkeerde maatregelen neemt. We hebben evenwel geen tijd meer, als je kijkt naar het demografische spook. Kijk gewoon naar de Brusselse demografie, dat is een bom die tikt; gelet op de bevolkingsgroei tussen nu en 2020, 2021, 2022.
Ik heb niks tegen appartementen maar pleit er ook niet voor. Hetzelfde met hoogbouw. Alleen weiger ik verdichting exclusief te koppelen aan het bouwen van appartementen. Dat laatste is een misvatting, die past in het kraam van de bouwlobby die private winstmaximalisatie wil per vierkante meter.
Verdichting is perfect te realiseren met rijwoningen. Dat heeft te maken met architecturale, stedenbouwkundige logica’s en berekeningen. Vergeet niet dat als je in de hoogte gaat, er andere regels spelen waardoor het resultaat niet per se denser of intelligenter is.
In Brugge heb ik ‘t Pandreitje gerealiseerd. We realiseerden daar 100 woningen per hectare. Dat ga je niet snel halen met appartementen, tenzij met zeer kleine flatjes.Een appartement als woonvorm hoeft niet de norm te zijn. Een grondgebonden woning, dus rijhuis, blijft voor mij de norm. Ik normeer dat vanuit sociaal oogpunt: wie hoger woont kan bij de andere binnenkijken en grijpt dus in op diens privacy, wat voor spanning zorgt. Daarom prefereer ik de rijwoning, de woning op de grond, waarbij iedereen op dezelfde hoogte woont en niet bij de andere binnenkijkt.

Dat pleidooi voor het rijhuis hoor je weinig. De Vlaamse bouwmeester pleit voor kernversterking en daarbij ook voor appartementen en hoogbouw.
Ik heb de indruk dat hij stilaan terugkeert op die visie. Of tenminste, op die communicatie. Omdat hij beseft dat zijn beeld van ‘iedereen naar de stad’ of ‘de woontoren in het dorp’ niet het juiste signaal was en is.
Wij pleiten wel beide voor herdorping. Dat is ook kernversterking. Nog steeds lopen de dorpen leeg terwijl de lintbebouwing op de verbindingswegen of de verkavelingsblokken tussen de dorpen blijven toenemen. Het municipalisme versterkt dat: elke gemeente heeft een extreme autonomie inzake ruimtelijke ordening en wil groeien qua inwoners. Uit prestige of omdat er financiële voordelen zijn voor de gemeente en haar bestuurders. Maar men groeit niet in de kernen – want daar denkt men niet over na – en intussen lopen die leeg en vertrekken de bakker en de slager. De dorpen hebben wel een B&B voor de toeristen die rust zoeken, maar geen café meer voor de eigen dorpsbewoners. Net zoals het dorpsschooltje dat niet meer leefbaar is. Ouders sturen hun kinderen niet meer naar een school waar ze wonen, maar op de weg tussen woon- en werkplaats. Ik zie dat met lede ogen aan.
Moet de overheid een groter aandeel van de woningmarkt beheren?
Ik heb niet de illusie dat we de huidige tendens kunnen omkeren. Ik probeer realistisch te zijn. ‘Boven’ het segment van de sociale woningen, met name huurprijzen van 600-700 euro, kunnen de overheden wel veel meer doen. Op de private huurmarkt moet je al hard zoeken om iets te vinden voor die prijs. Op de private koopmarkt kunnen die mensen uit de lagere middenklasse sowieso al niet terecht. Die ‘dalen af’ tot de huurmarkt. Let op de uitdrukking die men daar in Vlaanderen aan geeft: ‘afdalen’.
Daarom pleit ik ervoor – voorlopig zonder succes – dat de lokale besturen, de steden zelf veel actiever worden en zelf haalbare woningen bouwen met een hoge densiteit om op de koopmarkt te plaatsen. Zij hebben vaak nu al veel gronden en gebouwen in hun bezit. Is dat communisme? Tja, dan zijn ons onderwijs en onze gezondheidszorg ook communistisch. Of gaan we die ook privatiseren. Als een stad zoals Gent per jaar een 1000-tal betaalbare woningen zelf op de markt zou zetten, zouden de markt en het concurrentiemodel in een stad helemaal veranderen en zouden de prijsstijgingen niet leiden tot onbetaalbare woningen.
Er zijn ook andere modellen denkbaar. Op dit moment is er een zeer persoonlijke verhouding tussen de verhuurder-eigenaar en de eigendom. We zouden beter eigendom en bezit losmaken van het product. Je koopt dan bijvoorbeeld een aandeel in een appartement en je krijgt de garantie dat het verhuurd wordt, met andere woorden dat er inkomsten zijn. Zoals met de SVK’s nu, maar dan in een iets hogere prijsklasse. Na negen jaar wordt het aandeel verkocht tegen een prijs die op voorhand afgesproken is – met een bepaald rendement dus -, en de huurder heeft een voorkooprecht. Dus de privémarkt bouwt en investeert, de particulier betaalt, en de overheid legt de regels vast. Zo kan een contingent woningen op de markt komen in een rollend fonds, gestuurd naargelang de noden.
Maar in Vlaanderen is dat blijkbaar onbespreekbaar. Het andere uiterste is de totale vrije markt, qua financiering, en de totale deregulering qua voorschriften. Maar dat model is zeker gedoemd om te mislukken.
Als het over inclusiviteit gaat, is er ook een ander item. Zijn er nog zogenaamde aankomstbuurten?
Die zullen altijd nodig zijn. Dat heeft vooral met netwerken te maken. Ik heb lang een Somaliër als buur gehad. Die was eerst ingenieur bij Barco en had daarna een belwinkel. Er is in Kortrijk een significante Somalische aanwezigheid, en dat is wellicht volledig op zijn conto te schrijven. Dat heeft niks te maken met zwarte circuits en schimmige zaakjes. Mensen zoeken wie hen kan helpen. Vaak mensen die de taal spreken en toch de nieuwe leefomgeving ook al kennen. Denk ook aan de Turken in Gent.
Dat betekent niet dat ze daar blijven wonen. De aantrekking en de groei van pakweg Brussel zijn er niet door de nieuwe rijke stedelingen, maar omdat het de ‘aankomststad’ bij uitstek is. De stad of buurt blijft wel statistisch arm, maar daardoor heb je – onterecht – de indruk dat de inwoners arm blijven. Wat we niet zien in de statistieken, is dat een arme migrant sociaal mobiel is, zijn positie verbetert, verhuist en vervangen wordt door een nieuwe arme migrant. Die realiteit is genuanceerder, en positiever.
Ik neem elke morgen de trein Kortrijk-Oudenaarde-Zottegem-Denderleeuw-Brussel. Tijdens de spits zie ik dan zo vanaf Zottegem de depressieve pendelaars opstappen. Het gezin woont in een verkaveling op het zogenaamde platteland en de moeder des huizes moet in Brussel ergens op een computer gaan tokkelen om dat huis af te betalen. Maar als ik dezelfde trein twee uur later neem, zie ik Afrika op die trein. De hele regio Aalst-Ninove-Denderleeuw weet dat al te goed: de Afrikanen uit Brussel komen naar daar. Zij vormen een nieuw deel van de middenklasse. Zij komen daar bewust wonen omdat ze het beter, misschien veiliger, vinden dan in Brussel, het woonaanbod in Brussel beu zijn en omdat ze er mensen kennen.
Een inclusieve stad, is dat ook een stad met sociaal ‘gemengde’ buurten ?
Ik ben voor inclusiviteit, en dat impliceert ook: voor sociale mix. Ik had het reeds over het verlies van de (jonge en nieuwe) middenklasse. Maar het mag zich niet beperken tot inzetten op die groep. Ik erger me eraan dat zogenaamde sociale mix altijd eenrichtingsverkeer is: de injectie van rijken en middenklasse in armere buurten. Ik heb nog nooit iemand horen pleiten voor sociale woningen in een rijkere buurt of villawijk onder het motto van sociale mix, terwijl dat ook nodig is. Vandaar mijn wat cynische houding als ik politici hoor pleiten voor sociale mix. Wellicht vrezen ze scenario’s zoals de familie Flodder.
Wat exclusief is, in de objectieve betekenis van dat woord, is nooit gezond. Noch in Molenbeek noch in de villawijken. Er is natuurlijk wel mix, zelfs in Molenbeek. Maar te weinig, lijkt me. Een believer als Eric Coryn blijft wel geloven in de stad met haar superdiversiteit, zonder meerderheid maar met meerdere minderheden die kunnen samenleven. Dat siert hem.
Gelooft u er in?
Ik geloof niet in die homogene buurten, dus ook niet in Molenbeek. Er zijn natuurlijk wel enkele aantal merkwaardige shifts in ons denken en spreken. Twintig jaar geleden was onze maatschappij overal homogeen, namelijk het autochtone blanke Vlaanderen. Later spreekt men over diversiteit. Nog recenter spreken academici over superdiversiteit. Intussen vinden wij de homogeniteit van vroeger vies in de stad, en zoeken we homogeniteit – onze homogeniteit – buiten de stad.
U beschrijft hoe culturen en gemeenschappen kunnen ‘botsen’ : “die moleculaire botsing tussen mensen leidt tot maatschappelijke vernieuwing in de meest brede zin. Een stad gaat ontegensprekelijk over energie en daarom ook over creativiteit.” Is die botsing altijd positief?
Ik zei dat op een lezing bij de opening van een cultureel centrum, en dat leek mij de plaats en het moment voor zo’n uitspraak. Ik wilde met name de volgorde en hiërarchie van de vier kenmerken van de stad duidelijk maken. Tegenwoordig denkt men enkel nog aan het vierde en laatste kenmerk, de creatieve stad, terwijl men de drie andere negeert: om te beginnen dichtheid en ruimtelijke concentratie; daarna functionele concentratie van activiteiten; en ten derde diversiteit. Die drie vormen de voorwaarde voor stedelijke creativiteit, niet omgekeerd, dus moeten die drie ook beheerd worden. In een stad wonen mensen vooral.
Maar inderdaad, uiteraard zijn er conflicten en gaan andere culturen soms anders om met de openbare ruimte. Dat verloopt niet vlekkeloos. Ik was onlangs in het terecht bejubelde Park Spoor Noord in Antwerpen. Zoveel jaar na de opening in 2008 zie je dat de zogenaamde ‘baarden’, de hipsters, aan de ene kant op het terras zitten met hun gin tonic of kruidenthee en dat de zogenaamde ‘kopvodden’, de niet-blanken, aan de andere kant zitten. Ik kreeg tranen over mijn wangen van blijdschap, toen het park net open ging en er wel nog mix van mensen en activiteiten was. En nu is het al om zeep.
Hoe ziet u het dan concreet in de steden? Hoe realiseren we die inclusiviteit en mix?
Daar schrijf ik uitgebreid over in mijn nieuwe, nog te verschijnen boek. Ik pleit voor het steunen van de zittende bewoners. Ik ben zeer trots op wat we in Kortrijk gedaan hebben qua bouwblokrenovatie in de Pluimstraat. Die mensen betaalden meer elektriciteit dan huur. Dat zegt genoeg over de staat van de woningen. 70 van de 150 woningen in die straat werden aangepakt. Revolutionair! We zijn begonnen met micro-renovaties, waarbij zelfs eigenaars-verhuurders renovatiepremies aanvroegen, wat zelden gebeurt want vaak is er voor hen geen voordeel. Vele huurders hadden voor het eerst centrale verwarming in plaats van elektrische vuurtjes, en voor het eerst stromend water, en ramen die een beetje deftig geïsoleerd werden. De politici waren niet echt overtuigd. Zij hebben liever grote, zichtbare projecten waar ze kunnen mee uitpakken. Dit was hen te kleinschalig.
Een aansluitende vraag: bestaan buurten trouwens nog? De buurten zijn verdwenen, net zoals het volkscafé. Er komen wel inkomensbuurten, maar dat is iets anders. Dat is een criterium voor vastgoed-makelaars. Het valt me helaas wel op dat er meer financiële homogeniteit is binnen wijken dan vroeger, maar die homogeniteit zegt niet per se iets over sociale samenhang.
U hebt het vaak over de oneerlijke concurrentie tussen tussen stad en platteland.
De perceptie zit niet goed. Al jaar en dag is de woningprijs binnen en buiten de stad objectief en typologisch zeer gelijkaardig. En toch horen we dat de stad veel te duur is. Maar het aanbod in de stad is kwalitatief zwak in vergelijking met het aanbod buiten de stad. Wij vullen ons woonpatrimonium aan met slechts 1% per jaar. Die 1% nieuwe woningen komt in alle boekjes en is zeer visibel, maar is niet representatief voor de stad. Vandaar mijn pleidooi voor ambitie op de stedelijke woningmarkt. Slimme huisvesting is prioritair om meer mensen naar de stad te lokken. Met aandacht voor de kwaliteit en bereikbaarheid. Omwille van de beeldvorming rond de kwaliteit ook.
Bovendien blijft de Vlaming de rust van het platteland bewieroken. Mijn dochter heeft haar derde kindje. Hun leven staat in het teken van verplaatsingen met de wagen naar het werk, naar de crèche, naar de school. Wat een organisatie. Rust? Welke rust? Ik zie enkel hectiek.
U zegt dat we de stad moeten promoten door middel van de “drie-eenheid van kern, rand en land”.
In Antwerpen is alles buiten de singel rand. En Ekeren is bijna ‘land’ hé. Net zoals de Woluwes in Brussel. Dat bedoel ik met die termen. Maar die gebieden bevinden zich wel allemaal in de administratieve stad. Met andere woorden : in de stad heb je ook suburbia, ook buurten met een ander leefcomfort dan het historische centrum of de uitgaansbuurt. Daar kan ook verdicht worden zonder aan de leefkwaliteit te raken.
Die buurten zouden steden meer moeten uitspelen: woonbuurten die mensen aanspreken, en niet enkel hippe promotie van de dure binnenstad voor een eerder select publiek. Ik ga de stad niet ontheerlijken, maar ook niet verheerlijken.
Anderzijds beweert u te gruwen van – nogmaals een citaat “het introduceren van suburbane waarden in de stad, veiligheid, kindvriendelijkheid, groene ruimte, selectiviteit, zuiverheid”. Mogen steden dan niet kindvriendelijk en groen en veilig zijn?
Natuurlijk is dat zo. Maar het gaat er mij vooral om dat men blijkbaar niet wil gezegd hebben dat het in de stad soms anders is dan erbuiten. Dat de stad geen verzameling van verkavelingswijken is. Die suburbane waarden te beklemtonen in de brochures en foldertjes, ergert mij, want men suggereert dat dit de toekomst van de stad is. Men paait daarmee de huishoudens die niet alleen een kindvriendelijke, veilige stad willen, maar ook denken dat ze het hele suburbane model kunnen overplaatsen op de stad. Het zijn in vastgoedfolders ook altijd een vader en moeder met twee kindjes of een paar grijzende ‘actieve senioren’.
Ik erger mij ook aan de pop-upcultuur, aan alle nietszeggende trends en promotie rond ‘urban’, aan de instagramisering van de stad. Te veel steden profileren zich als feest- en pretstad of als verlengde van de voorstad. Dan wordt geen enkele zogenaamde overlast getolereerd. Alsof de stad zich aanpast. Denk aan de discussie bij de Foor op de dokken in Antwerpen. Daar is natuurlijk overlast, maar dat hoort er op die plaats al decennia bij. En opeens gaan drie bewoners hun ervaringen, waardepatroon, verwachtingen opdringen. Je moet de nadelen van de stad niet overdrijven, niet maskeren, maar gewoon eerlijk en realistisch zijn. De stad is niet de vijand, maar ook niet het paradijs en vast ook niet zoals de suburbia waar je vandaan komt. Je zal je wellicht wat moeten aanpassen.
Kindvriendelijkheid zou inderdaad evident moeten zijn, ook in een stad. Ik woon in een woonerf, maximum toegelaten snelheid: 20 km/u. Volgt iemand die regels? Nougatbollen! Parkeerhygiëne? Noppes. Zelfs in een woonstraat parkeert iedereen maar overal. Dat is ook een suburbane attitude als je het mij vraagt.
Wat is de ideale grootte van een stad?
Ik redeneer anders. Ik kijk niet naar grootte van steden, want er is – wat Vlaanderen betreft – veel verschil tussen Antwerpen of Gent en vele kleinere steden. Ik kijk vooral naar de spreiding en naar wat Vlaanderen nodig heeft. Wat zijn de prognoses, hoeveel extra woningen zijn nodig, hoe kunnen we die kernversterkend inplannen, in de buurt van verkeersknooppunten, in de buurt van werkgelegenheid. Ik pleit voor een Vlaanderen dat inzet op maximaal een twintigtal steden. De centrumsteden, en de steden die duidelijke groeipolen zijn in termen van werkgelegenheid – Halle, Vilvoorde, Ieper. Het probleem is dat zeer veel steden groter willen worden. Elke kleinstad wil centrumstad worden om meer middelen krijgen van hogere overheden.
De Westhoek is de enige plaats waar nog een zekere hiërarchie is tussen Ieper als centrumstad en het platteland. Zoals het hoort. Waar de omliggende plattelands- en verkavelingsgemeenten geen grotere, stedelijke ambities hebben.
Een laatste boodschap voor de lezer?
Een stad is “samenleven”. De stad is een micro-samenleving, een thermometer voor het samenleven in de maatschappij in zijn geheel. Net zoals artistieke en politieke evoluties beginnen demografische evoluties altijd in de stad. Met die evoluties is samenleven is voor mij wel een streefdoel. Het lukt niet altijd, maar kunnen, moeten, willen samenleven moet toch een ambitie blijven. Het zal in de stad werken, of in de stad ontploffen.

Het Syndroom van Verkavelingsvlaanderen. Een radicaal pleidooi voor stedelijk wonen verscheen in 2014 bij ASP Editions in de reeks Stadsschriften. De brievenroman Lysboa (Lyssabon) verscheen in 2018 bij de Brusselse uitgeverij Bitbook. De column Steen & Been is te volgen op Architectura.be.

Lieven De Rouck schrijft op zijn blog Lieven Brusselt over steden, stedelijkheid en Brussel. Zijn interview met Filip Canfyn verscheen eerder in het decembernummer (nr. 241) van het maandblad Meervoud.

Jan Leyers over vooruitgang in de islam: “If it’s not on the page, it’s not on the stage”

Een filosoof die iets van de wereld heeft gezien, een voorliefde heeft voor de Levant en een fascinatie voor de islam. Dat moet Jan Leyers zijn.
Na succesvolle reeksen als De Schaduw van het Kruis (2002), De droom van Ludwig (2004), De weg naar Mekka (2007), De weg naar het Avondland (2011) en Arm en rijk (2014)  kwam vorig jaar Allah in Europa op de buis. Het reisverslag kwam er tien jaar na De Weg naar Mekka – “we kennen niks van de islam, maar hoe meer ik te weten kom, hoe problematischer ik het vind”, zei Leyers toen. Allah in Europa is dan ook ‘the sequel’, maar dan als een soort spiegelbeeld met de focus op Europa. Het gelijknamige boek verscheen dit jaar met als ondertitel Het reisverslag van een ongelovige.
Identiteit en islam. Zijn er andere dan die twee woorden die de gemoederen dezer dagen meer beroeren? Zo leidde socioloog Mark Elchardus uit verschillende enquêtes in Nederland en in België een wederzijdse vervreemding tussen moslims en niet-moslims af. In beide groepen stelt 40% of meer dat de Europese levenswijze niet compatibel is met de islam.
Tijd voor een goed en rustig gesprek met Jan Leyers. En voor we echt begonnen waren was het, zoals in het popnummer, afgelopen.

(c) Jef Boes
In de reportagereeks Arm en rijk verwijst iemand naar een interessant artikel, waarin wordt gesteld dat oude steden zoals Caïro, Damascus en Beiroet en Bagdad qua belang vervangen (zullen) worden door (“kunstmatige”) golfstaten- en steden zoals Dubai, Doha en Abu Dhabi. Is dat ook jouw ervaring?
Ik weet niet of die steden echt de toekomst zijn. Sjeik Mohammed van Dubai is wel een visionair, die op een slimme en toekomstgerichte manier bedrijven weet te lokken.
Het geeft Dubai te veel van een businessplan, en daar houd ik niet van. Het doet me denken aan Wijnegem Shopping Center, maar dan met een skipiste (lacht). Het is me te steriel. Op zo’n moment voel ik me een Europeaan die geschiedenis nodig heeft. Een stad die nog maar dertig jaar bestaat boeit me niet echt. Ik vind New York ook aangenamer dan L.A. , net omdat je daar de oude negentiende-eeuwse stad voelt.

Uit veel van je reizen blijkt duidelijk een voorliefde voor historische steden – bijvoorbeeld in Europa of in het Midden-Oosten. Kan een stad te veel geschiedenis hebben?
Zeker. Geschiedenis kan een stad bezwaren. Omgekeerd: de zeer korte geschiedenis van de VS en haar steden verklaart de complexloosheid van de meeste Amerikanen. Zij zijn meestal minder vastgeroest en houden minder vast aan oude  ideeën over hoe een bedrijf of stad er moet uitzien. Het kan geen toeval zijn dat ook nu nog vele innovaties uit de VS komen: Apple, Facebook, Google, Amazon.
Europeanen denken veel traditioneler. Wij willen wel vernieuwen, maar toch altijd een beetje met de handrem op. We hebben meer koudwatervrees voor zaken die ons leven misschien overhoop halen. Zeker de Fransen bijvoorbeeld hebben ook een grote focus op hun geschiedenis, traditie, cultuur, taal.
Als de VS geografisch maar ook mentaal aan het ene uiterste zouden staan van Europa, zou je dan stellen dat de Arabische wereld aan de andere kant staat en nog meer op traditie gericht is?
Het geldt vast niet voor iedereen binnen de islamitische wereld, maar in grote mate wel, ja. Zoals het geen toeval is dat er zoveel uit de VS komt, is het ook geen toeval dat er weinig tablets of hybride wagens in de Arabische wereld worden uitgevonden. De druk van de traditie is groter omdat de godsdienst zich met veel meer terreinen moeit. Ook het bankieren, om maar iets te zeggen, is gebonden aan islamitische regels. Religieuze regels en gebruiken zijn eerder beperkend dan verbredend.
Daarover stel je een sterk soort onbegrip vast tussen de westerling en de moslim.
De ondertitel van Allah in Europa is “Het reisverslag van een ongelovige”. Ik wilde eerlijk benadrukken met welke invalshoek ik die reis gemaakt heb. Na De weg naar Mekka hoorde ik soms: ‘dat is wel met een westerse bril bekeken’. Uiteraard, denk ik dan. Iedereen draagt een bril. Het is de optelsom van je verleden, je ervaringen, je omgeving. Van wat je meegemaakt, gelezen hebt. Ik ben een westerling, dus draag ik een westerse bril. Het is  de enige bril die ik heb.

Ik ben opgegroeid en maatschappelijk bewust geworden in de jaren 70. Toen leek religie een aflopende zaak. De generatie kerkgangers zou ooit uitsterven, en het katholicisme met hen, dachten we in mijn studentenkringen. Dat was toch wel een misrekening: religie is opnieuw zeer aanwezig.
Ten eerste, en dat is in grote mate specifiek voor de islam, zijn er vele spreekwoordelijke ‘kamers’, facetten van het leven, die vroeger nooit door religie werden geclaimd. Er was of is geen katholiek voedsel, geen katholieke manier van koken, er zijn geen specifieke kledingvoorschriften. In de islam bestaan er regels en voorschriften voor alles. Ik zeg niet dat elke moslim zich daaraan houdt, maar de regels zijn er wel. Zulke regels ervaren vele niet-moslims als beklemmend en bedreigend.
Ten tweede is er de algemenere vaststelling dat religie zoveel terrein herovert. Je hoort steeds meer dat religie niet moet geweerd worden uit de publieke ruimte. Ik ben het daar mee eens in die zin dat iedereen op straat natuurlijk een keppeltje, kruisje of hoofddoek mag dragen.
Het publieke debat is iets anders. Daar is er wel te veel religie. Tegenwoordig hoor je in maatschappelijke discussies religieus en theologisch geïnspireerde argumenten opduiken. Denk aan het recente voorval met de orthodoxe Jood die op de CD&V-lijst zou staan. Opeens was de mening van een rabbijn over handen schudden relevant in een politiek debat.

Aron Berger, orthodoxe Jood in Antwerpen: vrouwen een hand geven of niet, wat zegt de rabbijn?
Met andere woorden, ik ben het er niet mee eens dat we opeens religieuze argumenten zouden moeten toelaten in het publieke debat, laat staan dat die argumenten zwaarder zouden wegen. Ik heb het er moeilijk mee als iemand uitzonderingen wil op regels vanwege religieuze voorschriften. Want als ik om andere redenen geen zin heb om bepaalde regels te volgen is er ook geen uitzondering.
De vrijheid van godsdienst is er gekomen om te garanderen dat je niet vervolgd wordt als je je godsdienst belijdt. Ze  is niet ontstaan om op basis van religie allerlei uitzonderingen te kunnen claimen. Vrijheid van geweten, van meningsuiting, van pers, van vereniging volstaat om je godsdienst te kunnen beleven.
Mijn bekommernis heeft ook te maken met de moeilijkheid om überhaupt een debat te kunnen hebben. Ik ga er vanuit dat politieke of socio-economische discussies gebaseerd zijn op wat ‘bestaat’, tenminste op zaken waarover we het eens zijn dat ze bestaan: wetten, de economie, het bnp. Waar sommigen persoonlijk in geloven, bestaat niet eens voor iedereen. Als de argumenten uit het bovenmaanse komen, stopt de discussie, want ikzelf als ongelovige ken en aanvaard die niet. Dan beland je in een dovemansgesprek, terwijl je in theorie toch met iedereen zou moeten kunnen debatteren op basis van redelijke argumenten. Dat principe van rationaliteit en universaliteit noemen sommigen dan verlichtingsfundamentalisme. Tja. Daar heb ik het zeer moeilijk mee. Hoe kan je anders debatteren en bekritiseren?
Op de duur wordt wat wetenschappelijk of rationeel vaststaat een mening als een andere, denk aan de evolutieleer. Daar heb ik het zeer moeilijk mee. Op dit moment zijn we dus niet op weg naar een seculiere samenleving, maar naar een post-seculiere samenleving, als we daar al niet zijn.
Is een hand geven iets dat “wij”, niet-orthodox-Joodse Vlamingen, kunnen ‘eisen’?
Daar gaat het mij niet om. Wie niet betrokken is bij die politieke partij en die lijstvorming heeft daar weinig mee te maken, laat staan over te eisen.
Bovendien merk ik weinig nuance en des te meer spraakverwarring. Men heeft het over ‘discriminatie’ omdat de man in kwestie geen hand geeft aan een vrouw die niet de zijne is. Maar dat geldt omgekeerd ook: een vrouw geeft geen hand aan een andere man. Er is dus eerder sprake van segregatie dan van discriminatie. Maar dan geen segregatie zoals bij de Apartheid, waar je te maken had met een duidelijk benadeelde groep.
Daarmee wil ik het niet minimaliseren. Het betekent niet dat ik blind ben voor de angsten van mensen. Ik heb onderweg plekken gezien, vooral in moslimgemeenschappen, waar segregatie ver doorgedreven is en zeker niet voor iedereen even leuk.
In de islamitische wereld wordt het verschil tussen de geslachten nooit vergeten. In het Westen wordt dat onderscheid net steeds meer uitgewist. Om de Israëlische socioloog Oz Almog te citeren: “the West can be defined as the part of the world that is unisexing. We are reducing the testosterone”.
In de islamitische wereld zijn de omgangsregels tussen de verschillende seksen, de rechten van mannen en vrouwen dan ook al decennia en zelfs eeuwen lang heel anders. Dat zie je ook als je reisverslagen leest uit eerdere eeuwen, van Turken en Arabieren die in het Westen kwamen en schrokken dat mannen en vrouwen vrijuit met elkaar mochten praten en omgaan.
Als je nu terugkijkt op onze verzuilde maatschappij van weleer, zie je ook breuklijnen, maar toch van een andere orde. Au fond deden katholieken en socialisten hetzelfde op hun trouwfeest, of in hun café, of in hun turnclub. Op katholieke trouwfeesten zaten mannen en vrouwen niet in een aparte zaal.
Als ik daarentegen een supermarkt in Dewsbury zie met allemaal vrouwelijke klanten waarvan je geen enkel gezicht ziet omdat ze gesluierd en helemaal in het zwart gekleed zijn. De plaatselijke moefti prijst dit dan als het toonbeeld van Britse tolerantie en harmonie ‘want iedereen kan leven zoals hij wil’, maar dat beeld van tolerantie is toch eerder omstreden denk ik dan, en beangstigt veel mensen in Vlaanderen en daarbuiten.
Het ironische is natuurlijk dat net veel conservatieve mannen in het Westen, die eerder tegen de islam zijn het traditionele rollenpatroon van de islam wel delen.
Zijn die vrouwen in Dewsbury meer of minder gelukkig?
Ik zal niet meteen zeggen: de vrouw wordt in de islamitische wereld onderdrukt. Het is subtieler en genuanceerder dan dat. Het nichtje van diezelfde moefti zei zeer oprecht dat haar levensdoel simpelweg was om God gelukkig te maken. Een hoofddoek dragen paste in die visie: alleen God mocht haar haren zien, die waren niet bestemd voor vreemde mannen. Strenge regels bieden velen een houvast.
Een ander gevoelig issue binnen de islam is de individuele zelfbeschikking: het recht om als individu vrij te mogen uitkomen voor wat je gelooft of niet gelooft zonder te moeten vrezen voor sociale uitsluiting of, wat in meerdere islamitische landen gangbaar is, de doodstraf.
Een deel van de moslims vindt de liberale democratie strijdig met de islam. Waarom kunnen we hen er zo moeilijk van overtuigen dat dit systeem net de garantie is voor (religieus) pluralisme, waardoor en waarbinnen iedereen – ook de (zelfs zeer conservatieve) moslim – zijn religie kan beleven?
Het gaat niet over de waarde of over het voordeel van ons systeem. Het gaat er gewoon over dat een deel van de moslims – en dat blijkt ook uit studies – niet aanvaardt dat mensen wetten mogen maken die afwijken van de goddelijke voorschriften.
Je kan praten met die mensen, achterhalen hoe zij denken en waarom ze zo denken, maar debatteren om een consensus of common ground te vinden? Neen, met zeer orthodoxe moslims is dat moeilijk. Dat is zoals wiskundige oefeningen proberen op te lossen op basis van andere axioma’s. Dat lukt niet.
Je zei net dat er vele meningen en visies onder moslims zijn. Zijn we soms niet te ambitieus door te focussen op de kleine groep van progressieve, enigszins seculiere moslims?
Zeker. En dat werkt vaak contraproductief. Ik heb geen pasklaar antwoord, maar we zijn soms op een aandoenlijke manier ambitieus, en misschien naïef. Zoals politici die zeggen dat we een Europese en verlichte islam nodig hebben en gaan creëren. Ik denk niet dat er rond het jaar 1300 in de buurt van Florence een comité is samengekomen om te stemmen over de invoering van de renaissance. Maar er wordt wel op die manier gesproken over de islam, alsof we met een wet of koninklijk besluit de islam gaan verlichten.
We gaan hier imams opleiden. En wat gaan die aspirant-imams dan leren? Wie gaat dat leerplan opstellen? Gaan die imams leren dat de Koran voor interpretatie, en zelfs voor aanpassing vatbaar is? Zo neen, wat is dan het verschil met de imams die uit de Arabische wereld komen? En zo ja, zullen die imams dan enige geloofwaardigheid hebben in hun eigen gemeenschap?
U sprak in Brussel wel met een zeer gematigde islamleerkracht.
Inderdaad, Ahmed Alaoui  was iemand waarvan ik het gevoel had, dit zou in de toekomst dé moslim kunnen zijn, of moeten zijn. The way to go !
In die mate dat ik dacht dat hij wel eens problemen zou kunnen krijgen met wat hij zei, trouwens. Hij vroeg aan zijn leerlingen: wat is het belangrijkste: het verstand of de koran. Alle leerlingen antwoordden natuurlijk: de koran. En dan stelt hij zelf zeer duidelijk:  het verstand. “Want dat heb je nodig om de koran te lezen en te begrijpen.”
Vooruitgang is zo moeilijk in de islam. Zolang er geen centraal gezag is, zoals in de Katholieke Kerk, worden slechts moeizaam stappen vooruit gezet. If it’s not on the page, it’s not on the stage, zeggen ze in Hollywood. Op dit moment zie ik geen plan, geen scenario, geen voortrekkers binnen de gemeenschap om echt stappen vooruit te zetten. Er is zeer weinig animo om de fundamentele leerstellingen van de islam te herdenken. Ook de intussen van zijn voetstuk gevallen bruggenbouwer Tariq Ramadan huldigde als het erop aankwam een uiterst conservatieve visie. Hij weigerde bijvoorbeeld om het stenigen van een overspelige vrouw publiekelijk te veroordelen. Een tijdelijk moratorium, daar was hij nog wel voor te vinden.

Tariq Ramadan: eigenlijk zeer conservatief
Zowel voor de plaatselijke bevolking als voor westerse mogendheden lijkt de keuze in het Midden-Oosten er één tussen een seculiere dictatuur en die van het islamisme.
Ik citeer graag de schrijver Amos Oz: “het is niet zo dat er geen vrijheid van mening is in de Arabische landen omdat het dictaturen zijn. Het is omgekeerd: het zijn dictaturen omdat er geen vrijheid van mening is.” Mensen wordt niet aangeleerd om kritisch te denken en vrijuit te spreken. Een Koranschool bijvoorbeeld is geen school waar je de koran bestudeert, maar waar je die uit het hoofd leert.
Even terug naar de steden. Merkte je op je reizen iets van stadsvlucht of plattelandsvlucht?
Van stadsvlucht is geen sprake. Mensen gaan waar er jobs en opportuniteiten zijn, en dat is in de steden. De bevolkingsgroei is in heel wat steden onvoorstelbaar. Caïro bijvoorbeeld kent een ongelooflijke bevolkingstoename, zowel door migratie als door natuurlijke bevolkingsaangroei. Vandaag zijn er dubbel zoveel inwoners als 40-50 jaar geleden. Dat is een enorme uitdaging. Niet te vergelijken met de zaken waar wij ons zorgen over maken.
In Vlaanderen krijg je een vertekend beeld van die problematiek. Hier is stadsvlucht wél een issue. En ook: als je de gemiddelde aardbewoner in Vlaanderen zou droppen zou het verschil tussen stad en platteland opeens relatief worden: alles is hier stad. Officieel natuurlijk niet, maar in de praktijk is alles wel bebouwd.
Heb je zelf ooit in een stad gewoond?
Ik heb lang in Gent en Antwerpen gewoond. Ik erken dat het zeer fijn is om de deur buiten te gaan en – te voet, met de fiets of met de tram – snel ergens te zijn waar iets te beleven valt.
Kan ik zonder tuin? Ja, als er een park in de buurt is. Mijn persoonlijke drempel om nu in een stad te wonen is evenwel zeer concreet: ik wil op elk uur van de dag en van de nacht geluid kunnen maken. Dat is mijn belangrijkste argument om nu niet in een stad te wonen. Bovendien heb ik wel een auto nodig, ik moet wel met mijn gitaar in Roeselare geraken en terug. Het tijdstip waarop de laatste trein ergens vertrekt is vaak belachelijk vroeg. Bouw eens een performant openbaar vervoersnet uit, vergelijkbaar met Berlijn, Parijs of Londen, vooraleer je me zegt de wagen aan de kant te laten.
Moeten we allemaal in de stad gaan wonen?
Is de stad de toekomst? Ik vind dat iemand die in een dorp wil wonen, dat moet kunnen.  Ik kan me voorstellen dat een bouwmeester zegt dat het intelligenter zou zijn om anders, compacter te gaan wonen. Maar woorden als ‘moreel’ en ‘immoreel’ gaan me in die context te ver. Ik vind het wel merkwaardig dat vaak wordt geopperd dat elke aardbewoner waar dan ook ter wereld zijn geluk moet kunnen gaan beproeven. Anderzijds moeten we wel allemaal naar de stad. Tja.
Kunnen we nog samenleven in onze steden?
Een van de uitdagingen lijkt me net om goed te omschrijven wat we bedoelen met ‘samenleven’ in onze steden. Vele vormen van samenleven in het verleden worden als harmonieus voorgesteld,  terwijl we die met de blik van vandaag eerder als gesegregeerd zouden beschouwen.
Het Oostenrijks-Hongaarse Rijk (1867 – 1918) bijvoorbeeld, waar Guy Verhofstadt graag mee dweept. In het gemiddelde dorp in het huidige Tsjechië spraken de Tsjechen, de joden en de Duitsers hun eigen taal, hadden ze hun eigen cafés en trouwden ze binnen hun eigen gemeenschap. Het is niet zo dat in een café Tsjechen, joden en Duitsers samen een glas dronken aan de toog.
Onze grootsteden zijn steeds diverser. Brussel bijvoorbeeld is de facto een stad van (taalkundige) minderheden, waar geen enkele taal nog door een meerderheid? Is dat een probleem, een stad die enkel nog bestaat uit minderheden?
Het vraagt een inspanning. Het is nu eenmaal gemakkelijker om te leven midden van en communiceren met mensen die je taal spreken. Mij persoonlijk schrikt dat niet per se af, ik spreek mijn talen en heb iets van de wereld gezien. Maar er zijn mensen die vooral hun wijk kennen en alleen hun moedertaal spreken. Dat is niet altijd even evident.
Sommigen vinden die meertaligheid en diversiteit tof, uitdagend en fascinerend. En ik heb echt respect voor personen die een engagement nemen om te willen bewijzen dat het lukt, leven in de superdiversiteit. Maar het kost gewoon tijd en moeite.
Je kan niet iedereen verplichten: dit is de toekomst en vanaf nu ga je zo leven. Het is het volste recht, en niet alleen van blanke Vlamingen, maar van om het even wie ter wereld om te zeggen: “Stop! Ik vind dit vermoeiend, en dring me dit niet op.” En, vergis je niet, dat geldt voor de meeste groepen. Iemand uit Ghana of Ethiopië komt niet speciaal naar hier voor die “superdiversiteit”. Die komt naar hier voor een beter leven en leeft vaak grotendeels in zijn eigen gemeenschap.
Ik kan me dan ook zeer goed voorstellen dat anderen vraagtekens zetten bij de vanzelfsprekendheid waarmee sommigen die “superdiversiteit” aan anderen willen opleggen.
Ik stoor me wel eens aan mensen die zeggen dat ‘dat soort  problemen’ opgeklopt worden en ons aangepraat worden, en dat we beter wakker zouden liggen van de ‘echte problemen’. Beschouw de bevolking toch als volwassenen die zelf wel beslissen van welke problemen ze wakker liggen. Alsof mensen alleen bezig zijn met centen, en de rest aangeprate en opgeklopte kwesties zouden zijn. Mensen vinden meer verdienen niet altijd belangrijker dan een thuisgevoel behouden voor zichzelf en hun kinderen.
Het wegkijken van die kwestie breekt politiek links in Europa zuur op. Een groot deel van hun kiezers stemt omwille van de samenlevingsproblematiek vandaag rechts. Er doet zich natuurlijk ook iets totaal nieuws voor. Maatschappelijke emancipatie ging binnen links altijd hand in hand met ethische emancipatie en bevrijding: het afwerpen van het juk van God en gebod. Maar plots is daar een groep die economische en maatschappelijk vooruit wil, maar die helemaal niet bevrijd wil worden van God en gebod. Wel integendeel. Plots wordt het klassieke linkse bevrijdingsdiscours op stop gezet, spreekt men zich  daar niet over uit of gaat men zich in allerlei bochten wringen. “We gaan die arme mensen toch niet schofferen door hun God af te nemen.” Ik noem dat de “empathische sprong”: uit medevoelen met maatschappelijke kwetsbaarheid neemt men er het obscurantisme bij.
Allah in Europa: het reisverslag van een ongelovige kwam dit jaar uit bij uitgeverij Das Mag (400 bladzijden)
Lieven De Rouck schrijft op zijn blog Lieven Brusselt over steden, stedelijkheid en Brussel. Zijn interview met Jan Leyers verscheen eerder in het juninummer (nr. 238) van het maandblad Meervoud.

Filosofe Daan Roovers: “Je kan de mens niet definiëren zonder het over de stad te hebben”

April is de maand van de filosofie. Is er een beter moment om, na sociologen, planologen, historici en romanciers, een filosoof aan het woord te laten? Na al die anderen, natuurlijk. Want zoals Hegel schreef in 1821: “Wanneer de filosofie haar doek schildert, dan is reeds een bepaalde gestalte van het leven oud geworden, en met het schilderij laat zij zich niet verjongen, maar wel kennen. De uil van Minerva vliegt slecht uit bij het invallen van de duisternis.”  Filosofe Daan Roovers heeft het vooral over de 18de eeuw, met de Romantiek als begin van de afkeer van de stad en over de huidige tijd van vloeibare moderniteit.

Roovers is zelfstandig actief als filosofe. Ze was medeverantwoordelijke voor de uitgave “Filosofen Agenderen de Stad”: een project van het Nederlandse Agenda Stad, een samenwerking van het Rijk, steden en stakeholders gericht op het versterken van groei, innovatie en leefbaarheid van Nederlandse steden. Een filosofe over de stad, dat moet wel boeiend zijn.
Wat heeft de stad betekend voor filosofen en dus voor de filosofie?
De  stad is in het algemeen de plaats waar filosofen zich hebben thuis gevoeld en konden filosoferen. Er waren wel filosofen van de afzondering en van het platteland, maar die zijn eerder de uitzondering. Deze strekking manifesteert zich pas vanaf de Romantiek in de achttiende eeuw, met Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) als bekendste figuur en als pionier. Tot dat moment was de stad echt wel het brandpunt van economie en handel, van welvaart en veiligheid, van beschaving en intellectuele evoluties, van filosofische activiteit.
‘Stad versus platteland’ was echt een thema voor Rousseau: de stad was een oord van verderf en corrumpeerde de mens. In die romantische visie vervreemdde de stad ons van onze innerlijke natuur. Rousseau’s visie op de stad kreeg best veel navolging en is ergens in ons denken aanwezig, in mindere of meerdere mate.
Men zou kunnen spreken over twee strekkingen in de filosofie: een eerste die vindt  dat filosofen midden in de stoom van het leven, van de handel, van de (wereldse) activiteit moeten staan, en een tweede die vindt dat filosofie begint bij reflectie en afzondering. Weg dus van al die activiteit met haar mogelijke geneugten en afleiding.
René Descartes (1596-1650) bijvoorbeeld was wel positief over de stad, net omwille van de anonimiteit: “Iedereen is hier zo druk met de handel dat ik er mijn hele leven zou kunnen verblijven zonder opgemerkt te worden’, schreef hij in een brief over zijn verblijf in Amsterdam.

René Descartes in Amsterdam
Rousseaus visie ontstond vast niet in het luchtledige.
Zeker niet. Die was een duidelijk een reactie op industriële revolutie die ongeveer gelijktijdig plaatsvond, en hoe mensen daardoor vervreemd geraakten van zichzelf en van elkaar – zeker in de steden. Er kwamen steeds meer machines en mensen werden instrumenten in de economische en industriële ontwikkeling. Die afwijzende attitude zie je ook ontstaan bij heel wat Duitse romantici.
Het ging Rousseau niet enkel over de steden, maar ook over de politiek die vervreemdend werkte. Ik deel zeker niet zijn anti-stedelijk sentiment maar ik denk wel dat hij geniaal was en zijn tijd ver vooruit. Abstracte kennis en verwijdering van je eigen natuurlijke omgeving kan leiden tot vervreemding, tot angst, depressies, angst tussen groepen. Daar wil hij voor waarschuwen. Die waarschuwingen vind ik zeer billijk en niet zo gek.
Vormen de steden de voorbode van onze ondergang, zoals sommigen – in lijn met Rousseau – zeker zouden zeggen?
Dan verwijs je natuurlijk naar Oswald Spenglers Der Untergang des Abendlandes (1918-1923), zoals zijn bekendste werk heet , at trouwens net naar het Nederlands is vertaald (Ondergang van het avondland).
Het tijdperk van de civilisatie (Zivilisation), van de techniek, is voor Spengler het einde van de cultuur (Kultur). Een cultuur groeit en bloeit tot die zichzelf verliest in technische en architectonische hoogstandjes. In het verleden zijn er vele rijken en culturen die bloeiden en dan tot een einde kwamen. Dat geldt ook voor steden, zoals bepaalde steden in het huidige Midden-Oosten is. Maar dat steden het begin van het einde zijn, zou ik zeker niet durven zeggen, ook niet bij Spengler.
Ik vond bij Spengler integendeel de mooie metafoor van de mens als ‘stedenbouwend dier’ en heb mijn essay er naar genoemd. Filosofen willen de mens vaak definiëren: als redelijk wezen, als sociaal wezen, als politiek dier, enzovoort. Ik geef Spengler gelijk als hij de geschiedenis van de mensheid ook de geschiedenis van de beschaving en vooruitgang is. Ongeveer alle wetenschappelijke doorbraken en intellectuele evoluties vonden plaats in de steden, waar dan ook steeds meer mensen gingen wonen. En dus is de mens  ook een stedenbouwend dier: in de steden bouwde hij aan zijn beschaving. Je kan de mens niet definiëren zonder het over de stad te hebben.
Evolueert het debat over de stad?
Tien jaar geleden werd in Nederland al een dag van de filosofie gewijd aan de stad (2008). Die activiteit vertrok vooral vanuit de bekende vaststelling dat steeds meer mensen in Nederland en in de wereld in steden gaan wonen.
Het thema van de stad blijft actueel, maar ik merk toch een verschuiving. De huidige debatten vertrekken veeleer vanuit de vaststelling dat er een kloof ontstaat tussen de stad – in Nederland de randstad – en het platteland. Die kloof is momenteel echt een issue, of het nu gaat over Zwarte Piet of over economische kwesties. Zo was er een incident toen de Sint aankwam in Friesland. Amsterdamse activisten wilden protesteren, maar werden tegengehouden. “Die Amsterdammers hoeven we hier niet,” was de ondertoon. De trek naar de stad gaat dus door, maar de tegenstelling stad-platteland wordt er niet kleiner op.
Kan je dat verklaren?
Een eerste element vind ik bij de Pools-Britse socioloog en filosoof Zygmunt Bauman (1925 –2017). Hij lanceerde het interessante begrip ‘vloeibare moderniteit’, waarmee je deze tijd grotendeels kan verklaren. In de 20ste eeuw zijn gemeenschappen ‘vloeibaar geworden’, ze liggen minder vast dan vroeger. We leven niet meer in de ‘extended family’ als alomvattende cocon van het dagelijkse leven.
Bauman stelt vast dat je nieuwe en meerdere soorten (al dan niet tijdelijke) verbanden kan aangaan: op je werk met collega’s – mensen hebben meerdere werkgevers – , in je wijk met buren, op basis van interesses met vrienden en kennissen, enz.
Gezelschappen van mensen komen en gaan even makkelijk weer uit elkaar. Hij heeft het wel eens over het ‘garderobegezelschap’: je vormt een soort gezelschap, bijvoorbeeld bij een theatervoorstelling. Je komt samen aan, beleeft iets samen, en na de voorstelling haal je je jas op en ben je weer weg. Een soort gezelschap, maar slechts voor één avond en één activiteit.
De samenleving met vloeibare moderniteit en mentaliteit drijft op idealen zoals aanpassing en flexibiliteit. Het heeft te maken met het wegvallen van zekerheden. De context, de mensen die je omringen of waarmee je je zelf omringt kunnen snel veranderen. Daar moet je mee dealen en dat zorgt voor vrees en onbestemdheid die volgens Bauman kenmerkend zijn voor de stad.

Triënnale Brugge 2018: meer dan een knipoog naar Zygmunt Bauman
Vroeger werden steden gebouwd met een omwalling, om de vijand buiten te houden. Het veiligheidsaspect speelde een belangrijke rol. Op dit moment zitten ‘het gevaar’ en de angst in de stad zelf. Mensen in de stad gaan dan ook ommuurd wonen, in gated communities. En mensen buiten de stad willen de stad net buiten houden, omdat ze die onveilig vinden. Zijn dochter is architect, dat heeft hem misschien geïnspireerd in zijn analyses van de stad.
Wanneer heeft die omslag naar die vloeibare moderniteit plaats gevonden?
De opkomst van de vloeibare moderniteit dateert van de jaren 60-70, en de economische kant ervan – de liberalisering – van de jaren 80. Dat gebeurde eerst en ook harder in de steden.
Ook de Duitse filosoof Peter Sloterdijk is  een inspiratie?
Inderdaad. Ten tijde van de globalisering plooien we terug op kleinere verbanden, stelt hij vast in Sferen, zijn bekende trilogie over de (geschiedenis van de) globalisering. We bevinden ons in diverse sferen: de werksfeer, de familiale sfeer, en daarbinnen creëren we een bepaalde wereld. Ik vind die Sferen-theorie zeer aannemelijk, met de mens als sferenbouwend dier, zou je kunnen zeggen. In het derde en laatste deel noemt hij de  postmoderniteit – onze tijd dus – de tijd van het schuim.  We zijn in bepaalde celletjes gaan wonen die steeds kleiner zijn en met steeds minder samenhang. Dat maakt ons individualistischer en ook kwetsbaar.
Beide metaforen beklemtonen de anonimiteit van de stad. Die werd ook door Descartes aangehaald. Vindt u die anonimiteit positief?
Zeker, want dat betekent vrijheid en autonomie. Binnen de stad kies je gemakkelijker tot welke gemeenschap(pen) je wil behoren, en je kan er ook gemakkelijk uit weg. Ikzelf kom uit een dorp, maar woon in Amsterdam, omdat ik hier gewoon liever woon – hoewel ik ook graag in mijn geboortedorp kom.
Maar op de een of andere manier tracht ik in mijn wijk toch een soort dorp te creëren. Ik vind contact met de bakker belangrijk, ken al de buren en hun kinderen en ik zit in de ouderraad van de school. Maar die engagementen en netwerken zijn wel mijn keuzes. Mijn man die wel in Amsterdam geboren is, zegt vaak dat ik het dorp in de stad reconstrueer.
En de nadelen ervan, zoals vervreemding of segregatie en vereenzaming ?
Uiteraard is dat niet goed voor een stad, maar het is ook zeer moeilijk om dat tegen te gaan. Die segregatie is in Brussel of Antwerpen erger dan in Amsterdam, denk ik. Nederland heeft meer een traditie van sociale woningbouw en stadsplanning die ervoor gezorgd heeft dat elke wijk wel enige mate van diversiteit heeft. Een traditie die overigens verdwijnt, want men laat huisvesting en woningbouw steeds meer over aan de private sector.

Sociale woningen in Amsterdam gaan segregatie tegen
Ik beschouw mezelf wel als links, maar uiteraard kan je mensen niet pushen om ergens te gaan wonen. Op dat vlak ben ik liberaal. Maar als je niks doet en alles helemaal vrijlaat, ken je het resultaat: segregatie. Dat willen we ook niet. Een soort zachte sturing is dan toch te verkiezen boven een slechte uitkomst van de totale keuzevrijheid.
Onlangs las ik Spinoza en op het einde van zijn Theologisch-politiek traktaat (Tractatus theologico-politicus, 1670) schrijft hij over Amsterdam en de manier van samenleven. Ik vind dat zelden zo mooi over Amsterdam is geschreven, met name over tolerantie. Het is een typisch stedelijke opvatting van tolerantie: Amsterdam is de enige plaats ter wereld waar vrijheid gewaarborgd is ‘omdat mensen in eendracht samenleven’ en ‘geen enkel geloof wordt zo gehaat dat het niet beschermd wordt door dezelfde wet die geldt voor alle religies’ Dus iedereen, alle geloofsovertuigingen, vallen onder dezelfde wet.
Dat stemt overeen met mijn visie op de stad: je hoeft niet op elkaar te lijken, geen groot ‘wij’ of geen grote eenheid te vormen.
Bestaat Spinoza’s ideaal nog?
De plaats van religie is heel gevoelig tegenwoordig waardoor dat ideaal vaak wordt betwist, maar die wettelijke gelijke bescherming en behandeling is er wel nog steeds. En in mijn beleving leven we ook nog in eendracht samen, al zit er zeker wel druk op de ketel.
In die maatschappelijke polemiek over met name de islam circuleren er uiteraard vele meningen. Een van de antwoorden van de Nederlandse regering is: alle scholieren moeten het Wilhelmus kennen en naar het Rijksmuseum om onze canon te leren kennen. Zo moeten we weer één groep vormen. Ik heb daar niets op tegen. Het is een mogelijk antwoord, maar wel een antwoord op een heel ander soort vraag dan waar het echt om gaat. Tolerantie is vooral een juridisch iets: we vallen allen onder dezelfde wet. Velen vullen het te veel politiek-moreel in: “we moeten weer één natie vormen”.
Is de onderliggende idee niet: tolerantie veronderstelt burgerschap, en dus een gevoel van samenhorigheid. Heeft tolerantie geen burgerschap nodig?
Dat is misschien wel zo, maar wat is het belangrijkste? Dat we één groep zijn maar allemaal verschillend behandeld worden door de wet, of is het belangrijker dat we allemaal van elkaar kunnen verschillen en toch gesteund worden door dezelfde grondwet.
U werkte samen met Michael Sandel en schreef de inleiding tot de vertaling van zijn boek ‘Politiek en moraal’. In het debat tussen ‘brede’ of ‘smalle’ moraal, sterke of lichte gemeenschap – het toen gangbare politiek-filosofische debat tussen ‘communitaristen’ en ‘liberals’ – vertegenwoordigt hij wél voor de eerste visie.  
De visie van Spinoza die ik verdedigde, zal hij inderdaad te leeg en  ‘te smal’ vinden. Hij zal meer nadruk leggen op groepsidentiteit, nationale identiteit om weer één gemeenschap te vormen. Ik ben er zelf ook niet altijd helemaal uit of de smalle invulling van een gemeenschap volstaat.
Is de stad veranderd doorheen de tijd?
Ja. De huidige steden zijn groot en hebben vele buitenwijken, waardoor je nog moeilijk van één stad met één cultuur kan spreken. Dat zijn meerdere steden in één. Dat geldt niet voor kleine steden, maar wel voor Amsterdam en meer nog voor pakweg Brussel, vermoed ik.
In het platteland heeft iedereen eigen ruimte en geen gezamenlijke ruimte; in de stad heb je vooral publieke ruimte en nauwelijks private ruimte. Dat lijkt me een goede samenvatting. De meeste Amsterdammers wonen klein en hebben geen eigen tuin. Ik vind dat eerder een voordeel dan een nadeel: dan moet je geen gras maaien.
Let wel, het is niet altijd gemakkelijk. Het allermoeilijkste van publieke ruimte is die publiek te houden. Goed te onderhouden. Een collectief idee van verantwoordelijkheid te ontwikkelen waarbij iedereen zich betrokken voelt. Je moet goede  afspraken maken met de overheid.
Amsterdam probeert nu woongemeenschappen gezamenlijke verantwoordelijkheid te geven voor woongebieden. Dat is niet zo makkelijk, maar wel veelbelovend. Daar moeten we mee verder gaan, en wat mij betreft verdient het dus ook elders navolging.
Het gaat in de stad niet enkel om huizen en voorzieningen, maar ook over het sociale weefsel. En dit soort projecten draagt bij tot het sociale weefsel en dus tot de gemeenschap.
En je wil de publieke ruimte vrijwaren van al te veel reclame, want ze is tenslotte de ruimte van de burgers, los van economische belangen en actoren.
Dat brengt ons bij de filosofe Hannah Arendt.
Arendt (1906-1975) beschrijft drie sferen: de privé-sfeer, de  sociaal(economisch)e sfeer en de publieke sfeer. Arendt – en ik met haar – vindt het belangrijk dat die publieke sfeer anders is dan de sociale sfeer, en er niet door gedomineerd wordt. De economische sfeer heeft zijn economische regels en wetmatigheden, is gebaseerd op transacties en gericht op het realiseren van een win-win. We maken ook onderscheiden en ‘discrimineren’. We kunnen bijvoorbeeld verenigingen oprichten waartoe sommigen wel en anderen niet mogen toetreden.
Voor Arendt is het belangrijk dat niet alles economisch is. Dat de publieke sfeer daarvan onderscheiden blijft, zowel de concrete publieke sfeer, bijvoorbeeld de gedeelde ruimtes in de stad als de politieke sfeer die daar ook toe behoort. In de politieke sfeer zijn we allemaal gelijk voor de wet.
De sociaal-economische sfeer is de publieke sfeer gaan domineren, vrees ik. Als die publieke sfeer wordt weggedrongen, zullen op termijn ook de andere sferen verdwijnen.
Denk trouwens ook aan sociale media – je zou denken dat deze deel uitmaken van en bijdragen aan het publieke debat. Maar ik heb redenen om daaraan te twijfelen. Ze zorgen voor selectie van groepen. Het platform stuurt de interactie, gebaseerd op algoritmes en kwantiteit – ingegeven door economische motieven. Standpunten en argumenten krijgen hun weerklank niet op basis van hun intrinsieke waarde maar op basis van cijfers, clicks, enz. Dat is nu eenmaal eigen aan dergelijke media: de platforms zijn in handen van private bedrijven.
Het publieke debat ‘pur sang’ in de stad vind je bij Socrates, in Athene. Hij probeerde in gesprekken met mensen tot meer wijsheid te komen – in wezen hetzelfde als wat Sandel nu doet.
Wat is uw lievelingsstad?
Dat is toch gewoon Amsterdam, hoor. Toen er kinderen kwamen, hebben wij ook wel eens gedacht aan  verhuizen naar het platteland, maar dat was nooit ernstig. Ik heb nooit meer dan vijf minuten tijd besteed aan het zoeken van een huis buiten de stad. Tenslotte is ook een eigen tuintje bij een huis op het platteland nooit groot genoeg voor twee voetballende zonen. Dan kan je beter kiezen voor de stad waar ze voetballen op een gemeenschappelijk plein.
Na Amsterdam kies ik voor Londen, echt een grootstad. De stad heeft veel publieke ruimte, veel parken bijvoorbeeld. Je kan er ademen, een gevoel dat ik in Parijs veel minder heb. Je kan er ook spelen, wat belangrijk is als je kinderen hebt. In Berlijn ook trouwens. Londen en Berlijn vind ik fantastisch. In Brussel was ik ook vaker de laatste tijd. De stad fascineert me enorm, maar ik weet niet of ik er zou willen wonen.

Meer informatie: http://www.daanroovers.nl/
Lieven De Rouck schrijft op zijn blog Lieven Brusselt over steden, stedelijkheid en Brussel. Zijn interview met Daan Roovers verscheen eerder in het aprilnummer (nr. 236) van het maandblad Meervoud.

Oud-bouwmeester Marcel Smets: "De stad is te complex om er in oneliners over te spreken"

De Brusselse Dansaertstraat is hip, en op het einde een beetje groezelig. De Molenbeekse Kanaalzone aan de andere kant van de brug over het kanaal is groezelig, en een beetje hip. Op die grens – in café de Walvis – ontmoet ik Marcel Smets. Verderop zit rapper Zwangere Guy zijn Brusselse zwans op rijm en beat te gieten, laptop naast de pint. Onze zwans gaat net over dat soort stedelijke overgangen.
Marcel Smets (°1947) werkt, samen met zijn leerling en de zogenaamde overkappingsintendant Alexander D’Hooghe voor de Organization for Permanent Modernity, ORG. Architecturaal veelvraat Smets was van 2005 tot 2010 de tweede Vlaams Bouwmeester. Hij studeerde af als ingenieur-architect aan de Universiteit Gent (1970) en als bouwkundig ingenieur, richting stedenbouw, aan de Technische Universiteit Delft (1974). Hij bleef lesgeven aan onder meer de KULeuven en de Harvard Graduate School of Design, tot hij in oktober 2012 op emeritaat ging. Een gesprek.

Marcel Smets, Vlaams bouwmeester (Brussel) (september 2006) voor: ‘Uitweg’, nr 53

We vallen maar meteen met de deur in huis. Wat betekent stedelijkheid voor u?
(Stilte) Je begint meteen met de moeilijkst mogelijke vraag. Ik verwijs naar wat mevrouw Fleury zei op het colloquium over stedelijkheid in het Brussels Parlement: er zijn plekken die helemaal ‘kloppen’, volgens de regels van de kunst, maar waar toch niemand wil vertoeven. Ze wees op de schraalheid en de leegte van de Franse ‘villes nouvelles’ (geplande steden). Over Brussel zegt iedereen dan weer terecht dat er veel moet veranderen, maar de meeste Brusselaars wonen er wel graag.
Stedelijkheid heeft te maken met het onvoorspelbare. De toevallige ontmoeting die als verrijkende ervaring werkt, zoals Baudelaire zei. Er bestaat dus een verband met de densiteit en de intensiteit van ontmoetingen in de openbare ruimte, maar concentratie van activiteit leidt niet altijd tot intensief stedelijk leven. Torengebouwen met veel bewoners garanderen niet per definitie leven op straat. Dikwijls resulteren ze in ijle restruimtes. Ik herinner me bepaalde wijken in Shanghai die wel die densiteit hadden, maar toch niet stedelijk aanvoelden omdat niemand zich in de openbare ruimte bevond. Kortom, stedelijkheid heeft vooral te maken met de invulling van de publieke ruimte en de manier waarop burgers die ruimte tot de hunne maken.

Shanghai: grote dichtheid, weinig stedelijkheid volgens Smets
Wat beïnvloedt die toe-eigening?
Ze hangt af van vele factoren, maar vanuit mijn expertise kijk ik natuurlijk vooral naar de inrichting van de ruimte. Een ruimte staat niet los van de gebouwen errond. De ‘wanden van de straat’, haar gelijkvloerse invulling en herbergzaamheid zijn van grote invloed voor de kwaliteit van de publieke ruimte. Ze geven betekenis en oefenen een soort regulerende functie uit. Passanten vertragen of houden halt bij iets wat hun aandacht trekt. In de klassieke binnenstad zijn dat dikwijls winkels of voorzieningen.
Dat geldt ook voor sommige wolkenkrabbers. Zo bestaat er een groot verschil tussen de hoogbouw in New York en de visie van pakweg Le Corbusier. Voor de laatste moeten de collectieve gebouwen op palen staan. De begane grond was bedoeld als “park” maar is meestal “parking” geworden. In New York is de begane grond gekenmerkt door een mix van functies, ook in die wolkenkrabbers. Het is logisch dat je hier wel een boeiende, ‘vertragende’ en werkzame publieke ruimte over houdt, en in het andere geval niet.

New York: begane grond met functionele mix leidt tot boeiende, ‘vertragende’ publieke ruimte.
Waarom is die mix van functies zo belangrijk?
Door een mix van functies hangt het gebruik van de ruimte niet af van één (soort) activiteit. Monotone activiteit zorgt immers voor monotone tijdspatronen. Kantoren zijn volop bezet tijdens de werkuren, maar ‘s avonds en in het weekend leeg. Functionele mix daarentegen zorgt voor permanente aanwezigheid van een afwisselend doelpubliek. Maar ‘mixiteit’ is op vele manieren mogelijk. Niet élk gebouw moet per definitie een winkel of café hebben op het gelijkvloers. Als voldoende afwisseling bestaat tussen de gebouwen van een buurt en als daardoor alle functies en voorzieningen aanwezig zijn in een straat, met voldoende variatie, dan is een mix gerealiseerd op buurtniveau, zelfs wanneer die niet in elk gebouw afzonderlijk bestaat.
Hoe belangrijk vindt u sociale mix?
Er is in onze steden altijd een verschil geweest tussen rijkere en armere, volksere buurten. En alle grote steden op de wereld tellen verschillende kernen. Ook Brussel is een grootstad met meerdere centra, die bovendien hoe langer hoe meer sociaal en zelfs etnisch homogeen worden. Er is niks mis met dergelijke ‘dorpen in de stad’. Het wordt pas een probleem als mensen alleen nog hun eigen buurt kennen en niet meer in de andere wijken van hun stad komen. Als de welgestelde inwoner van Ukkel bijvoorbeeld enkel nog in zijn eigen gemeente op restaurant gaat of inkopen doet. Een stad die enkel nog aaneenschakeling is van dorpen, is niet langer stad. Als je enkel in je eigen gemeente blijft hangen, leef je het dorpse bestaan van een eeuw geleden.
Er moeten dus plaatsen zijn die open staan voor alle sociale categorieën en waar iedereen ook terecht kan. Denk aan stations, parken, stadions of sportvelden, maar ook historische centra. We moeten die plekken koesteren. Het voorbeeld van Les Halles, de meest toegankelijke plek per metro en RER in Parijs, is wat dat betreft tekenend. Het is de verzamelplek van de periferie in het centrum.
Die ontvankelijkheid voor meerdere groepen en culturen maakt deel uit van stedelijkheid. Ze verdwijnt echter meer en meer, door de etnische druk en  de puur, bijna exclusief lokale identificatie met vele stadsbuurten, die opgang maakt in onze steden.
Ik heb vaak geschreven over de veranderende, ‘kantelende’ stedelijkheid vandaag: de hedendaagse stad die zich hoe langer hoe meer in ‘plaatsen van centraliteit’ voordoet, waarbij de best ontsloten plekken de meest stedelijke plekken worden. Stations zijn vaak veel meer stedelijk dan een ‘gedisneyficeerde’ grote markt of winkelstraat.
Vandaar het belang van ‘passages’ in uw lezingen en artikels ?
Passages zijn korte verbindingen tussen plekken, verbindingen die aanleiding geven tot een nieuwe stedelijke realiteit. Onze steden zijn opgebouwd uit netwerken, die in verschillende tijdsperiodes tot stand gekomen zijn. Op een bepaald moment werd transport beheerst door paard en kar, vervolgens door trein en tram, en daarna door de auto. Elke tijd had zijn vervoersmiddel en de publieke ruimte werd er telkens voor gemodelleerd, zonder rekening te houden met die bestaande patronen of netwerken.
Dergelijke infrastructuren vormen nochtans harde grenzen, zodat het stedelijk leven zich vaak anders ontwikkelde aan de beide kanten van die barrière. Door zo’n hindernis te slopen en een aantrekkelijke passage te realiseren, kan je een nieuw stuk stad op die verbinding tot stand brengen, die toegankelijk is vanuit  beide aanpalende stadsdelen. De moeilijkheid bestaat erin die verbinding zodanig te ontwerpen dat die structureel contact tussen diverse groepen gebruikers toelaat en interactie tussen residenten en passanten stimuleert. In Barcelona bijvoorbeeld fungeert de bovengrondse promenade op de Passeig de Gràcia veel meer als verbinding tussen de metro en de trein, dan de ondergrondse tunnel die met dat doel is aangelegd. Een ander goed voorbeeld is Medellín (Colombia), waar in 2004 een metrokabelbaan, een ‘teleferico’, werd aangelegd. Die verbindt het bovenste stadsdeel, waar de armen wonen, en het laagste stadsdeel, waar de rijken wonen. Halverwege heeft men met hulp van de Getty Foundation een opzienbarende bibliotheek uitgebouwd. Die ruimte fungeert als nieuwe sociale ontmoetingsplek, en de “metro-cable” wordt een vorm van nieuwe “passage”. De armen die in de stad gaan werken en de bibliotheekbezoekers komen er elkaar tegen in de gedeelde ruimte van een nieuw publiek transport.

Metrokabelbaan (2004) in Medellín (Colombia)
Velen bekritiseren de hoogbouw van het modernisme.
Ik ben misschien minder extreem dan anderen. Fundamenteel ga ik er wel mee akkoord dat het modernisme op een bepaald moment dogmatisch is geworden en zijn eigen roeping heeft verloochend. Maar ik wil het kind niet weggooien met het badwater. Heel vaak wordt modernisme gezien door de bril van CIAM of Le Corbusier. Maar er is ook een ander soort modernisme. Manuel Solà-Morales, met wie ik mocht samenwerken, heeft daar een schitterend artikel over geschreven: Another Modern Tradition. Die andere kant van modernisme, tot uiting gebracht door o.a. Van Eesteren, Leslie Martin of Ludovico Quaroni, was wel bekommerd om de sociale en functionele mix. Ik heb bijvoorbeeld bewondering voor de Luchtbal in Antwerpen. Ik ken weinig andere projecten in België waar op zo’n meticuleus berekende manier voorzieningen gepland zijn, gekoppeld aan de woningen: een crèche, een school, een speelplein, een politiekantoor en groene tussenruimte. Voor het eerst in de geschiedenis kregen we dat op die schaal voor mekaar. Helaas gebeurde dit louter rekenkundig en simplistisch. Dergelijk simplisme loochent de complexiteit van de stedelijkheid. De ruimte rond de bebouwing aan de Luchtbal is  – in het licht van wat ik eerder al zei – leeg en ontdaan van stedelijkheid. Maar ik kan die kritiek niet helemaal loskoppelen van mijn bewondering voor de sociale hervorming, de daadkracht en het emanciperend project.

De Luchtbal in Antwerpen (© Gazet Van Antwerpen)
Wat met hedendaagse hoogbouw? Denk aan Upsite in Brussel.
Ik heb vragen bij projecten zoals Upsite, een verzelfstandigde hippe buurt met zwembad, supermarkt, een fitness, een koffiebar en zelfs een wandschildering van Rinus Van de Velde in een gated community, totaal afgesloten van de omgeving. De bewoners worden losgetrokken van de omgeving. Dat is niet inherent aan hoogbouw, maar in de praktijk komt het daar – tegenwoordig – vaak op neer. Upsite is architecturaal bovendien zeer klassiek en weinig origineel, gericht op het optimaliseren van de veronderstelde particuliere woonwensen. Maar die wensen bepalen wel mee de vorm en het uitzicht van de stad.
En de Martinitoren (1958-2004)?
Ook de Martinitoren was een project van een bouwpromotor, maar wel heel verschillend. Het gebouw had een – toen althans – innovatieve vorm en vooral een veelheid van functies, open voor iedereen: ook het Théâtre National zat daar, net als een congrescentrum, een gelijkvloers busstation, woningen en kantoren.
Wat is een voorbeeld van goede verdichting?
Ik denk aan het Palazzo del Toro in Milaan dat onderaan publieke ruimte bevat zoals een halfopen winkelgalerij, met restaurants, postkantoor, benzinestation, met kappers en reisagenten op de duplex, daarboven zowel kantoorruimtes als appartementen, sommige met mooie terrassen. Of het Rockefeller Center in New York, met zijn ijspiste omringd door galerijen en restaurants, Radio City Music Hall, de zaal voor muziekspektakels en grote optredens, kantoren en appartementen. Het Groothandelsgebouw in Rotterdam is ook een goed voorbeeld, met het bekende café Engels op de hoek met de Coolsingel, en zijn invulling aan de straatzijde door gevarieerde winkels, cafés, uitzendkantoren en bankfilialen, van dit in wezen modulaire kantoorgebouw met bijbehorende expositieruimte. Het Stimuleringsfonds voor Nederlandse Architectuur heeft er een tijd zijn bureaus gehad.

Groot Handelsgebouw Rotterdam: niet geïsoleerd van de publieke ruimte en dus een voorbeeld van goede verdichting
Al deze vormen van verdichting staan niet geïsoleerd van de publieke ruimte. Ze leveren als privé-initiatief een onmiskenbare bijdrage aan het publieke leven. In het binnenland zijn er minder goede voorbeelden, maar de Résidence Palace zoals die oorspronkelijk in 1929 was opgevat, vind ik formidabel. Met woningen, een ondergrondse garage, een zwembad, restaurant, tennisvelden, plantsoenen, pergola’s en fonteinen, wasserijen, poets- en herstellingsdienst , huisbezorging van warme maaltijden, … en dat allemaal bovenop een treinstation. Ik stel alleen ontsteld vast dat men dat niveau van stedelijke voorziening vandaag nog zelden haalt, zeker in Vlaanderen.
Hoe komt dat?
Ondanks alle goede intenties en holle frasen treedt de overheid nog steeds weinig actief op als beschermer van de publieke zaak. Nog al te dikwijls is het credo van de stedelijke overheid, van de burgemeesters: “We zijn al blij als er al vooruitgang en ontwikkeling is.” Ik ben daarentegen overtuigd dat het beter is van niks te doen dan het slecht doen. Want als je niks doet, kan de volgende generatie tenminste iets beter doen. Als je het slecht aanpakt, blijft het slecht voor de volgende generaties.
Toch is er de laatste twintig jaar ongetwijfeld een vooruitgang in de kwaliteit van de geplande stedelijke interventies. De transformatie van het Militair Hospitaal in Antwerpen is een mooi voorbeeld, zowel op vlak van sociale en functionele mix als van de herwonnen doordringbaarheid van een vroeger afgesloten gebied in de stad. Campagnes als “Thuis in de Stad” en op kwaliteit gebaseerde aanbestedingsformules hebben de ‘core business’ van projectontwikkelaars richting woonkwaliteit doen verschuiven.
Is er een ideale grootte voor een stad?
Een echte stad vereist natuurlijk een minimum aantal inwoners. Vele steden die ik zelf leefbaar vind, zitten ergens tussen de 250.000 en 500.000 inwoners. Steden van die schaal hebben de voorzieningen die grotere steden ook hebben, maar zijn in tegenstelling tot die metropolen nog bevattelijk en beheersbaar. Grootsteden bestaan uit meerdere wijken en centra. Het beheer en de aansturing van miljoenensteden – bijvoorbeeld inzake mobiliteit – is veel moeilijker en complexer, vaak ronduit problematisch.
Ik woon en vertoef zelf ook het liefste in een omgeving die goed en rechtvaardig gemanaged wordt door een sterke publiek bestuur. Waar het openbaar vervoer goed werkt, zodat je overal kan geraken zonder auto. Dat heeft te maken met schaal en afstanden, maar ook met goed beleid. De aanwezigheid van natuur, van rivieren, parken of andere aaneengesloten groengebieden, is ook belangrijk voor de leefkwaliteit van een stad. Als je vraagt naar mijn ideale steden, kom ik bij Zürich: de stad is niet groot en echt wereldtop qua interne en externe bereikbaarheid met openbaar vervoer. Bovendien is de nabijheid van het meer van Zürich fenomenaal. Dat meer, de Limmat-rivier en de heuveltoppen in de directe omgeving geven aan de stad een openheid op de verte, op de wereld, die aan het kleinstedelijke een internationale dimensie geeft. Stockholm, dat eigenlijk uit een reeks eilanden bestaat, is enigszins vergelijkbaar. Natuur en stad vloeien er in elkaar over, en alles is perfect op eigen tempo bereikbaar. Gent is in die zin ook afwisselend en coherent, mooi in een zeer leefbaar evenwicht, meer dan Antwerpen eigenlijk.

De Limmat geeft Zürich een blik op de wereld.
Een miljoenenstad als pakweg Istanbul werkt fascinerend. Ik loop er graag in rond, maar zou er niet graag wonen. Het dagdagelijkse leven is er te veel een strijd om zaken te bekomen, te organiseren of te regelen. Dat vraagt me te veel energie. Na enige tijd word je het gewoon moe. Misschien heeft het met leeftijd te maken, maar ik hou wel van eenvoud, een zekere ‘geregeldheid’ en een stad op mensenmaat.
En Brussel?
Door zijn inefficiënte beleidsstructuur is Brussel moeilijk bestuurbaar. Eigenlijk is het een grote stad, maar ze valt uiteen in 19 aparte gemeenten met een overkoepelende regionale structuur. Ze moet de kosten dragen die alle er gevestigde administraties er meebrengen, zonder dat ze daar echt voor wordt vergoed. Anderzijds is Brussel de enige stad in dit land met een metropoolkarakter. Met de meertaligheid, de broedplaats voor multiculturele vernieuwing, het onvoorspelbare en onverwachte, zelfs in het alledaagse leven. Daarom vind ik de hoofdstad een boeiende plek.
U houdt niet van het onderscheid stad – platteland.
Ik spreek niet graag over stad-platteland omdat die dichotomie geen steek meer houdt, ook op sociaal vlak. In het kleinste ‘dorp’ van het verstedelijkte Vlaanderen volgen mensen dezelfde media als in de ‘stad’, hebben ze dezelfde aspiraties voor zichzelf en hun kinderen. Elders in de wereld is er soms nog een echt onderscheid tussen stad en platteland en liggen de opportuniteiten in de stad.
Vlaanderen is historisch een stedelijke regio: al in de 14de eeuw leefde de helft van de Vlaamse bevolking in de steden. In Frankrijk was dat bijvoorbeeld minder dan 20 procent. Onze steden liggen maximum 25 km van elkaar, wat Vlaanderen een netwerkstad maakt. In Frankrijk bijvoorbeeld zorgen de steden voor de voorzieningen van een uitgebreid hinterland. Nantes bijvoorbeeld is ongeveer zo groot als Gent maar bedient een veel grotere regio. Bij ons zijn er steden zoals Leuven en Mechelen, die zeer dicht – naar buitenlandse normen te dicht – bij de grotere stad Brussel liggen, maar toch zijn het centrumsteden met eigen voorzieningen en een eigen hinterland.
Dat zorgt dan weer voor het verstedelijkt karakter van de Vlaamse regio, die al met al kleiner is dan vele wereldsteden. Heel Vlaanderen is verstedelijkt – door de auto is dat na de Tweede Wereldoorlog trouwens enkel maar toegenomen – maar onderscheidt zich ook door zijn afwisseling van uiteenlopende types stads- en dorpskernen, overgangs- en tussengebieden, agrarische en natuurlijke open gebieden. Misschien zijn er nog enkele niet-verstedelijkte uithoeken in Limburg en West-Vlaanderen. Daarom spreek ik liever over de rasterstad of de netwerkstad. Vlaanderen is een patchwork en dat is deel van onze eigenheid, en dat moeten we erkennen en respecteren. Vlaanderen is geen groengebied, met daarbinnen stedelijke kernen. Wel integendeel, Vlaanderen is bebouwd en daarbinnen zijn er groene enclaves.

Rasterstad of netwerkstad Vlaanderen: meet dan enkel stad en platteland (bron: Groenboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen)
U hebt het over onze eigenheid, maar die hangt ook samen met bijvoorbeeld lintbebouwing en verkwanselde open ruimte, waardoor Renaat Braem ons reeds in 1968 als ‘Het lelijkste land ter wereld’ omschreef.
Onze ruimtelijke ordening is dubbel. Ze heeft – letterlijk en figuurlijk – een voorkant en een achterkant. Voor- en nadelen. Het nadeel is inderdaad de lelijkheid, maar het voordeel is ontegensprekelijk het wooncomfort voor veel Vlamingen in de eigen tuin. Ik snap wel de ergernis over onze ruimtelijke ordening, maar wat kan je doen met bestaande woningen die vergund zijn? Afbreken? We moeten aan de slag met wat er is. De vraag is dus veeleer: hoe kunnen we het openbaar domein beter inrichten. Zowel de straatkant, als de – letterlijk dan – achterkant van vele woningen, met landschappen, weilanden, beekjes: die natuurlijke schoonheid moeten we meer bruikbaar en toegankelijk maken. We moeten inzetten op parken en groene corridors tussen de bebouwde ruimtes. Daarnaast moeten we – daarin heeft huidig Vlaams Bouwmeester Leo Van Broeck gelijk – onze ecologische voetafdruk verminderen. We moeten af van het individuele wagenvervoer. We moeten openbaar vervoer rendabel maken door meer in te zetten op kernversterking en op densificatie van woningen langs openbaarvervoersknooppunten.
Heeft de stadsbewoner dan geen specifieke voorkeuren of belangen, bijvoorbeeld de luchtvervuiling (ook door het verkeer van pendelaars)?
Voor een deel heeft dat te maken met de concentratie van ambtenaren in onze steden, zeker in Brussel. Ik ken weinig steden in de wereld die ’s avonds zo leeglopen. Ontstellend  vind ik dat.
Anderzijds, in New York zijn er ook veel pendelaars, maar gaat niemand met de auto naar het werk. Dat doe je natuurlijk niet als een parkeerplaats 10 dollar per uur kost. Dat zijn politieke keuzes. Durft men dat in Brussel ? Het oordeelkundig terugdringen van de auto ten voordele van milieuvriendelijke vervoerswijzen vormt in toenemende mate een conditie om wonen met hoge dichtheid (dus wonen in de kernsteden) alsnog aantrekkelijk te maken. Het mag daarbij niet gaan om fetisjisme maar om weloverwogen beleidsmaatregelen ten gunste van de volksgezondheid en levenskwaliteit in ruime zin.
Eerder klaagde u de disneyficatie van Leuven aan. Wat bedoelt u daarmee?
Disneyficatie ontstaat wanneer de stedelijke ruimte herleid wordt tot decor voor consumptie. De waarde van de historische binnenstad ligt dan niet langer in haar geschiedenis, maar in haar gezelligheid. Publieke ruimte wordt op die manier onttrokken aan publiek gebruik ten voordele van privéverbruik. In Brussel valt het nog mee, maar in Ljubljana, waar ik onlangs was, is het pathetisch: daar zijn enkel nog terrassen. De stad vervalt louter tot een drink- en eetcentrum. Ze wordt een gezellig decor voor commerciële exploitatie. Ik heb op zich niks tegen terrassen of de mensen op terrassen, maar als dat het enige of het dominante gebruik wordt van de stedelijke ruimte, dan verdwijnt de stad. Die ‘disneyficatie’ verarmt de betekenis van een stad.
Geldt dat ook voor de winkelstraat?
De winkelwandelstraat is ook vaak gedisneyficeerd, ja. Er zijn winkelstraten die gediversifieerd zijn, maar vaak krijg je toch het idee dat onze binnenstedelijke winkelstraten malls geworden zijn. Het is behoorlijk ironisch dat terwijl de gesofisticeerde malls op binnensteden willen lijken (denk aan Docks, nvdr), vele binnensteden op malls gaan lijken. Als je de ontwikkeling ziet van de Bondgenotenlaan in Leuven: vroeger was dat een gevarieerde straat met een notarishuis, theater, volkscafé’s, particulier uitgebate winkels, een grootwarenhuis. Tegenwoordig zijn er bijna enkel nog ketens omdat alleen zij de huurprijzen kunnen betalen. De kleinere, originele, inventieve winkels verdwijnen naar de zijstraten. De Meir in Antwerpen heeft haar originele aantrekkelijkheid verloren, de parallelle straten (Kammenstraat, Lombardenvest, Jodenstraat) hebben haar initiële diversiteit en klasse overgenomen. Daar vind je wat mij betreft authenticiteit, eigenheid en echte stedelijkheid.

De Meir in Antwerpen: winkelstraat of shopping mall? (foto © photo_news)
U wees ooit op het gevaar van stereotiepe en identiteitsloze steden en schreef “(…) Ik denk dat onze stadsbestuurders (…) het heft in eigen moeten nemen, met projecten die wel inzetten op de eigenheid van hun stad.” (Trends, 2007) Hoe definieer of herken je de eigenheid van een stad?
Eigenheid heeft vaak te maken met geschiedenis. Ze ligt ook verscholen in de mentaliteit: een Antwerpenaar is geen Gentenaar. Dat verschil tussen Sinjoor en Stroppendrager wordt ook weerspiegeld in de bouwstijl: het Antwerps stadhuis is een groot palazzo in Vlaamse renaissance. Het Gentse stadhuis is door de jaren heen in uiteenlopende stijlen gebouwd en werkt eerder als een stuk stad dan als een paleis. De hele ontwikkeling van het Zuid in Antwerpen past binnen het open zijn op de wereld door de dokken en de Schelde, maar ook in een soort elitarisering van de stad. Het contrast en de grenzen tussen rijk en arm, tussen volks en elitair lijkt in Antwerpen groter dan in Gent.
Maar fundamenteel vindt eigenheid haar oorsprong in de geschiedenis van de stad: haar grondvorm, haar economische grondslag, haar omgevend landschap, haar sociale karakteristiek. En dat alles wordt hoe langer hoe meer overschaduwd door de globalisering.
U hebt op veel plaatsen gewerkt. Boeiend?
In Genua werkte ik op het grensvlak tussen stad en haven, zowel in Cornigliano als in Voltri. Je wordt er natuurlijk als architect geconfronteerd met de Italiaanse wijze om aan stedenbouw te doen: veel ontwerpen en discussiëren om daarna niets te realiseren. (lacht) En toch werkte ik er graag. Genua is een fascinerende stad: eigenlijk erg geïsoleerd want gebouwd tussen de bergen en de zee. Het is geen echte logistieke draaischijf zoals Antwerpen, want de bergen laten geen spoorontsluitingen toe. Daardoor is ze gericht op de zee. Haar historische binnenstad is in oppervlakte een van de grootste en van de meest dichtbebouwde van de wereld. Genua is verwant met Marseille: het is een stad waar mensen uit Noord-Afrika toekomen,en er niet meer weg geraken. Dat leidt soms tot problemen, maar heeft ook bijgedragen tot de ziel en identiteit van de stad.
Ik heb ook projecten gemanaged in drie stadjes in de Veneto, de regio rond Venetië: Conegliano, Treviso en Caorle. Het werk was er beter georganiseerd – de wijk die ik plande op de site van een oude weeffabriek is ondertussen gerealiseerd -, maar toch was Genua pakkender. Het bestaan is er minder voorspelbaar.
Nantes heeft mij ook sterk getekend. Het zeer kleine middeleeuwse centrum heeft de grote stadsaangroei in de twintigste eeuw niet gevolgd. De stad bestaat dus uit een patchwork van wijken, sterk verbonden met de Loire, elk met een eigen karakter en centraliteit. Op dat thema van de lokale eigenheid, ingepast in een geoptimaliseerd grootstedelijk verband, hebben we onze interventie op het Ile de Nantes gebaseerd. Nantes is ook een jonge stad, mede door de belangrijke interne migratie uit de rest van Frankrijk . Kunst en cultuur zijn er zeer aanwezig, ook in het publieke domein. Denk aan straattheatergezelshap Royal de Luxe en de bekende houten olifant van ‘les Machines de l’Île’. Beide kwamen reeds langs in Antwerpen. De stad werd goed bestuurd, ze hebben een fantastische burgemeester gehad, oud-premier Jean-Marc Ayrault, die 24 jaar voor zijn stad leefde. Hij was lang aan de macht en dat was erg gunstig voor de continuïteit, vooral omdat hij niet dictatoriaal is geworden. Hij luisterde voortdurend, zowel naar de deskundigen als naar de burgers, onder meer via de “comités de citoyens”. Via deze informele organisaties was er echt een geïnspireerde dialoog met de burger en kon hij het bekende NIMBY-effect uitschakelen. Daar kunnen wij echt van leren.

Houten olifant van ‘les Machines de l’Île’: typisch voor Nantes
Op welke prestatie, resultaat, opdracht als bouwmeester bent u het meest trots?
Twee zaken. Ten eerste: dat er nu ook aandacht gaat naar de architecturale en landschappelijke kwaliteit van verkeers- en transportinfrastructuur. Op die nagel heb ik vaak geklopt, want burgerlijke bouwkunde was een erg technocratische aangelegenheid toen ik aantrad als bouwmeester. Ik ben bijvoorbeeld fier op de nieuwe Scheldeverbinding tussen Temse en Bornem.
En ten tweede ben ik best trots op het ontwarren van een aantal dossiers die al lang vast zaten: de universiteitsbibliotheek in Gent, De Krook, de gevangenis in Hasselt. Bij dergelijke (ruimtelijke) kluwens maakten we een stedenbouwkundige studie, zodat we alle betrokken eigenaars konden overtuigen van de baten voor elkeen. Pas daarna gingen we over tot een architectuurprijsvraag. In 2004 was voor De Krook al eens een wedstrijd uitgeschreven, maar dat was veel te vroeg in het proces, er was gewoon geen draagvlak voor de bestemming die toen voor lag. We hebben dat rechtgetrokken door te beginnen met het creëren van een draagvlak.

Meer dan 10 jaar geleden  waarschuwde u voor de vergrijzing in onze steden.  (De Standaard, 2005). Wat denkt u zoveel jaar later?
Dat mijn voorspelling grotendeels is uitgekomen. Alleen zijn niet alleen de centra van Leuven, Hasselt of zelfs Aalst die nieuwe vestigingsplaats worden van geprivilegieerde villabewoners, maar ook de centra van Brasschaat of Bonheiden. Vlamingen zijn kennelijk nog minder mobiel dan ik had gedacht. De grijsheid van de “rustige vertierstad” die deze inwijking van de welstellende ouderen tot gevolg heeft, wordt (althans in steden van een zekere omvang) gelukkig getemperd door de inwijking van jongere gezinnen: de bakfietsgeneratie en migrantenfamilies.
Zijn de steden gemiddeld ouder dan de rest van Vlaanderen?
Dat hangt af van stad tot stad, en van stadsdeel tot stadsdeel. In de binnenstad van Hasselt is dat zeker zo. In Leuven ook, als je de studenten zou wegdenken. Bepaalde wijken in Antwerpen ook. Op zichzelf is dat niet erg. Alleen is het gevolg dat bouwpromotoren zich op den duur vooral op deze markt gaan richten en er dus verdringing optreedt. Appartementen in de stadskernen worden enkel betaalbaar voor wie zijn huis verkocht heeft en niet voor jongeren die een eerste gezinswoning zoeken. En dan krijg je tegenbewegingen, zoals die woontoren in Hasselt, enkel bestemd voor jonge bewoners.
Is Vlaanderen gekenmerkt door een anti-stedelijke cultuur of mentaliteit?
Ik denk wel dat er een soort anti-stedelijkheid bestaat in de zin van de schrik voor het rode gevaar, voor de moslim, voor het onbekende. En de Vlaming is ook gehecht aan de eigen auto en oprit, eigen woning, eigen tuin. Liefst in een straat met gelijken. Maar anderzijds is Vlaanderen dermate verstedelijkt en is iedereen voorstander van goede verbindingen en netwerken. In die zin kunnen Vlaanderen en de Vlaamse politici zich niet echt veroorloven anti-stedelijk te zijn. Historisch gezien is het natuurlijk zo dat de meeste parlementsleden in dit land eerder van het platteland kwamen en niet echt de stad verdedigden. Maar vandaag mag je dat effect niet overdrijven, aangezien die politici de facto uit de Vlaamse verstedelijkte ruimte komen en slechts zelden van het echt rurale platteland.
Uitzonderlijk zijn er discussies over verbindingen, over “de stad” weg houden uit de “eigen” gemeente, zoals rond Brussel of de tram vanuit Antwerpen. Dat soort debatten en veto’s leggen wat mij betreft een dieperliggend probleem bloot, dat onze steden niet goed georganiseerd zijn op bestuurlijk niveau. Antwerpen heeft in de jaren 70 terecht een fusie doorgevoerd, maar op dit moment is het gek dat Brasschaat, Ekeren en Edegem geen deel van Antwerpen zijn. Zoals in Brussel de gemeenten zouden moeten fuseren, met Kraainem erbij. Door die bestuurlijke schaalvergroting zou je ook de verbindingen naar het hinterland beter kunnen organiseren. Dan zou het doortrekken van tramlijnen of het aanleggen van het GEN-netwerk vlotter kunnen verlopen.
Dat probleem doet zich zeker niet alleen in Vlaanderen voor. In Frankrijk scheef François Ascher het fantastische boek: La République contre la ville: essai sur l’avenir de la France urbaine (2005). Hij beschrijft hoe de randstad haar autonomie wil behouden en de stad telkens geïsoleerd wordt, terwijl ze de leidende kracht zou moeten zijn in de stedelijke agglomeratie. Ik geloof in grote samenhangende stedelijke regio’s als belangrijkste eenheden van besluitvorming. Deze zouden veel meer bevoegdheden en middelen moeten krijgen.
Zoals de Zwitserse kantons?
Inderdaad. Ik ben een grote fan van het Zwitserse model. Die kantons zijn zeer verschillend maar hebben veel autonomie en de centrale staat is zeer minimaal ingevuld. Hetzelfde model zou ideaal zijn voor Vlaanderen. Voor mij kan het Vlaams Gewest dan net als de federale staat tot een overkoepelende bevoegdheid verschrompelen.
“Vlaanderen is een voorbeeld van een succesvolle regionalisering binnen Europa, waarbij architectuur is ontdekt als één van de middelen om het Vlaamse zelfbewustzijn een gezicht te geven.” In 2010 schuwde u de grote woorden niet in het tijdschrift voor architectuur, Oase.
Zeker. Ik heb dat toen bewust gebruikt om een zekere fierheid te rechtvaardigen. Momenteel worden de Vlaamse architecten en ons architectuuronderwijs als top gezien in de wereld. Veel van  onze architecten zijn in het buitenland geselecteerd voor belangrijke posities. Nederlanders kijken nu naar Vlaanderen op zoals wij jaren geleden naar hen. Vlaanderen geeft steeds meer blijk van goede en professionele opdrachtgevers, van goede architecten, van goede samenwerking en dus van goede resultaten. Een paar jaar terug woonde ik in Loker, een kleine deelgemeente van Heuvelland in de Westhoek, de inhuldiging van het nieuwe cultureel centrum bij. Dat gebouw is een architecturaal pareltje, volledig ingepast in het prachtige landschap. En dat voor een dorp van 3.000 inwoners. Je voelde dat alle aanwezigen er trots op waren.

Nieuw ontmoetingscentrum De Galoye in Loker (Heuvelland) – “Architecturaal pareltje, ingepast in het prachtige landschap” (foto © Tom Vandenabeele)
Zoals we trots zijn dat toeristen naar Van Eyck komen kijken, moeten we trots zijn op wat we nu kunnen en doen. Op dit moment is dat architectuur. Ook onze muziekgroepen scheren internationaal hoge toppen. Het is aan de Vlaamse minister van Cultuur om te capteren waarin Vlaanderen sterk is op een bepaald moment, daarin te investeren en dat internationaal te promoten.
Is dat toeval?
Niet helemaal. Het heeft ook te maken met voorgeschiedenis, die ertoe leidde dat mijn generatie van docenten komaf wilde maken met wat we zagen. Op die manier zijn wij erin geslaagd de gebrekkige toestanden in publieke opdrachtverlening en architectuuronderwijs recht te zetten. Onze studenten hebben goed onderwijs genoten. Intussen zijn zij ouder, hebben ze professionele ervaring, doen ze het erg goed en zijn ze ook niet slecht in zelfpromotie. Het is de vraag of deze gunstige wind zal blijven waaien bij gebrek aan een zekere zelfopoffering. Misschien komen we wel aan het einde van een cyclus.
Uitsmijter: vanwaar uw interesse voor Karel Buls, de Brusselse burgemeester van 1881 tot 1899?
Die is enigszins toevallig gegroeid. Maurice Culot, bezieler van de Archives d’Architecture Moderne kende mijn werk en vroeg of ik niet snel een boek wilde schrijven over Karel Buls. Ik begon aan de boeiende opdracht, maar de vooropgestelde termijn van zes maanden haalde ik natuurlijk niet. Het duurde uiteindelijk zes jaar en het boek werd elders uitgegeven.
Wat me in Buls fascineerde was enerzijds zijn profiel van studax. Hij had enkel middelbaar onderwijs genoten maar zich zelfstandig gevormd op alle vlakken: hij sprak vijf talen, was bijzonder onderlegd in de filosofie en de pedagogie en gebruikte die inzichten ook effectief, bijvoorbeeld bij het oprichten en werkbaar maken van modelscholen in Brussel.

(Marcel Smets, Charles Buls et les principes de l’art urbain, Pierre Mardaga, Collection Architecture + Recherches, Brussels-Liège, 1995, 305 p.)
Daarnaast gaf hij een interpretatie aan het modernisme, die me tot op vandaag blijft boeien: hij maakte een distinctie tussen het esthetische en het programmatische luik van het modernisme. Esthetisch was Buls aartsconservatief: hij stond bekend om de restauratie van de Grote Markt en andere tekenende monumenten, dikwijls vanuit hun constructieve logica, maar vooral vanuit hun bijdrage tot het leesbaar maken van de geschiedenis. Op vlak van programmatisch modernisme was hij echter uitermate progressief, bijvoorbeeld met zijn ideeën over de ideale opstelling van een wereldtentoonstelling, over het ideale museum, over morfologische zonering en over de functionele modernisering van de stad. Hij pleitte voor onderscheiden wijken die optimaal verbonden worden door een intensief tramnet. Ik ben altijd geboeid door personen die dit soort dubbelzinnigheid in zich dragen, die de vooruitgang van een stad wilden realiseren, zonder de identiteit te verloochenen. Buls wou de stad vernieuwen en beter laten functioneren, maar wou de eigenheid van de plek en de oude façades behouden. Voor zijn progressieve ideeën is hij helaas minder bekend dan voor zijn inzet voor het patrimonium. De stad is te complex om er in oneliners over te spreken. Ze verdient nuance over alle lagen en facetten. Karels Buls heeft daar een belangrijke bijdrage toe geleverd.

Anne-Mie Depuydt (agence uapS) et Marcel Smets, maîtres d’œuvre du projet urbain de l’Ile de Nantes. Nantes (Loire-Atlantique) 09/2011 © Jean-Dominique Billaud/Samoa

Lieven De Rouck schrijft op zijn blog Lieven Brusselt over steden, stedelijkheid en Brussel. Zijn interview met Marcel Smets verscheen eerder in het februarinummer (nr. 234) van het maandblad Meervoud.

Tussen ramp en vrijheid: Brussel door de bril van Johan Swinnen

“Krijg een kind, plant een boom, schrijf een boek”, is het antwoord van de Cubaanse volksheld José Martí op de vraag wat ieder mens zou moeten doen voor zijn dood. Kunsthistoricus en film- en fotografiekenner Johan Swinnen heeft die bucket list nu al afgewerkt. Lang vóór die zoon, de boom, het boek, was er een heel ander leven. Een jeugdig leven dat 50 jaar geleden helemaal op zijn kop werd gezet, met de brand in de Inno op 22 mei 1967.

Johan Swinnen: “De Inno brandt nog steeds in mijn hart” (foto © Manu Buelens)
De Inno brandt nog steeds. Zeker in het hart van Swinnen. Hij was dertien toen zijn ouders omkwamen in de vreselijke brand. Hij verloor zijn beide ouders, die op uitstap waren in Brussel. Door uitzonderlijk toeval was Swinnen zelf niet meegegaan. Zijn ouders deden mee aan prijskampen en wonnen voor 20.000 Belgische frank aan aankoopcheques van de Innovation. Ze zouden er een campingwagen mee kopen om samen met hem, zijn broer en zijn zus op vakantie te gaan.
“Omdat ik een kom eten had laten vallen, werd ik gestraft: ik mocht niet mee naar Brussel. Ik was er het hart van in. De volgende dag vertrokken mijn ouders. Ze parkeerden hun wagen bij het Meiserplein en namen tram 90 naar het centrum. We hebben nooit meer iets van hen gehoord. Mijn broer, die aan de unief studeerde, besloot samen met mijn zus om mij niet naar een weeshuis te sturen, maar om het thuis samen proberen te rooien. Dat is gelukt, ik ben er zeer dankbaar voor.”
Later begon Swinnen zich veel vragen te stellen over de ramp: “In 1967 woedde de vreselijke Vietnamoorlog volop. In de VS stootte president Johnson op groeiende weerstand, en ook het internationale protest zwol aan. Precies in die periode organiseerde de Brusselse Innovation een Amerikaanse veertiendaagse.”
Twintig jaar lang deed hij in alle luwte en eenzaamheid onderzoek naar wat toen gebeurde. Hij is zeker van zijn stuk: het was een aanslag.*
Over die aanslag en dat deel van zijn leven handelt zijn boek – het werd een roman – ‘Happening – de aanslag in de Inno’. En dit gesprek. Maar ook over veel meer. Over fotografie en film. Over radicalisering en geweld. En, aangezien vele Brusselse plaatsen een grote rol speelden in zijn leven en in het leven van andere betrokkenen bij de aanslag, ook over Brussel. En andere steden.

In de Inno: klein herdenkingsteken aan de brand (foto © Manu Buelens)
We beginnen ons gesprek aan de Koolstraat, de Dambordstraat en de Nieuwstraat. Aan de Inno dus. We mogen zelfs een foto maken bij het kleine gedenkteken. Blijkbaar mag dat niet altijd.
Je moet weten: de leiding van de Inno vond al lang dat het gebouw ‘gemoderniseerd’ moest worden omdat het niet meer beantwoordde aan de toenmalige noden en normen. Dat het erfgoed was – ontworpen door Horta – was slechts een detail.
Emile Bernheim, baas van de Inno, droomde al van een nog groter warenhuis en van een volledig nieuwe site in de stad, naar Amerikaans model. Kort voor de brand was hij met enkele bestuurders van de Stad Brussel net in de VS geweest. En slechts 24 uur na de brand kwam men al samen om plannen te bestuderen voor een nieuw Manhattan in Brussel, terwijl men nog bezig was met slachtoffers te zoeken en te bergen. Qua cynisme kan dat tellen.
Uiteindelijk hebben ze de buurt met rust gelaten, maar op andere plaatsen hebben ze het wel gedurfd om radicaal af te breken en iets anders te bouwen, denk aan de Noordwijk hier vlakbij. Ondanks of dankzij de brand?
De meeste mensen hier passeren zonder enig benul. Wordt voldoende duidelijk gemaakt wat hier gebeurd is?
Neen, en dat is straf, want het gaat over 323 doden. Een beeldend kunstenaar zou een herdenkingskunstwerk moeten maken. Maar er is geen herdenking, zoals er ook geen volledig dossier meer is. Daar is zeer slordig mee om gegaan door justitie, en dat vind ik schandalig. Het dossier werd almaar kleiner in die 20 jaar dat ik er – in alle stilte – mee bezig was. Er zijn de laatste jaren gewoon ganse delen van het dossier verdwenen.

 Ik zit vele avonden in Brasserie Mort Subite. Op loopafstand van het Filmmuseum vind ik hier gezelligheid die me omarmt en ik geniet van het idee dat hier vlakbij in de schitterende Koninginnegalerij op 1 maart 1986 de eerste publieke filmvoorstelling in België heeft plaatsgevonden door de gebroeders Lumière, de pioniers van de filmkunst. De gele patinekleur van de brasseriemuren geven me het gevoel deel uit te maken van een lange Brusselse geschiedenis. (Happening, blz. 246)

Dan brengt Café Mort Subite aangenamere herinneringen terug.
Dit café gooit me terug naar een mooie tijd: mijn studententijd. Mijn humaniora was niet altijd fijn, zoals je in mijn boek kan lezen. Hogeschool Sint-Lucas in Schaarbeek, waar ik fotografie en film studeerde, was een verademing voor mij. Mijn studententijd gaf me vrijheid. Ik zat op kot op het Weldoenersplein in Schaarbeek en ontdekte vandaar Brussel. De Mort Subite was mijn vaste stek. Ik passeerde hier en ging daarna naar Cinematek, waar ik bijna elke avond een film ging bekijken. Dat was betaalbaar voor mij, en het was het moment van de Nouvelle Vague, de openbaring van het vrije denken.

In de Mort Subite in Brussel: ronduit vertellen over de tijd van toen. De ober kijkt en ziet dat het goed is. (foto © Manu Buelens)

Het was zeker geen studentencafé en ik zat hier ook vaak alleen. Om te lezen of te schrijven in mijn schriftje – filmscenario’s, kortverhalen, liefdesbrieven. Ik was vaker hier dan op mijn kot in mijn eerste Brusselse jaren. Nog steeds zie ik gemiddeld één film per dag en elke film heeft ergens wel mijn wereldbeeld mee beïnvloed. Er was niet enkel de film, maar ook de fotografie, wat ik tenslotte studeerde. Ik wilde met fotografie de wereld veranderen. Dat had ik geleerd van de mijnstakingen: we hoeven niet in de politiek te gaan om de wereld te veranderen. Dat kon ook via kunst en cultuur. Op onze campus vonden veel maatschappelijke acties plaats: pro homorechten, tegen Vanden Boeynants, tegen de kolonels in Griekenland, het Franco-regime en de kernraketten.
Wat was je eerste indruk van deze stad?
Ik kwam aan in Brussel-Noord. Aan de ene kant had je de beruchte werven waar de WTC’s en andere kantoorgebouwen werden opgetrokken, ten nadele van de bestaande volkswijken. Ik had het daar net al over. Ik maakte er foto’s van: het verdwijnen van die woonwijken en het zien verrijzen van Amerikaans aandoende wolkenkrabbers was immers zeer vervreemdend.

Amerikaans aandoende wolkenkrabbers in de Noordwijk: vervreemdend (foto © Gautier Houba)

De kant van Schaarbeek en Sint-Lucas was warmer en aangenamer, met kleine winkeltjes en zo. Daar kon ik betaalbaar wonen. Daar waren ook best veel prostituees, echt ‘Brusselse’ prostituees trouwens, wat je je nu natuurlijk nog moeilijk kan voorstellen. We dronken al eens een pint met hen in onze cafés.
Kortom, voor mij was de combinatie van Schaarbeek en Cinematek en de cafés in het centrum zeer verruimend. Ik legde daarbij altijd makkelijk contact met mensen en had aandacht voor hoe de stad evolueerde. Vergeet niet, ik was ook de enige Vlaamse student die in het weekend in Brussel bleef, waardoor ik toen andere facetten van de stad ontdekte en andere netwerken moest zoeken. Daardoor werd ik volwassen. Sowieso word je als volledige wees sneller volwassen. Ik heb altijd gewerkt tijdens mijn studies, want die moest ik zelf betalen. Sabena, Eternit, Marie Thumas in combinatie met de horeca hebben voor mijn inkomsten gezorgd.
Ondanks de nabijheid van de Inno, was de stad voor mij een soort troost in een moeilijke periode, toen ik ten volle begon te beseffen wat met mijn ouders gebeurd was en ik me soms eenzaam voelde. Ik voelde me hier minder eenzaam dan op het platteland. Hier was iedereen immers een beetje op zoek. Plezier om het leven, dat was ik mijn ouders, de doden verschuldigd. Het besef dat ze vermoord werden liet traumatische gedachten na. Troost vond ik tijdens nachtwandelingen in de Nieuwstraat. Ik moest een manier vinden om naar het leven terug te keren, en dat deed ik op mijn eentje.
Is Brussel sindsdien veranderd?
Zeker. De meeste wijken waren heel anders. In de Koningsstraat bijvoorbeeld, waar veel verdelers van films waren. Mijn docenten Guido Henderickx en Robbe De Hert openden ons bovendien de ogen via documentairefilms over bepaalde Brusselse wijken en buurten. Dat moedigde ons aan om foto’s en films te maken van wat we zagen zag in de stad. We probeerden de gewone man en vrouw in beeld te brengen. Ik begreep toen dat je door fotografie en film een stukje realiteit naar voren kan brengen. Er was veel respect voor een fotograaf. Fotografie en zeker film waren nog redelijk nieuwe media.

De Koningsstraat als centrale as: vroeger heel anders dan nu (foto © Gautier Houba)

En na de studies?
Ik ben hier nog even blijven plakken. Later heb ik in Leuven en Limburg gewoond, om diverse redenen, en ook toen kwam ik in het weekend vaak naar Brussel. Ik miste die mix van culturen.
Ik kan daar geen rationele of wetenschappelijke uitleg voor geven, maar ik voelde me aangetrokken tot de stad Brussel. Bij ons thuis was Brussel echt de uitstap van het jaar en mijn ouders waren ook goedgemutst als ze naar Brussel konden. Ik herinner me nog goed dat mijn moeder hier altijd nieuwe lingerie kocht, een mooie metafoor voor de vrijheid van de grootstad. Mijn vader vond hier ook buitenlandse tijdschriften, die ze in Limburg niet vonden. Dat speelde ook mee. Brussel was niet voor iedereen zo speciaal. Sommigen keken op naar Hasselt en vonden Brussel heel ver en te mijden.
De Vlaming en zijn hoofdstad, het blijft een moeilijk verhaal.
Ik merkte dat ook aan mijn VUB-studenten. Sommigen wisten na zelfs na 3 jaar VUB nog niet waar Cinematek was. Die kwamen niet of in elk geval te weinig van de VUB, van hun eiland, om de stad te verkennen.
Is dat nu anders?
Ja. Maar het kan en moet nog beter, ook bij de docenten. Het probleem aan de VUB is dat weinig proffen in Brussel wonen. Als je kijkt naar de Antwerpse of Gentse universiteit, dan woont 80 procent ook in die stad. In Brussel is het echt een minderheid, terwijl het natuurlijk beter zou zijn om meer proffen te hebben die deelnemen aan het Vlaams cultureel en zelfs politieke leven in Brussel. Antwerpen heeft wel een echte stadsuniversiteit, ingebed in de stad, waar rector Van Goethem ook op inzet.
Ik had altijd veel respect voor Els Witte, mijn rector toen ik professor werd. Ze hield van Brussel en vertelde me eens: ‘Voor Limburgers die met de trein komen, zou het evidenter zijn om af te stappen in Leuven, een stad halverwege, die ook een universiteit heeft. Ik ben altijd blij als ze toch blijven zitten tot in Brussel.’ (lacht) Overigens, heeft de VUB ooit de ambitie getoond om in Brussel Vlaanderen op de kaart te zetten en te tonen: wij zijn niet enkel een Brusselse maar ook een Vlaamse universiteit? De VUB is wel open naar de ULB, maar te weinig naar de stad of naar Vlaanderen. Ik doceerde reeds jaren terug een aantal van mijn colleges in de Cinematek. Het was een signaal dat ik als prof wilde geven.
We wandelen – zoals in de tijd van toen – van de Mort Subite naar Cinematek. Dat brengt ons bij de volgende passage in het boek.

Dan zie ik een mooie jonge vrouw zitten in de barcoupé van de Thalys. Ze luistert naar een groepje van vier jongeren die chansons zingen […] ze mijmert dat ze er verkeerd aan gedaan heeft om tijdens haar verblijf in Parijs zo vaak de metro te nemen, ze had moeten flaneren, verlangend naar liefde met veel aandacht voor de medemens. Ze denkt aan de regels uit het gedicht ‘De wandelaar’ van Martinus Nijhoff: ‘Mijn eenzaam leven wandelt in de straten, […] toeschouwer ben ik uit een hoogen toren.’ (Happening blz. 306)

Swinnen: Toen ik aan de Sorbonne doceerde hoorde ik Parijzenaars vaak zeggen: we wonen in een fantastische stad, maar door ‘metro boulot dodo’ en het gejaagde leven genieten we daar te weinig van. Als je ergens korte periode of als toerist bent, kijk je rond. Als je ergens echt woont, leef je gejaagd.
Is dat typisch voor Parijs?
Dat weet ik niet. Ik weet wel dat een stadsbestuur daar iets kan aan doen, door mooie buurten te creëren.
Waarom heet wandelen in de stad trouwens ‘flaneren’, en in de Oostenrijkse bergen niet? Je bent intellectueel, seksueel, … actief. Dan is de stad met al die prikkels de ideale voedingsbodem voor contacten. Een fotograaf is een jager, alert en op zoek naar beelden, een loerder, het juiste beeld op het juiste moment. Een flaneur eigenlijk ook. Alleen: flaneren is niet enkel kijken, maar ook bekeken worden, uitdagen en ontdekken.
Welke rol speelt fotografie in de roman?
Ik deel de haat-liefde verhouding ten opzichte van het medium fotografie met de links-liberale Amerikaanse essayiste Susan Sontag. Zij noemt de fotograaf de voddenraper van de geschiedenis en zijn foto’s getuigenissen van een voorbije tijd. De schilder bouwt iets op, de fotograaf legt iets bloot. Vooraan in het boek lezen we een citaat van haar: ‘Fotograferen dient een verheven doel: verborgen waarheden onthullen en een verdwijnend verleden conserveren.’ Het medium fotografie leent zich daar inderdaad goed voor.
Kan ik dat beter illustreren dan met een anekdote uit het boek, en dus uit mijn leven? Ik beschrijf er hoe ik uitgerekend de zondag voor de aanslag een reeks van drie kleurfoto’s nam met mijn Leica-camera. Deze foto’s zijn de laatste vastgelegde en tastbare herinneringen van mijn ouders. Ik koesterde tijdens het jarenlange rouwproces deze foto’s van mijn ouders, als wilde ik de vergankelijkheid van hun lichamen vereeuwigen.
Sontag zegt ook: foto’s verzamelen is de wereld verzamelen in ons hoofd. Foto’s leggen ervaringen en contacten vast, zorgen voor herinneringen. Voor een goede foto moet je dus alert zijn.
Er is bijvoorbeeld een bekende foto van de Antwerpse fotograaf Herman Selleslags. Hij ziet in 1968 Paul McCartney trampolinespringen in Hyde Park in Londen, en het resultaat van zijn alertheid is een magnifieke foto: McCartney die iets geks doet.

Paul McCartney: even gek doen (foto 1968)
Maar dat soort foto’s zie je nog maar weinig. Tegenwoordig kan je alles fotoshoppen. Waardoor mensen minder op momenten en beelden moeten jagen, en dus minder flaneren, laat staan contact leggen. De zoektocht naar het juiste moment is weg, en dus ook die aandacht dat het met zich meebracht voor de zingeving en humanisering van het medium fotografie.
Het flaneren heeft door technologie, andere beeldcultuur, een andere betekenis gekregen, net zoals het fotograferen zelf. In mijn tijd gingen wij de stad in als jagers op zoek naar een onderwerp. Je moest constant alert zijn en op het juiste moment paraat staan om een goed beeld op te merken.
Ik vraag me soms af waarom nog steeds zoveel mensen fotografie studeren, terwijl iedereen het zelf doet met een smartphone. Dat jongeren graag fotograferen is klaarblijkelijk niet veranderd. Het is een eerste stap om de wereld te veroveren, en ook te manipuleren, naar je hand te zetten.
In het boek schrijf je zowel positief als negatief over fotografie.
Fotografie heeft een grote link met de realiteit. Ik zag net een zwarte man in een deken bedelen in licht euforische, dronken toestand. Je kan daar een goede foto van maken. Maar je kan veel soorten goede foto’s maken. De blik van de fotograaf bepaalt hoe je een stad in beeld brengt. Dat is ook gevaarlijk.
Je kan Brussel, en elke stad, zeer lelijk en zeer mooi voorstellen. Ik vind dat we nog altijd een beetje hoop moeten geven. De stad zoals ze is met goede en minder mooie kanten, en zoals ze kan zijn.
Fotografie heeft geen klank, geen tekst, geen opeenvolging van beelden. Per definitie ga je isoleren van de context. Documentairefotografie is dan ook geen vrijgeleide voor om het even wat, vind ik, en zeker niet voor manipulatie.

Met foto’s loop je nog meer dan met film het risico de armoede pittoresk voor te stellen. […] Bij film kan je dat oplossen door montage, door de opeenvolging van beelden. […] Als fotograaf moet je erg oppassen voor symboliek, want de meeste symbolen werken niet meer, zijn helemaal afgestompt. (Happening, blz. 165)

Daguerreotypen waren bij machte de werkelijkheid te overschaduwen, een nieuwe werkelijkheid te scheppen. ‘Fotografie was één van de middelen om een stad te verbeelden’, fluisterde Horta me in de droom toe. (Happening, blz. 270).

In Brussel waren recent tentoonstellingen te zien van Andres Serrano (Koninklijke Musea voor Schone kunsten) en William Klein (Botanique). Wat vond je daarvan?
Serrano ken ik persoonlijk en ik houd van zijn werk. Hij overschrijdt de grens van het normale binnen de fotografie. Ik denk aan de tentoonstelling The History of Sex in Groningen, waar hij vele variaties van seksualiteit in beeld bracht. Een plasseksfoto werd gebruikt als promotiefoto in het straatbeeld. Dat heeft geleid tot veel controverse, en ik vind dat een interessant debat: wat kan je tonen in het straatbeeld, in de publieke ruimte? Er werden ook foto’s van hem gevandaliseerd in het museum. Het toont wat fotografie teweeg kan brengen.
Zijn reeks over daklozen of over de machtigen der aarde, vind ik zeer de moeite. Hij voelt goed aan waar macht of zwakheid, goed of slecht zit en kan dat uitbeelden.

Serrano’ bundelde in de reeks “Denizens of Brussels”, een aantal portretten van daklozen in onze hoofdstad.

William Klein heb ik ooit geïnterviewd voor Radio 3. Hij is heel anders dan Serrano, minder choquerend. Denk zeker niet dat hij enkel een observator was, hij regisseerde meer, wat leidde tot spannende beelden. Ik herinner me de bijna iconische foto van kinderen met een speelgoedpistool. Het pistool lijkt echt maar is het niet.

Jeff Wall uit Canada vind ik zeer interessant. Helemaal geënsceneerd, maar daardoor brengt hij zaken in beeld die zo typisch zijn dat je ze in het echt niet zou kunnen Hij heeft aandacht voor belichting, ook in stedelijke omgevingen. Hij gaat niks uit de weg en komt ook in achterbuurten. Ik houd nogal van fotografen met een verhaal en ik pas voor fotografen die enkel aandacht hebben voor de esthetiek.
Ik ben zeer benieuwd hoe een goede fotograaf, die niet vervalt in reclameprentjes of dramatiek, Brussel zou fotograferen. Liefst het alledaagse, maar wel met een knipoog naar de grootse geschiedenis van de stad.
Wordt Brussel momenteel niet goed in beeld gebracht?
Algemeen erger ik me nogal aan het ophemelen van Brussel, maar ook aan de eeuwige negativisten. Er moet toch een manier zijn om Brussel in beeld te brengen op menselijke maat. Een echt Brussels stadsmuseum zoals het STAM in Gent en het MAS in Antwerpen zou daarvoor ook een meerwaarde kunnen zijn. Waar echt de stad wordt uitgebeeld zoals ik ze heb gekend, zoals mijn grootouders ze hebben gekend. We zijn zo slecht in het uitbeelden van onze afkomst en ons verleden. De broers Lumière hebben hier belangrijke presentaties gegeven, hier zijn veel internationale intellectuelen, kunstenaars, politici gepasseerd. Maar waar vind je dat erfgoed en die geschiedenis terug?
Ik vind dat Brussel zichzelf niet goed genoeg op de kaart zet. Dat geldt voor vele instellingen, bv. ook voor Muntpunt. De Standaard Boekhandel is meer herkenbaar dan Muntpunt of deBuren die op hetzelfde plein liggen. Het zijn niet voldoende bakens in de stad en ze werken ook te weinig samen. Als bestuurder van deze twee instellingen hamer ik erop, maar het is niet gemakkelijk om gehoor te krijgen. Laat staan dat het Vlaamse bakens zijn: Brussel als hoofdstad van Vlaanderen in alle diversiteit en openheid van de diverse politieke meningen is te weinig zichtbaar bij die instellingen. De directies doen hun best maar het kan beter. Er zijn werkpunten.
Terug naar Cinematek. Ik kwam hier als student zeer vaak. Ik heb hier ook een jaar gewerkt om de Vlaamse directeur, die plots overleden was te vervangen in combinatie met mijn job aan de VUB. Dat was een uitdaging, werken in een federale wetenschappelijke instelling. (lacht)

Cinematek (foto © Manu Buelens)
Heel de Nouvelle Vague, met Jean-Luc Godard, François Truffaut en ook vele van oorsprong Brusselse cineasten. Men ging weg van de studio en bracht de stad in beeld: een camera op de auto, door Parijs rijdend de stad laten zien.
Ik denk ook aan de Brusselse Agnès Varda, die in haar straat, de rue Daguerre in Parijs, met de mensen gaat praten en dat filmt. De stad als protagonist die zelf ging spreken – met haar architectuur, beweging van mensen, autoverkeer. Dat was nieuw, en dat vind ik heel sterk. Michelangelo Antonioni deed hetzelfde met Rome en andere steden.


Daguerréotypes (1976): Agnès Varda laat buurtbewoners aan het woord

Ik ben uiteraard benieuwd naar de verfilming van mijn boek. Zoals je weet zijn de rechten verkocht en wordt het allemaal concreter. Er zijn ook plannen voor een fictiereeks en een documentaire-uitzending. Vergeet niet: mijn roman handelt grotendeels over mijn leven en is heel openhartig, ik heb er lang over nagedacht. Bij een verfilming laat ik de controle helemaal los, voor wat nochtans potentieel een groter publiek betekent. Ik heb er bewust voor gekozen om me niet te bemoeien met het scenario. Nele Meirhaeghe is een professionele scenariste en ze contacteert me soms voor duiding. Ik heb er alle vertrouwen in. Het kan alleszins niet anders dan visueel spektakel opleveren, zeker in de handen van zo gereputeerde filmmakers als Eyeworks met (waarschijnlijk) Jan Verheyen als regisseur.

We spreken af en gaan samen naar de bioscoop op het De Brouckèreplein: Last Tango in Paris. […] De discussie over de bizarre film, die de grens aftast tussen uitersten bevriezen we voor later. We stappen de majestueuze inkomhal in van het Metropolitan Hotel […] Een lange nacht nodigt ons uit. (blz. 249)

Swinnen: We staan hier aan Hotel Métropole omdat Brussel en mijn periode aan Sint-Lucas voor mij de ontdekking van de vrijheid betekende. Op een bepaald moment raakte ik in Cinematek aan de praat met een iets oudere vrouw die meeging naar de Mort Subite. We hadden interessante gesprekken, al was het soms moeilijk omdat mijn Frans niet je dat was. We wisselden telefoonnummers uit en van het ene kwam het andere. Ik wist van haar niet zoveel, behalve dat ze erop uit was om elkaar wekelijks te ontmoeten. Ze wilde dat we elkaar zagen met de nodige grandeur, dus we ontmoetten elkaar in dit hotel, meestal nadat we naar de film geweest waren. We ontwikkelden een soort vriendschapsliefde. We speelden filmscènes na, discussieerden over film, theater, opera, … Ze had een sterke persoonlijkheid en een dito identiteit: ze was zeer Frans en dat had een duidelijke betekenis voor haar. Het was ook meer dan seksualiteit: die vrouw was een warme geborgen figuur in soms moeilijke tijden.

Hotel Métropole: de ontdekking van de vrijheid (foto © Manu Buelens)

Ik heb mijn leven lang gestudeerd – film, kunstwetenschappen, agogiek, museologie filosofie, Vlerick, … allemaal zeer belangrijk. Maar ook de ervaringen in dit hotel waren ook bepalend voor mijn evolutie naar volwassenheid.
Dat was voor mij de ontdekking van seksualiteit, de grenzen van de vrije liefde, van nieuw leven en nieuwe vrijheid.
Voorheen was wat ik in films zag iets dat los stond van mijn eigen leven, van het reële leven. Voor haar was dat niet zo. Zij ging op in de films en het maakte dat ook voor mij de film – met andere levens, surreële werelden, niet buiten het leven stond, maar er opeens potentieel deel kon van uitmaken.
Maakt ‘de stad’ deel uit van ‘de adolescentie’?
Mijn persoonlijke ervaring: enkel in de stad was de anonimiteit die ik nodig had, en niet op het platteland.
Ook romantisch is Chalet Robinson. Maar romantiek is niet de reden van ons bezoek. De feeërieke taverne-feestzaal-restaurant op een eiland in het Ter Kamerenbos ver van de drukte van de stad lijkt weinig te maken te hebben met de brand in de Inno. En toch.
Het is de plaats waar ik ooit met een collega-kunsthistoricus van de VUB kwam eten. Hij vertelde me over de baas van de Inno, Emile Bernheim. Ik was – en ben nog steeds – razend op hem. Uiteraard zijn de grote schuldigen de daders van de terreur zelf. Maar hij ging ook in de fout: hij luisterde niet naar de voorgaande waarschuwingen. De extreemlinkse militanten hadden reeds actie gevoerd in de Inno naar aanleiding van de veertiendaagse van Amerika, waarbij de Inno vol Amerikaanse vlaggen en andere symbolen hing. Zij hadden gewaarschuwd dat ze verder zouden gaan indien dat daar bleef hangen. En zo geschiedde. Met andere woorden: op geen enkel moment heeft men een goede inschatting van de risico’s gemaakt. Trouwens ook niet op het praktische vlak, qua brandveiligheid, sproeiers, evacuatieplannen, en dergelijke meer. Ik heb buitenlandse voorbeelden onderzocht en die waren veel meer up-to-date.
Die kunsthistoricus kwam dus over de vloer bij Bernheim, die naast ondernemer ook kunstverzamelaar was. Hij kwam daar om de verzameling van Bernheim te inventariseren en te taxeren, met het oog op een mogelijke verkoop ervan, wat dan weer de kas van de Bernheimstichting zou moeten spijzen. En daarom wilde die collega mij ontmoeten: tijdens die opdracht zag hij tientallen, zo niet honderden exemplaren van de Paris Match over de ramp in de Inno, die Bernheim had gekocht.

Paris Match dd. 3 juni 1967 over de brand in de Inno: “La tragédie de Bruxelles”

De secretaresse van Bernheim wist te zeggen dat die heel ordentelijk gelegd waren, ook afgestoft werden en dergelijke meer. Af en toe zonderde hij zich af of op zijn zolder, dronk een glas Pomerol, rookte een Havanna en wilde niet gestoord worden. Blijkbaar was hij toch onder de indruk van alles wat gebeurd was. Dat gaf hem voor mij een menselijk gezicht. Ik zag een soort schuldbesef, dat ik bij de daders die ik ontmoette nooit heb gemerkt.
Dat verhaal was straffe kost voor mij. Ik heb die dag niet gegeten. En de komende dagen ook nauwelijks. Ik schreef het als een hoofdstuk in Happening van me af.

Chalet Robinson (foto © Manu Buelens)
Je veroordeelt in je boek – uiteraard – de aanslag en het geweld. Maar tussen de lijnen merk ik wat sympathie voor de rebellie en de dissidentie.
Stel dat ik op dat moment ouder dan 13 jaar was geweest, dan zou ik wellicht ook het Amerikaans imperialisme en oorlogsgeweld, burgerslachtoffers inbegrepen, veroordelen. Ik ging wel akkoord met protest. De vraag is: hoe ga je om met die verontwaardiging en hoe uit je dat?
Ik heb het heel moeilijk met de groep die radicaliseerde maar simpelweg niet bedacht dat hun daden vele dodelijke slachtoffers zouden maken. Ik was er dan ook niet goed van toen ik later een van de daders tegenkwam die zei ‘wel verantwoordelijk maar niet schuldig te zijn’. Dat gebrek aan schuldbesef heeft me wekenlang beziggehouden en heeft me extra gestimuleerd om dit boek te schrijven. Ook als hommage aan mijn ouders.
Is die persoon op de hoogte van het boek? Heeft ze het gelezen?
Het gaat over Delphine uit het boek. Ik weet niet of haar Frans goed genoeg is. Maar ze is op de hoogte en heeft me gecontacteerd met de boodschap dat het duidelijk een roman is – fictie dus – en dat ze met rust wil gelaten worden.
Het boek is belangrijk voor mij persoonlijk: door het schrijven van dit boek ben ik nu klaar met de moord op mijn ouders. De vraag blijft: acht ik het na mijn onderzoek plausibel dat vanuit extreemlinkse kringen een ‘aanslag’ op de Inno werd beraamd? Wel, ik acht het niet alleen plausibel maar zelfs heel waarschijnlijk dat een minuscule groep uit dat bonte wereldje van plan was om – na al eerder een paar krasse acties ondernomen te hebben tegen de commerciële ‘Amerika’-week (in volle Vietnam-oorlog!) in de Inno de klanten af te schrikken met iets meer dan voetzoekers. Uiteraard zonder de bedoeling te hebben een ravage te ontketenen zoals toen heeft plaatsgevonden.
Dat brengt me bij een volgende vraag: kun je na een vreselijke misdaad tegen honderden burgers, waarvoor je niet gestraft bent, zomaar opnieuw je plaats innemen in de wereld?
Kun je dan doen alsof het gewoon om nevenschade in hun militante acties tegen het Amerikaans imperialisme ging? En ten slotte: waar is de kritische rol gebleven van de journalistiek in de volwassenwording van België in de jaren 1967 en later? Waarom was er nooit onderzoeksjournalistiek over deze aanslag?
De Inno, Mort Subite, Cinematek en Robinson speelden dus een grote rol in mijn leven en de aanslag op de Inno, plaatsen waar we vandaag geweest zijn. Ik denk ook aan de commune Ché in Brussel vlakbij het Warandepark waar trouwens ook kinderen van de Brusselse bourgeoisie en politici kwamen, en café Le Petit Lenin. Een café voor extreemlinks in de Spoormakersstraat, vlakbij de Grote Markt.
Tot zover Brussel. Van welke andere steden houd je? 
Ik houd van Parijs en niet van Londen, maar ik kan dat niet verklaren. In Parijs vind ik wat ik zoek: brede lanen, fantastische musea, antiek- en boekenwinkeltjes, het mekka van de fotografie, … Ik heb onlangs Turijn enigszins toevallig ontdekt, dat vond ik echt een revelatie. Alles wat je zoekt, of wat ik zoek, is daar: ontspanning, design, FIAT, water en ja, een grandioos filmmuseum.
Ik was recent in Auckland in Nieuw-Zeeland waar mijn zoon woont. Hij zeilde met zijn boot van Antwerpen aan het MAS tot ginds en werkt er nu. Die stad staat voor de levenskwaliteit in alle rankings van wereldsteden zeer hoog. De stad kent een perfect evenwicht en is harmonisch gegroeid. En toch is het een stad vol migratie. Iedereen is daar wel trots in Nieuw-Zeeland te wonen, Nieuw-Zeelander te zijn.

Auckland (Nieuw-Zeeland): hoog in de ranglijsten

En ik ben ook graag waar ik sinds 1993 woon, in Antwerpen. Daarvoor woonde ik op het Limburgse platteland. Zoals het hoort: grond gekocht, een huis gebouwd, en zelfs een bos gepland achter mijn huis. Kortom, ik heb een zoon gemaakt, een boom gepland en een boek geschreven, zoals dat heet. (lacht) Voor de kinderen was het een mooie tijd natuurlijk op het platteland, met die tuin, maar het was toch ver van alles. Ik zou er toch niet snel teruggaan. Hier is zoveel te doen. Ik wil zeker in een stad oud worden. Maar het is nog niet zo ver, ik ben nog niet oud. (lacht)

Happening: de aanslag in de Inno verscheen in 2017 bij Uitgeverij Vrijdag.
*Andere artikels en interviews gaan veel beter diep in op de kwestie ‘was het een aanslag’. Bijvoorbeeld doorbraak, deredactie.be, bruzz, Kanaal Z.
Website Johan Swinnen
Lieven De Rouck schrijft op zijn blog Lieven Brusselt over steden, stedelijkheid en Brussel. Zijn interview met Johan Swinnen verscheen eerder in het decembernummer (nr. 231) van het maandblad Meervoud.

Ruth Soenen, doctor in het alledaagse: “Elke stad zijn stadsantropoloog”

Stadsantropologe Ruth Soenen houdt ervan stedelijke ruimtes zo objectief mogelijk te analyseren. Ze verwierf bekendheid met Het Kleine Ontmoeten (2006), relaas van haar etnografische observaties in onder meer een schoenenwinkel, de cafetaria van de Hema en de beruchte Antwerpse tram 12, “een interculturele leerschool met de bluts en de buil”. Later kwam daar de (Genkse stads)bibliotheek bij. Wat hebben die ruimtes gemeenschappelijk? Het zijn publieke ruimtes in privaat beheer, plaatsen waar iedereen welkom is, maar waar wel regels gelden. De gedroomde observatieplaatsen voor Soenen.

Stadsantropologe Ruth Soenen op tram 12, observator te midden van haar onderzoeksobject (foto © Michel Delaeter)

Na enkele incidenten bij De Lijn wordt ze gevraagd om mee na te denken over de veiligheidsproblematiek. Sinds 2013 ligt de academische wereld achter haar en werkt ze helemaal zelfstandig als antropoloog-adviseur en zaakvoerder van Simply Community, dat ze oprichtte in 2008. Als raadgever vertaalt ze haar inzichten praktisch voor het bewerkstelligen van sociale en ruimtelijke verandering en werkt ze steeds meer samen met planologen, architecten en kunstenaars.
Vanwaar uw belangstelling voor dit type onderzoek?
Ik wilde iets nieuws doen. Niet om per se origineel te zijn, maar omdat een aantal zaken onderbelicht waren.
In die tijd was er veel debat, ja zelfs paniek bij intelligentsia en politici over het verval van het sociaal weefsel, “het gat in de haag”, weet je nog. Het sociaal wetenschappelijk onderzoek van dat ogenblik bestudeerde echter niet de alledaagse, korte maar wel reële en concrete contacten tussen mensen, zoals die vaak voorkomen in het stedelijk publiek domein.
Ik was ook niet geïnteresseerd in het wijkonderzoek, in de straat of het plein – dat was me al zo vaak voorgedaan -, maar in een ander soort ruimtes: de tram, de bibliotheek, de cafetaria van de Hema. In de sociale sector en ook de sociale wetenschappen had men de neiging om mensen altijd vanuit de groepsidentiteit te helpen en te benaderen: de Marokkaanse vrouw, de armere, eenzame blanke senior,… terwijl ik net geïnteresseerd was in de plaatsen waar mensen met verschillende achtergronden elkaar ontmoeten.
En ten slotte, maar daarmee samenhangend, wilde ik met mijn onderzoek vanuit die concrete praktijk vertrekken, niet vanuit abstracte sociologische en filosofische theorieën. Ik wilde documenteren wat ik zag, in alle complexiteit en vanuit de praktijk lessen trekken over gemeenschap, ontmoeten en samenleven.
Ik deed geen sociologisch onderzoek, waar je op voorhand gedefinieerde criteria hebt en dan statistische en/of causale verbanden gaat zoeken. Ik ging onbevangen kijken, zonder hypothese die ik wilde toetsen. Het kwam er op aan goed te observeren, met veel oog voor detail want details kunnen zeer belangrijk blijken, en gaandeweg gerichter te gaan kijken.
Om mijn onderzoek te beginnen las ik eerst Amerikaanse onderzoekspublicaties. Zeer nuttig, maar de helft ervan waren een soort stadspropaganda – een reactie op de grote stadsvlucht in de Amerikaanse steden in die tijd. Dat verhaal wilde ik niet brengen: ik wilde niks promoten, alleen observeren en dat beschrijven en desgevallend adviseren.
Hét uitgangspunt van uw onderzoek was wel dat er een grote variatie aan relaties bestaat. Kan je dat uitleggen?
Antropologen onderzoeken graag verwantschapssystemen en relaties zoals familie en vriendschap. Economen onderzoeken sinds de jaren 70 het belang van functionele relaties en professionele netwerken. De socioloog Mark Granovetter (°1943) beschreef ooit die twee soorten relaties. In een voetnoot voegde hij er kort aan toe dat er een derde soort was, “maar die waren volgens hem niet significant voor verder onderzoek.” Net die derde soort wilde ik dus bestuderen.
Dat lag in de lijn van Amerikaanse onderzoekers als Erving Goffman (1922-1982) en Lyn Lofland (°1973) – in de VS is er traditioneel nu eenmaal meer onderzoek over dat soort stedelijke relaties. Daar bestaat al langer een stedelijke cultuur. Goffman beklemtoonde dat ‘banale’ relaties eigenlijk schromelijk over het hoofd worden gezien in analyses. Maar zij spraken zich niet uit over samenleven of gemeenschap – dat deden enkel onderzoekers die zich met de meer diepgaande contacten bezighielden. Ik probeerde dus die twee tradities aan elkaar te koppelen.
Die eerste definitie, de gemeenschap als een collectiviteit van gelijkgezinden, of minstens van mensen met veel gedeelde kenmerken,  is de bekendste, de meest traditionele. Een familie, een politieke partij, een belangenvereniging, een religieuze gemeenschap, een café met echte habitués … vallen onder die ‘sterke’ of ‘dikke’ gemeenschap, soms ook de imagined community genoemd. Die opvatting domineert onbewust bij de meeste mensen, ook in de politieke opvattingen.
Die ‘sterke’ gemeenschap heeft voordelen, maar ook nadelen. Als je vroeger in een dorp de eerste was om uit de echt te scheiden was dat heus niet zo fijn. Bij de dynamiek van groepsvorming horen nu eenmaal ook normering, uitsluiting en bestraffing. Roddelen is bijvoorbeeld een instrument om de groepscohesie te bewaren.
Maar we kunnen gemeenschap ook (opnieuw) gaan zien als een sociale praktijk op basis van reële dagelijkse contacten en niet op basis van visies of symbolen. Dat kunnen ook eerder ‘lichte’  relaties zijn, die resulteren in een ‘lichtere’ vorm van gemeenschap die zowel ontmoeten als vermijden omvat. Behalve een tijdelijke concrete activiteit zijn er geen gedeelde eigenschappen
Daar komt het reële en alledaagse contact te midden van de diversiteit naar voren. Diversiteit is voor mij een realiteit, punt. Geen ideaal of iets dat ik positief of negatief benader. Ze is er gewoon. Bovendien zijn er vele vormen van diversiteit en mag men dat begrip niet verengen tot etnisch-culturele diversiteit.
Is er geen verschil tussen een eenmalig contact met iemand die je wellicht nooit meer ziet enerzijds, en contact op plaatsen waar een herhaling en dus opbouw van gemeenschap mogelijk is anderzijds – de bakker bijvoorbeeld?
Klopt. Sommige zijn zeer tijdelijk, sommige duren langer. De schoolpoort bijvoorbeeld, daar ontmoeten ouders elkaar en daar ontstaan zelfs vriendschappen. Een  kind kan na 6 jaar van school veranderen en dan zullen de meeste contacten verwateren.
Er zijn heel veel dergelijke contacten in je leven. Denk ook aan je collega’s, want je verandert vast wel eens van werk. Dat soort contacten is eigenlijk veel meer aanwezig in je leven dan relaties in de context van de traditionele gemeenschap. Je vormt verschillende tijdelijke gemeenschappen doorheen je leven die telkens opnieuw ontbonden worden maar sommige contacten neem je mee, andere weer niet.
Is dat typisch voor steden?
Neen. Het is wél typisch voor steden dat er een zekere anonimiteit is en dat men daar zelfs bezorgd over is. Ik ondervond net in die in die anonimiteit in de steden een voedingsbodem voor gemeenschapsvorming. Zij het dus die vorm van lichtere gemeenschapsvorming die vaak over het hoofd wordt gezien.
Op een bepaald moment zijn de overheden sociale contacten tussen mensen wel gaan stimuleren, met poetsacties en wijkfeesten om dus de zogenaamde anonimiteit te onderbreken en herkenbaarheid te bevorderen. Terwijl anonimiteit niet altijd negatief of een probleem hoeft te zijn. Het evenwicht tussen herkenbaarheid en anonimiteit is delicaat, zeker in de steden. Herkenbaarheid kan ook te ver gaan. Buurtinitiatieven in een stad kunnen leiden tot verschillende verwachtingen, dichtheid en verstikking veroorzaken, en ergernis. Teveel ‘togetherness’ dus. Dat geldt ook voor de burenrelatie, een van de meest complexe relaties die er is. Daar zit ook die ambivalentie: we kennen elkaar, zonder elkaars deur plat te lopen.
Om dat te observeren kwam ik uiteindelijk terecht bij publieke ruimtes in privaat beheer. Ook markten zijn dergelijke ruimtes maar ik ben mijn onderzoek begonnen in winkels. Je staat versteld wat daar allemaal gebeurt en gezegd wordt.
Daarna kwam de Antwerpse tram 12
Ik vond een tram interessant: veel mensen, veel bewegingen, gebeurtenissen en potentiële interacties. Een erg gelaagde situatie en dat in één overzienbare ruimte (wat voor een antropoloog erg praktisch is). Een type ruimte (mobiel, divers in mensen) en een soort sociale relatie die nauwelijks gedocumenteerd waren. De enigen die daar maar eerder vanuit een ruimtelijke perspectief over schreven waren de Nederlanders Hajer en Reijndorp en zij baseerden hun werk sterk op de concepten van de Catalaanse stadsplanner Manuel de Solà-Morales (1939 – 2012) [die overigens actief was in Leuven en Antwerpen, nvdr]. Ze stelden dat ruimtes die in privaat beheer zijn ook als publiek kunnen ervaren worden. Eigen aan de tram als stedelijke ruimte is dat het op sociaal vlak een ambigue ervaringsruimte is die zowel ontmoeting, vermijding en conflict omvat. Deze onderzoekstopics stonden op dat ogenblik niet hoog op de academische ladder. Toen het boek uitkwam werd het daarentegen wel een  hype in de media.
Is uw visie op de tram als een potentiële ontmoetingsplaats ook een argument in debatten over openbaar vervoer en mobiliteit?
Ja zeker, maar we moeten dan wel nadenken over het beheer ervan, zonder te veel te willen reguleren: hoe richten we trams in, welke opleiding geven we aan de chauffeurs, hoe zetten we in op veiligheid. Anders wordt het een plaats van – enkel – conflict.
Welk inzicht hebben uw observaties opgeleverd?
Hoewel de grote sociologen vaak met studies beklemtoonden dat er segregatie was in onze westerse steden, stelde ik vanuit een antropologische analyse in de verstedelijkte ruimte van de tram vast dat mensen die verschillen van elkaar en onbekenden zijn voor elkaar wel degelijk contacten hebben met elkaar. Ze moeten daarom niet de beste vrienden worden.  Binnen die gemeenschappelijke concrete ervaring wordt het ‘grote verschil’ minder gethematiseerd. Dat wil niet zeggen dat er geen conflicten zijn op de tram op basis van etnische herkomst. Maar spontane ‘interculturele’ contacten op het ene moment – de deur open houden voor een moslima met kinderwagen – gaan er samen met racisme en onverdraagzaamheid op andere momenten.
De meer kortstondige efemere contacten die ik bestudeerde hebben ook gevolgen: een individuele emotionele impact en een collectieve impact. Iemand die glimlacht als hij iets bestelt enerzijds of agressie in het verkeer anderzijds, dat zijn kleine dingen maar weinig mensen zijn er ongevoelig voor.
Daarnaast zijn er ook collectieve effecten, en die zijn belangrijker dan we denken. Het is de totaliteit van meerdere korte contacten die resulteren in een totaal sociaal klimaat. Zo zagen we op de tram dat kleine praatjes er uiteindelijk voor zorgden dat de latent agressieve sfeer plots omsloeg in een aangenaam sociaal klimaat, door een opeenvolging van kleine lokale interacties.
In de cafetaria van de Hema komen mensen samen om een koffie te drinken, mensen die niet veel geld maar wel tijd hebben. Dat is geen gemeenschap in de klassieke betekenis. De bezoekers bleven op hun plaats en gingen niet samen zitten, maar praten wel met elkaar over de tafels heen en wisselen zelfs tijdschriften uit. Ontmoeten gaat dus ook gepaard met afstand.
Andersom kan ook. Zo kan een slecht werkende ticketautomaat ook uiteindelijk leiden tot een gigantisch conflict, ook tot gevechten.
Tram 12 (c) Michel Delaeter

Welke factoren vergroten de kans op conflict?
Voor de sfeer is een goed functioneel verloop belangrijk. Een niet werkend ontwaardingsapparaat op de tram, stilstanden of vertraging zorgen voor ergernis. Er zijn ook de ergerniswekkende korte contacten, bijvoorbeeld iemand die niet doorschuift of niet opzij gaat, of twee plaatsen inneemt op de tram. Al die zaken zorgen voor spanning, maar mensen zeggen daar niet zo snel iets over, tot de bom na herhaaldelijke incidenten toch barst.
Er zijn universele categorieën. Sommige vriendinnen komen niet op bepaalde plaatsen. Ik zeg hen – al lijkt het ironisch – : met een kind kan dat wel want een kind neutraliseert de sfeer. Ik herinner me diverse voorvallen op de tram waar jonge allochtonen, niet gespeend van enige territoriumdrift, opvallend aanwezig zijn, tot ergernis of tot angst van anderen op de tram. De sfeer is dan echt geladen, tot er opeens een klasje of een gezin opstapt met kinderen in K3-outfit, bijvoorbeeld na een schoolreis. De sfeer slaat meteen om.
Omdat kinderen, en ‘oudere dametjes’, waar je ook over schrijft, machteloos zijn?
Ik zou dat niet duiden als: die zijn zwak of machteloos, maar vooral als: ze worden een soort brugfiguur naar een andere onbekende. Kinderen maar ook honden kunnen die rol hebben. Door deze brugfiguren worden mensen in een andere rol gezien en niet enkel in hun etnische identiteit of hun ‘slachtofferschap’. Daardoor kan hun aanwezigheid een conflict ontmijnen. De Marokkaan of Turk wordt ook een broer of een kleinzoon. zelfs tegen de achtergrond van al die potentiële conflicten, zie ik geen probleem zolang we elkaar nog in meerdere rollen kunnen zien. Maar polarisatie maakt dat dat steeds minder gebeurt.
In de voorbeelden in uw boeken lijken er soms onderhuids ‘grotere conflicten’ ten grondslag te liggen aan die kleine ergernissen.
Ja, en ik merk dat die ergernissen en etnische spanningen erger zijn geworden sinds mijn boek. Begin jaren 2000 was ik geruster dan nu. Voor het eerst in mijn etnografisch onderzoek valt het op dat als ik heden ten dage ik vragen stel over wat mensen dagdagelijks doen, ze veel meer scherpe maatschappelijke en (anti-)politieke standpunten vertolken Voorheen werd in mijn veldwerk veel minder en zeker minder uitvoerig gepraat over politieke issues. Ruimtes zoals de tram waar men iedereen ontmoet connecteren snel met onderwerpen uit de ‘macro-wereld’ die daar in theorie los van staan, maar in de praktijk natuurlijk niet: het maatschappelijk debat, politieke uitspraken, media. Er is altijd wel wantrouwen naar de medemens met een andere etnisch-culturele herkomst, maar dat wantrouwen is opvallend toegenomen.
Is dat door de actualiteit van de laatste jaren?
Dat is moeilijk om te duiden. Het maatschappelijke klimaat lijkt gewoon harder. Er zijn op zich niet meer concrete redenen voor ergernis, maar onderhuids is er meer spanning. Soms vind ik het beangstigend. Sommige politieke stromingen blazen dat aan, hoewel ze ook niet echt geïnteresseerd zijn in de bevindingen van concreet onderzoek. Enkel bij bijzondere momenten hebben ze aandacht voor het alledaagse, en anderen, de links-liberale stedelingen, hanteren evenmin een complexe analyse van het alledaagse bij het ontwikkelen van hun beleidsplannen.
Luisteren politici genoeg?
Ik probeer aan overheden uit te leggen dat er collectieve effecten zijn als we die kleine alledaagse interacties in hun totaliteit bekijken. Het vormt een heel complex systeem en als overheid is het ook belangrijk om dat mee te sturen of beter weten wanneer ze moeten ‘mee koppelen’.
Ik heb het met politici – van elke strekking – vaak moeilijk omdat ze geen voeling hebben of willen hebben met het dagelijkse leven vanuit een neutrale observatie. Of het nu in de stad, op het platteland of in de verkaveling is, het is altijd strijden om het belang van de alledaagse ervaring en om de complexe analyse ervan invloed te doen hebben op het beleid. En dat verandert toch niet zo snel. Dat je uiteindelijk beleid voert op basis van een politiek gekleurde visie lijkt me logisch, maar baseer die dan toch op een fatsoenlijke analyse!
In alle bescheidenheid: wat ik doe is wel degelijk een vak. Iedereen kan observeren of een praatje slaan op de tram. Maar om dat te analyseren moet je wel antropologisch geschoold zijn. Ik vraag me vaak af: waarom werken Ikea, Nokia en Microsoft samen met antropologen om bepaalde inzichten te gebruiken, en de overheid niet? Elke stad een etnografische cel, waarom niet?
Na de winkel en de tram: de bibliotheek
Inderdaad, in Genk werd ik gevraagd om een adviserende rol te spelen bij de inrichting van de stadsbibliotheek. Genk heeft niet echt een historisch centrum waardoor de bibliotheek de rol van ontmoetingsplaats overneemt. Toen mijn advies gevraagd werd, had men de bibliotheek opnieuw vorm gegeven, met veel glas en transparantie en toegankelijkheid. Je voelde nauwelijks nog het onderscheid met het plein ervoor. Ik dacht: dat ga je niet kunnen beheren. En inderdaad: na schooltijd  was het echt een invasie van honderden jongeren van diverse origine. Tieners kwamen er hun frieten opeten.
Kijk, die simplistische vertaling van democratie en transparantie in een open vormgeving, ik vind dat zó onnozel. Ik heb me altijd geërgerd aan die urbanistische ideeën over “truly open spaces”. Mensen en gebouwen hebben ook barrières nodig. Je moet openheid verzoenen met grenzen. Dat hebben we daarna gedaan met kleine ingrepen in de ruimte en veel overleg met de bibliothecaris. We hebben bijvoorbeeld meer kinderhoekjes ingericht, want daar willen die pubers niet zitten of hangen.
In de tram kwam de anonimiteit en de kracht daarvan meer naar voren, in de bibliotheek kwam de huiselijkheid meer naar voren als begrip. Daarom denk ik met architecten na over de vraag hoe je huiselijkheid kan creëren in de stad. Sommigen overdrijven daarin, tot het naïeve toe, waarbij alles in het teken van gezelligheid zou moeten staan. Anderen overdrijven in hun focus op veiligheid. Ze nemen alle bankjes en de huiselijkheid weg, omdat er clochards of hangjongeren zouden rondhangen. Maar die bankjes zijn ook belangrijk voor vredelievende mensen die even willen rusten. En bovendien wordt het toch alleen maar onveiliger, zonder clochards.
Zijn er bij die spontane losse contacten bepaalde categorieën die sneller contact maken of die sneller aangesproken worden?
Dan zit je in de trant van Amerikaans sociaal-psychologisch onderzoek, waaruit vaak blijkt dat mensen makkelijker contact zoeken met ‘gelijken’. Ik denk aan een voorbeeld van een oud vrouwtje die op de tram plaats houdt voor een ander ouder ‘madammeke’ – in de vooronderstelling dat de moslima met hoofddoek die vlakbij staat geen plek zal aanbieden en ze er dus vanuit gaat dat de ouderen vandaag geen plaats meer aangeboden krijgen Dat neemt niet weg dat mensen de deur zullen openhouden voor diezelfde moslimmeisjes, want je tram net missen, is een herkenbare ervaring.
Maar ik kan er weinig over zeggen want ik heb het niet diepgaand onderzocht omdat mijn focus niet lag op de traditionele sociaalwetenschappelijke concepten race, class  en gender als determinanten van het gedrag. Ik keek net naar datgene dat minder grijpbaar is en niet altijd verklaard kan worden door de bekende sociale determinanten
Een jaar geleden kwam onderzoek van de New York University in de media. Mensen van verschillende sociale klassen werd gevraagd om in New York rond te lopen met een Google Glass op hun neus. Mensen uit verschillende sociale klassen keken anderen even vaak aan, maar die uit hogere klassen keken significant minder lang. In artikels werd dat als volgt verklaard: rijke mensen zijn minder afhankelijk van andere mensen, dus moeten ze geen aandacht hebben voor anderen. Mensen uit lagere sociale klassen hebben dan weer meer belang bij visuele aandacht.
Die verklaring lijkt me zeer kort door de bocht. Ik merkte op de tram wel dat de typische middenklassers met een drukkere baan meer gehaast zijn. Die zien niks rond zich. Anderen met meer tijd – werkzoekenden, ouderen – kunnen veel meer observeren. Dan krijg je de ‘clash’ van oudere autochtonen met bijvoorbeeld werkloze vluchtelingen: de tweeverdiener ziet die vluchteling veel minder.
U hebt het over vele soorten relaties, maar ook over verschillende ruimtes?
Zelf spring ik nogal creatief om met de terminologie. In mijn publicaties heb ik het bijvoorbeeld over de “parochiale ruimte”, een geijkte term die niks te maken heeft met religie. Ik bedoel daarmee een ruimte in de parochiaal-relationele sfeer, een ruimte met ‘zwakke’ relaties tussen mensen die toch geen vreemden zijn voor elkaar. Ruimtes zoals het buurtcafé, een stamcafé, het scoutslokaal zijn allemaal parochiaal. De Hema of de tram definieer ik dan weer als “quasi-publiek”: publieke ruimtes in een vorm van privaat beheer maar waar mensen zich gedragen zoals in een publiek domein.
Interessant is dat die zaken kunnen verschuiven. Een café kan ‘s ochtends parochiaal zijn – met vaste gasten – ‘s middag voor ambtenaren, en ‘s avonds voor een uitgaanspubliek – dus quasi-publiek. Dat maakt het boeiend.
Café De Stad, Utrecht

Daarom adviseer ik vaak om te zoeken naar evenwicht in de combinatie van die functies. De bibliotheek van Genk is parochiaal – de oudere mensen die hun krant lezen – én quasi-publiek. In de parochiale ruimte zijn er wel enkele drempels – de ruimte is dus niet helemaal open of transparant – maar ook niet te veel. In de private ruimte – de privéwoning – zijn er natuurlijk meer drempels. In quasi-publieke ruimtes moet je iets overnemen van het parochiale en het privé-domein bijvoorbeeld door te werken met geleidelijk overgaande drempels, met sluissystemen.
Het is interessant om daar architecturaal over na te denken. Interessanter maar ook relevanter dan hoogdravende en abstracte theorieën over de ‘publieke ruimte’ als ‘de agora’ waar het publieke debat plaatsvindt, want dat sluit niet aan bij de realiteit.
Smartphones en sociale media waren er in 2006 niet of nauwelijks. Heeft dat invloed?
De gsm was in 2006 al aan het opkomen en toen was er al paniek: “de mensen gaan niet meer met elkaar praten”. Ik zag geen probleem: mensen combineren zaken en die gsm stond andere contacten niet in de weg. En bovendien: naar muziek luisteren kan ook rustgevend zijn. In bibliothecaire kringen had je natuurlijk wel de angst voor de totale digitalisering ten nadele van boeken en cd’s. Dat is een ander debat. En toch: ik merkte in bibliotheken dat te midden van de digitalisering de tastbaarheid, van een krant, een boek, een tijdschrift zijn plaats blijft houden en zelfs samenhangt met de ‘huiselijke’ sfeer.
U merkt op dat stedelingen ‘stedelijke competenties’ hebben.
Het gaat meestal over niet-naïef gedrag, wetende dat er altijd iets fout kan gaan. Om verstandig vermijdingsgedrag ook, oogcontact vermijden bijvoorbeeld. In het kleine ontmoeten zit heel veel potentieel, in beide richtingen. Het beste en het slechtste van de wereld komen er samen. Aanvankelijk werd mijn boek te veel in de optimistische hoek geplaatst.
Ziet u welke mensen die competenties niet hebben?
Ja. Er wordt in stedelijke milieus wel te snel en te vaak met dédain gesproken over de plattelandsbezoeker die wat trager en minder gewend is. Maar ik herken het wel, vooral bij kinderen. Als kinderen van buiten de stad in de stad komen, is dat eigenlijk levensgevaarlijk: alles is sneller, denser, soms gevaarlijker. Een roltrap, een tram, …
Een ander cliché is dat stadsmensen onverschillig zijn, misschien zelfs onbeschoft en onaardig. Dat beweerde Arne Roets in Bruzz. In dezelfde periode zei Mark Elchardus in De Standaard: “Agressie komt vaker voor in een stedelijke omgeving. Dat toont toch aan dat we de codes niet meer beheersen om met velen samen te wonen. Beleefdheid, respect, correcte verwachtingen … Als die codes in verval zijn, verlaagt dat de drempel om zich agressief en veeleisend op te stellen.” (24 augustus). Uw mening?
Als antropologe doe ik niet snel dergelijke uitspraken, omdat veel zaken gewoon te complex zijn. We zijn geen enquêtemensen zoals Elchardus. Bovendien hebben sociologen en historici de neiging om met het verleden te vergelijken, zoals met ‘codes’ uit het verleden. Ik beschrijf wat ik nu zie, de codes van dit moment. Ik vind het eenzijdig om enkel te beschouwen wat er niet meer is. Ik zoek in het hier en nu naar kiemen van mogelijk nieuwe sociale fenomenen.
En toch: is er een probleem van (te weinig) ‘stadsetiquette’?
Ik ben niet naïef: er is nood aan meer regels en codes. Verkeersagressie bijvoorbeeld is een ziekte van deze tijd, ook buiten de stad overigens.
In een tijd van “iedereen beroemd” zijn regels en grenzen heel belangrijk. Het gebrek aan goede regels bedreigt immers het democratische karakter van een stedelijke publieke ruimte. Regels en afspraken zijn nodig en in elk project waaraan ik meewerk neem ik dat mee, maar niet op een betuttelende manier. Ik vergelijk het met formuleren van verkeersregels, we rijden allemaal rechts, anders botsen we. Maar geen te normatieve regels, want dan werkt het niet.
Wat vindt u de meest inspirerende, fascinerende of leefbare stad?
Kan ik niet zo zeggen. Maar ik kan wel iets vertellen over Scandinavië. Mijn zus woont momenteel met haar gezin in een klein gehucht (300 mensen) op het Zweedse platteland en wij hebben daar met onze familie ook een klein huis. Ik ben daar erg regelmatig, vooral voor mijn schrijfwerk.
Samen met mijn zus, ook antropologe en doctor in de economie, kunnen we niet weerstaan aan de analyse van het alledaagse dorpsleven. Bijzonder complex en hoe langer je er vertoeft, hoe complexer! Ik ben wel vrij snel en dus ook regelmatig in steden zoals Göteborg en Kopenhagen en was deze zomer ook in Stockholm. Die steden zijn duidelijk meer op mensenmaat gemaakt dan de onze. De aandacht voor en het investeren in het publiek domein heeft er duidelijk een lange traditie. Klein menselijk comfort zoals een waterkraantje voor de bezoekers was er al aanwezig in de jaren 1930 in de bibliotheek! Ga je er naar een speeltuin, dan is die veel meer toegespitst op diverse gebruikers. Er zijn meer schommels op maat van kinderen met een beperking, maar dat is ook leuk voor kinderen zonder beperking. De ondergrond van publieke speeltuinen is gemaakt van zacht materiaal. Je kan ook overal de banden van je fiets, rolstoel of kinderwagen oppompen.
Als ik de dorpen zoals het onze en de steden bekijk, merk ik anderzijds wel dat de steden voor veel Zweden te duur zijn.  ‘Gewone’ – minder kapitaalkrachtige – Zweden wonen vooral op het platteland.
Welke auteurs inspireren u?
Filosofisch ben ik zeker beïnvloed door het concept ‘intersubjectiviteit’, dat je in vele fenomenologische teksten terugvindt, en de fenomenologie heeft raakvlakken met de antropologie. Ik ben bijvoorbeeld nogal fan van Bruno Latour en de Nederlandse filosoof René Boomkens, die stedelijkheid maar ook en vooral de alledaagse ervaring centraal stelt (De nieuwe wanorde. Globalisering en het einde van de maakbare samenleving, 2006). Over de kennis van het alledaagse schrijft hij “iets dat tegelijkertijd en door dezelfde partijen wordt opgehemeld en gediskwalificeerd moet haast wel van groot belang zijn.” Daarin herken ik me wel.
Ikzelf werk nog steeds rond zijn notie ‘”sterk verhaal’ uit zijn doctoraat (gepubliceerd als Drempelwereld) , wat René zelf overigens bijzonder interessant vindt. Hij zat in mijn doctoraatsjury en toen hij daar zei dat ik niet polemiseerde, vond ik dat een mooi compliment.
Latour werkt vooral aan nieuwe theoretische kaders tegen de achtergrond van de bekende kaders in de antropologie en de sociologie (Reassembling the social. An introduction to actor-network-theory, 2007). Voor mij waren dat tools om mijn alledaagse data te analyseren en te theoretiseren. Een mooi etnografisch veldwerk van hoe mensen samen zijn zonder die ‘dikke’, collectieve versie van ‘gemeenschap’ is The Hidden musicians. Music-making in an English town (1989) van Ruth Finnegan. Uit de boeken van prof. em. Gust De Meyer ten slotte heb ik veel geleerd over populaire cultuur en daar heb ik veel aan gehad.
In 2006 schreef u dat door “initiatieven zoals thuisindestad.be stedelijkheid meer aandacht zal krijgen“. Is uw voorspelling 10 jaar later uitgekomen?
Ik denk van wel. Zo zijn er de stadsvernieuwingsprojecten en projectsubsidies in Vlaanderen. Op de onderzoeksagenda is er meer belangstelling voor steden, voor stad en architectuur, het gebruik van ruimte. De stad is weer hip. Er zijn veel stedelijke bewonersgroepen met moestuinen, ruilbeurzen. Een gezond sociaal leven wordt niet meer enkel aan de niet-stedelijke woongebieden toegeschreven.

Ruth Soenen, Het kleine ontmoeten. Over het sociale karakter van de stad, Garant Uitgevers nv (2006).
Lieven De Rouck schrijft op zijn blog Lieven Brusselt over steden, stedelijkheid en Brussel. Zijn interview met Ruth Soenen verscheen in het oktobernummer (nr. 230) van het maandblad Meervoud.

Mark Elchardus: “Laat het debat over de stad niet enkel aan de stedelingen”

Exact 90 jaar geleden publiceerde de Duitse filosoof Martin Heidegger (1889 – 1976) zijn magnum opus Sein und Zeit (Zijn en tijd). Een jaar later werd Heidegger hoogleraar wijsbegeerte aan de Universiteit van Freiburg en was zijn naam als denker gemaakt. Wij zijn nu eenmaal in de wereld geworpen, we groeien op en leven in een context en met een geschiedenis. Dat bepaalt de manier waarop wij waarnemen, waarop wij omgaan met wat ons omringt, waarop wij zijn. ‘Tijd’ speelt daarbij een essentiële rol: de mens is zich bewust van de dood. De toekomst is eindig en de mens is gericht op die toekomst en interpreteert zijn verleden vanuit die toekomst.
Kortom, tijd is beperkt … en wat doen wij daarmee?
Tot zover de filosofische spielerei, want Mark Elchardus (°1946) heeft op zich weinig vandoen met Heidegger – alleen al ideologisch is er een diepe kloof – , maar dat tijd en tijdelijkheid veel bepalen in ons leven zal hij beamen. Tijd is essentieel voor zijn onderzoek en dat van de onderzoeksgroep TOR (Tempus Omnia Revelat – de tijd onthult alles) die hij oprichtte en die onderzoek doet naar de tijdbesteding van de Vlaming. Dat onderzoek bracht hem tot de theorie van de ‘symbolische samenleving’. Die theorie gaat ervan uit dat heel wat veranderingen die onze traditionele samenleving hebben veranderd de laatste 50 à 60 jaar, wel geleid hebben tot individualisme (als ideologie) maar niet tot meer uniciteit, tot meer unieke levensstijlen – kortom niet tot meer individualisering. De ene vorm van sociale controle en voorspelbaarheid is vervangen door andere vormen, vooral bepaald door het complexe samenspel van onderwijs, media, middenveld, consumptiemaatschappij en religie. De Symbolische samenleving: een exploratie van de nieuwe sociale en culturele ruimtes is intussen 15 jaar oud, maar loopt in grote mate voor op hedendaagse debatten over de kloof tussen de politiek-correcte elite en een groot deel van de bevolking, over de opgang van populisme à la Trump.

Elchardus publiceerde vooral over die eerste onderwerpen: de steeds groter wordende kloof tussen hoog- en laagopgeleiden – elk met hun eigen codes en symbolen – en de rol van de (vluchtige) media in onze ‘dramademocratie’. Maar goed, waarover heeft Elchardus niet geschreven? Meestal gebaseerd op studies en kwantitatief onderzoek, aangevuld met een duidelijke mening, links van het centrum. Hij verwierf vooral bekendheid als VUB-socioloog, opiniemaker en SP.A-huisideoloog, weliswaar vaak met voor ‘links’ afwijkende standpunten over veiligheid, immigratie en multiculturalisme. De Brusselaar woonde het eerste decennium van zijn jeugd in Limburg, maar sindsdien de rest van zijn leven in de hoofdstad.
Hij stelt verheugd vast dat er steeds meer wordt gedebatteerd over stedelijkheid, verzekert hij ons, maar is ook kritisch voor de ‘stedelingen’ en ziet niet alles in de steden even positief tegemoet. Dat wisten we al sinds zijn kritische opinie ‘De stad aan het einde van haar stedelijkheid’ in De Morgen (15 april). Hij gaat er graag dieper op in.
Merkt u ook steeds meer aandacht voor stad en stedelijkheid?
“Bij pers en opiniemakers gaat er absoluut meer aandacht naar de toekomst van steden. Bij politici net minder, net omdat ze misschien weten dat ze in steden dilemma’s mogen verwachten, en voor politici is kiezen verliezen. Daar blijf je liever van weg. Het bevolkingsaantal en daarmee de uitdagingen in onze steden groeien, en dat verdient aandacht.
Op wereldvlak is dat nog fenomenaler dan enkel in Vlaanderen: heel wat Afrikaanse landen bijvoorbeeld zullen blijven groeien. Die groei zal vooral in de steden plaatsvinden, en leiden tot miljoenensteden van 5 à 10 miljoen inwoners in Afrika en Azië.

Verstedelijking in Azië en Afrika: fenomenaal (bron: UN-Habitat, “World Cities Report 2016, Urbanization and Development: Emerging Futures“)

Helaas wordt dit het debat over stedelijkheid enigszins gemonopoliseerd door een kleine groep van stedelijke mensen – ik noem hen gemakkelijkheidshalve “de stedelingen” – die slechts 10% van de bevolking uitmaakt volgens mijn onderzoek. Maar die stedelingen zijn wel meer dominant in het debat, meer aanwezig in de politiek en in de media of in het verenigingsleven.
Meer dan 80% van de bevolking woont liever in een huis met een tuin, landelijk of in een villawijk. Ook heel wat mensen die nu in de stad wonen, zouden daar liever wonen, maar kunnen zich dat vaak niet veroorloven. Daarmee bedoel ik trouwens zeker niet dat veel stadsbewoners hier fundamenteel ongelukkig rondlopen. Uit eerder geluksonderzoek bleek bijvoorbeeld niet dat mensen die in de stad wonen minder (of meer) gelukkig zijn dan anderen.
De 10% stedelingen waarover ik het heb , ouden echt van de stedelijkheid: ze zijn kosmopolitisch, ze zoeken cultuur en diversiteit, ze wonen graag in een appartement, bij voorkeur in een gemengde buurt. Ik wil daar ook niet meewarig over doen, want ze zijn erg geëngageerd en doen onmiskenbaar veel voor hun stad. Ze hebben dan ook sterke overtuigingen.
Daar zit ook het probleem: ze hebben nogal de neiging om hun levensstijl en visie als algemene norm te beschouwen. Maar misschien hebben laaggeschoolden of allochtonen andere ideeën omtrent deze stad? Het lijkt me belangrijk om veel meer te onderzoeken wat iedereen in deze stad wil. Hoe zou de publieke ruimte moeten ingericht zijn, bijvoorbeeld?”
Welke andere visies zouden laagopgeleiden of allochtonen dan hebben?
“We hebben dat niet in detail onderzocht. Wat wel uit onderzoek blijkt, is dat velen zeer verdeeld zijn over al dan niet wonen in een gemengde buurt … moslims evenzeer trouwens. Er zijn ook moslims die liever wonen in een straat waar moslims in de meerderheid zijn, en andere moslims gaan daar net lopen. En ik kan me wel voorstellen dat moslims een andere visie hebben op de zichtbaarheid van religie in de publieke ruime, al moet ik er voor de eerlijkheid aan toevoegen dat ik dat niet onderzocht heb. Maar zij maken binnenkort de helft van de Brusselse bevolking uit, dus zou dat wel eens grondig onderzocht mogen worden. We gaan er nu te veel vanuit dat de visie van de “stedelingen” op de stad die van iedereen is.
Ander voorbeeld: heel wat stedelingen zijn kritisch over de auto in de stad, maar die kritische visie wordt niet gedeeld door de meeste stadsbewoners, anders zouden er veel minder auto’s zijn.”
Wat is uw eigen mening over de plaats van de wagen in de stad?
“Ik stel alleen vast dat het aantal auto’s niet daalt in Brussel, hoewel men het de mensen die hun auto gebruiken steeds moeilijker maakt. Veel mensen vinden de auto nu eenmaal het meest evidente vervoersmiddel. Ik erken wel de moeilijkheid voor politici, hoor. Die is namelijk dubbel: enerzijds hebben ze een pedagogische opdracht, namelijk aan de samenleving zeggen welke problemen zich voordoen en hoe we daarmee moeten omgaan, bijvoorbeeld voor de luchtkwaliteit, en anderzijds mensen toelaten het leven te leiden dat ze willen.”
In Voorbij het Narratief van Neergang  (2015) hebt u het over ‘declinisme’: het gevoel bij de burger – ook als die het zelf goed stelt – dat het niet goed gaat met onze maatschappij en beschaving, zelfs dat die bedreigd worden. Spelen de steden een rol in dat gevoel? Denken we aan de meerderheid van burgers van vreemde origine in onze steden, aan de aanslagen in Brussel en andere steden.

“De rol van de stad in het gevoel van neergang onderzocht ik niet. Het onderzoek dat ik deed wijst uit dat overweldigende meerderheden van de bevolking neergang zien. Onderdeel van die kijk op de werkelijkheid is het gevoel dat integratie van nieuwe groepen niet lukt en relaties tussen moslims en niet-moslims gewelddadig kunnen worden. Die gevoelens spelen samen met verwachte werkloosheid en armoede een rol in het declinisme. Uit de recente Eurobarometers blijkt zelfs dat mensen nu relatief minder bezorgd zijn over hun job of de economie dan over migratie en vluchtelingen en de bijhorende spanningen. Dat was niet het geval in de studie die ik deed in 2013. Maar al die zorgen vloeien voort uit globalisering: het buitenland is het binnenland geworden. En ja, vele van de daaruit voortvloeiende problemen worden sterk geassocieerd met grote steden, zoals de hoofdstad.”

De spanning tussen moslims en niet-moslims in onze steden zal velen inderdaad angst inboezemen. Het is een van de vele nieuwe breuklijnen in onze samenleving die u herkent en beschrijft.
“Religie is natuurlijk altijd iets dat mensen onderling verbindt en dus ook onderscheidt van anderen: de ene gelooft en de andere niet. Maar het christendom is al langer een geseculariseerde religie – “sociaal katholicisme” zoals godsdienstsociologen dat noemen – en verschilt daarin van de islam op dit moment.
We worden nu geconfronteerd met mensen die écht – fanatiek – geloven. Ik ben nog nooit een katholiek tegengekomen die beweert dat God alwetend is en zijn wetten dus beter zijn dan die van de staat, maar ik kom frequent moslims tegen die het evident vinden dat Allah alwetend is, en dat zijn wetten dus beter zijn de wetten van mensen – die nu eenmaal feilbaar zijn.  Uit verschillende enquêtes in Nederland en in België blijkt een duidelijke wederzijdse vervreemding tussen moslims en niet-moslims. In beide groepen stelt 40% of meer dat de Europese levenswijze niet compatibel is met de islam. Niemand heeft baat bij gewilde blindheid voor dat gegeven, ook al blijven sommigen vasthouden aan het geloof dat het ontkennen van de werkelijkheid een goede manier is om met de werkelijkheid om te gaan.
Die wederzijdse vervreemding is met de tijd gegroeid. Voor de eerste moslimmigranten was religie niet eens zo fundamenteel. Sinds de jaren 60 is er in de moslimwereld een duidelijk religieus réveil, dat in de jaren ’90 overwaaide naar de moslimbevolking in het Westen. Internationale (politieke) gebeurtenissen spelen daarbij uiteraard een grote rol. Dat is een grote uitdaging, omdat het aantal moslims zeker in steden zoals Gent, Antwerpen, Brussel, … enkel maar zal toenemen. Van het overwinnen van die wederzijdse vervreemding hangt de leefbaarheid van onze steden en onze samenleving af.”
We raakten het eerder al aan: een andere fundamentele – misschien zelfs fundamentelere – breuklijn die u erkent is die tussen hoog- en laagopgeleiden.
“Inderdaad, al in de jaren 90 schreef ik reeds over die kloof tussen hoog- en laagopgeleiden. Uiteraard is elke samenleving gekenmerkt door meerdere verschillen: man/vrouw, arbeider/bediende, moslim/niet-moslim, autochtoon/allochtoon etc. Maar het onderscheid tussen hoog- en laagopgeleiden is de meest dominante kloof, een echte breuklijn, omdat ze ook samenhangt met de materiële leefomstandigheden, met verschillende opvattingen en houdingen, met zeer gescheiden leefwerelden zonder veel sociale interacties tussen de groepen, met een sterk verschillende politieke opstelling. De contacten tussen hoog- en laagopgeleiden zijn schaars geworden, schaarser dan vroeger in elk geval.
Die scheiding heeft zijn oorsprong met name in het onderwijs en de media. Het is trouwens niet zo dat de hogere opleiding zelf voor een breuklijn zorgt. Die breuklijn begint in de middelbare school, tussen de richtingen die voorbereiden op een hogere opleiding enerzijds en de andere opleidingen anderzijds.”
Hoe gebeurt dat concreet?
“In één onderzoek hebben we de ontwikkeling van die verschillen in het secundair onderwijs bestudeerd. Men ziet dan een in de loop van het secundair onderwijs toenemend verschil tussen de leerlingen in het ASO en in het BSO. Van meet af aan is er enig verschil dat samenhangt met de gezinsachtergrond. Opvallend is echter de toename van dat verschil.  Die kan in grote mate worden verklaard door de groei van een verschillende mediavoorkeur van beide groepen leerlingen. Het verschil dat men op het einde van het secundair ziet is dan het resultaat van gezin, peergroup, onderwijsvorm, maar vooral media-invloed.”
Later (2002) schreef u over de symbolische samenleving.
“De breuk tussen laag- en hooggeschoolden is onder meer groot omdat we in een symbolische samenleving leven. Natuurlijk is elke samenleving ‘symbolisch’: mensen communiceren met elkaar via symbolen en tekens en dat was altijd al zo. Maar in onze hedendaagse samenleving is de productie van tekens enorm toegenomen. Het verzamelen, interpreteren, produceren en/of verspreiden van symbolen is zelfs de hoofdmoot geworden van de meeste jobs.

Communicatie en het verspreiden van symbolen is steeds belangrijker in de symbolische samenleving. Gevolg: een inflatie aan marketeers en communicatoren. (Fokke en Sukke – foksuk.nl/)

Dat proces gaat steeds sneller: vergelijk de huidige mediaberichtgeving, de trends, de technologische ontwikkelingen bijvoorbeeld eens met vroegere tijden, toen de boodschap van pakweg de Katholieke Kerk lang dezelfde was, in een maatschappij die (daardoor) ook zeer stabiel was.
Er zijn allerlei symbolen waarmee we onszelf als individu een identiteit aanmeten: denk aan onze vrijetijdsbesteding, hobby’s, kledij, muzikale smaak, mediavoorkeur, politieke voorkeur. Al die zaken hangen veel sterker samen dan we zouden willen toegeven. De migratie terzijde gelaten is de diversiteit in onze maatschappij verminderd en is de standaardisering toegenomen. Niet onlogisch, gezien het feit dat iedereen langer onderwijs geniet. Ik verwijs naar de hilarische foto’s van de Nederlandse fotografen Arie Versluis en Ellie Uyttenbroek. Het duo fotografeert “unieke” Nederlanders, die evenwel zeer gelijkaardig gekleed zijn.

Foto’s van Versluis en Uyttenbroek: we zijn weinig uniek ( © www.exactitudes.com)

Terzijde: stad of platteland op zich is geen echte breuklijn. Vele voorkeuren hangen samen met media en die zijn niet verschillend tussen stad en platteland. Het zou kunnen dat woonplaats en manier van wonen wel een symbool is, meer voorspellingswaarde heeft voor houdingen en opvattingen. Dat hebben we in ons onderzoek nooit bevraagd; het zou misschien boeiend zijn te onderzoeken. In het buitenland gebeurde dat, in leefstijlonderzoek.”
Scholing en mediagebruik beïnvloeden elkaar bij laag- en hoogopgeleiden. Wat is de rol van media bij moslims?
“Dat hebben we niet onderzocht, ook al omdat we dat medialandschap niet goed genoeg kennen. Je moet weten welke zenders en kranten waarvoor staan. Het enige dat we weten is dat ze veel kijken naar buitenlandse zenders, getuige daarvan de schotelantennes die iedereen ziet in het straatbeeld. Fysiek leven ze dus hier, maar “symbolisch” leven ze in niet onbelangrijke mate in een andere maatschappij. Dat is in onze onderzoeken te sterk verwaarloosd, besef ik sinds kort. We onderzochten vooral hun positie hier: werken ze, wat is hun inkomen, welk onderwijs volgen ze? Terwijl media en communicatie minstens even belangrijk zijn, waarschijnlijk veel belangrijker voor de vorming van houdingen en opvattingen. Een aantal van die jongeren zijn meer bezig met bijvoorbeeld wat in het Midden-Oosten gebeurt dan wat hier gebeurt.”

Schotelantennes in het straatbeeld. Leven in een andere symbolische samenleving?

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Hoe zit dat met het verband tussen de verschillende breuklijnen?
“Die verschillen doorkruisen en beïnvloeden elkaar. Bijvoorbeeld: een Vlaamse autochtone hooggeschoolde heeft 3% kans om werkloos te zijn. Een Franstalige laaggeschoolde moslim heeft 48% kans om werkloos te worden. 16 keer zo veel, en bijna één kans op de twee. Die drie breuklijnen dragen elk bij tot verschillen en samen produceren zij spectaculaire ongelijkheden.
Uit ons onderzoek bleek wel dat de onderwijsvorm meer bepalend is dan de religie. Maar er zijn nog steeds verschillen tussen moslims en niet-moslims, ook wanneer ze hoogopgeleid zijn. Een hooggeschoolde moslim wordt bijvoorbeeld meer gediscrimineerd dan niet-moslims en snel geconfronteerd met het glazen plafond.
Ik focus nu op de grote groepen, maar er zijn natuurlijk ook allochtonen die niet moslim zijn, we hebben die ook meegenomen in onze onderzoeken bij jongeren. Die derde categorie bengelt op vele vlakken tussen de autochtoon en de allochtone moslim. Al zijn er daarbinnen ook grote culturele verschillen. Je kan natuurlijk niet oneindig gaan uitsplitsen want dan wordt je steekproef te klein en niet meer significant genoeg voor relevant onderzoek.”
U hebt ook meegewerkt aan de onderzoeken van het Jeugdonderzoeksplatform (JOP) bij scholieren in Brussel, Gent, Antwerpen. Ook daar bleek de vervreemding van allochtonen die ‘symbolisch’ elders leven. Daarnaar verwijzend: moeten we pleiten voor sociale mix in wijken of scholen? Prof. Pascal De Decker bijvoorbeeld is eerder sceptisch.
“Goede vraag. Ik heb daar geen sterke mening over. De onderliggende vraag is: bevordert meer contact ook de goede verstandhouding tussen groepen die elkaar misschien niet goed kennen? Tegenover de intuïtie, namelijk: ‘natuurlijk wel!’, zou het namelijk ook kunnen dat meer contact net leidt tot meer conflict. Het onderzoek van het Jeugdonderzoeksplatform lijkt uit te wijzen dat er geen duidelijk verband is tussen contact en verstandhouding. Uit Amerikaans onderzoek blijkt wel dat contact de verstandhouding bevordert, maar onder heel bijzondere, restrictieve voorwaarden die zelden vervuld zijn. Vanuit onderzoek kan je dus moeilijk het ene of het andere hard maken. Het is een open vraag waar we in alle openheid zouden moeten kunnen over debatteren, zonder a priori’s.

Elchardus: over sociale mix moeten we zonder taboes durven discussiëren (hier: stadssocioloog Stijn Oosterlynck, De Standaard, 26 augustus 2017)

Alleen vrees ik wel dat als we elke ambitie en elk beleid inzake contact en integratie loslaten, we segregatie dus toelaten of zelfs stiekem steunen, de situatie zou kunnen escaleren of leiden tot een nieuw soort verzuiling, in de vorm van aparte allochtone of moslimpartijen en -verenigingen. Vlaanderen heeft ook een sterke verzuiling gekend, maar dat ging over bevolkingsgroepen die een verleden en heel wat cultuur deelden. Kortom, hierover zijn meer onderzoek, meer reflectie en meer debat nodig. Al wil ik wel nog herhalen wat ik al zei, namelijk dat veel mensen niet in een gemengde buurt willen wonen, wat als het ware een tendens tot segregatie inbouwt in je samenleving. Scholen reflecteren de buurten.”
Over diverse en homogene buurten gesproken: hoe gesegregeerd is Brussel?
“Zeer sterk gesegregeerd, op verschillende niveaus. Er is een grote groep van bemiddelde yuppies en expats. Aan de andere kant is er een groep van personen die het moeilijk heeft, in precaire omstandigheden woont, meestal ook in andere buurten. Een deel daarvan voelt zich bovendien cultureel en religieus vervreemd van de rest van de samenleving door hun geloof, waar ze steeds meer hun identiteit aan ontlenen. Dat is toch een probleem voor Brussel. Brussel is een zeer ongelijke stad geworden. Er zijn gemengde buurten maar ook haast afgegrensde homogene buurten zoals de Woluwes.
Als het over diversiteit gaat, beroepen burgemeesters zich vaak op het aantal nationaliteiten, maar daarover gaat het niet. Soms kan je een mix van veel nationaliteiten beter managen, dan een situatie met twee of een beperkt aantal groepen die zeer duidelijk zijn, de verschillen opblazen tot de essentie van de eigen identiteit en tegenover elkaar staan.
In de loop der tijd zijn mensen positiever gaan staan tegenover diversiteit, maar je voelt en ziet aan alles dat de kern van het probleem de invulling en aanvaarding van de seculiere samenleving is.”

Elchardus: “Je voelt en ziet aan alles dat de kern van het probleem de invulling en aanvaarding van de seculiere samenleving is.”

U schrijft veel – en scherp – over de stand van de democratie, over populisme, over de media. Benjamin Barber en andere schrijvers menen dat lokale overheden en politici, zeker in de steden, veel beter geplaatst zijn om problemen op te lossen én het vertrouwen van de burger te winnen.
“Ik ga daar voor een deel in mee, weliswaar met enige nuance. Het lijkt me duidelijk dat de politiek momenteel een malaise kent, en daarvoor zijn verschillende oorzaken. De lokale politiek ontsnapt ten dele aan die malaise, bijvoorbeeld omdat mensen geloven dat het lokale niveau wél nog echt greep op de zaken heeft, wat nationaal al lang niet meer het geval is. Maar een aantal zaken kan je gewoonweg niet op lokaal vlak oplossen, en daarvoor heb je dus altijd de hogere niveaus nodig: gewest en land, maar ook Europa en zelfs andere supranationale niveaus.
Ik vind ook dat de stad een cruciaal gegeven is omdat bepaalde problemen zich hier het eerst en het scherpst stellen: de stad is knooppunt van belangrijke maatschappelijke problemen zoals diversiteit, veiligheid, omgaan met beperkte (openbare) ruimte. Die analyse geldt niet enkel in onze steden. De Afrikaanse steden groeien als gek, de veiligheidsproblemen en problemen van religieuze radicalisering echter ook. Onlangs was ik op een conferentie waar het hoofd van de Marokkaanse veiligheidsdienst in discussie ging over de Afrikaanse stad van de toekomst. De eerste zorg die hij zag in de Afrikaanse steden is veiligheid. De smart city was voor hem een stad die veilig is. En de man had verdomd goede argumenten.
De vervreemding tussen moslims en niet-moslims is een feit, zeker in onze steden. Als we in de steden geen oplossing vinden, dan gaan we ze nergens vinden. Positief geformuleerd: de oplossingen die we in de steden vinden zijn voor iedereen bruikbaar.
Politieke partijen moeten om die reden dan ook luisteren naar hun burgemeesters, zeker van de steden. Zij brengen een schat van ervaring aan. Ik durf verder te gaan: de geloofwaardigheid van een partij beoordeel ik op basis van het aantal competente stadsburgemeesters die zij in haar rangen telt.”
Onderzoeksgroep Cosmopolis van de VUB buigt zich over stedelijke problemen. Bent u daarbij betrokken?
“Neen, ze hebben me wel gevraagd mee te werken aan een boek, maar ik vrees dat ik daarvoor onvoldoende tijd heb, verder voel ik me op dat vlak ook geen expert. Maar de stad heeft dergelijk onderzoek nodig, zodat men stedelijk beleid kan onderbouwen. Op basis van hypotheses en onderzoek: wetenschappelijk en evidence-based kortom.”
Is Cosmopolis ook geen clubje hooggeschoolden?
“Inderdaad. Daarom raad ik hen aan: organiseer eens een grondige, brede enquête bij de gehele Brusselse bevolking, om te weten hoe mensen hier willen wonen. Het zou kunnen dat heel wat wensen ecologisch onverantwoord zouden zijn, maar dan weten we tenminste wat een groot deel van de Brusselaars wil. Het zou kunnen dat er zeer veel consensus is over bepaalde zaken, of net heel veel onenigheid over de meeste zaken. Maar dat zouden we dan tenminste weten.
We zien ook dat de middenklasse met kinderen de stad verlaat, organiseer dan eens een grondig onderzoek om de vinger daar beter op de wonde te kunnen leggen.”
Wat denkt u zelf?
“Ik verwijs opnieuw naar mijn onderzoek. De wens van velen is toch: een huis met een tuin, één of twee kinderen en een vrijetijdsbesteding gericht op het gezin. Dat eerste is natuurlijk zeer moeilijk in de stad en voor het laatste heb je de stad niet nodig.”
Kunnen we iedereen garanderen buiten de stad te kunnen wonen? U schrijft zelf: “Het is duidelijk dat het land waarschijnlijk te klein is, alleszins op de verkeerde manier bebouwd, om aan de woonwensen van deze generatie te kunnen voldoen.”
“Dat is een reëel probleem. Ik zei al dat politici een dubbele opdracht hebben, waaronder mensen maximaal het leven laten leiden dat zij willen – en op dit moment is dat voor de overgrote meerderheid buiten de stad. Maar het lijkt me onvermijdelijk dat we op termijn meer in de steden zullen moeten gaan wonen, en dat we in de steden creatiever zullen moeten zijn en bijvoorbeeld hoger gaan wonen. Maar de Vlaming overtuigen om de stap te zetten kan enkel door de steden zelf aantrekkelijker te maken. Maar ik beken: dat is veel gemakkelijker gezegd dan gedaan. Wat voor de ene ‘aantrekkelijker’ is, is dat misschien niet voor de andere.”
Het beeld leeft sterk dat de stad zeer geïndividualiseerd is, een verzameling anonieme atomen, en het platteland nog echte dorpsgemeenschappen kent.
“Je verwijst naar de sociologisch-filosofische begrippen Gemeinschaft en Gesellschaft, ontstaan als reactie op de modernisering. Ze werden stellig geponeerd door de Duitse socioloog Ferdinand Tönnies (1855 – 1936) en meestal vertaald als gemeenschap en maatschappij. Hij zag de modernisering van de 19de eeuw immers als een evolutie naar een ‘contractuele maatschappij’. De stad werd toen al beschouwd als het prototype van die evolutie. Ikzelf kan me niet zo vinden in dat begrippenpaar. Als historische analyse klopt het niet volgens mij, en ik geloof dat de hedendaagse steden meer zijn dan een los netwerk maar altijd ook een vorm van gemeenschap zijn en tot op zekere hoogte gemeenschap moeten zijn om leefbaar te zijn. Je hebt meer nodig  dan gehoorzamen aan de wetten om samen te leven. Mensen moeten ook de zin van die wetten en regels delen, waarden delen, dus gemeenschap vormen.”
Op welk niveau ziet u die verbondenheid? Op wijkniveau, of toch op een stadsniveau – in een stad van meer dan 1 miljoen burgers?
“Die discussie heb je op elk niveau natuurlijk; ook in kwesties over Vlaanderen, België, de EU, de wereld geldt: hoe lager hoe sterker de verbondenheid. In een stad zal identificatie sterker zijn op wijkniveau, maar dat neemt niet weg dat men zich ook met een stad kan verbonden voelen, vanuit een collectief gevoel: wij zijn Brussel en houden van Brussel. Of Gent, of Antwerpen. Het kan en het moet, want het is echt nodig voor een leefbare stad.”

Elchardus kritisch voor de Brusselaar in De Morgen

In uw vrije tribune was u nog kritisch voor de ‘blinde Brussel-liefde’: “Brussel-liefde is verzet tegen dat soort stadshaat. Het is in feite niet veel meer dan dat, want het materiële voorwerp van die liefde is lelijk en stinkt.” Houdt u (nog) van Brussel?
“Ja. Maar in mijn stuk wilde ik de Brusselaars aanmanen om toch eens te kijken naar de problemen ook. Ikzelf heb zeker intens van Brussel gehouden, maar ik ben de laatste jaren toch overweldigd door de problemen. We hebben het al uitgebreid gehad over de vervreemding en de samenlevingsproblemen, maar ik denk ook aan de mobiliteitsproblemen en de verkeersinfarcten. Aan de belabberde infrastructuur en de onzinnige ingrepen zoals een grote stenen woestijn zoals het Flageyplein. De voetgangerszone in het centrum van Brussel is oerlelijk. Ik stoor me mateloos aan de commercialisering van de stad, met enkel restaurants, klerenwinkels, en snackbars. Er zouden beter wat meer boekenwinkels zijn want er zijn er zo weinig in Brussel. Ik ga vaak naar Filigranes, en elke keer hoop ik dat het niet opeens een klerenwinkel is geworden (lacht). Gelukkig hebben we mooie parken die ook steeds meer gebruikt worden.”

Flagey: een lelijke stenen woestijn (Foto © Serge Brison)

Hebt u al overwogen om elders te gaan wonen?
Neen, dat niet.
Welke steden vindt u nog de moeite?
“Ik heb vijf jaar in Providence (VS) gewerkt en op verschillende momenten in New York gewoond – alles samen een half jaar. Op die stad ben ik toch wel verliefd geworden. Maar ik houd ook van Parijs, Rabat, Rotterdam, Luik. Misschien toch eerder steden die iets rauws en iets druks hebben, of ook iets majestueus. Een stroom is natuurlijk ook altijd mooi, of een mooi station. Dat doet denken aan reizen, aan passage, aan de stad als tussenstop.”
Een mooie slotgedachte van de socioloog die sinds 2012 met emeritaat is. Lezenswaardig zijn onder meer ‘De Symbolische Samenleving’ (2002), ‘Voorspelbaar Uniek’ (2012) en ‘Voorbij het narratief van neergang’ (2015).


Lieven De Rouck schrijft op zijn blog Lieven Brusselt over steden, stedelijkheid en Brussel. Zijn interview met Marc Elchardus verscheen in het septembernummer (nr. 229) van het maandblad Meervoud.

  • 1
  • 2