Ananda de Jager worstelde jarenlang met een eetstoornis. Haar regels bleven op den duur uit. Tijdens haar herstel begon ze poëzie te schrijven, die ze nu bundelt in ‘Poems of Recovery’. ‘I always knew I was a fighter’, klinkt het.
Sinds twee jaar woont Ananda in Brussel. Ze komt uit het Nederlandse Goes, werkte vroeger als fotomodel en is nu aan de slag bij het cosmetica- en schoonheidsbedrijf L’Oréal. Haar naam betekent in het Pali, een taal waarin oude boeddhistische teksten geschreven zijn, ‘de gelukkige’ of ‘iemand die vreugde en plezier brengt’. En gelukkig is ze nu eindelijk, zegt ze.
‘Ik eet opnieuw graag,’ vertelt ze, nadat ze haar gedichten voorgelezen heeft in Be Nuts, een koffiebar met vegan gebak in Sint-Gillis. De tijd dat ze enkel een appel at als lunch, is voorbij. De eeuwige cyclus van te weinig en te veel eten, kent ze als geen ander. ‘Als je voortdurend dieet en te veel sport, vraagt je lichaam na een tijd om meer eten om op die manier rust te vinden. Ik vroeg me af hoe mensen normaal eten. Als je in dat patroon zit, weet je niet beter.’
Ze schrijft haar eetstoornis toe aan haar controledrang en perfectionisme. Haar lichaam gaf haar echter signalen. Ze was altijd moe en haar ongesteldheid bleef uit. Haar modellenwerk beschouwt ze niet als de oorzaak, maar ze gebruikte het wel als excuus. ‘Hey jongens, het is normaal dat ik zo slank ben. Ik werk als model.’
Ze zocht een uitweg. Ze deed aan yoga en meditatie, las veel zelfhulpboeken en raadpleegde spirituele coaches. Ze focuste zich op dingen die ze leuk vond zoals dansen en motorrijden. Haar familie steunde haar door dik en dun. Op Instagram deelde ze inspirerende quotes over body positivity en zelfliefde.
Ze begon zelf ook Engelstalige poëzie te schrijven. Om haar innerlijke demonen te overwinnen, maar ook om andere meisjes in dezelfde situatie en hun ouders te helpen. Het zijn korte, ongekunstelde, kristalheldere verzen waar je spontaan een hashtag bij denkt. ‘And as I touched my skin / I realized / This is the body I will be in / This is my home / Take care of your home.’ Ze vond een uitgeverij die haar bundel op aanvraag drukt: Boekscout. Ze spreekt over haar boek in Vlaamse en Nederlandse kranten, maar deed ook al mee aan een Amerikaanse podcast. ‘Mentale gezondheid is er enkel belangrijker op geworden in tijden van corona. Als ik één iemand kan helpen, is mijn missie geslaagd.’
‘Het herstel was best pittig. Ik ben door de modder moeten gaan. Maar nu probeer ik naar mijn lichaam te luisteren,’ besluit ze. Haar nieuwe Brusselse biotoop heeft haar ook geholpen. Ze woont niet ver van Manneken Pis, in het toeristische hart van de stad, en heeft een internationale vriendenkring. ‘Brussel is een wereld op zich.’
Louis is een overtuigde flamingant. Hij heet eigenlijk Lode, maar we noemen hem Louis. Dat irriteert hem soms. ‘Ik noem Lode,’ roept hij dan. Wij repliceren: ‘Je heet Lode, maar wij noemen je Louis.’ En dan weet hij niet meer wat te zeggen. Zoals bij de meeste flaminganten is zijn Nederlands niet zo goed.
(c) Taverne du Passage
Hij is een goede vriend, valabele kerel, maar dat flamingantisme, het is niet gemakkelijk om dat erbij te nemen. Bij hem is het vooral een kaakslagflamingantisme. Hij voelt zich altijd verongelijkt en tekort gedaan. Een woord Frans in zijn omgeving is een persoonlijke belediging en hij kan dan heel kregelig en vervelend worden. Vlaming zijn, of flamingant, dat ziet hij als zijn opdracht, zijn identiteit, en dat moeten wij, zijn vrienden maar aanvaarden.
Zijn familie met haar donkere geschiedenis heeft er genoeg voor afgezien. ‘In het collaboratiecachot, zeker,’ roept Linkse Willy dan. Willy krijgt het op zijn heupen van dat slachtoffergedrag van de zwarten, zijn vader was bij de Witte Brigade en hij werd door een zwarte geliquideerd. Maar toch, we zijn vrienden, en we proberen onze verschillen te overstijgen.
Dus, die avond zaten we in de Taverne du Passage in de Brusselse Koningsgalerij. Louis, Willy, Hubert en ikzelf. We gingen americain met friet eten. De zaak is daarvoor bekend. We verheugden ons op een gezellige avond eten, drinken, babbelen, roddelen, grappen vertellen. Oude vrienden onder elkaar, quoi.
Louis roept de ober. ‘Garçon!’ De obers in de Taverne du Passage dragen nog zo’n ouderwets wit vestje, koperen knopen, en zwart-gouden epauletten. Een rijzige man met een tarwekleurige huid en donker haar komt naar ons toe. Hij buigt lichtjes voorover, bekijkt ons alle vier in de ogen, glimlacht uitermate vriendelijk en hij zegt: ‘Messieurs. Vous désirez?’
Ik zie Louis verstijven. ‘Vlaams’, blaft hij. De ober is erg verschrikt door de brutale toon van Louis en hij is compleet verbouwereerd. Hij bevriest en hij kijkt hulpeloos naar ons, de tafelgenoten van Louis. Deze pijnlijke seconden lijken eeuwen te duren. De ober herpakt zich, en probeert het in het Engels. ‘Gentlemen, good evening. How can we serve you?’ Vriendelijk en beleefd, maar iets meer op zijn hoede.
Louis blaft opnieuw, ‘Vlaams!’ Willy en Hubert zeggen niets. Ze willen Louis helemaal op zijn vlaamskiljonse bakkes laten gaan, in dit gerenommeerde Brusselse restaurant dat heel veel internationale toeristen aantrekt. Mensen aan andere tafels beginnen naar ons te kijken. Ik hoor er een zeggen. ‘Voilà les flamouches’. Alsof er nog iets moest bewezen worden. Subtekst : Vlamingen zijn grove boeren, onbeschofte hufters die niet thuis horen in een klasserestaurant.
Ik sta op en ga de manager halen. Die staat achteraan aan de toog de zaak te superviseren. De zaak zit redelijk vol. Ik fluister hem in het oor dat we een communautair probleem hebben. Hij geeft me een wereldwijze knipoog en stapt gezwind op onze tafel af. ‘Heren. Welkom in de Taverne du Passage.’ Perfect Nederlands, met een licht Hollands randje. Willy vraagt neutraal: ‘Mogen wij de kaart?’ ‘Natuurlijk.’ De manager geeft teken aan de verbouwereerde ober.
‘Wacht eens even.’ Louis kan het niet laten. ‘Wij werden in het Frans aangesproken door deze man.’ Alsof er een roofmoord gepleegd werd, de natuurlijke orde van het universum verstoord werd en hij tot in het diepst van zijn wezen mishandeld werd. De manager neemt het rustig op , de ober is de menu’s gaan halen. Louis zegt het nog eens. ‘Wij werden in het Frans aangesproken.’
‘Ja, dat is mogelijk. We hebben heel veel nationaliteiten in ons cliënteel. 75 procent van onze klanten spreekt Frans, 20 procent Engels en 5 procent Nederlands. ’Hij laat een stilte vallen om Louis de kans te geven zijn klacht uiteen te zetten. Die stilte zegt: wat is er met jou aan de hand, man?
Louis begint ongemakkelijk op zijn stoel te schuiven. Hij weet dat hij in deze materie geen steun van zijn maten moet verwachten. ‘Je hebt hem ‘garçon’ genoemd, toen je hem geroepen hebt, Louis. Dan verwacht de man dat er Frans zal gesproken worden.’ zegt Willy. ‘Je had ober kunnen zeggen.’ Hubert steekt het mes nog wat dieper en voegt er ook wat zout bij. Louis zit erbij als door de hand Gods geslagen.
De verkoper in de manager neemt over. ‘Zal ik de bestellingen opnemen, heren?’ ‘Vier keer americain,’ zeg ik. ‘Wenst u een voorgerecht?’ ‘Wat stelt u voor? ‘We hebben zeer lekkere ajuinsoep, of escargots. Of carpaccio van zalm.’ Louis vindt nog steeds dat hij onheus is behandeld en hij zit ostentatief te mokken.‘Kan die man geen Nederlands?’ Wij draaien onze oogbollen naar boven, en Willy zegt: ‘Het is nu genoeg, Louis.’
De manager zet zijn meest empathische gezicht op, maar de blik in zijn ogen is duidelijk verhard. ‘Achmed is twee jaar geleden uit Syrië als vluchteling in België aangekomen. Hij is tandarts en zijn hele familie werd door de Assad-clan uitgemoord. Zijn vader was een vooraanstaande politicus en er staat nog steeds een prijs op het hoofd van Achmed. La Taverne du Passage helpt met vluchtelingenwerk en ik heb hem aangeworven omdat hij redelijk Frans en Engels sprak, en omdat hij hard werkt, heel vriendelijk en beleefd is tegen onze klanten. Wij zijn allemaal heel trots op Achmed en veel klanten komen speciaal voor hem. Wij zullen hem graag ook Nederlandse les laten volgen. Bent u misschien bereid om hem Nederlands te leren?’
Zo’n verpletterende glimlach heb ik nog nooit gezien. Noch zo’n harde blik in zijn ogen. En Louis? Louis, die was uitgeteld. Ik had bijna medelijden met hem. Maar het is zoals mijn moeder altijd zei: ‘Wie zijn gat verbrandt, moet op de blaren zitten.’
Jan Flamend (Sint-Truiden, 1959) studeerde Germaanse Filologie en Filosofie. Na zijn academische carrière aan het Instituut voor Literatuurwetenschap aan de K.U.Leuven, stapte hij over naar het zakenleven en werd hij commercieel directeur bij Hewlett Packard en bij Ubizen. In 2000 richtte hij het opleidingsbedrijf Valueselling op.
SARS-CoV-2 is het virus dat de ziekte COVID-19 veroorzaakt. In de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus is het dragen van een neus-mondmasker (of eventueel een dichtgeweven bandana of sjaal) sinds 4 mei vanaf de leeftijd van 12 jaar verplicht in het openbaar vervoer en in de stations.
De gemeente Etterbeek[1] verplicht maskers in belangrijke handelsstraten en aan schoolpoorten. In Sint-Pieters-Woluwe en Sint-Lambrechts-Woluwe[2] moet je een masker dragen in bepaalde straten waar de sociale afstand moeilijk te respecteren valt. In Sint-Joost-ten-Node[3] moet je een masker dragen in winkels en handelszaken.
De voornaamste maatregels tegen de verspreiding van het coronavirus zijn nog steeds afstand houden (minstens 1,5 meter) en handhygiëne (je handen regelmatig wassen met gewone, alkalische zeep). Een neus-mondmasker kan wat extra bescherming bieden op plaatsen waar het moeilijk is om afstand te houden, of waar je langdurig contact hebt met mensen. Uiteraard vermijd je deze situaties liever helemaal, maar soms kan dat niet.
Je draagt een mondmasker niet om jezelf te beschermen, maar om anderen te beschermen. Het masker houdt bij het ademen, niezen en hoesten de besmette druppels tegen die uit jouw mond of neus ontsnappen. Zo voorkom je dat je anderen besmet. Je weet immers niet altijd of je besmet bent door het coronavirus. Heel wat mensen die besmet zijn vertonen geen of nauwelijks symptomen. Meer informatie over het correct dragen en behandelen van een neus-mondmasker vind je op de speciale website van de federale overheid.
De maskers op
Afgelopen week ben ik voor het eerst met een neus-mondmasker boodschappen gaan doen en een wandelingetje gaan maken. Niet dat ik zo’n groot voorstander van een masker ben, maar onvermijdelijk zal ik het binnenkort wel eens verplicht moeten dragen, in het openbaar vervoer bijvoorbeeld. En dan ben ik tenminste voorbereid op de neveneffecten. Want “het nieuwe normaal” wordt het dragen van een masker wat mij betreft nooit, jamais, nie.
Eerste ervaringen
Het masker dat ik als eerste testte was een herbruikbaar masker met lintjes. De neus, de mond, de kin en een groot deel van de wangen zijn bedekt. Combinatiefoto: mondmasker met lintjes dat een groot deel van de wangen bedekt.
Als brildrager moet ik er rekening mee houden dat mijn brilglazen beslaan. Als je een masker draagt valt dat binnen bij kamertemperatuur nogal mee. Buiten, waar het op dat moment wat frisser was, vormt er zich damp op de glazen. Maar het effect is minder erg dan wanneer je ‘s winters buiten van de kou naar een warme ruimte binnen gaat. Zorg toch maar dat je een doekje bij hebt om je brillenglazen regelmatig schoon te vegen (de middeltjes die her en der worden aangeprezen gebruik ik liever niet om de ontspiegeling van mijn multifocale glazen niet aan te tasten).
Niet voor nerds?
Adem rustig door je neus. Pech voor de brildragende smartphoneverslaafden onder ons: als je met je hoofd naar beneden gebogen loopt om op je smartphone te kijken, beslaan je brillenglazen opmerkelijk sneller.
Na het pas opzetten van het masker had ik het gevoel dat ik een druipneus had. Dat gevoel gaat na een paar minuten grotendeels over. Zo’n masker is wel erg warm, zeker binnen.
Vals gevoel van veiligheid
Het valse gevoel van veiligheid waarover men zo vaak spreekt? En dat je daardoor minder geneigd bent om afstand te houden? Ik kan het niet ontkennen. Ook al ben ik goed geïnformeerd, ook bij mij treedt dit gevoel op. Je moet jezelf dwingen om afstand te houden. Daarom zal ik een neus-mondmasker alleen dragen waar het verplicht of echt zinvol is.
Elastiekjes
Een dag later testte ik een ander herbruikbaar model, dat meer op een chirurgisch wegwerpmasker lijkt. Combinatiefoto: mondmasker van het type ‘chirurgisch masker’ met elastiekjes boven en onder.
De elastiekjes van dit masker zitten boven en onder. Niet aan de oren, zoals je meestal ziet. Om het masker op te zetten moet je het onderste elastiekje eerst over je hoofd en hals trekken. Daardoor komt de binnenkant van het masker meer in contact met je hoofd. Ook bij het afdoen van het masker is dat een nadeel. Doe het traag en voorzichtig, zeker als je zoals ik een bril draagt. Of gebruik een model met elastiekjes aan de zijkanten.
De stof van dit masker is wat dunner. Je kunt er beter een gewone ademhaling mee aanhouden. Mijn brillenglazen besloegen minder snel, ook als ik met het hoofd gebogen op de smartphone keek. Dat kan echter ook aan de temperatuur hebben gelegen. Toen ik dit masker testte was het een paar graden warmer dan de dag ervoor.
Een masker met elastiekjes past beter aan. Maar het heeft ook een nadeel. Met mijn (korte) baard prikt en kriebelt het wat meer. Bij warm weer is dit model comfortabeler dan het vorige omdat het de wangen minder bedekt.
Filters
Beide maskers bestaan uit twee lagen stof en zijn geschikt om er een filter in te plaatsen. In het eerste model langs de zijkant, in het tweede model langs onder. Zo’n filter kan een op maat gesneden vel keukenpapier, papieren zakdoekje of koffiefilter zijn. Maar je kunt ook een filterdoek van Deltrian of Sioen gebruiken. Deze filters uit filterdoek zouden binnenkort door de federale overheid worden verspreid. Let er wel op dat je masker nog voldoende luchtdoorlaatbaar blijft als je er een filter in plaatst.
Doe ze in je wasmasjien
Een neus-mondmasker dragen is geen pretje. Zet zo’n masker alleen op als het écht nodig is. Niet thuis of op straat als er weinig volk is.
Een herbruikbaar mondmasker moet je na elk gebruik wassen. Dat kan in de wasmachine op 60°C samen met de andere was, of in een kookpot (enkele minuten onderdompelen in water van minstens 90°C). Als je het masker op een lagere temperatuur wast, kun je het ook op een hoge temperatuur strijken (let op: sommige lintjes zijn niet geschikt om te worden gestreken). Zorg dat het masker goed droog is voor je het draagt.
Als je weet dat je elke dag een masker zult moeten dragen (bijvoorbeeld om met het openbaar vervoer naar het werk te gaan), zorg je best voor meerdere herbruikbare maskers. In een gezin met meer personen kan ieder zijn eigen kleur of patroon kiezen.
De maskers af
Momenteel thuiswerk ik nog steeds, maar vanaf juni komt daar wellicht verandering in. Dan ga ik mogelijk weer elke dag met het openbaar vervoer van huis naar kantoor en terug. Op de momenten dat je geen masker draagt (omdat het niet verplicht is, of omdat je bijvoorbeeld iets wilt eten of drinken) moet je het masker afzetten en het zo bewaren dat je het nadien weer veilig kunt opzetten. Daar heb ik iets op gevonden. Combinatiefoto: doos met deksel om een mondmasker in te bewaren op momenten dat je het niet draagt.
Ik kocht in de supermarkt een plastic doos die precies breed en diep genoeg is voor een mondmasker. Zo’n doos is makkelijk te onderhouden en ze past in de rugzak die ik meeneem naar het werk. Bij het afzetten van mijn masker raak ik alleen de lintjes aan. Ik plaats het masker met de buitenzijde naar beneden in de doos. De lintjes hangen uit de doos. Dan plaats ik het deksel op de doos. Op die manier kan ik zonder masker even iets drinken of eten. Mijn masker blijft schoon, het kan niet besmet worden of iemand anders besmetten. Als ik klaar ben met eten of drinken, kan ik de doos openen, het masker er bij de lintjes weer uithalen en het opnieuw opzetten. De doos was ik met warm zeepwater.
Nog een laatste tip: bewaar je versgewassen mondmaskers in een afsluitbaar diepvrieszakje. Elk masker in een afzonderlijk zakje. Zo heb je steeds een schoon masker paraat als je het nodig hebt. Wil jij jouw ervaringen met je neus-mondmasker delen? Doe het in de reacties hieronder.
Filip Jans baat café Monk in hartje Brussel uit en is coauteur van de boeken ‘De Mijne is de Beste’, een ode aan de perfecte spaghetti bolognese en stoofvlees. Luc De Raedemaeker van de bierwebsite Bier Grand Cru voelde hem aan de tand over zijn liefde voor bier.
(c) Bart Van der Perre
Hoe bent u bij Monk in Brussel terechtgekomen?
Mijn roots liggen in Leuven, waar ik Toegepaste Economie studeerde. Dat diploma bracht mij echter in Brussel, bij mijn eerste werkgever Philip Morris. Het werd een one-way ticket naar de grootstad. Van hieruit stampte ik resto-bar Hungaria in Leuven uit de grond om het daarna dichter in mijn buurt te zoeken. Ik haalde de Monk nabij de Place Saint-Catherine uit een faillissement, waardoor mijn passie voor bier vorm kreeg.
Waar kijkt u graag naar?
Naar lachende mensen en mensen die verliefd naar elkaar kijken. Iets wat ik dan ook zeer veel zie tijdens mijn werk in het café. Dan prijs ik mij de gelukkigste werkende mens ooit!
Wat leest u graag?
Ik kom niet vaak toe aan een geïsoleerd leesmoment. Meestal is dat ergens ‘on the go’. Ik ben een nogal haastig type, dus fictie lezen duurt voor mij te lang. Een menswetenschappelijk boek (over de opvoeding van kinderen, want ik ben vader van drie) of lectuur die mij sterkt in mijn ondernemerschap of onafhankelijkheid liggen me het best. De bijlages van de weekendkrant van De Standaard zijn voor mij het grootste leesgenot tijdens het weekend bij een rustig ontbijt.
Waar luistert u graag naar?
Ik heb geen zeer uitgesproken muzieksmaak. Het evolueert mee met mijn leeftijd en de muziek die ik ontdek. Ik surf graag op Spotify en laat mij veelal meeslepen met radioselecties van bepaalde artiesten die mij bekoren. Het ‘moment’ is voor mij de bepalende factor voor mijn muziekkeuze. Dat kan gaan van stevige techno, happy disco, zaligmakende house, klassieke of elektrojazz, pop tot intieme pianomuziek. Nu luister ik naar Amen Dunes (Blue Rose). Mijn ontdekking van deze maand was Dope Lemon (Hey You).
Met welke persoon wilt u graag een glas bier drinken?
Het liefst drink ik een biertje met mijn vriendin Liesbeth. Op café of bij ons thuis. Een moment waar ik steeds van geniet.
Wat is uw beste bierherinnering?
Mijn eerst slok lambiek tijdens een event in Gaasbeek in mijn jeugd. Het was haat-liefde bij de eerste slok. Daarna is de liefde voor lambiek en meer specifiek geuze enkel maar sterk gegroeid. Ik ben nu een grote fan.
(c) Bart Van der Perre
Naar welke ‘bierrealisatie’ kijkt u op / bent u jaloers op?
Ik hou van bieren die, naast hun goede smaak, ook een heel volks, terroir en ambachtelijk karakter hebben. Een drank waar je de mens in proeft die erachter zit, met zijn passie en al. Zo kijk ik altijd heel erg uit naar mijn semestrieel tripje naar de brouwerij Girardin. Een slok van hun geuze gaat steeds gepaard met een flash van geluk. Mijn bezoek aan hoevebrouwerij Hof ten Dormaal in Tildonk is er zeker ook eentje dat mijn memoires aanvult.
Wat is voor u de grootst mogelijke ‘heiligschennis’ binnen de bierwereld?
De wijze waarop sommige brouwerijen en bierstekers ‘afhankelijke cafés’ te sterk willen beperken in hun bieraanbod en daarbovenop woekermarges nastreven. Het bier en cafélandschap zou er veel interessanter (en goedkoper) kunnen uitzien voor de klant en de horecaondernemer, als de vrije markt hier meer zou kunnen spelen.
De industrie behandelt cafés alsof het hun kolonies zijn waarbij geld en ontginning prioritair staan. De langetermijnvisie en trots voor ons bierlandschap moet hier het onderspit delven voor de korteretermijnvisie van hun aandeelhouders die vooral in rendement geïnteresseerd zijn en niet in het bierlandschap. Spijtig dat ons land en de bestaande belangenverenigingen, zoals Horeca Vlaanderen/ Brussel en Unizo, hier de ‘vrije’ economie niet meer ondersteunen. Het zou ons erfgoed ‘bier’ en het horecalandschap met zijn cliënteel beter ten goede komen. Gelukkig zijn er organisaties zoals Libertap vzw die voor deze ‘vrijere’ waarden blijven vechten.
Welk gerecht met bijpassend bier verkiest u als laatste avondmaal?
Als ik mag kiezen zou dat een lange tafel met vrienden zijn met stoofvlees friet en vers gemaakte mayonaise op het menu. Er zijn ontzettend veel biertjes die hierbij passen, maar een kruidige Gageleer lijkt met mijn recept goed te matchen.
In coronatijden geeft een ambachtelijke garnaalkroket uit het vuistje met een Rodenbach Grand Cru of Bourgogne des Flandres, ergens op een zonnige plek rond 18 uur, het laatste culinair geluk van mijn leven. Een plek op het strand van Oostende aan een kabientje in de buurt van de surfclub can do the job. Waar moet ik tekenen?
Luc De Raedemaeker schreef deze tekst voor de bierwebsite Bier Grand Cru. Hij is ook coauteur van het Belgisch Bierboek, dat in 2016 bij Lannoo verscheen.
Ze springt onverhoeds opzij, ze lacht. Hij volgt haar gedwee maar speels. Tafereel in de vroege lente van tweeduizend twintig.
(c) Malene Thyssen, Wikipedia
Papa zit online, mama bladert door dikke modebladen, soms kijkt ze doelloos voor zich uit. Ze weten niet hoe een kind alleen te vermaken. Ze lijken hun handen vol te hebben met zichzelf.
Op het kleine koertje staat haar vriendje schuin voor haar. Als ze plots wegspringt, alsof zij hem wil verschalken, springt hij mee. Haar hoofd beweegt naar links, hij knikt mee. Dan praat ze met hem, hij lijkt te antwoorden, ze vraagt het nog eens heel uitdrukkelijk. Ja, zijn antwoord bevalt haar.
Ze springt opnieuw opzij. Hij vindt alles goed. Ze fladdert nu wild met haar beide armpjes. Hij ook. “Gaan we vliegen?” lijkt ze te vragen. Ze knikt heftig opdat hij zou knikken. “Leuk, waar gaan we naartoe?” Ze schudt van neen, hij ook. Dan knikt zij, ze lacht uitbundig, hij gaat akkoord.
Op het koertje strijkt een merel neer op het lage witgekalkte muurtje. Verbaasd kijkt hij naar het vreemde ballet van het kind in de zon. Het valt de vogel op dat haar vriendje hondstrouw is. Slechts één keer laat hij het afweten op het moment dat zij uit de zon treedt. Dan verschraalt de vriendschap. De vogel vindt het een pijnlijke gedachte en hij vliegt meteen weer op.
Het meisje slaat geen acht op de vogel, al haar aandacht richt zich naar beneden. Ze verwijdert zich, stapt achteruit. Hij wordt alsmaar groter en groter en groter, lang en smal, alsof iemand hem uitrekt. Ze komt terug tot vlak voor hem, hij krimpt, ze wuift: “Oehoe, ik ben terug.” Handen op de heupen als een kleine Juf. Ze wijst hem terecht, is hij stout geweest ? Een opgestoken dunne wijsvinger. Ze knikt heftig, hij ook, hij antwoordt. Ze lacht.
Ze keert hem nu de rug toe, kijkt dan plots over haar schouder, ja, hij is er nog. Ze weet dat hij nooit verdwijnt, hij is er altijd, altijd, haar geruisloze vriendje op een lome blauwe achternoen.
Rare tijden, heel de wereld geteisterd door een onzichtbare vijand die ongeveer alles lamlegt. Je wil het ‘monster’ een gezicht geven of op zijn minst een ander beeld voor ogen hebben dan het groen snotterig bolletje met buisachtige uitstulpingen dat in een twisted brein als het mijne aan een latex seksspeeltje doet denken (my dirty mind that on this very moment is no joy anymore).
Vandaag voel ik me voor het eerst een beetje moedeloos en claustrofobisch. Mag ik het wat van me af schrijven? Ik ben namelijk geen beller, nooit geweest. En de zaken die ik nu zie passeren, zijn al helemaal niet aan mij besteed: Zoom, Praatbox, Jitsi, Skype, Microsoft Teams, Houseparty, Google Meet, Whatsapp-videocall, enz. Noch in koorverband, noch voor onlinevergaderingen in werkcontext en eigenlijk ook niet voor familiezaken – al wil ik me voor dit laatste forceren indien nodig. Ik beklaag de mensen die plots gedwongen worden om via deze tools thuis te moeten functioneren, terwijl ze gelijktijdig een stel peuters, kleuters en/of tieners in toom moeten houden en schoolwerk dirigeren via nog andere elektronische platformen! En daarbovenop nog een huishouden moeten runnen…
Tot ik ziek werd verliep mijn coronamatisch leven nog vrij normaal. Ik ging alle dagen de deur uit naar mijn werk. Ik realiseerde me dat ik tot de happy few behoorde die nog gewoon naar buiten mochten als voorheen. Alleen, het was allesbehalve als voorheen. Onderweg werd het alsmaar wezenlozer omdat er haast geen ander levend wezen te bespeuren viel. Niet op de bus noch op de trein, maar ook niet wanneer ik me met de wagen verplaatste wegens ontoereikend openbaar vervoer. ‘s Avonds laat reed ik met de auto over lege rijvakken, ik wachtte als enige automobilist een kwartier tot een ellenlange goederentrein voorbijgesjoekt was maar er stond ondertussen niet één voertuig méér voor de barelen. Ook geen voetganger of fietser.
Overal werd er alleen nog maar gecommuniceerd over vorona si en corona là. De briefings op het werk waren verre van ‘brief’ en ze gingen vooral over de in het coronaverhaal passende voortdurend wijzigende afspraken, maatregelen, voorwaarden, veiligheidsvoorschriften en penaliseringen bij overtredingen daarvan binnen ons opvangcentrum. Het coronahandboek. De coronalijst (van mogelijk besmette bewoners die in quarantaine gezet werden). De corona-wiki, enz.
Door de nieuwsbulletins en de duidingsprogramma’s die je overal om de oren slaan, ja die zich ronduit aan je opdringen en die alléén maar over het virus gaan, ging ik angstig worden. Hulp, ik kom alle dagen buiten! Hulp, ik begeef me dagelijks tussen honderden mensen die de afstandsregels (althans de eerste weken) niet zo nauw nemen. Ook niet altijd nauw kúnnen nemen want verzoekers om internationale bescherming in een opvangcentrum leven noodgedwongen enorm dicht op elkaar. Ze slapen met 4 tot 7 op één kamer, ze eten in een refter die sowieso al te klein is, ze maken gebruik van gemeenschappelijk sanitair, van gemeenschappelijke tv-ruimten, van een gemeenschappelijke fitnessruimte, van gemeenschappelijke laptops, van gemeenschappelijke strijkijzers en -planken, spelmateriaal, poetsgerief; materiaal dat ik en mijn collega’s beheren, hanteren. Bovendien is het niet eenvoudig om al die ingewikkelde – en vaak veranderende – informatie aan anderstaligen uit te leggen!
In het begin mochten wij, werknemers, geen mondmasker dragen (de bewoners zouden kunnen denken dat we ziek waren en ook allemaal mondmaskers eisen, en… er waren onvoldoende mondmaskers). Dan mochten we enkel onder strikte voorwaarden in bepaalde situaties chirurgische mondmaskers voorbinden. Nu moéten we mondmaskers (gaan) dragen!
De vraag was op den duur niet meer of ik ziek zou worden, dan wel wanneer. Het onvermijdelijke gebeurde. Ik werd ziek. En ook mijn partner werd ziek en dat was erger. Want hij behoort tot een risicogroep of twee, drie.
Reeds bijna drie volle weken ben ik nu arbeidsongeschikt verklaard en mag ik het huis niet verlaten. Nog eens zovele dagen en het is letterlijk een ‘quarantaine’. Nooit eerder voelde ik me zo volkomen arbeidsongeschikt. Van week tot week moest ik mijn huisdokter bellen voor een evaluatie van de symptomen en telkens schreef ze een verlenging van het attest want ik was overduidelijk niet in staat om mijn werk te verrichten. Ik was “geen sjiek waard”. In het begin waren er koorts, hoofdpijn, spierpijn en stijve gewrichten, hoesten, geen stem meer hebben en vooral: moe zijn, altijd moe zijn, enkel willen slapen en in de zetel hangen. Ook de hele vreemde gewaarwording dat je je reukzin volledig kwijt bent, en niets meer proeft.
Daarna leek het te verbeteren maar het hoesten blijft en zeker het vermoeid zijn doorkruist je plannen om weer aan de slag te kunnen. Het gaat veel op en af, het lijkt beter en dan gaat het toch weer in neerwaartse spiraal. Je wil op een dag eens proberen om al die vuile was te doen want het wordt zo’n enorme stapel. Oké, daar is een apparaat voor, maar je moet ervoor naar beneden, je moet de was sorteren en daadwerkelijk in de machine steken en er product bijvoegen, na het wasprogramma de kledingstukken aan het rek te drogen hangen enz. Aan het eind van de rit ben je uitgeput en laat je die was maar wapperen want je kan amper uit de zetel.
Wat een geluk dat er lieve vrienden zijn die boodschappen aan huis brengen. Maar zelfs het bedenken en doorzenden van een boodschappenlijst vraagt soms te veel energie.
En wat een geluk dat mijn liefste meestal kookt en de heerlijkste maaltijden op tafel tovert. Tot hij (te) ziek werd en zelfs opgenomen moest worden in het ziekenhuis.
Dat is het allerergste, je wil niet weten hoe het voelt om je geliefde in een ambulance te zien verdwijnen en hoe een slap zwaaiend handje als een mogelijk lang of in het ergste geval zelfs definitief afscheid aanvoelt. Want deze onzichtbare vijand heeft al veel mensen weggerukt. Pijnlijk.
Y. wordt snel beter. Momenteel bevindt hij zich in die akelige omgeving waar verplegenden en dokters er eerder als brandweerlui uitzien met hun bevreemdende uitrusting. Er wordt keigoed voor de patiënten gezorgd, maar er mag helemaal geen bezoek komen en de organisatie loopt soms spaak omdat er een hele reorganisatie gebeurde waarbij vaak minder mensen het hele logistieke en verzorgende gebeuren op een andere afdeling op een heel andere wijze moeten bolwerken. Chapeau voor hen allen!
Ik ben blij dat mijn partner niet op intensive care ligt, hij is bij de ‘gelukkigen’ voor wie er vrijwel zeker een gunstige prognose is.
Een nieuw tijdperk lijkt aangebroken. Vroeger toen de dieren nog spraken wordt nu vroeger toen we elkaars grimassen en glimlachen nog konden onderscheiden, toen we elkaar nog een welgemeend schouderklopje konden geven, elkaar tijdens het groeten nog over de rug konden wrijven of in elkaars armen konden vliegen nadat we elkaar een poosje niet gezien hadden. Toen kinderen nog onbezorgd mochten ravotten en op elkaar springen, proeven van elkaars lolly, elkaar kopje onder duwen in het zwembad. Toen leerlingen bij een toets nog een poging konden doen af te kijken van hun ijverige buur. Toen we onze ouders nog onbeperkt mochten knuffelen, ook al waren ze reeds 80 en ouder, al dan niet in een rust- en verzorgingstehuis. Toen we in trein of bus nog rustig een praatje konden slaan met wie naast of tegenover ons zat. Toen mensen niet hoefden te aarzelen om een beetje te flirten op een bank in het park. Toen we nog lekker konden wegzakken in een cinemastoel en geïrriteerd een boze blik konden werpen op een luidruchtig chipsetende cultuurbarbaar vlak naast ons.
Nu zal een (denkbeeldige?) meetstok deel gaan uitmaken van het dagelijks leven.
Maar. Alles wordt beter. Als we ooit de maskers mogen afzetten.
Mattie Billen schreef deze tekst voor de blog Pierewit.
Ook voor 87 Seconds zijn het zware tijden. Het Brusselse productiehuis voor creatieve bedrijfscommunicatie ziet met lede ogen aan hoe zo goed als alle opdrachten vanwege het coronavirus uitgesteld of geannuleerd worden. De creatievelingen blijven niet bij de pakken zitten. Ze lanceren de animatieserie ‘Plezierig Nieuwsgierig’ om kleine kinderen op een ludieke manier te informeren over de gezondheidscrisis.
“Ik heb zelf twee kinderen van zeer jonge leeftijd, en beiden hebben geen flauw benul van wat er allemaal aan het gebeuren is sinds enkele weken. Ze zitten met een behoorlijk WTF-gevoel”, zegt Philip Swinnen, zaakvoerder van 87 Seconds.
‘Plezierig Nieuwsgierig’ (in het Frans ‘Le Journal Qui Banane’) wil in episodes van een minuut kleine kinderen tussen vier en acht jaar vertellen wat er vandaag aan de hand is. De nadruk ligt niet op de ziekte, maar op de positieve acties die eruit voortvloeien.
De eerste aflevering gaat over de dagelijkse gewoonte om om 20 uur aan je voordeur of op je balkon applaus te geven voor de zorgverleners en al wie het land recht houdt in deze uitzonderlijke tijden. Er komen ook filmpjes over minder vervuiling, minder auto’s op de snelwegen en een bewustere consumptie.
Uitgaan kan niet meer. Thuisblijven nog wel. Mix die twee ingrediënten, en je krijgt een House Party via Skype.
Dj Thomas geeft je een les muziekgeschiedenis door te grasduinen in zijn vinylplatencollectie. Dance, funk, rythm ‘n blues, rock, disco, elektro, soul en charleston passeren de revue. Helemaal live en te volgen op computer en smartphone in HD-kwaliteit.
Het feestje vindt plaats op zaterdag 28 maart, vanaf 21.30 uur. Inbellen via Skype: thomasbellen. De organisatie is in handen van Thomas Sennesael. Meer info en aanmelden kan via het Facebook-evenement.
Net voor het concert zou beginnen, schuifelden twee oude mensen arm in arm de zaal binnen. De altijd attente ticketverkoopster was van achter haar balie gekomen om hen te begeleiden en hen persoonlijk hun plaats op de eerste rij toe te wijzen. Ik herkende de man meteen: het was professor De Vriendt, van wie ik in de eerste kandidatuur Nederlandse taalkunde had gekregen. Een man die zijn naam mooi droeg, want er was nooit iets onvriendelijks aan hem. Zijn gezicht lachte altijd, zelfs wanneer hij neutraal keek, leek het alsof hij zijn lach inhield. Het lukte hem niet zijn mond strak te houden of zijn blauwe ogen wat minder te laten stralen. Zijn rimpels waren lachrimpels.
Vierentwintig jaar had ik hem niet meer ezien. Onlangs nog had ik het met mijn man, die ook les van hem kreeg, over hem gehad. Vermits professor De Vriendt al in de zestig was toen hij mij lesgaf, had ik me afgevraagd of hij nog leefde. De kans was klein. In mijn hoofd was hij iemand van wie ik lang geleden al afscheid had genomen, niet iemand die ik ooit nog zou tegenkomen.
Nu zat hij recht voor mij, met één rij tussen ons, naar Bach te luisteren. Het concert was prachtig. Nooit had ik een passie van Bach live horen uitvoeren, met twintig muzikanten en twintig zangers. De muziek vervulde me zozeer, dat ik mijn professor even vergat.
Na het overweldigende applaus zag ik hem en zijn vrouw rechtstaan en moeizaam de tribune verlaten. Ik wachtte hen op bij de rand van de tribune en reikte de vrouw de hand. Ik zei dat ik in het theater werkte en nog les had gekregen van haar man. Ze vroeg of ik dan ook van haar les had gekregen, dat was niet zo. Zij vonden het altijd fijn oud-studenten tegen te komen, zei ze. En ze hadden zo van de avond genoten. Gelukkig waren ze nog net op tijd geweest, ze hadden in de file bij het Zuidstation vastgezeten.
Veel herinnerde ik me niet van de lessen van de professor. Toch dacht ik nog vaak aan hem. Dat kwam doordat hij zijn hond, een blonde labrador, altijd meenam naar de universiteit. De hond bleef in zijn kantoor en was nooit bij hem in het leslokaal, maar soms kwam je hen samen tegen in de lift. Tijdens de middagpauze liet hij het dier uit op de campus.
“Het was elf uur dus tijd om de hond uit te laten.” Dat was eens een voorbeeldzin in de les geweest. Waarschijnlijk ging het hem om de rol van de woorden “het” of “dus”. Hij was geïntrigeerd door de kleine woordjes in onze taal, en vooral door het woordje ‘er’. Ik vond het mooi dat hij een uit zijn eigen leven gegrepen zin ter ontleding aanbood. Dat hij iets van de warmte van zijn thuis in zijn grammaticales had gesmokkeld.
Voorheen had ik er nooit bij stilgestaan, dat hondeneigenaars laat ’s avonds, wanneer anderen in pyjama voor de buis zitten of al gaan slapen zijn, nog even naar buiten moeten met de hond. Sinds die zin was het me beginnen op te vallen, wanneer ik ’s avonds terugkeerde van het theater, dat ik op straat vooral mensen met een hond kruiste. “Het was elf uur dus tijd om de hond uit te laten,” flitste dan door me heen. Oneindig veel keren had ik zo aan professor De Vriendt gedacht. Pas nu besefte ik, hoe vaak hij me ’s avonds in nagenoeg verlaten straten had vergezeld.
In de foyer vertelde zijn vrouw me trots over hun kleinkinderen en wat ze allemaal geworden waren. De jongste was achttien, de oudste drieëndertig. De professor vroeg hoe lang geleden het was dat ik in zijn klas zat. “Vierentwintig jaar.” “Ik ben drieëntwintig jaar geleden met pensioen gegaan.” Ik kon zijn gezegende leeftijd ongeveer uitrekenen. Ze vroegen wat ik deed en toen ik zei dat ik schreef, spoorden ze me aan om zeker voort te doen. Ze vroegen om hen op de hoogte te houden. “Wonen jullie in Brussel?” vroeg ik. “In Sint-Genesius-Rode”. Wat was zijn voornaam ook weer? Ik herinnerde me dat het een speciale naam was, maar kon er niet meer op komen. “Sera – Seraphin”. Hij was naar zijn grootvader vernoemd, zo ging dat in zijn tijd.
Hij herinnerde mij zich niet en ook mijn man kon hij zich niet meer voor de geest halen. De meeste studenten van aan het eind van zijn carrière was hij vergeten. Ik vertelde dat ik nog geregeld aan hem en zijn hond dacht. “Welke was dat toen?” “Een blonde labrador”. “Dat is de laatste labrador die we gehad hebben. Die wegen dertig kilogram, ik kan ze niet meer tegenhouden, ik ben niet sterk genoeg meer. We hebben nu een ruwharige teckel. Ik moet nu naar huis om hem uit te gaan laten,” zei hij lachend. Het was kwart voor elf.
Ik begeleidde hen naar de uitgang, schudde mijn professor de hand, zijn vrouw omhelsde me en drukte vier kussen snel na elkaar op mijn rechterwang.
Thuis vertelde ik mijn man over de ontmoeting, hij deelde in mijn vreugde.
De volgende dag zocht ik de eigenaardige voornaam van mijn professor op in het woordenboek. “Naar het Oude Testament. Engel van de hoogste rang, die in de nabijheid van God lofliederen zingt”.
Gelukkig was hij de vorige avond gewoon een man op de eerste rij in het theater, vlak voor mij.
*
Deze tekst schreef ik vier jaar geleden. Gisteren vernam ik dat professor De Vriendt op 90-jarige leeftijd is overleden. Rust zacht, mooie man. Veel sterkte aan je lieve vrouw. Intussen werk ik niet meer in het theater. Ik geef nu Nederlands! (en ja, mijn cursisten vinden ‘er’ een moeilijk woordje)
Kerstavond 2019 in de Singelijnschool in Sint-Lambrechts-Woluwe. Het kerstmaal is meestal een bijzonder moment voor gezinnen. Het gezin krijgt ditmaal een veel bredere betekenis. Onder impuls van de directeur verwelkomen leerlingen, ouders en leraren vluchtelingen voor een gezamenlijke maaltijd en een warm bed achteraf. Het aantal gasten is met 60 à 80 indrukwekkend. Het is een primeur voor de school.
De directeur denkt al aan volgend jaar. Hij is bereid om het initiatief te herhalen, al koestert hij de gekke hoop dat de staat eindelijk zijn verantwoordelijkheid opneemt en er in 2020 geen noodzaak meer is om de school te openen voor deze jonge reizigers.
De tekst en de foto’s zijn van straat- en documentairefotograaf Frédéric Moreau de Bellaing. Meer info over zijn werk vind je op zijn website, Facebook-pagina en Instagram en in een interview met Bruzz.