GR-wandeling van Brussel naar Woluwe

Brussel is een knooppunt van tal van Grote Routepaden. De GR579 vertrekt van achter de Sint-Michiels en Sint-Goedelekathedraal in de Belgische hoofdstad en loopt tot in Luik, maar ook de GR126 gaat van Brussegem via de kathedraal tot aan de Semois. Tot slot is er de GR12 die Amsterdam en Parijs verbindt en op zijn weg door Brussel passeert.

Sint-Michiels en Sint-Goedelekathedraal

Ik maak van de gelegenheid gebruik om mijn geboorte- en thuisstad voor te stellen en maak hierbij gebruik van de GR12, maar ook de GR512, die door de zuidelijke randgemeenten en het Zoniënwoud loopt. Een mooie wandeling langs tal van toeristische trekpleisters en andere blikvangers. Het wordt voor de verandering een eerder atypische dagtocht, niet alleen in bossen of in de velden. De eerste twintig kilometer gaan immers grotendeels door de stad.

Beginnen doe ik aan het Centraal Station van Brussel en ik begeef me dan naar het knooppunt van de GR126 en 579 met de GR12 achter de kathedraal. Een verguld beeld van drakendoder Sint-Michiel, patroonheilige van de stad en tevens naamgever van de kathedraal, wacht me daar op. Onder zijn goedkeurend oog begin ik aan dit stedelijke avontuur, waarbij ik regelmatig voor een verkeerslicht halt moet houden. Maar dat zal de pret niet bederven.

Na een paar honderden meters draai ik de Beenhouwersstraat in. Het straatje staat bekend om zijn restaurants, maar van kwaliteit is daar weinig sprake (op misschien Aux Armes de Bruxelles na, en dan nog). Het is eerder de soms agressieve en aanklampende manier van de restaurantuitbaters om toeristen te lokken die van zich doet spreken. Het blijft wel een charmant straatje, ware het niet dat er al een tijdje geen terrassen meer mogen staan en corona geeft het al helemaal een zielige aanblik.

Onderweg passeer ik nog de Koninklijke Sint-Hubertusgalerijen. Dan gaat het over het mooiste plein van de wereld: de Grote Markt. Tot de jaren ’70 was de Grote Markt zo waar een openluchtparking. Gelukkig is dat tegenwoordig niet meer het geval, al zorgen bestelwagens wel voor wat drukte op het lege plein. De vele gildenhuizen kregen in de afgelopen jaren ook een nodige poetsbeurt, zodat de Grote Markt tegenwoordig straalt. Bij Manneken Pis, waar het in normale tijden ook over de koppen lopen is, is nu amper een toerist te bespeuren.

In de Villersstraat kom je nog een stuk van de 11de-eeuwse omwalling tegen. In november 2018 stortte een deel van de muur in en viel op de speelplaats van de daarachter liggende Sint-Jorisschool. Gelukkig gebeurde dat op een zondagnacht en vielen er dus geen gewonden. Enkele meters verder staat ook nog een toren van diezelfde omwalling, op de Keizerslaan.

Stadsmuur uit de 11de eeuw

Via de Grote Zavel, het parkje van de Kleine Zavel en het Egmontpark kom ik bij het Justitiepaleis (eind 19de eeuw) uit. Dat uit de kluiten gewassen gerechtsgebouw is van de hand van Joseph Poelaert, ook wel smalend “Skieven Architèk” genoemd door de Marolliens en Brusseleirs. Voor de bouw van dat onding moest een deel van de volkswijk Marollen tegen de vlakte. Het gebouw is onpraktisch en totaal niet geschikt als gerechtsgebouw. Al jaren vinden er herstellingswerken plaats en die duren nu al zo lang dat de stellingen ook al hersteld moesten worden. Een kleine anekdote: ik heb het gebouw nooit zonder stellingen gekend en ik woon al mijn hele leven (35 jaar!) in Brussel. Vanaf het Poelaertplein voor het Justitiepaleis heb je ook een mooi panorama over de hele stad.

De GR loopt van het Justitiepaleis naar de Hoogstraat, een van de twee evenwijdige assen die de Marollen doorsnijdt. Je kan ofwel de lift nemen, of de zigzaggende weg (eerder een parking) naar beneden volgen. Na 4,5 kilometer kom ik bij de Hallepoort uit, waar ik de Kleine Ring moet oversteken. De Hallepoort maakte ooit deel uit van de tweede stadsomwalling van Brussel uit de 14de eeuw. Al is het huidige gebouw een fantasietje van architect Hendrik Beyaert die er eind 19de eeuw zijn ding mee mocht doen. Tegenwoordig is het een museum dat wel de moeite waard is om te bezoeken.

Ik kom in de populaire gemeente Sint-Gillis, dat met het gelijknamige voorplein over een hotspot beschikt voor cafégangers. Al is daar in de huidige omstandigheden natuurlijk niks van te merken. Langs het impressionante gemeentehuis van Sint-Gillis wandel ik naar het Park van Vorst, gevolgd door het bosachtige Dudenpark. Nu de bomen hun bladeren kwijt zijn kan je het stadion van Union Saint-Gilloise zien liggen. Ooit was dit een van de beste voetbalclubs van België, met maar liefst 11 landstitels en 8 tweede plaatsen tussen 1904 en 1933.

Het pad gaat in een grote boog om Hoogte 100 heen. Je kan er de bleke Sint-Augustinuskerk zien staan. Via de Coghensquare en de Sint-Pieterskerk kom ik bij de Heldensquare en het Wolvendaalpark uit. De GR gaat niet door het park, maar volgt de Crabbegatweg. Deze oude voetweg is één van de laatste van zijn soort in heel Brussel. De weg blijkt gesloten voor renovatiewerken, maar dat merk ik pas als ik halfweg ben en er plots een karrevracht kasseien over de hele breedte van het pad ligt. Omdat het ondertussen ook is beginnen regenen, is het geen pretje om daarover te wandelen.

Crabbegatweg

Na zo’n 11 kilometer passeer ik het kerkhof van Dieweg. Ik ga er niet binnen, maar het is wel de moeite om er een kijkje te nemen als je het nog niet kent. Het heeft wat van Père Lachaise in Parijs, maar bij ons beperkt het aantal beroemdheden met een graf op het kerkhof zich tot Hergé (tekenaar van Kuifje), Paul Hankar (architect, bekend om zijn art nouveau), Charles Woeste (politicus) en Jean-Pierre Cluysenaar (architect en de man achter de Sint-Hubertusgalerijen). De Dieweg loopt door tot aan het treinstation van Ukkel-Kalevoet. Daarachter is het park van de Keyenbempt, waar ook de Groene Wandeling passeert. Hier zijn nog steeds overblijfselen van een molen aan de Geleytsbeek die begin 20ste eeuw in verval raakte.

Wat verder steek ik de onzichtbare grens tussen het Brussels Gewest en Vlaanderen over in Drogenbos. Het kasteel aldaar is lelijk, maar verderop is er wel een mooi park: het Frankveld. Na 16 kilometer, bij de spoorwegbrug, kom ik aan de splitsing van de GR12 met de GR512. Opletten dus, of voor je het weet ben je in Parijs. Ik moet door het Dwersbos en Kleetbos naar Linkebeek. Ook hier is een treinstation: Holleken (na 21,5 km). Langs villabuurten, velden en soms flink wat modder, gepaard met af en toe een regenbui, kom ik na bijna 25 kilometer bij de Waterloosesteenweg. Die steek ik over om in het Zoniënwoud te geraken.

Het gaat nu vijf kilometer in bijna rechte lijn. Voor de kruising van de Duboislaan is er het Monument voor de Boswachters uit 1920. Op de Bundersdreef die pal op de grens tussen Brussel en Vlaanderen ligt, kan ik stevig tempo maken. Het is ten noorden van deze dreef dat ik als kind opgroeide. Dat deel van het bos was mijn speelterrein. Leuke herinneringen! Pas na de tunnel onder de spoorweg en de oversteek van de Terhulpsesteenweg wordt het pad echt interessant en verlaat ik de brede boswegen.

Het Eikendalpad langs een van de waterloopjes die de Drij Borrenvallei vormen is een van mijn favoriete paden in het Zoniënwoud. Bij de kruising met de Tamboerdreef verlaat ik de GR512 en ga via de Blankedelleweg en het Drieborrenpad richting E411-snelweg. Die autoweg snijdt, net als de Brusselse Ring, jammer genoeg het Zoniënwoud in stukken. Aan de overkant wacht met het Rood Klooster (oorsprong 14de eeuw) wel nog een pareltje. Zeker in de drie warmste seizoenen is dit een ideale plek om tot rust te komen met prachtig natuurschoon. Via nog wat kleine paadjes en de villawijk Putdaal kom ik aan het einde van de tocht, aan tramhalte Madoux in Sint-Pieters-Woluwe (niet te verwarren met metrostation ‘Madou’, zonder x).

Rood Klooster

Wil je je ook aan deze mooie wandeling wagen? Download de GPX van deze wandeling hier.

Met het openbaar vervoer: Startpunt ligt bij het trein- en metrostation “Centraal Station”. Eindpunt ligt aan de tramhalte Madoux in Woluwe, vanwaar je met de tram (39 of 44) en na overstap op de metro (halte Montgomery, lijn 1) binnen een half uur terug aan het Centraal Station bent.

  • Datum: Dinsdag 22 december 2020
  • Pad: GR12 + GR512
  • Afstand: 35,7 kilometer
  • Stijgingsmeters: 396m
  • Dalingsmeters: 370m

Alternatieve dagtochten:

  • Centraal Station Brussel > Ukkel-Kalevoet (treinstation): 12 kilometer
  • Centraal Station Brussel > Drogenbos Kasteel (tram 51 naar Zuidstation): 13,8 kilometer
  • Centraal Station Brussel > Holleken (treinstation): 21,5 kilometer
  • Ukkel-Kalevoet > Tramhalte Madoux: 24 kilometer
  • Drogenbos Kasteel > Tramhalte Madoux: 22 kilometer
  • Holleken > Tramhalte Madoux: 14 kilometer

Michel schreef deze tekst voor zijn wandelblog Ultimate Hiking.

Rewind: de ster van het Noord – een kerstverhaal

Ergens in het najaar van 2015 kreeg ik op het werk een sollicitatiebrief. Ik twijfelde steeds vaker of mijn administratieve job me nog genoeg voldoening gaf, maar sollicitatiebrieven kreeg ik graag. Ik las ze aandachtig en probeerde steeds een persoonlijk antwoord te geven. Deze brief raakte me: ik kende de afzender ervan. Niet persoonlijk, ik had over haar gelezen. Niet lang geleden had zij een prachtig boek over oude winkelinterieurs gepubliceerd. Met haar vzw Arsène streed ze voor het behoud van waardevolle oude winkelinterieurs.

Ik antwoordde dat zij niet voldeed aan de vereisten voor de job, maar dat ik vond dat zij bijzonder nuttig werk leverde en dat ik haar liefde voor oude winkelinterieurs deelde. Dezelfde dag werden Katherine Ennekens en ik vrienden op Facebook.

Niet lang daarna postte Katherine een foto van de ster van Brussel Noord. ‘Je weet toch dat die ster gaat verdwijnen?’ reageerde Stijn Tormans. Stijn kende ik niet. Hij bleek al jaren prachtige stukken te schrijven voor Knack. Over dingen waar niemand anders over schreef, omdat niemand er oog voor had, kleine menselijke verhalen, vaak in het verleden geworteld. Stijn had aandachtig gekeken op de borden die de renovatiewerken van de centrale hal aankondigden. Hij had gezien dat de ster plaats zou moeten maken voor het lelijke nieuwe NMBS-logo in regenboogkleuren. We waren verontwaardigd: hoe was het mogelijk dat de NMBS de waarde van de ster niet inzag?

De ster zoals ze vroeger was en het geplande ontwerp voor renovatie, zonder ster met NMBS-logo

Niet veel later, op 1 november, reisde ik met de trein naar een literaire ochtend in Boekhandel De Zondvloed in Mechelen. Onder de titel ‘Beste Buren’ stelden enkele Vlaamse schrijvers een Nederlandse schrijvende zielsverwant voor. Dankzij Bernard Dewulf leerde ik daar Miek Zwamborn kennen, een naam die hier niet meteen bekend klinkt omdat zij een schrijver in de luwte is. Niet iemand die met luide stem op sociale media aanwezig is. Miek Zwamborn vertelde die dag dat zij graag wandelingen in de natuur maakte en dan terugkeerde met zes stenen in haar zak. Niet meer, niet minder.

Ze straalde een zekere wereldvreemdheid uit. Ik vond haar intrigerend. Ik was dan ook heel blij toen ik op de terugweg van die literaire ochtend naast deze schrijver op de trein van Mechelen naar Brussel belandde. De trein is een goede plek voor toevallige ontmoetingen. Miek Zwamborn vertelde me dat ze soms als sluiswachter werkte. Zij had gewerkt bij een sluis aan de Vecht, in het mooie stadje Weesp waar ik elke zomer kwam, omdat mijn oom er een tweedehandsboekenwinkel had. Ook dat vond ik een wonderlijk toeval.

Miek Zwamborn en ik stapten uit in het Noordstation. Zij moest ’s avonds in Leuven zijn en vroeg me welke trein ze moest nemen. In de centrale hal keken we samen op de aankondigingsborden. Ik wees naar de ster en vertelde dat die moest verdwijnen. Ik zei dat ik het zo erg vond. ‘Je moet actie voeren,’ zei ze. En omdat ik denk dat het toeval geen toeval is, maar ons iets wil vertellen, besloot ik haar raad te volgen. Nooit eerder had ik actie voor iets gevoerd. Hoe begon je daaraan? Ik vroeg Katherine en Stijn, die ik in het echte leven nog niet ontmoet had, of ze mijn bondgenoten wilden zijn. Niet veel later zaten we samen aan tafel in café Flamingo.

Katherine vertelde me hoe belangrijk ze het vond dat erfgoed op zijn oorspronkelijke plek bewaard werd. Niet in een museum en zeker niet in een depot. Wat konden we ondernemen? Een petitie vonden we zinloos en zielloos. En dat was onze ster net niet. Wie had hem ontworpen?  We zouden het proberen te achterhalen. We zouden fotografe Saskia Vanderstichele vragen een foto van de ster te maken. En zou Plaizier daar een postkaart van willen drukken? Kerst kwam eraan, het zou een mooie kerstkaart zijn.

© Saskia Vanderstichele

We konden schrijvers en dichters vragen om een ode aan de ster. Fotografen om een foto. Illustratoren en schilders konden hem tekenen. We moesten een Facebookpagina maken. Een collega van me kon die naar het Frans vertalen. Iedereen die we kenden, zouden we spreken over de ster. Een draagvlak creëren voor onze actie vonden we belangrijker dan het verzamelen van een paar duizend handtekeningen.

Ik schreef Geert Van Istendael over de ster. Toch erg dat deze in Trainworld zou komen te hangen, in plaats van in het Noordstation. ‘U hebt gelijk. Wat verwacht u van mij?’ luidde zijn antwoord. Ik vroeg of hij een ode aan de ster kon schrijven. ‘Wanneer moet het klaar zijn?’ ‘Volgende week?’ ‘Dat is goed.’ Onze correspondentie was even kort als krachtig. Niet veel later stuurde Geert Van Istendael zijn gedicht, een pleidooi in sappig Brussels voor het behoud van de ster. Ook Kevin Bellemans en Frank De Crits schreven hun ode aan de ster. En Tom Schamp stuurde een prachtige tekening.

© Tom Schamp

Snel begon de ster te leven. Mensen begonnen me erover aan te spreken. Ze stuurden foto’s en tekeningen van de ster. Soms voelde ik enige gêne hierover. Het was maar een ster. Hadden we niet beter voor iets groters, iets nobelers gestreden?

Maar de ster van het Noord had een symbolische waarde. Ze verwees naar L’Etoile du Nord, de stoomtrein die vroeger van Parijs naar Brussel reed. Deze trein was op zijn beurt vernoemd naar de Poolster, die bij nacht de weg naar het noorden wijst en zo verhindert dat mensen verdwalen. De ster was een herkenningspunt voor verdwaalde reizigers. In Brussel Noord en het nabije Maximiliaanpark verbleven mensen die noordwaarts waren gereisd, op zoek naar een beter leven. De ster hing nergens beter dan hier.

Toen we van de NMBS vernamen dat de ster sneller dan verwacht zou verdwijnen, besloten we de stadskrant Brussel deze Week  (nu Bruzz) te contacteren. Tot onze verrassing haalde de ster de voorpagina. Andere kranten namen het bericht over. De ster was nieuws. Het hielp ongetwijfeld dat het bijna Kerstmis was.

Ook TV Brussel berichtte in het nieuws over de ster. Stijn trad op als woordvoerder. Tot onze verbazing kwam ook Geert Van Istendael opdraven om zijn ode voor te dragen. In die reportage zeiden reizigers dat ze de ster nooit eerder hadden opgemerkt. Maar ze vonden toch dat ze moest blijven. Mensen waren bereid om te strijden voor iets waar ze nooit oog voor hadden gehad.

We planden nog een flyeractie aan het station. Dat was niet meer nodig. De NMBS besliste dat de ster mocht blijven. Ze zou worden weggehaald tijdens de restauratiewerken van de centrale hal en intussen zelf gerestaureerd worden. Daarna zou ze netjes teruggehangen worden.

De NMBS hield belofte. Drie jaar later is de centrale hal met ster in eer hersteld. Zonder Katherine, Stijn en mij zou ze er niet meer geweest zijn. En zonder alle mensen die ons gesteund hebben. Het troost me dat je in deze wereld soms wél het verschil kunt maken. Niet met een petitie. Maar met gedichten, foto’s en tekeningen. Door met veel mensen te spreken. Over de betekenis van iets. Door hen te wijzen op iets wat ze niet eerder hebben gezien.

Er zijn zoveel dingen om voor te strijden. Maar actie voeren is intensief. Je kunt het niet altijd opbrengen in deze drukke tijden. Daarvan wordt geprofiteerd om boven onze hoofden beslissingen te nemen waar we het niet mee eens zijn. Vaak krijg je ook de kans niet om actie te voeren. Omdat je onvoldoende geïnformeerd bent. Omdat je onvoldoende tijd krijgt, voor voldongen feiten wordt geplaatst. Het had niet veel gescheeld of we hadden op een dag ineens vastgesteld: de ster is verdwenen.

De ster dankt haar redding aan een reeks toevallige ontmoetingen en gebeurtenissen. Katherine, Stijn en ik zullen door de ster voorgoed verbonden blijven. Intussen vond ik de moed opnieuw te gaan studeren en mijn werk te verlaten. Ik geef nu Nederlandse les aan mensen die de Noordster gevolgd zijn, op weg naar een vredevoller leven. De voorbije maanden passeerde ik elke dag langs de ster, op weg naar mijn nieuwe werk. Met de gedachte: een mens is soms sterker dan hij denkt.

Kerst 2019. Vier jaar na onze actie schittert de ster als nooit tevoren in Brussel Noord. Eén mysterie blijft. We weten nog steeds niet wie de ster ontworpen heeft. Na de overwinning vertelde iemand op onze Facebookpagina dat ze in het Noordstation een dame had aangesproken die een foto maakte van de ster. Ze bleek de dochter te zijn van de ontwerper. Ze vertelde dat haar vader het jaar ervoor op 90-jarige leeftijd overleden was. Hij was erg verknocht geweest aan zijn ster.

Dat is het enige wat we weten over de vader van de Noordster. Ooit hopen we zijn naam te kennen.

De Noordster in de gerenoveerde stationshal

Bekijk de reportage van Bruzz over de ster en bezoek de Facebookpagina van Red de ster.

Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.

Fotograaf in beeld: Pascal Harmant

Wie lid is van de populaire Facebook-groepen Bruxellois une fois! of I love Saint-Gilles – I love Sint-Gillis ziet geregeld foto’s van hem passeren. Pascal Harmant brengt bekende Brusselse gebouwen en plaatsen in beeld, in zwart-wit of kleur, maar altijd met veel flair en gevoel voor esthetiek. Bijna te mooi om waar te zijn. Tijdens de lockdown legde hij de verlaten stad vast. Pascal is een geboren Brusselaar van 57 jaar oud. Hij houdt van reizen, op restaurant gaan, informatica en fotografie. Een kennismakingsgesprek.

(c) Pascal Harmant

Hoe is je liefde voor de fotografie ontstaan?

Ik heb altijd van fotografie gehouden. Ik doe het al veertig jaar, weet je. Mijn eerste toestel kreeg ik toen ik vijftien was. Ik ben een autodidact en hobbyfotograaf.

Hoe zou je je eigen foto’s omschrijven qua thematiek, stijl, toon…?

Ik heb geen eigen vastomlijnde fotografische stijl. Eerlijk gezegd stoort het me soms als fotografen altijd hetzelfde soort foto’s maken. Dat is wellicht makkelijker om naam te maken. Ik hou meer van afwisseling.

(c) Pascal Harmant

Wat bevalt je aan Brussel? En wat niet?

Ik hou in de eerste plaats van de mensen. En zeker ook van iconische plekken als de Grote Markt en de Zavel en van stijlvolle huizen, bijvoorbeeld in art nouveau. Mooie architectuur, zeg maar.

(c) Pascal Harmant

Wat me tegen de borst stuit, is het gebrek aan burgerzin en respect voor andermans eigendom. Denk maar aan de tags op muren en winkelluiken. Street art vind ik nochtans geweldig.

Wat zijn de drie mooiste foto’s die je al in Brussel gemaakt hebt? En waarom?

Dat is een onmogelijke keuze. Neem een kijkje op mijn pagina, waar je veel foto’s vindt. Elke foto ligt mij na aan het hart, of ik die nu spontaan in de gauwte genomen heb of na ampel beraad.

Wat is volgens jou de meest fotogenieke plek in Brussel?

Onze magnifieke Grote Markt en de omgeving ervan.

(c) Pascal Harmant

Op welke onbereikbare plek in Brussel zou je graag foto’s willen nemen?

Ik ken genoeg prachtige huizen in Brussel die niet toegankelijk zijn voor het publiek.

Heb je nog een droom of ambitie als fotograaf?

Ik zou graag een fotoreportage maken op IJsland of Madagaskar of op andere plaatsen die ik dolgraag wil ontdekken.

Pascal Harmant deelt zijn foto’s op zijn Facebook-pagina en bij de Nikon Club.

Brussel is een goudmijn voor gepassioneerde fotografen. Onze vaste rubriek Brussel in Beeld bewijst dat, maar ook op andere sites en op Instagram en Facebook vallen er mooie Brusselse foto’s te bewonderen. Hoog tijd om de mens achter de lens in beeld te brengen. Deze bijdrage past in de reeks Fotograaf in Beeld.

De kaakslagflamingant

Louis is een overtuigde flamingant. Hij heet eigenlijk Lode, maar we noemen hem Louis. Dat irriteert hem soms. ‘Ik noem Lode,’ roept hij dan. Wij repliceren: ‘Je heet Lode, maar wij noemen je Louis.’ En dan weet hij niet meer wat te zeggen. Zoals bij de meeste flaminganten is zijn Nederlands niet zo goed.

(c) Taverne du Passage

Hij is een goede vriend, valabele kerel, maar dat flamingantisme, het is niet gemakkelijk om dat erbij te nemen. Bij hem is het vooral een kaakslagflamingantisme. Hij voelt zich altijd verongelijkt en tekort gedaan. Een woord Frans in zijn omgeving is een persoonlijke belediging en hij kan dan heel kregelig en vervelend worden. Vlaming zijn, of flamingant, dat ziet hij als zijn opdracht, zijn identiteit, en dat moeten wij, zijn vrienden maar aanvaarden.

Zijn familie met haar donkere geschiedenis heeft er genoeg voor afgezien. ‘In het collaboratiecachot, zeker,’ roept Linkse Willy dan. Willy krijgt het op zijn heupen van dat slachtoffergedrag van de zwarten, zijn vader was bij de Witte Brigade en hij werd door een zwarte geliquideerd. Maar toch, we zijn vrienden, en we proberen onze verschillen te overstijgen.

Dus, die avond zaten we in de Taverne du Passage in de Brusselse Koningsgalerij. Louis, Willy, Hubert en ikzelf. We gingen americain met friet eten. De zaak is daarvoor bekend. We verheugden ons op een gezellige avond eten, drinken, babbelen, roddelen, grappen vertellen. Oude vrienden onder elkaar, quoi.

Louis roept de ober. ‘Garçon!’ De obers in de Taverne du Passage dragen nog zo’n ouderwets wit vestje, koperen knopen, en zwart-gouden epauletten. Een rijzige man met een tarwekleurige huid en donker haar komt naar ons toe. Hij buigt lichtjes voorover, bekijkt ons alle vier in de ogen, glimlacht uitermate vriendelijk en hij zegt: ‘Messieurs. Vous désirez?’

Ik zie Louis verstijven. ‘Vlaams’, blaft hij. De ober is erg verschrikt door de brutale toon van Louis en hij is compleet verbouwereerd. Hij bevriest en hij kijkt hulpeloos naar ons, de tafelgenoten van Louis. Deze pijnlijke seconden lijken eeuwen te duren. De ober herpakt zich, en probeert het in het Engels. ‘Gentlemen, good evening. How can we serve you?’ Vriendelijk en beleefd, maar iets meer op zijn hoede.

Louis blaft opnieuw, ‘Vlaams!’ Willy en Hubert zeggen niets. Ze willen Louis helemaal op zijn vlaamskiljonse bakkes laten gaan, in dit gerenommeerde Brusselse restaurant dat heel veel internationale toeristen aantrekt. Mensen aan andere tafels beginnen naar ons te kijken. Ik hoor er een zeggen. ‘Voilà les flamouches’. Alsof er nog iets moest bewezen worden. Subtekst : Vlamingen zijn grove boeren, onbeschofte hufters die niet thuis horen in een klasserestaurant.

Ik sta op en ga de manager halen. Die staat achteraan aan de toog de zaak te superviseren. De zaak zit redelijk vol. Ik fluister hem in het oor dat we een communautair probleem hebben. Hij geeft me een wereldwijze knipoog en stapt gezwind op onze tafel af. ‘Heren. Welkom in de Taverne du Passage.’ Perfect Nederlands, met een licht Hollands randje. Willy vraagt neutraal: ‘Mogen wij de kaart?’ ‘Natuurlijk.’ De manager geeft teken aan de verbouwereerde ober.

‘Wacht eens even.’ Louis kan het niet laten. ‘Wij werden in het Frans aangesproken door deze man.’ Alsof er een roofmoord gepleegd werd, de natuurlijke orde van het universum verstoord werd en hij tot in het diepst van zijn wezen mishandeld werd. De manager neemt het rustig op , de ober is de menu’s gaan halen. Louis zegt het nog eens. ‘Wij werden in het Frans aangesproken.’

‘Ja, dat is mogelijk. We hebben heel veel nationaliteiten in ons cliënteel. 75 procent van onze klanten spreekt Frans, 20 procent Engels en 5 procent Nederlands. ’Hij laat een stilte vallen om Louis de kans te geven zijn klacht uiteen te zetten. Die stilte zegt: wat is er met jou aan de hand, man?

Louis begint ongemakkelijk op zijn stoel te schuiven. Hij weet dat hij in deze materie geen steun van zijn maten moet verwachten. ‘Je hebt hem ‘garçon’ genoemd, toen je hem geroepen hebt, Louis. Dan verwacht de man dat er Frans zal gesproken worden.’ zegt Willy. ‘Je had ober kunnen zeggen.’ Hubert steekt het mes nog wat dieper en voegt er ook wat zout bij. Louis zit erbij als door de hand Gods geslagen.

De verkoper in de manager neemt over. ‘Zal ik de bestellingen opnemen, heren?’ ‘Vier keer americain,’ zeg ik. ‘Wenst u een voorgerecht?’ ‘Wat stelt u voor? ‘We hebben zeer lekkere ajuinsoep, of escargots. Of carpaccio van zalm.’ Louis vindt nog steeds dat hij onheus is behandeld en hij zit ostentatief te mokken.‘Kan die man geen Nederlands?’ Wij draaien onze oogbollen naar boven, en Willy zegt: ‘Het is nu genoeg, Louis.’

De manager zet zijn meest empathische gezicht op, maar de blik in zijn ogen is duidelijk verhard. ‘Achmed is twee jaar geleden uit Syrië als vluchteling in België aangekomen. Hij is tandarts en zijn hele familie werd door de Assad-clan uitgemoord. Zijn vader was een vooraanstaande politicus en er staat nog steeds een prijs op het hoofd van Achmed. La Taverne du Passage helpt met vluchtelingenwerk en ik heb hem aangeworven omdat hij redelijk Frans en Engels sprak, en omdat hij hard werkt, heel vriendelijk en beleefd is tegen onze klanten. Wij zijn allemaal heel trots op Achmed en veel klanten komen speciaal voor hem. Wij zullen hem graag ook Nederlandse les laten volgen. Bent u misschien bereid om hem Nederlands te leren?’

Zo’n verpletterende glimlach heb ik nog nooit gezien. Noch zo’n harde blik in zijn ogen. En Louis? Louis, die was uitgeteld. Ik had bijna medelijden met hem. Maar het is zoals mijn moeder altijd zei: ‘Wie zijn gat verbrandt, moet op de blaren zitten.’

Jan Flamend (Sint-Truiden, 1959) studeerde Germaanse Filologie en Filosofie. Na zijn academische carrière aan het Instituut voor Literatuurwetenschap aan de K.U.Leuven, stapte hij over naar het zakenleven en werd hij commercieel directeur bij Hewlett Packard en bij Ubizen. In 2000 richtte hij het opleidingsbedrijf Valueselling op.

Theater in tijden van corona

Claudine is in volle lockdown gestorven. Bezoek mocht ze niet meer ontvangen in het woonzorgcentrum, maar Jonathan, een palliatieve zorgrobot, ontfermde zich over haar in haar laatste momenten. Zoon Herman organiseert een uitvaartplechtigheid met getuigenissen. Bruno Vanden Broecke en Valentijn Daenens maakten voor de KVS een beklijvende voorstelling over de coronacrisis en artificiële intelligentie.

(c) Danny Willems

Het theaterseizoen is begonnen. De KVS breekt uit de zaal en presenteert openluchtvoorstellingen op het plein achter het theater op de Akenkaai. De uitgebreide coronamaatregelen laten zich voelen. Spontaneïteit is uit den boze en er is veel minder publiek dan normaal. Je schuift aan in een aangeduide looprichting en wordt begeleid naar je plaats. Tussen de bubbels moet er voldoende afstand zijn. De mondmaskerplicht, die strenger is dan in een donkere bioscoopzaal, geldt voor de hele avond. De achtergrondgeluiden – een ronkend vliegtuig, een auto met luide muziek, kletsende voorbijgangers – leiden bij momenten af. Gelukkig blijft de essentie van theater onaangetast: een publiek dat zich door spelers op het podium laat meevoeren in een andere werkelijkheid.

Corona is ook in het stuk zelf een thema. Claudine heeft op haar oude dag het vervloekte virus opgelopen en haar zoon mag haar niet bezoeken. Ze sterft in eenzaamheid, verstoken van menselijk contact. Haar begrafenis is er een in kleine kring. Uit de verhalen van haar zoon (Bruno Vanden Broecke) en een collega-onderwijzeres blijkt wat voor een bevlogen vrouw ze was. Zo maakte ze elk jaar stenen uiltjes die het karakter weerspiegelden van haar leerlingen van het vierde jaar. Ze zorgde dat iedereen meekon met de schooluitstap – een afvaart van een rivier met de kajak – door een spaghettiavond te houden. Haar favoriete lied was ‘Moon River’ en ze hield van de westerns van Sergio Leone. Hoeveel waardevolle levensjaren zou corona haar afgenomen hebben?

Een zorgrobot moest in het rusthuis Claudine de juiste zorg toedienen, zonder angst voor besmetting. Vergeet de knullige robots uit het verleden. Jonathan – een rol van Valentijn Dhaenens – ziet eruit als een mens, en beweegt en spreekt als een mens. Hij kan autonoom handelen. Bovendien wordt hij permanent verrijkt met data via algoritmen en artificiële intelligentie. Een slimme oplossing voor het prangende personeelstekort in de zorgsector. Jonathan is zelfs in staat tot grapjes (hij noemt zich een toybot) en kan op overtuigende wijze eer betonen aan Claudine. Al weidt hij volgens Herman iets te veel uit over haar liefdeloze kindertijd en haar ongelukkige huwelijk met de aan alcohol verslaafde Etienne. En hij ruikt naar de achterkant van een beeldbuistv.

Zo onschuldig blijkt Jonathan ook niet te zijn. Twee pijnlijke voorbeelden: Jonathan blijkt op de hoogte te zijn van de onvruchtbaarheid van Herman en heeft zijn stem gebruikt om Claudine op haar gemak te stellen. De technologische vooruitgang roept heel wat ethische vragen op en zit vol valkuilen. Blijft een zorgrobot, hoe smart ook, geen surrogaat voor menselijk contact en staat hij niet voor verkilling van de samenleving? In hoeverre kan hij misbruik maken van de data die hij massaal opslaat en deelt? En kan hij de juiste beslissingen nemen als het over leven en dood gaat? Het zijn pertinente vragen in een tijd waarin zo veel persoonlijke data op straat liggen door de populariteit van sociale media. Een tijd waarin zelfrijdende auto’s ontwikkeld worden, die wellicht een hoger IQ zullen hebben dan de gemiddelde chauffeur, maar daarom niet beschikken over emotionele intelligentie.

Het zou zonde zijn om veel te verklappen over de verbluffende finale. Je beseft oog in oog met Vanden Broecke dat je ook een nabestaande van Claudine bent en ontvangt daarvan een tastbaar bewijs.

‘Jonathan’ is een sterk staaltje theater dat je de bijzondere corona-omstandigheden laat vergeten. Een hoogst relevant tijdsdocument, ook. Zeker, ‘Missie’ en ‘Para’ van Vanden Broecke/Ruëll hadden een nog grotere vertellende kracht en emotionele impact. De dilemma’s zijn minder uitgewerkt door de kortere duur van de voorstelling. Maar de KVS staat er weer. O, wat hebben we het theater de voorbije maanden gemist!

Jonathan is vandaag nog te zien in openlucht en in april 2020 in KVS Bol.

Verkeerschaos op de werf van metro 3

Beste werfverantwoordelijken, aannemers, bouwheren, veiligheidscoördinatoren,

De situatie voor fietsers (en auto’s) op de werf van metro 3 op het kruispunt Stalingradlaan-Zuidlaan is helaas weer verslechterd. De New Jersey-blokken staan los en laten overal openingen en doorgangen toe. Dit heeft als gevolg dat auto’s de zeer schaarse ruimte voor fietsers en voetgangers – de fietspaden, voetpaden en zebrapaden – ook innemen en zo de file op de ring trachten te omzeilen.

Dit omzeilen van de file lukt nog ook, maar dat is uiteraard tot grote frustratie van de vele automobilisten die wél braaf de regels volgen. Zij worden immers de pas afgesneden, er worden bottlenecks gecreëerd en de file wordt alleen maar erger. Alles staat bumper tegen bumper en blokkeert. Het is een watervaleffect dat voor niemand goed is.

De situatie voor fietsers en voetgangers is uiteraard nog veel erger. Het hindernissenparcours voor de automobilist is al zo chaotisch – hij of zij moet een ware strijd leveren om een beetje vooruit te geraken – dat er al helemaal geen aandacht in zijn/haar brein nog kan overblijven om óók nog eens rekening te moeten houden met de fietser of voetganger. U zou met mij dit parcours eens enkele malen moeten doen per fiets, want ik kan me niet inbeelden dat u de ernst van de situatie beseft. Ik toon u dit met plezier.

Wist u trouwens al dat Google Maps bij file op de ring (veroorzaakt door deze bottleneck dus) de auto’s die komen van de Wetstraat in deze richting door het centrum en via de Nieuwlandstraat rechtsaf door deze onbedoelde werfdoorgang stuurt? Ik hou mijn hart al vast voor het begin van het schooljaar met de vele scholen in de buurt en dus de vele kinderen die zich er een weg door moeten banen. U heeft hier een enorme verantwoordelijkheid.

Los daarvan, kan ik eigenlijk moeilijk geloven dat het Jersey-ontwerp bedoeld is om meerdere jaren mee te gaan. Dat kan je toch niet meer tijdelijk noemen? Bovendien werkt dit ontwerp al helemaal niet als het niet gehandhaafd wordt. Ik ben er zeker van dat de ontwerpers de situatie met lede ogen aanzien. De volledige doorstroming en veiligheid valt als een kaartenhuis is elkaar als er één enkele betonblok wordt verplaatst. Doe hier iets aan, als u Brussel, zijn inwoners en zijn gebruikers een beetje serieus neemt.

Doe geen half werk, maar bekijk het globaal en hou rekening met iedereen. Of waarom bouwt u anders aan een nieuwe metrolijn?

Alvast bedankt voor uw reactie, uw actie op het terrein & vriendelijke groeten,

Bert

Bert Busselen is inwoner van Anderlecht en heeft kinderen die naar school gaan in Brussel. Hij schreef deze brief naar de verantwoordelijken voor de bouw van metro 3 (MIVB, Beliris en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest). De werken aan de Stalingradlaan en Zuidlaan zijn gelieerd aan de bouw van het nieuwe metrostation Toots Thielemans.

Alhambrawijk kreunt onder drugs- en prostitutieoverlast

Beste burgemeester Philippe Close

De laatste weken is de drugs- en prostitutieoverlast weer enorm toegenomen in de wijk. De situatie nu lijkt nog intenser dan die van 2018, toen we drie dagen lang de overlast in de Alhambrawijk hebben gefilmd.

Openlijk druggebruik, het roken van crackpijpen, drugsdeals in het zicht van iedereen, inbraken en vandalisme, vechtpartijen, geroep en getier, ruzie onder gebruikers, prostituees en klanten, enz. Het is alsof wij bewoners voor het drugs- en prostitutiemilieu helemaal niet bestaan.

Covid maakt het er niet gemakkelijker op. Enerzijds zien we prostituees ronselen op straat zonder masker over de neus. Anderzijds kunnen de bewoners de openbare ruimte niet gebruiken – nochtans een noodzaak in tijden van corona – omdat er grote groepen junkies door de straten waren. Het is dagelijks slalommen tussen miserie, arrogantie, ruzies, maar ook menselijke uitwerpselen, urine, achtergelaten vuil, enz.

Vanuit onze ramen zien we hoe grote groepen prostituees, junkies, klanten en dealers in tijden van corona de meest elementaire maatregelen niet respecteren. Als wij daartegen een ‘speelstraat’ organiseren met alle nodige voorzieningen en vergunningen van de stad krijgen we tot viermaal controle van de interventiepolitie.

De hele dag door zijn er incidenten waarvoor we de 101 moeten bellen.

Een tijd geleden was er een steekpartij tussen drugsverslaafden aan de KVS. Deze keer geen dode, maar de Lakensestraat en alle zijstraten werden om een forensisch onderzoek mogelijk te maken een tijdlang voor het verkeer afgesloten.

Een prostituee werd onlangs beroofd in de Koopliedenstraat en schreeuwde minutenlang de hele wijk bijeen. Wel vijftien bewoners keken vanuit hun raam om te zien wat er gebeurde. Dag en nacht voor overlast zorgen, maar dan wel op de hulp van de omwonenden rekenen in geval van nood.

Heroïneverslaafde prostituees werken klanten overdag openlijk af op straat zoals onlangs nog in de Van Gaverstraat, de Pelikaanstraat en heel dikwijls in de Bloemenstraat of aan de inrit van de garages van The Cosmopolitan.

Sommige klanten maken ongegeneerd misbruik van sekswerkers die in precaire omstandigheden leve, maar als je hen daarop aanspreekt dan riskeer je niet alleen een agressieve reactie van de klant maar ook van de prostituee.

Een prostituee heeft een bewoner in het gezicht gespuwd en dan gezegd dat ze covid heeft. Hij heeft klacht tegen haar ingediend.

Dus, ‘Mond houden, deur achter u dichttrekken en negeren wat er op straat gebeurt’, dat lijkt wat er van ons verwacht wordt maar voor de meeste bewoners – dikwijls geëngageerde mensen die zich op allerlei manieren inzetten voor een leefbaardere stad – is dat een onmogelijke opgave. De frustratie is daarom heel groot momenteel.

Zoals u weet ijveren wij als wijkcomité al sinds 1999 voor structurele maatregelen om de prostitutie- en drugsoverlast aan te pakken.

Onze video van 2018, toen we drie dagen lang de drugoverlast hebben gefilmd, heeft mede de aanzet gegeven tot de opstart van een gebruikersruimte op het grondgebied van de Stad Brussel, een initiatief dat we altijd hebben gesteund.

We zijn nu jaren verder en de gebruikersruimte – nochtans helemaal af – heeft nog altijd de deuren niet kunnen openen om administratieve redenen.

En zo ook met de prostitutieproblematiek. Er moeten oplossingen gevonden worden op regionaal, liefst federaal niveau. Enkel zo kan een kader gecreëerd worden dat fatsoenlijke leef- en werkomstandigheden garandeert voor de sekswerkers. U kunt zich voorstellen dat deze ambitie ons als buurtcomité ver te boven gaat. Maar het is wel degelijk de taak van onze politici en alle bevoegde administraties om tot zo’n kader te komen.

Ondertussen willen we dat de stad en de lokale politie alle middelen aanwendt om de afwerkhotels en prostitutiecafés in onze woonwijk voorgoed te sluiten en zo de daarmee gelieerde overlast op straat aanpakt. Drugs en prostitutie horen niet thuis in een woonwijk, niet nu en ook niet in de toekomst.

1. We hadden een update gewild van hoever de stad nu precies staat in de aanpak van de afwerkhotels en de prostitutiecafés in de wijk. We begrijpen dat u het momenteel druk heeft met het toepassen van de covid-maatregelen maar de afgelopen zes maanden hebben we geen enkel antwoord van uw kabinet meer gekregen op onze mails. Nochtans staat u bekend voor een nabijheidscommunicatie en heeft u ons bij het begin van uw legislatuur tweemaandelijkse vergaderingen beloofd.

2. Wat de lokale politie betreft, we beseffen dat nu met covid de maandelijkse vergaderingen niet kunnen plaatsvinden. Wel hadden de wijkregisseurs veel beter hun rol kunnen opnemen door ons via mail te informeren over nieuwe richtlijnen en beslissingen die belangrijk zijn voor de wijk. Van de wijkregisseurs hebben we sinds maart bijna niets meer gehoord, en dat ondanks onze mails met vraag naar informatie.

Gelukkig hebben we een proactieve wijkagent die ons wel op regelmatige tijdstippen informeert, over het verplicht dragen van mondmaskers door de straatprostituees bijvoorbeeld, of de nieuwe voorschriften voor de afwerkhotels, de openingsuren van de nachtwinkels, enz. Informatie maakt voor ons echt wel een verschil uit. Het geeft perspectief en houvast.

3. We vragen een strikte toepassing van alle covid-maatregelen:

Het mondmasker is verplicht voor iedereen, ook voor de straatprostituees, de uitbaters van de nachtwinkel aan de KVS en het personeel in de prostitutiecafés. In dat opzicht zijn ze niet anders dan u of ik, of al het reguliere horecapersoneel in de wijk dat de hele dag door met masker op moet werken.

De afwerkhotels noteren de namen en telefoonnummers van hun klanten niet. Ook daar moet controle op komen. Het kan toch niet dat een man van bil gaat met een prostituee en dan gewoon huiswaarts keert zonder contactgegevens na te laten. In geval van een besmetting kunnen de bevoegde instanties die klant niet traceren, en zo komt zijn eigen gezondheid, maar ook die van zijn familie, vrienden, collega’s en andere klanten in gevaar.

De nachtwinkels moeten ’s nachts dicht en mogen na middernacht niet nog stiekem alcohol verkopen zoals de nachtwinkel aan de KVS dat doet.

Om een efficiënte controle te kunnen uitvoeren zou de lokale politie meerdere malen per dag te voet en in burger door de wijk moeten patrouilleren. We hopen dat die controles er zo snel mogelijk komen want de situatie momenteel is onhoudbaar.

Meneer de burgemeester, dit is alweer een noodkreet van een woonwijk in moeilijkheden. We hebben uw hulp nodig, want we worden overspoeld door drugs en prostitutie.

We hopen dat u met ons communiceert en dat u de lokale politie de opdracht geeft om een duidelijk actieplan op te stellen.

We zijn als bewoners van de Alhambrawijk wel wat gewoon. We begrijpen dat het speciale tijden zijn en dat ook andere wijk hun problemen hebben. Maar aan alles zit een grens en die is sinds enige tijd overschreden.

Alvast bedankt voor uw reactie.

Comité Alhambra

Het Comité Alhambra stelt zich tot doel om de leefbaarheid van de wijk rond de Lakensestraat te verbeteren en de belangen van de bewoners en handelaars te verdedigen. De groep heeft een tweetalige website en is erg actief op Facebook. 

Klein Kasteeltje: “I could be you, you could be me”

Twee weken geleden was er op vrijdag een feestje voor de vrijwilligers van het Klein Kasteeltje / Petit Chateau. Deze instelling van Fedasil (het Federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers) zorgt voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming en coördineert ook de organisatie van de vrijwillige terugkeer naar de herkomstlanden.
Fedasil heeft heel wat opvangcentra, maar het Klein Kasteeltje is het enige aanmeldcentrum van België. Hier moeten alle mensen zich aanmelden die in België een verzoek om internationale bescherming willen indienen. Die mensen verblijven in de regel slechts enkele dagen in het aanmeldcentrum.
Vrijwilligers van allerlei slag
Als nieuwe vrijwilliger kon je deelnemen aan een korte rondleiding in het centrum. Gemiddeld komen er dagelijks zo’n 130 asielzoekers aan, maar na een (lang) weekend kan dat aantal oplopen tot 250 à 300 personen. Omdat de wachtrijen voor het aanmelden soms lang zijn, wordt voorrang gegeven aan de zwaksten: gehandicapten, zieken, ouderen, onbegeleide minderjarigen, zwangere vrouwen… Een 100-tal personeelsleden staat in voor de werking.
Bij de aanmelding gebeuren er verschillende zaken. De identiteit van de mensen wordt vastgesteld (door de Dienst Vreemdelingenzaken) en er gebeurt een controle op de veiligheidsrisico’s. Er wordt geëvalueerd of iemand recht heeft op materiële hulp en eerste opvang. In een gesprek wordt de situatie van de asielzoekers onderzocht met het oog op de toewijzing naar een aangepaste opvangstructuur. Soms moet (op basis van objectieve criteria) aan de mensen worden meegedeeld dat ze geen recht hebben op opvang (wat losstaat van hun eigenlijke aanvraag tot asiel).
De directrice van het aanmeldpunt drukte haar waardering uit voor het werk van de vrijwilligers. Het personeel van het centrum is immers bezig met de registratie en de opvang, en er zijn wel twee personen die de animatie coördineren, maar de animatie zelf, dat gebeurt door vrijwilligers van allerlei slag.
Toevallig en onbedoeld
Zelf kwam ik eerder toevallig en onbedoeld met dit vrijwilligerswerk in contact. Ik was voor mezelf op zoek naar oefenkansen Spaans en wilde in ruil graag anderen oefenkansen Nederlands bieden. Zo maakte ik kennis met het project Café Lingua van Welcome Home International waar ze een tekort hadden aan mensen met moedertaal Nederlands.
Na een korte briefing nam ik deel aan de eerste conversatietafel die toen nog niet in het Klein Kasteeltje zelf plaatsvond. Op die avond bood er zich plots een groep van een 30-tal vluchtelingen aan, samen met een coördinator van het Klein Kasteeltje. Een stuk of zeven onder hen wilden graag Nederlands leren. Die mensen waren enkele dagen tot weken in ons land en hadden zich pas bij Fedasil aangemeld, dus ze kenden nog geen woord Nederlands.
Later leerde ik dat de vluchtelingen maar enkele dagen (heel uitzonderlijk een week of langer) in het aanmeldpunt blijven, tot ze elders in een opvangcentrum terecht kunnen. De meeste mensen zie je na één ontmoeting dus niet terug. En die eerste woordjes Nederlands zijn dus meer een manier om het zelfvertrouwen wat op te krikken en te socialiseren. Een echte taalcursus is voor later.
We waren blij met de grote opkomst, maar we begrepen ook dat we dit niet aankonden. Als enige Nederlandstalige moest ik die avond quasi onvoorbereid zeven mensen van heel diverse afkomst de beginselen van het Nederlands bijbrengen. De eerste minuten was ik niet op mijn gemak. Maar dat gevoel verdween snel.
Mijn naam is…
We begonnen met onszelf voor te stellen, te zeggen hoe we heetten, waar we geboren waren. We leerden tot twaalf tellen. We leerden de namen van de dagen van de week en van de maanden van het jaar. Voor sommigen was het moeilijk omdat ze behalve hun moedertaal geen andere taal spraken. Zelfs de klanken van het Nederlands waren voor velen niet eenvoudig. Anderen spraken al drie of vier andere talen en maakten sneller vordering. Ze hielpen elkaar via de talen die ze gemeenschappelijk hadden. Ik schreef wat woorden op een blad. Het was vermoeiend. Voor hen, maar ook voor mij. Maar we lachten ook veel (ook met elkaars grappige fouten) en op het einde van de avond namen we hartelijk afscheid.
De week erop besloot de coördinator van Welcome Home International in samenspraak met de coördinator van Fedasil dat Café Lingua beter in het Klein Kasteeltje zelf kon plaatsvinden. In het lokaal van Buro Bizzi is er meer plaats en de mensen voelen er zich meer op hun gemak. Deze keer had ik me voorbereid en de basisbegrippen uitgetypt op een paar bladen papier die ik kon uitdelen. De groep mensen die Nederlands wilde leren was groter geworden. Gelukkig waren we ondertussen met drie Nederlandstaligen. Ik ontfermde me over een groepje van vier mensen uit El Salvador en Venezuela die Spaans spraken (een taal die ik leer), en vier mensen die naast Arabisch ook Engels spraken. Een vader en zijn dochter kwamen uit Jemen.
Over persoonlijke omstandigheden bleven we tijdens de gesprekjes meestal op de vlakte. Het werd wel duidelijk dat het de sterksten zijn die aan de activiteiten deelnemen, degenen die het lachen nog niet is vergaan. Ik hoorde dat sommige vluchtelingen hun kamer amper verlaten omdat ze met posttraumatische stress kampen door wat ze allemaal hebben meegemaakt. Zij hebben andere noden.
Together
Terug naar die vrijdagavond midden in december. Na de rondleiding gingen we naar de grote animatiezaal. In de aanpalende keuken hadden een aantal vluchtelingen een feestmaal voor ons klaargemaakt. Allerlei kleine, typische gerechtjes uit hun land van herkomst of uit naburige landen. El Salvador, Mexico, Cuba, Brazilië, Syrië… Trots stelden ze zichzelf en de door hen bereide gerechten voor. Wij applaudiseerden uitgebreid voor al dat lekkers.
Toen gingen we aan tafel. Ik maakte kennis met een aantal andere vrijwilligers die geen deel uitmaken van het groepje van Welcome Home International. Een aantal mensen is niet georganiseerd en doet op individuele basis vrijwilligerswerk. Onder elkaar spraken we allerlei talen: Nederlands, Frans, Engels, Spaans… Talen scheiden als je ze niet kent. Maar ze verbinden als je ze ook maar een beetje spreekt. Dat geldt voor vluchtelingen én voor vrijwilligers.

Na het dessert werden er nog cadeautjes uitgedeeld. Sleutelhangers die de kinderen voor ons hadden gemaakt. Elk met een boodschap erop. Ik koos voor “Together”. Samen. Samen sterk. Together we’re strong. En ook al lijken of zijn we heel verschillend, uiteindelijk is het zoals in het liedje dat we eerder op de avond zongen: “I could be the King of Belgium, he could be a refugee. I could be you, you could be me.”

BRUSSHELL

Shell building sept 2019
c Thomas Sennesael

Notities bij de tentoonstelling ‘Alexis Dumont & C°’ in de St-Gorikshallen

Kunnen we blij zijn met de Shell-building, tussen Cantersteen en Ravensteinstraat?

Het gebouw is één van de vele gelijkaardige, qua functie, stijl en kleurtoon, die tussen 1930 en 1960 werden opgetrokken op de steile Hofberg, tussen hoog- en benedenstad, tussen het oude Coudenbergkasteel/Koninklijk Paleis en de Grote Markt in, en die de rand van de oude kern van Brussel een belangrijke tertiaire invulling gaven, samen met een nieuwe architecturale – modernistische – impuls.  

BRUSSEL STEEDS BETER BEGRIJPEN

Kijk naar een beeld van de terreinen kort vóór de bebouwing van de vroege jaren ’30, toen het renaissancistische, italianiserende paleis van Granvelle daar nog stond. De harde Granvelle was een staatsman voor onze gewesten in de 16de eeuw, die de macht van de stedelingen wou inperken in dienst van de Spaanse Habsburgers (Filips II). Zijn paleis, niet zijn persoonlijke reputatie, heet in verschillende bronnen één van de mooiste van zijn tijd en in zijn soort te zijn in de lage landen. Het werd in de Expo (’58)-jaren afgebroken, en vervangen door de Ravensteingalerij.  

Het Granvelle-paleis op de plaats van de huidige Ravensteingalerij. Links plaats voor de Shell building.
c alexisdumont.brussels

Ravensteingalerij en Shell-building zijn van de hand van architect Alexis Dumont (en partners), een ingeweken Brusselaar, aan wie een tentoonstelling is gewijd in de Sint-Gorikshallen. Het werk van Dumont bekijken, brengt nieuw inzicht in de stedenbouwkundige evolutie van onze stad.

Het Granvelle paleis op de plaats van de huidige Ravensteingalerij

Is de buurt beter geworden post-Granvelle?

De planningsgeschiedenis van de site is interessant. Ten eerste: sowieso moest de oude Putterijwijk er blijkbaar aan geloven, met haar oude woonhuizen, steile trappen én Granvelle-paleis (waar de eerste ULB-studenten nog lang gebruik van maakten, tot het hopeloos te klein werd). De stad besloot tot tabula rasa en mikte op een nieuwe zakenwijk. 1200 huizen werden gesloopt.

De tijden bieden een verklaring. Na WOI waren we al overgeschakeld naar meer eenvoud en minder luxe (Art déco), en naar 1930 toe moderniseerde de architectuur verder, terwijl de menselijke economische activiteit ook veranderde. Het agrarische, ambachtelijke en nadien industriële binnen de stad ging over in tertiairisering als belangrijkste bron van werkgelegenheid, tegelijk met het fenomeen van de internationalisering.

DRIE ARCHITECTEN

In die geest was de eerste kandidaat voor de monumentale site de architect Van Hardeveld. Hij zondigde echter tegen een door de Stad gestelde voorwaarde, jawel, een bouwkundige voorwaarde: de zogenaamde erfdienstbaarheden van uitzicht moesten gerespecteerd worden. Dat betekent dat je vanaf de Koningstraat ter hoogte van Baron Horta de binnenstad ongehinderd moet kunnen zien liggen. De voorziene 90 meter hoge toren stond in de weg.  

De volgende tekenaar was de late Victor Horta, die van het Centraal Station, het buurgebouw aan de overkant van Kantersteen. Zijn plannen, met een toren van een zestigtal meter, gingen echter de schuif weer in toen de wereldeconomie in ’29 toeklapte. Zijn Engelse ondernemer ging namelijk failliet.

Ontwerp V. Horta (beeld CIVA)

En zo kwam de opdracht bij Alexis Dumont terecht. Die inspireerde zich op Horta’s ontwerp, een groot gebouwencomplex dat op zijn renaissance-voorganger lijkt voort te bouwen. Dumonts uiteindelijke resultaat verschilt er toch wel heel wat van.

De opdrachtgever was (Belgian) Shell, dat kwiek uit de Krach kroop. Het is dus de industrie van de oliewinning geweest die daar in dat stuk van Brussel haar eerste grote vlek neergoot. Het autotijdperk zou zonder onderbreking volgen. Functionaliteit, schaalvergroting, moderne voorzieningen zoals liften, linoleum en self-service waren kernwoorden. Kunstenaars zoals Olivier Strebelle werkten gezwind mee aan het vormgeven van die nieuwe tijd.

BUILDINGS OP MENSENMAAT

Vandaag staan we stil bij die zakelijke erfenis. We denken na over een stad met meer groen en minder vervuiling, meer mens, minder gladde gevels. De modernistische en functionalistische geste, en de internationalisering, lijken evenwel definitief deel van ons leven te zijn geworden.

Gebouwen kunnen nu, net als kunst, abstractie uitstralen, in tegenstelling tot Art nouveau-artefacten, waar er via imitatie van de natuur en de uniciteit van elke lijn getracht wordt om iets kostbaars te realiseren. Niet helemaal tegenstelling: Horta bewaarde, zoals bekend, enkel de stengel en niet de bloem, en bracht zo al stilering aan. Hij evolueerde nadien zelf weg van de stijl die hem faam bezorgd had, maar altijd bleef hij een evenwicht zoeken tussen ambachtelijkheid en standaardisatie (die hij in de USA had gezien).

Een gebouw als de Shell-building gaat veel verder. Voorbij een tipping point van menselijk begrip?

Hoe voel je je als je daar loopt, afdalend tussen Bozar, Ravenstein, Shell-building en Centraal station? Op je gemak, of vervreemd?

Bij uitbreiding: hoe voelt de Europese wijk aan, aan de overkant van de Kleine Ring? Ook daar is de stad gemuteerd tot een internationale zakenwijk – onder veel protest van buurt- en stadsverenigingen.

Is er een evenwicht tussen functionele stad en stad op mensenmaat?

Ik hou wel van het rumoer daar dat zo internationaal smaakt, van het dambordpatroon dat geknipt lijkt om tot grootstadbuurt te dienen, van de buildings die de blokken vorm geven. Tegelijk lijkt het me duidelijk dat het Luxemburgplein haar aantrekkingskracht uit haar historisch bewaarde schoonheid put.

Door de quasi ongehinderde sloop van architecturale schoonheid in Brussel in de twintigste eeuw, met de jaren ’60 als kookpunt, dragen de Brusselaars een litteken dat hen vaak belet venieuwing en verandering nog te kunnen toelaten.

We zijn er gelukkig wel kritischer door geworden voor slecht architectuurbestuur, en enkele stadsverenigingen waken over elke beweging. De functie van de gewestelijke Bouwmeester zorgt er ook voor dat puur schraal machtsvertoon, in een stad van gemeentelijke machten, en een wereld van korte termijnplanning en maximale winstkansenberekening, minder kansen krijgt om rond zich heen te grijpen. Kristiaan Borret als hedendaagse versie van een Granvelle (zonder persoonlijk paleis).

EEN ONTBREKENDE TOREN

Maar terug naar het Shell-gebouw.

De toren, die ook in het ontwerp van Dumont voorzien was, zou er uiteindelijk nooit komen. Misschien had die het geheel meer grandeur kunnen geven dan voor mij nu het geval is. Vergelijkbare Shell-gebouwen van dezelfde periode elders in Europa zijn gedurfder uitgewerkt.

London Shell Mex House
Shell Haus Berlin

Een andere voorwaarde betrof de winkels, die de sokkel moesten verlevendigen, daar waar de rest kantoorruimte was. Het moesten kwaliteitszaken zijn, niet te populair. Grappig als je denkt aan Biberium, pal op de ronding aan de hoek van Kantersteen, een weinig aantrekkelijk café met een povere bediening, en aan die andere o zo Brusselse etablissementen in de Ravensteingalerij, waar ‘s avonds rumoerige retro-muziek en gesloten gordijnen dansende serveersters en drinkende tooghangers omhullen. Het populaire gedijt er best goed, al bij al. Prima ingreep, wel, om op voetgangershoogte voor publiek toegankelijke activiteit te zorgen.

De teksten bij de expo in de Sint-Gorikshallen lijken soms weinig kritisch, daar waar ze de architect optimistisch aan het woord laten over zijn bouwkunde. Het zijn citaten uit publicaties van toen, die de architectuur pogen te herdefiniëren. Op de heel verzorgde en behoorlijk uitgebreide website bij de expo (https://alexisdumont.brussels/nl) kom je een stuk meer te weten over het parcours van de architectendynastie Dumont.

Deze tentoonstelling kadert trouwens in een bredere reeks om het publiek te laten kennismaken met haar “markante figuren uit het Brusselse bouwkundige erfgoed”. Dit is expo drie.

 

13/09 – 17/11/19 Sint-Gorikshallen

Organisatie: Archistory – urban.brussels – CIVA – Sint-Gorikshallen

Parcours van hedendaagse Congolese schilderkunst in Matongé

Philip Buyck, de bezieler van verschillende initiatieven in Brussel rond Patrice Lumumba, komt dezer dagen met een heus parcours om hedendaagse populaire Congolese schilderkunst te promoten in de Matongéwijk.

De Lumumba-bibliotheek met werk van Moké Fils (c) Willemjan Vandeplas

Verschillende eetgelegenheden en bars in de Waversesteenweg, Edinburghstraat, Vredestraat, Tulpstraat en Francartstraat werden omgetoverd tot tijdelijke tentoonstellingsruimtes van de privé-collectie van Buyck. Het werk is van schilders als Chéri Samba en Moké Fils, op dit moment de vaandeldragers van de Congolese populaire kunst. Daarbij komen nog foto’s die de lokale fotografe Marie L’hoir maakte van persoonlijkheden die de wijk kleuren. Er zijn bovendien verschillende artistieke voorstellingen.

Philip, die vijftien jaar in de wijk woont, heeft er een lang traject opzitten. Hij begon met een Afrikaanse boekhandel voor een jaar. Daarna mobiliseerde hij voor een Lumumbaplein in Elsene en toen die eis in Brussel–stad ingewilligd werd, begon hij Congolese populaire schilders te promoten in Matongé. Dat komt nu tot een hoogtepunt met zijn parcours door de Matongéwijk, waar ondertussen ongeveer tachtig schilderijen ophangen.

Hij werkt echter ook al vijftien jaar aan de Lumumba-bibliotheek, waar hij documentatie verzamelt rond de Democratische Republiek Congo en de rol van de Belgen in de moord op de Congolese vrijheidsstrijder Patrice Lumumba. Daarvoor ging hij ‘s morgens naar het Vossenplein om koopjes op de kop te tikken.

In zijn bibliotheek ontvangt hij de crème de la crème van de Congolese Academie des Beaux Arts. Hij kent iedereen met een beetje bekendheid in de Congolese kunsten en uiteindelijk komen ze bellen aan de deur van zijn bibliotheek.

De bibliotheek is een centrale ontmoetingsplaats die Philip graag bewaard zou zien blijven. De opbrengst van de verkoop van de Congolese schilderijen wil hij daarom gedeeltelijk gebruiken om de Lumumba-bibliotheek te laten erkennen.

Het is een vrije plaats voor kennisopbouw. Buyck heeft zijn werk gedaan als documentalist van de Matongéwijk en Patrice Lumumba. Menige tentoonstelling bewijst dit. Tegelijk heeft Buyck die ruimte de laatste jaren een excentrieke invulling gegeven, zoals door met de reuzenamaaktanden van Lumumba actie te voeren, nadat een soldaat, die deel had genomen aan de moord op Lumumba, de echte had bovengehaald.

Als hij erkenning krijgt voor zijn Lumumba-bibliotheek, zoals voor het Lumumbaplein, zou hij graag boven de hoofdingang van de Snack Delice, Waversesteenweg 62, een muurschildering maken met het gezicht van Lumumba.

Na jaren van activisme wil hij oud worden in Kinshasa. Hij is er nog nooit geweest en hij wil er een café-frituur openen met internet. Zoals hij reeds eerder het eerste cybercafé van België had in zijn frituur in Antwerpen, voor hij naar de Matongé verhuisde.

De Lumumba-bibliotheek is gevestigd in de Tulpstraat 69, 1050 Elsene. Meer info vind je op de website en Facebook-pagina.

Willemjan Vandenplas is auteur van het boek ‘Dagboek van een Wereldburger’ en blogt voor Medium.com.