Rewind: de ster van het Noord – een kerstverhaal

Ergens in het najaar van 2015 kreeg ik op het werk een sollicitatiebrief. Ik twijfelde steeds vaker of mijn administratieve job me nog genoeg voldoening gaf, maar sollicitatiebrieven kreeg ik graag. Ik las ze aandachtig en probeerde steeds een persoonlijk antwoord te geven. Deze brief raakte me: ik kende de afzender ervan. Niet persoonlijk, ik had over haar gelezen. Niet lang geleden had zij een prachtig boek over oude winkelinterieurs gepubliceerd. Met haar vzw Arsène streed ze voor het behoud van waardevolle oude winkelinterieurs.

Ik antwoordde dat zij niet voldeed aan de vereisten voor de job, maar dat ik vond dat zij bijzonder nuttig werk leverde en dat ik haar liefde voor oude winkelinterieurs deelde. Dezelfde dag werden Katherine Ennekens en ik vrienden op Facebook.

Niet lang daarna postte Katherine een foto van de ster van Brussel Noord. ‘Je weet toch dat die ster gaat verdwijnen?’ reageerde Stijn Tormans. Stijn kende ik niet. Hij bleek al jaren prachtige stukken te schrijven voor Knack. Over dingen waar niemand anders over schreef, omdat niemand er oog voor had, kleine menselijke verhalen, vaak in het verleden geworteld. Stijn had aandachtig gekeken op de borden die de renovatiewerken van de centrale hal aankondigden. Hij had gezien dat de ster plaats zou moeten maken voor het lelijke nieuwe NMBS-logo in regenboogkleuren. We waren verontwaardigd: hoe was het mogelijk dat de NMBS de waarde van de ster niet inzag?

De ster zoals ze vroeger was en het geplande ontwerp voor renovatie, zonder ster met NMBS-logo

Niet veel later, op 1 november, reisde ik met de trein naar een literaire ochtend in Boekhandel De Zondvloed in Mechelen. Onder de titel ‘Beste Buren’ stelden enkele Vlaamse schrijvers een Nederlandse schrijvende zielsverwant voor. Dankzij Bernard Dewulf leerde ik daar Miek Zwamborn kennen, een naam die hier niet meteen bekend klinkt omdat zij een schrijver in de luwte is. Niet iemand die met luide stem op sociale media aanwezig is. Miek Zwamborn vertelde die dag dat zij graag wandelingen in de natuur maakte en dan terugkeerde met zes stenen in haar zak. Niet meer, niet minder.

Ze straalde een zekere wereldvreemdheid uit. Ik vond haar intrigerend. Ik was dan ook heel blij toen ik op de terugweg van die literaire ochtend naast deze schrijver op de trein van Mechelen naar Brussel belandde. De trein is een goede plek voor toevallige ontmoetingen. Miek Zwamborn vertelde me dat ze soms als sluiswachter werkte. Zij had gewerkt bij een sluis aan de Vecht, in het mooie stadje Weesp waar ik elke zomer kwam, omdat mijn oom er een tweedehandsboekenwinkel had. Ook dat vond ik een wonderlijk toeval.

Miek Zwamborn en ik stapten uit in het Noordstation. Zij moest ’s avonds in Leuven zijn en vroeg me welke trein ze moest nemen. In de centrale hal keken we samen op de aankondigingsborden. Ik wees naar de ster en vertelde dat die moest verdwijnen. Ik zei dat ik het zo erg vond. ‘Je moet actie voeren,’ zei ze. En omdat ik denk dat het toeval geen toeval is, maar ons iets wil vertellen, besloot ik haar raad te volgen. Nooit eerder had ik actie voor iets gevoerd. Hoe begon je daaraan? Ik vroeg Katherine en Stijn, die ik in het echte leven nog niet ontmoet had, of ze mijn bondgenoten wilden zijn. Niet veel later zaten we samen aan tafel in café Flamingo.

Katherine vertelde me hoe belangrijk ze het vond dat erfgoed op zijn oorspronkelijke plek bewaard werd. Niet in een museum en zeker niet in een depot. Wat konden we ondernemen? Een petitie vonden we zinloos en zielloos. En dat was onze ster net niet. Wie had hem ontworpen?  We zouden het proberen te achterhalen. We zouden fotografe Saskia Vanderstichele vragen een foto van de ster te maken. En zou Plaizier daar een postkaart van willen drukken? Kerst kwam eraan, het zou een mooie kerstkaart zijn.

© Saskia Vanderstichele

We konden schrijvers en dichters vragen om een ode aan de ster. Fotografen om een foto. Illustratoren en schilders konden hem tekenen. We moesten een Facebookpagina maken. Een collega van me kon die naar het Frans vertalen. Iedereen die we kenden, zouden we spreken over de ster. Een draagvlak creëren voor onze actie vonden we belangrijker dan het verzamelen van een paar duizend handtekeningen.

Ik schreef Geert Van Istendael over de ster. Toch erg dat deze in Trainworld zou komen te hangen, in plaats van in het Noordstation. ‘U hebt gelijk. Wat verwacht u van mij?’ luidde zijn antwoord. Ik vroeg of hij een ode aan de ster kon schrijven. ‘Wanneer moet het klaar zijn?’ ‘Volgende week?’ ‘Dat is goed.’ Onze correspondentie was even kort als krachtig. Niet veel later stuurde Geert Van Istendael zijn gedicht, een pleidooi in sappig Brussels voor het behoud van de ster. Ook Kevin Bellemans en Frank De Crits schreven hun ode aan de ster. En Tom Schamp stuurde een prachtige tekening.

© Tom Schamp

Snel begon de ster te leven. Mensen begonnen me erover aan te spreken. Ze stuurden foto’s en tekeningen van de ster. Soms voelde ik enige gêne hierover. Het was maar een ster. Hadden we niet beter voor iets groters, iets nobelers gestreden?

Maar de ster van het Noord had een symbolische waarde. Ze verwees naar L’Etoile du Nord, de stoomtrein die vroeger van Parijs naar Brussel reed. Deze trein was op zijn beurt vernoemd naar de Poolster, die bij nacht de weg naar het noorden wijst en zo verhindert dat mensen verdwalen. De ster was een herkenningspunt voor verdwaalde reizigers. In Brussel Noord en het nabije Maximiliaanpark verbleven mensen die noordwaarts waren gereisd, op zoek naar een beter leven. De ster hing nergens beter dan hier.

Toen we van de NMBS vernamen dat de ster sneller dan verwacht zou verdwijnen, besloten we de stadskrant Brussel deze Week  (nu Bruzz) te contacteren. Tot onze verrassing haalde de ster de voorpagina. Andere kranten namen het bericht over. De ster was nieuws. Het hielp ongetwijfeld dat het bijna Kerstmis was.

Ook TV Brussel berichtte in het nieuws over de ster. Stijn trad op als woordvoerder. Tot onze verbazing kwam ook Geert Van Istendael opdraven om zijn ode voor te dragen. In die reportage zeiden reizigers dat ze de ster nooit eerder hadden opgemerkt. Maar ze vonden toch dat ze moest blijven. Mensen waren bereid om te strijden voor iets waar ze nooit oog voor hadden gehad.

We planden nog een flyeractie aan het station. Dat was niet meer nodig. De NMBS besliste dat de ster mocht blijven. Ze zou worden weggehaald tijdens de restauratiewerken van de centrale hal en intussen zelf gerestaureerd worden. Daarna zou ze netjes teruggehangen worden.

De NMBS hield belofte. Drie jaar later is de centrale hal met ster in eer hersteld. Zonder Katherine, Stijn en mij zou ze er niet meer geweest zijn. En zonder alle mensen die ons gesteund hebben. Het troost me dat je in deze wereld soms wél het verschil kunt maken. Niet met een petitie. Maar met gedichten, foto’s en tekeningen. Door met veel mensen te spreken. Over de betekenis van iets. Door hen te wijzen op iets wat ze niet eerder hebben gezien.

Er zijn zoveel dingen om voor te strijden. Maar actie voeren is intensief. Je kunt het niet altijd opbrengen in deze drukke tijden. Daarvan wordt geprofiteerd om boven onze hoofden beslissingen te nemen waar we het niet mee eens zijn. Vaak krijg je ook de kans niet om actie te voeren. Omdat je onvoldoende geïnformeerd bent. Omdat je onvoldoende tijd krijgt, voor voldongen feiten wordt geplaatst. Het had niet veel gescheeld of we hadden op een dag ineens vastgesteld: de ster is verdwenen.

De ster dankt haar redding aan een reeks toevallige ontmoetingen en gebeurtenissen. Katherine, Stijn en ik zullen door de ster voorgoed verbonden blijven. Intussen vond ik de moed opnieuw te gaan studeren en mijn werk te verlaten. Ik geef nu Nederlandse les aan mensen die de Noordster gevolgd zijn, op weg naar een vredevoller leven. De voorbije maanden passeerde ik elke dag langs de ster, op weg naar mijn nieuwe werk. Met de gedachte: een mens is soms sterker dan hij denkt.

Kerst 2019. Vier jaar na onze actie schittert de ster als nooit tevoren in Brussel Noord. Eén mysterie blijft. We weten nog steeds niet wie de ster ontworpen heeft. Na de overwinning vertelde iemand op onze Facebookpagina dat ze in het Noordstation een dame had aangesproken die een foto maakte van de ster. Ze bleek de dochter te zijn van de ontwerper. Ze vertelde dat haar vader het jaar ervoor op 90-jarige leeftijd overleden was. Hij was erg verknocht geweest aan zijn ster.

Dat is het enige wat we weten over de vader van de Noordster. Ooit hopen we zijn naam te kennen.

De Noordster in de gerenoveerde stationshal

Bekijk de reportage van Bruzz over de ster en bezoek de Facebookpagina van Red de ster.

Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.

Het jaar van de kroon

Het was het jaar van de kroon. De kroon op het harde werk. Want werken in coronatijden is extra hard werken, of het nu thuis is met kwetterend spelende, jengelende en/of ruziemakende kinderen in de buurt, of op verplaatsing in een setting waar corona ook voortdurend op de loer ligt. Het was vooral het jaar van de kroon op het geduld.

Nooit werd er zoveel gevraagd van een gemeenschap. En deze gemeenschap was er een van wereldgrootte. We moesten op afstand van elkaar blijven, we mochten bijna niet buitenkomen, we moesten onze gewoontes achterwege laten, onze aandrang bevechten om elkaar een hand te geven, elkaar op te zoeken, elkaar te knuffelen. We leerden onze handen veelvuldig te wassen, te ontsmetten.

Allemaal werden we alcoholverslaafden, om de zoveel meter prijkte er een flesje waar je het goedje uit mocht pompen. Allemaal werden we kampioen in het alléén winkelen en onze kar in een recordtempo vol gooien voor minstens een week overleven. Als we al het geluk hadden voldoende geld op onze rekening te hebben…

Bij het verlaten van onze woning moesten we een masker achter onze oren spannen, onze bril dampte dan direct aan en we kregen het benauwd. Maar dat verbeterde gaandeweg. We leerden hoe we deze zaken konden vermijden. Op den duur wende het om mensen met een mondmasker te zien. Het werden eerder uitzonderingen die er géén op hadden en die wezen we terecht want we wilden deze miserie zo spoedig mogelijk achter de rug hebben.

Het duurt nu al zolang. Gisteren heb ik voor het eerst gezoomd. Ik ben overstag gegaan. Tot hiertoe had ik het afgehouden want ik had er geen tijd voor en nog minder goesting. Maar ik miste mijn koorgenoten en blijkbaar genoten zij af en toe ervan elkaar als minimensjes op een scherm te zien. Enkel hoofdjes die babbelden.

Ik heb het al moeilijk om in een café in groep te zitten en een gesprek te volgen, laat staan te voeren. Ik ben meer een persoon van één-op-één-contact. Niet dat ik exclusieve aandacht wil (hoewel…) maar het begint vaak te rommelen in mijn hoofd als verschillende mensen door elkaar praten. Ik kan den draad dan niet vinden en weet niet waar ik geacht word op in te gaan, wat te kiezen. Bon, ik heb er grotendeels het zwijgen toe gedaan, de commentaren op mijn hoofddeksel -mijn oude paarse baret kwam me goed van pas om mijn coronatooi te verbergen- met een veelzeggende smile gecapteerd en af en toe geknikt.

Toen na een half uur de laatste 10 minuten van de ‘conferentie’ ingingen kon ik er niet aan weerstaan mijn ondertussen zwaarwegende hoofd te ondersteunen met een hand, hetgeen overkwam als een zeer verveelde pose (je ziet jezelf ook in de mozaïek van deelnemers). Sorry, zanggenootjes, ik zie jullie graag maar geef mij maar de liveversie na het zingen met een goed biertje in de hand aan den toog van onze repetitieruimte!

We gaan nog wat geduld hebben en weldra staan we weer vierstemmig mooie klanken voort te brengen in ons aller Leirekencafé, op maandagavond als het enkel voor ons koor open is. We zullen glazen heffend en klinkend ons drinklied zingen, dat nu meer dan ooit toepasselijk is: “Le bon vin nous a rendu gais, chantons, oublions nos peines, chantons!” Weldra, als we weer onbekommerd samen mogen zijn en vrij dicht bij elkaar samen mogen zingen! Want er komen betere tijden.

Mattie Billen schreef deze tekst voor de blog Pierewit.

Sonia is weg

Sonia is weg. Weggerukt door een autochtone of allochtone onverlaat. Geroofd in een overdekte ondergrondse parkeergarage aan het Zuidstation in Brussel. Het QPark, uitgerust met surveillancecamera’s en gesurveilleerd door bozige geüniformeerde mannen met zware bottines en een hond. Daar werd Sonia met geweld meegenomen.

Nooit nog zal ik haar nog horen zeggen: ‘links aanhouden’, ‘flauw afdraaien’, ‘aan de volgende rotonde twee afrit van rechts’, of ‘herberekenen, herberekenen’. Zij had een Zuid-Nederlandse tongval, zonder spoortje dialect. Onmogelijk om te zeggen waar ze vandaan kwam.

Een aangename stem, soms irritant als ze door de radio heen begon te praten, of als ze aan een herberekening begonnen was. Dan kon ze zichzelf weleens herhalen en zo het verkeerde ding zeggen. Haar onverstoorbaarheid was uniek. Ze deed rustig verder, ook als ik haar voor stomme trut uitmaakte, of haar toeriep dat ze moest zwijgen.

Mijn vriend Bart heeft zijn Sonia Monique genoemd. Zij zit helemaal in het koetswerk van zijn Jaguar verwerkt en ze spreekt ook een toontje beschaafder. Na elke instructie zegt ze zelfs ‘alstublieft’. Mijn Sonia was mobiel en ze zat met een plug in de sigarettenaansteker. Dan ben je kwetsbaar voor autochtone of allochtone onverlaten die geen respect voor andermans eigendom hebben en die niet afgeschrikt worden door de veiligheidsmaatregelen van een dure betalende parking.

Op woensdagavond 28 augustus omstreeks 23.13 ontdekte ik de ingeslagen ruiten aan de passagierskant van mijn auto, en dus ook de afwezigheid van mijn Sonia. Glas overal. Ik was geschokt. Ging naar de nachtwaker die in een van alle mogelijke technische snufjes voorziene controlebokaal resideert en feliciteerde hem cynisch met de kwaliteit van zijn beveiliging. ‘Nog zo’n zagevent’, zag ik hem verveeld denken. ‘Monsieur, c’est chaque jour comme ça.’ Daar moest ik het mee doen. ‘Il y a de la police dans la gare,’ voegde hij er grootmoedig aan toe.

De politie bleek echter van het federale soort te zijn dat enkel binnen het Zuidstation mag optreden, ik moest bij de politie van de lokale soort zijn, die van Anderlecht. Die moesten hier ergens een bureau hebben. Probleem opgelost voor de federale jongens. Als we maar weten waar we belastingen voor betalen.

Sonia is dus weg. Hadden die onverlaten het op haar gemunt? Het betonnen autoparadijs afgedweild op zoek naar een gps met een Zuid-Nederlandse tongval? Met Bluetooth haar stralingen opgespoord? Heeft zij die jongens geprovoceerd, uitgedaagd, hen gejend met hun kansarme afkomst en diplomaloze curriculum? Ik denk het niet. Zo was ze niet. Ze maakte geen onderscheid des persoons. Een Amerikaanse tv-inspecteur zou zeggen : ‘she was in the wrong place at the wrong time.’

Sonia was geen gemakkelijke en ze liet al eens een steekje vallen, maar gedurende drie jaar heeft ze me toch grotendeels op het rechte pad gehouden. Haar taal getuigde van een ander ruimtelijk inzicht, dat toch wel aandoenlijk was. ‘Bij de rotonde tweede afrit rechts’ betekende eigenlijk ‘rijd rechtdoor’. Maar dat gaat dus niet, omdat die rotonde in de weg ligt. Elegante oplossing toch, en heel correct, en duidelijk. Ik ben niet zeker of ik zonder haar die rotondes wel foutloos kan nemen.

Jan Flamend (Sint-Truiden, 1959) studeerde Germaanse Filologie en Filosofie. Na zijn academische carrière aan het Instituut voor Literatuurwetenschap aan de K.U.Leuven, stapte hij over naar het zakenleven en werd hij commercieel directeur bij Hewlett Packard en bij Ubizen. In 2000 richtte hij het opleidingsbedrijf Valueselling op.

Ervaringen van een gemaskerde

Ervaringen van een gemaskerde

SARS-CoV-2 is het virus dat de ziekte COVID-19 veroorzaakt. In de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus is het dragen van een neus-mondmasker (of eventueel een dichtgeweven bandana of sjaal) sinds 4 mei vanaf de leeftijd van 12 jaar verplicht in het openbaar vervoer en in de stations.
De gemeente Etterbeek[1] verplicht maskers in belangrijke handelsstraten en aan schoolpoorten. In Sint-Pieters-Woluwe en Sint-Lambrechts-Woluwe[2] moet je een masker dragen in bepaalde straten waar de sociale afstand moeilijk te respecteren valt. In Sint-Joost-ten-Node[3] moet je een masker dragen in winkels en handelszaken.
De voornaamste maatregels tegen de verspreiding van het coronavirus zijn nog steeds afstand houden (minstens 1,5 meter) en handhygiëne (je handen regelmatig wassen met gewone, alkalische zeep). Een neus-mondmasker kan wat extra bescherming bieden op plaatsen waar het moeilijk is om afstand te houden, of waar je langdurig contact hebt met mensen. Uiteraard vermijd je deze situaties liever helemaal, maar soms kan dat niet.
Je draagt een mondmasker niet om jezelf te beschermen, maar om anderen te beschermen. Het masker houdt bij het ademen, niezen en hoesten de besmette druppels tegen die uit jouw mond of neus ontsnappen. Zo voorkom je dat je anderen besmet. Je weet immers niet altijd of je besmet bent door het coronavirus. Heel wat mensen die besmet zijn vertonen geen of nauwelijks symptomen. Meer informatie over het correct dragen en behandelen van een neus-mondmasker vind je op de speciale website van de federale overheid.

De maskers op

Afgelopen week ben ik voor het eerst met een neus-mondmasker boodschappen gaan doen en een wandelingetje gaan maken. Niet dat ik zo’n groot voorstander van een masker ben, maar onvermijdelijk zal ik het binnenkort wel eens verplicht moeten dragen, in het openbaar vervoer bijvoorbeeld. En dan ben ik tenminste voorbereid op de neveneffecten. Want “het nieuwe normaal” wordt het dragen van een masker wat mij betreft nooit, jamais, nie.

Eerste ervaringen

Het masker dat ik als eerste testte was een herbruikbaar masker met lintjes. De neus, de mond, de kin en een groot deel van de wangen zijn bedekt.

Combinatiefoto: mondmasker 1
Combinatiefoto: mondmasker met lintjes dat een groot deel van de wangen bedekt.

Als brildrager moet ik er rekening mee houden dat mijn brilglazen beslaan. Als je een masker draagt valt dat binnen bij kamertemperatuur nogal mee. Buiten, waar het op dat moment wat frisser was, vormt er zich damp op de glazen. Maar het effect is minder erg dan wanneer je ‘s winters buiten van de kou naar een warme ruimte binnen gaat. Zorg toch maar dat je een doekje bij hebt om je brillenglazen regelmatig schoon te vegen (de middeltjes die her en der worden aangeprezen gebruik ik liever niet om de ontspiegeling van mijn multifocale glazen niet aan te tasten).

Niet voor nerds?

Adem rustig door je neus. Pech voor de brildragende smartphoneverslaafden onder ons: als je met je hoofd naar beneden gebogen loopt om op je smartphone te kijken, beslaan je brillenglazen opmerkelijk sneller.
Na het pas opzetten van het masker had ik het gevoel dat ik een druipneus had. Dat gevoel gaat na een paar minuten grotendeels over. Zo’n masker is wel erg warm, zeker binnen.

Vals gevoel van veiligheid

Het valse gevoel van veiligheid waarover men zo vaak spreekt? En dat je daardoor minder geneigd bent om afstand te houden? Ik kan het niet ontkennen. Ook al ben ik goed geïnformeerd, ook bij mij treedt dit gevoel op. Je moet jezelf dwingen om afstand te houden. Daarom zal ik een neus-mondmasker alleen dragen waar het verplicht of echt zinvol is.

Elastiekjes

Een dag later testte ik een ander herbruikbaar model, dat meer op een chirurgisch wegwerpmasker lijkt.

Combinatiefoto: mondmasker 2
Combinatiefoto: mondmasker van het type ‘chirurgisch masker’ met elastiekjes boven en onder.

De elastiekjes van dit masker zitten boven en onder. Niet aan de oren, zoals je meestal ziet. Om het masker op te zetten moet je het onderste elastiekje eerst over je hoofd en hals trekken. Daardoor komt de binnenkant van het masker meer in contact met je hoofd. Ook bij het afdoen van het masker is dat een nadeel. Doe het traag en voorzichtig, zeker als je zoals ik een bril draagt. Of gebruik een model met elastiekjes aan de zijkanten.
De stof van dit masker is wat dunner. Je kunt er beter een gewone ademhaling mee aanhouden. Mijn brillenglazen besloegen minder snel, ook als ik met het hoofd gebogen op de smartphone keek. Dat kan echter ook aan de temperatuur hebben gelegen. Toen ik dit masker testte was het een paar graden warmer dan de dag ervoor.
Een masker met elastiekjes past beter aan. Maar het heeft ook een nadeel. Met mijn (korte) baard prikt en kriebelt het wat meer. Bij warm weer is dit model comfortabeler dan het vorige omdat het de wangen minder bedekt.

Filters

Beide maskers bestaan uit twee lagen stof en zijn geschikt om er een filter in te plaatsen. In het eerste model langs de zijkant, in het tweede model langs onder. Zo’n filter kan een op maat gesneden vel keukenpapier, papieren zakdoekje of koffiefilter zijn. Maar je kunt ook een filterdoek van Deltrian of Sioen gebruiken. Deze filters uit filterdoek zouden binnenkort door de federale overheid worden verspreid. Let er wel op dat je masker nog voldoende luchtdoorlaatbaar blijft als je er een filter in plaatst.

Doe ze in je wasmasjien

Een neus-mondmasker dragen is geen pretje. Zet zo’n masker alleen op als het écht nodig is. Niet thuis of op straat als er weinig volk is.
Een herbruikbaar mondmasker moet je na elk gebruik wassen. Dat kan in de wasmachine op 60°C samen met de andere was, of in een kookpot (enkele minuten onderdompelen in water van minstens 90°C). Als je het masker op een lagere temperatuur wast, kun je het ook op een hoge temperatuur strijken (let op: sommige lintjes zijn niet geschikt om te worden gestreken). Zorg dat het masker goed droog is voor je het draagt.
Als je weet dat je elke dag een masker zult moeten dragen (bijvoorbeeld om met het openbaar vervoer naar het werk te gaan), zorg je best voor meerdere herbruikbare maskers. In een gezin met meer personen kan ieder zijn eigen kleur of patroon kiezen.

De maskers af

Momenteel thuiswerk ik nog steeds, maar vanaf juni komt daar wellicht verandering in. Dan ga ik mogelijk weer elke dag met het openbaar vervoer van huis naar kantoor en terug. Op de momenten dat je geen masker draagt (omdat het niet verplicht is, of omdat je bijvoorbeeld iets wilt eten of drinken) moet je het masker afzetten en het zo bewaren dat je het nadien weer veilig kunt opzetten. Daar heb ik iets op gevonden.

Combinatiefoto: doos met deksel om een mondmasker in te bewaren
Combinatiefoto: doos met deksel om een mondmasker in te bewaren op momenten dat je het niet draagt.

Ik kocht in de supermarkt een plastic doos die precies breed en diep genoeg is voor een mondmasker. Zo’n doos is makkelijk te onderhouden en ze past in de rugzak die ik meeneem naar het werk. Bij het afzetten van mijn masker raak ik alleen de lintjes aan. Ik plaats het masker met de buitenzijde naar beneden in de doos. De lintjes hangen uit de doos. Dan plaats ik het deksel op de doos. Op die manier kan ik zonder masker even iets drinken of eten. Mijn masker blijft schoon, het kan niet besmet worden of iemand anders besmetten. Als ik klaar ben met eten of drinken, kan ik de doos openen, het masker er bij de lintjes weer uithalen en het opnieuw opzetten. De doos was ik met warm zeepwater.
Nog een laatste tip: bewaar je versgewassen mondmaskers in een afsluitbaar diepvrieszakje. Elk masker in een afzonderlijk zakje. Zo heb je steeds een schoon masker paraat als je het nodig hebt.
Wil jij jouw ervaringen met je neus-mondmasker delen? Doe het in de reacties hieronder.

Quarantaine

De oudste dochter die weer thuis woont
de jongste naar haar toe zien groeien
van dag tot dag
de man die ’s ochtends naar het werk vertrekt
en gewoon de trap opgaat
naar de slaapkamer
tot ik roep dat het tijd is om naar huis te komen
voor het avondmaal
op vrijdagavond karaoke
omdat The Voice Kids niet meer doorgaat
een duet met de man, die hit uit onze jonge jaren
het geduld bewaren wanneer het toilet bezet is, of het internet
sputtert, de soep die elke middag pruttelt, net als de zuurdesemstarter
de nieuwe huisgenoot, die Antoine heet, vaststellen dat
de helft van de wereld nu zuurdesembrood bakt
en zijn starter een naam geeft
origineel ben ik niet, maar ik moet iets met mijn handen doen
en met mijn voeten, wandelen, wandelen
in de natuur die ik nu pas echt ontdek, met vele anderen
het park, het bos, het natuurreservaat, het moeras
in mijn buurt, vlakbij, er al die jaren te weinig van genoten
hoe heten die paarse bloemen en die witte en die gele
en wie is dat piepkleine vogeltje met zijn rechtopstaande staart,
het winterkoninkje terwijl het zomeruur haast ongemerkt ingaat
regelmaat is nu belangrijk maar soms is het te veel
van hetzelfde en weet ik niet meer welke dag
het gisteren was, of morgen, niet denken aan de toekomst
geen waarzeggerij, vandaag ben ik blij
ja, het is best goed, behalve ’s nachts
dan zijn er wilde dieren, angst
om niet meer te kunnen ademen, mediteren helpt,
vaststellen dat ik tevreden ben met een eenvoudig leven
zoals mijn grootmoeder, werken met mijn handen
naaien, deeg kneden, zaaien
kon ik maar uitwaaien bij haar aan zee
haar niet mogen zien
al vijfentwintig jaar niet meer, het begint zwaar te wegen
’s nachts bezoek ik haar
overdag breng ik aardbeien naar een 92-jarige vriendin
in het rusthuis, elk einde is een nieuw begin, zegt zij
dat ik familie en vrienden nog niet zo erg mis
omdat ik hen steeds toevallig tegenkom
en ze in gedachten altijd bij mij zijn
dichter in mijn hoofd dan ze digitaal ooit kunnen komen
hoewel ik me digitaal verdiep als taalleraar
leer hoe je woorden kunt slepen naar hun juiste betekenis
aan mijn studenten die tegelijk verder weg en dichter bij zijn
ik zie hun kinderen, hun man of vrouw, hun tuin
hun uitzicht van op de veertiende verdieping
ik weet nu hoe hun deurbel klinkt
en soms waarom ze verdrietig zijn
ik maak kennis met hun huisdieren
de kat die Pepita heet
zoomt mee, zoomen in plaats van spinnen
zoomen in plaats van zoenen
niet zoals de bijen in mijn tuin, hun paradijs
het werkwoord van deze tijd
ik zoom, jij zoomt, hij zoomt,
wij zoomden tot de verbinding verbrak
zoomen voor de zeventigste verjaardag van mijn moeder
en met een collega die om de hoek woont
en een collega van om de andere hoek
met een collega van nog een andere hoek sprak ik
aan de telefoon, ik begin dit vreemde leven
zelfs gewoon te worden, ik ben niet alleen
denk ik ’s avonds wanneer ik sta te wachten in de rij
om groenten van lokale boeren op te halen
die alles beter verteerbaar maken
ik sta in een zonnige straat te wachten en denk
het gaat, en vind ineens de woorden
die me al weken in de steek hadden gelaten.

Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.

Sla je slag bij de LV-taartenslag!

Goed nieuws voor zoetekauwen. Ambtenaren van het Vlaamse Departement Landbouw en Visserij (LV) organiseren in Brussel een heuse taartenslag. Ze zamelen daarmee geld in voor het goede doel. Vier Agrorun-teams nemen op 22 maart deel aan de 100km-run voor Kom op tegen Kanker. Een actie om duimen en vingers bij af te likken!

Er is een mooi aanbod aan taarten en andere specialiteiten: frangipanetaart, flantaart, rijsttaart, kriekentaart, confituurtaart, appelmoestaart, Aalsterse vlaai en mattentaarten (4 stuks per zakje). Dit alles voor de prijs van 9 euro per taart of zakje mattentaarten. De winst gaat integraal naar Kom op tegen Kanker.  

Praktisch

  1. Bestel je taart(en) tot en met dinsdag 25 februari om 12 uur door het formulier in te vullen. 
  2. Betaal het verschuldigde bedrag tot en met dinsdag 3 maart door te storten op rekeningnummer BE 59 9796 2725 2626 t.a.v. Nele Van Ginderachter. Vermeld in de mededeling LV-taartenslag, je naam en welke taarten je besteld hebt.
  3. De levering gebeurt op donderdagvoormiddag 5 maart in het Ellipsgebouw, Koning Albert II-laan 35, 1030 Brussel (bij Noordstation).

Ode aan de jarretelle

Station Brussel-Centraal. Het is een weerkerend nulpunt in mijn persoonlijke geschiedenis. Hier verloor ik immers vaak de strijd tegen koppige nylonkousen.

Meestal voelde ik het al bij het uitstappen van de trein. De panty krulde over mijn zachte onderbuik tot aan de waterlijn van ultieme schaamte. Dan voerde ik een raar manoeuvre uit: mijn hand schoot razendsnel naar een jaszak en graaide naar de rand van de panty die net niet de benen nam. Zo strompelde ik naar het kantoor, rand in de hand, en vluchtte ik als de bliksem naar het toilet waar ik het onding tot onder mijn oksels trok. Soms haalde ik het kantoor niet, en leverde dat weerbarstig stukje stof me ook een staalkaart op van de verborgen hoekjes die Brussel-Centraal kent. Ik besloot dat ik er genoeg van had op de dag dat de rand me ontsnapte, en ik met de panty’s tot op de knieën in zo’n vergeten hoekje vluchtte. Natuurlijk gebeurde zoiets midden in de volle ochtendspits. Vive le porte-jarretelle!

Ik wil hier graag Emmanuel Kant bedanken. Deze verlichte geest hield ervan te flaneren door de straten van Königsberg, maar vond het best sneu dat z’n kostbare zijden kousen naar de verdoemenis gingen. Dus daar was ‘ie dan: de jarretellengordel! Het was in die tijd een antwoord op de kousenband, een band in stof met een gesp. Niet meteen handig want het zijde kousje slipte er al eens onderdoor. Te straks aangespannen had deze de slechte gewoonte om de bloedsomloop af te snijden waardoor dames, en zeker ook nobele heren, spontaan door de knieën gingen.

Maar terug naar het eureka-moment in de ochtendspits. Daar begon de zoektocht naar het gepaste exemplaar. Want de éne gordel is de andere niet. Soms moest ik het stellen met vier armtierige haakjes waarbij het heus wat friemelen vroeg om de kous er vast in te krijgen. Om nog maar te zwijgen van de terugslag tegen mijn zachte huid wanneer de kous los glipte. Tsjak. Een mens kan blauwe plekken krijgen op de meest vreemde plekken. Ik koos dus voor de stevigere versie, met acht haakjes. Zeg maar gerust de bomma-versie der jarretellengordels. Maar god, wat heerlijk. Geen geschuifel meer door het station. Geen pantystress. En het voelde best wel sensueel aan. Ik voelde hoe mijn lijf zich een andere houding gaf. Rug recht, een lichtere tred, heldere ogen.

Ooit was de jarretellengordel het symbool der vrouwelijke bevrijding! Ik hoor het de flappergirls uit die andere jaren twintig nog zingen: ‘Shimmy and shake until your garters break’. Ik vraag het me trouwens vaak af of het kan. Zo hard dansen dat de jarretelles gewoon in flarden scheuren. Ik besefte ook dat ik me met dat kleine miskende kledingstuk zomaar even kon meten aan Marlène Dietrich als ‘Der blaue Engel’, of Sophia Loren. Maar de prachtigste jarretelles zitten rond de benen van diva Liza Minnelli. Oh, wat benijd ik haar voor de rol in ‘Cabaret’. Alle vrouwelijke sensualiteit samengebald in één nummer: Mein Herr. Wie zou nu niet met plezier een afwijzing aanvaarden als deze zo heerlijk scherpzinnig verpakt zit?

Misschien wordt het tijd voor een nieuwe bevrijding. Weg met de status van heimelijke lustopwekker in de besloten slaapkamer! Want wat smacht ik naar wat meer frivoliteit in dit grijze bestaan. Glitter verpakt onder kantoorrokken. De bandjes die in de huid snijden, de zachte rondingen benadrukken. Heel persoonlijk. Iets waar niemand zaken mee heeft, behalve je eigen lijf. Weg met de zweem van feministisch wantrouwen tegenover dit stukje stof. Maak er een statement van. Een duidelijk teken dat er met deze vrouw niet te sollen valt. Niet van haar stuk te brengen door wat jij nu wel of niet denkt van haar lijf. Comfortabele zelfzekerheid, in een ragfijn harnasje. Enkel te ontbloten aan wie zij wil.

De tijden veranderen. Met de jaren slopen er meer broeken naar mijn kleerkast. Ik liet rokken en jurkjes links liggen. Maar ik ben dat kleinood nooit uit het oog verloren. Ik koop er nog steeds. Voor de simpele schoonheid van het stuk. Voor de nostalgie. Omdat je er nooit gewoon genoeg van krijgt.

Jolien Van de Velde schreef deze tekst voor Azertyfactor, de website van Creatief Schrijven vzw.

#Metoo

Me too?
iemand hakt hout op de vierde verdieping
in de rue des Chartreux
het is de Afro Bruxellois
op het derde overigens
woont het mooie meisje met de blauwe ogen, mag dat even?
de Maroxelloise in de Pletinckx belt lomp en luid
alsof de Exki haar podium is
en de kleine Tunesienne, is ze gehandicapt
of, hoe zeg je dat, minder mobiel?
het Romameisje is te knap om te bedelen
en het Mabomeisje ziet ze scheel
of zeg ik beter wazig?
is haar haar vet of sluik?
het homokoppeltje uit de Kogel
wat is erover, homo of tje? Of beide?
het zijn barre tijden voor de blanke hetero
from hero to zero
mag ik meedoen? please
Me too?

William
hetrijkderzinnekes.blogspot.com

Twee Deense doggen

Het was stil op straat. Bleven de mensen preventief binnen voor de storm die morgen lelijk zou huishouden?

Ik ging nog snel even naar de bibliotheek. Lectuur inslaan voor de volgende dag. In mijn bibliotheek keek ik altijd bij de nieuwe boeken. Ze stonden uitgestald op wandplanken, meteen links als je binnenkwam. Enkele weken geleden had ik hier een mooi boek gevonden, ‘De vriend’ van Sigrid Nunez. Over een vrouw die de Deense dog van haar beste vriend adopteert nadat die uit het leven is gestapt. Het was het eerste boek dat ik in twintigtwintig heb gelezen. Het was moeilijk een tweede boek te vinden dat ik even graag zou lezen. Ik nam de nieuwe Juli Zeh mee.

Op de terugweg vroeg ik me af of ik nog groenten nodig had, en bij de biowinkel zou binnenspringen. Ik had niet echt iets nodig, ik had genoeg groenten thuis.

Zou ik nog een pompoen kopen voor soep? En een aubergine voor bij de Indiase rijstschotel van vanavond? Ik liep naar de biowinkel, wilde de deur openen, maar dat ging niet vlot. Binnen zat, op de deurmat, een enorme Deense dog.

‘Il s’est bien installé là,’ zei ik lachend tegen het baasje dat naast hem waakte, een jonge vrouw met een wollen muts.

‘Ik ben al blij dat ze stil zit,’ zei ze, ook in het Frans, maar voor het gemak schrijf ik dit even in het Nederlands. O, het was een vrouwtje. Ik liep naar de aubergines, die tegenover de hond stonden.

Wat een toeval. Ik moest het baasje aanspreken. Ze leek me vrolijk genoeg om dit niet vreemd te vinden.

‘Ik heb pas een boek gelezen waarin zo’n hond voorkomt,’ zei ik.

Ik vertelde haar over de roman. Dat het hoofdpersonage de hond geadopteerd had van haar overleden vriend. En dat ze in een appartement woonde dat te klein was voor de hond. De hond kon de badkamer alleen achterwaarts uit.

‘Net als bij mijn moeder,’ zei ze. ‘Het is haar hond. Mijn moeder is gek van Deense doggen. Maar ze woont ook klein.’ Haar moeder was in de verte groenten aan het kiezen.

‘Mag ik een foto nemen?’ vroeg ik. Dat mocht, maar de hond stond niet graag op foto’s. Ze was heel beweeglijk. ‘De hond in het boek heeft ook niet zo’n makkelijk karakter,’ zei ik. Ik vroeg hoe haar moeder aan de hond kwam. ‘Ze komt uit een asiel. Ze was achtergelaten.’ ‘De hond in het boek was ook achtergelaten door zijn eerste baasje. Ook daarom kan de vriendin het niet over haar hart krijgen om hem opnieuw naar een asiel te sturen. Maar ze heeft problemen met haar huisbaas, want ze mag geen hond houden.’

De hond kwam naar me toegelopen. Ze was inderdaad heel beweeglijk en stond op bijna elke foto wazig. ‘Hoe heet ze?’ ‘Athena’. ‘Dat is ook toevallig, de hond in het boek heet Apollo.”Son premier nom était Lorena. Mais je voudrais un nom plus costaud,’ zei ze. Ik citeer dit in het Frans, omdat ‘costaud’ een moeilijk te vertalen woord is dat zowel ‘krachtig’ als ‘uit de kluiten gewassen’ betekent. En omdat het mooi rijmt op ‘Apollo’.

‘In het boek kennen ze de eerste naam van de hond niet,’ zeg ik. ‘Dat is een van de problemen, misschien luistert hij daarom niet echt.’ De hond in de winkel was net als de hond in het boek vrij oud. Ze hadden hem zeven jaar – maar dit was zijn tweede leven.

‘Je ziet niet vaak zulke grote honden,’ zei ik nog. ‘Nee, zo zijn er maar drie hier in de buurt.’

We namen afscheid. ‘Tot ziens!’ Ze woonden vlakbij mij.

In ‘De vriend’ zit een erg geslaagd vervreemdingseffect. Een scène die je als lezer een beetje van je stuk brengt. Omdat je begint te twijfelen aan het voorgaande. Heeft de schrijfster je beetgenomen? Wat is fictie? Wat is echt? Een zinloze vraag omdat alles in dit verhaal een verzinsel is. Of toch niet?

Wanneer ik met mijn pompoen en aubergine naar huis wandel en ook met nog wat boerenkool, komt de ontmoeting met de Deense dog me zo onwerkelijk voor. Alsof een hersenspinsel me had opgewacht.

Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.