Het coronavirus woedt nog steeds, zij het dat er hoop is op meer aanzienlijke versoepeling. Bezige bijtjes vinden echter altijd wel een uitweg om niet weg te kwijnen. Wandelen en sporten in de open ruimte kan en als knuffelcontact kan je zelfs bij iemand over de vloer komen.
Wil je jouw foto’s ook wel eens in de reeks Brussel in Beeld op BrusselBlogt? Gebruik de hashtag #brusselinbeeld op Instagram. Via Flickr kan ook: maak een account aan, word lid van de BrusselBlogt-groep en voeg je foto’s toe aan de pool. We maken elke maand een persoonlijke selectie. Bekijk ook de foto’s van de vorige selectie of de hele reeks Brussel in Beeld.
BrusselBlogt is op zoek naar een bolleboos die van wanten weet bij het configureren van websites. Momenteel kun je maar beperkt scrollen door de site en ook andere functies zoals het zoekveld werken niet naar behoren. Mogelijk moet er een nieuw thema geïmplementeerd worden. Ben jij de geknipte vrouw of man die BrusselBlogt uit de nood helpt? Kennis van WordPress is noodzakelijk.
BrusselBlogt-medewerkers doen het allemaal op vrijwillige basis. Je maakt evenwel deel uit van een groep enthousiastelingen met een groot hart voor Brussel die hun passie op gezette tijden tussen pot en pint wederzijds bevestigd zien en dat maakt veel goed.
Wil je meer weten of al dadelijk het goede nieuws brengen? Eén adres: info@brusselblogt.be.
Naar aanleiding van het colloquium ‘Secrets d’ateliers, l’ornement Art nouveau’, 18/09/2020, CIVA, Hortamuseum
Art nouveau kon ontstaan op een plek als Londen in 1851, tijdens de zogenaamde Great Exhibition. Daar waren dermate lelijke ornamentele bloemen te zien – in de ogen van critici – dat er reactie op moest volgen. De ontwerpen in kwestie, bedoeld als versiering voor behangpapier, stoffen of gordijnen, streefden driedimensionaliteit na. Met hun schaduw- en dieptewerking wilden ze de illusie van echtheid verschaffen. Dat werd als vals ervaren, want ze dienden om platte objecten te versieren.
Neobarok ontwerp, Frankrijk, rond 1900
De Great Exhibition was een symbool van het Victoriaanse tijdperk. Er waren veel verschillende historische stijlen te zien, van middeleeuwse tot renaissancistische. De nieuwe, moderne kunstenaars zouden die stijlen synthetiseren, aemuleren en ten slotte achter zich laten door een nieuw element van inspiratie naar voren te schuiven: de natuur.
De Engelsen schreven een nieuwe bijbel, onder leiding van kopstukken John Ruskin en William Morris, de Prerafaëlieten, de Design Reform Movement, de Aesthetic Movement en de Arts & Crafts-beweging. Op hetzelfde moment verscheen er ook een naar hedendaagse normen heel groot, dik en zwaar boek, The Grammar of Ornament, door Owen Jones.
De illusionistische procédés werden verbannen. De versiering moest zich aanpassen aan de vlakke, tweedimensionale ondergrond van haar drager (behangpapier, stof, weefsel).
Een Designschool werd opgericht, en het Victoria & Albert Museum.
In Wenen kwam in 1871 het Art & Industry Museum (Museum für angewandte Kunst), en wat later de Kunstgewerbeschule, waar het ornament werd bestudeerd.
Atlas van motieven
Wat daar al vroeg in Engeland gebeurde, voorafgaand aan de Art nouveau, was geweten door enkelingen op het continent, zoals de schilder en illustrator Georges Lemmen en ook de jonge kunstenares Maria Sèthe, die tekenlessen bij hem volgde en de echtgenote van Henry Van de Velde zou worden. Zij brachten de nieuwe inzichten het kanaal over, terwijl Engeland zélf nooit echt tot de volle Art nouveau zou overgaan. De Engelsen tekenden wel heel tendentieus voor de Europese markt, maar de eigen produktie werd net weer traditioneler als gevolg van de ideeënstrijd tussen John Ruskin die pleitte voor een ‘morally just’ design, en Oscar Wilde, die ‘any means are good’ vond, zolang het resultaat maar geslaagd was. Hij vertegenwoordigde de Aesthetic Movement – art for art’s sake – maar viel uit de gratie na een hoogstspraakmakend proces voor homofilie.
De Arts & Crafts-beweging stelde de industriële produktie in vraag, en ook dat was een impuls voor een nieuwe stijlrichting. Het artisanale produkt dreigde met de industrialisering en standaardisering verdrukt te worden, opgaand in anoniem maatwerk. Het zichtbaar gebruik van gietijzer in woonhuizen en de sierlijke transformatie ervan, waar Victor Horta, de Gentenaar die de nieuwe stijl neerzette, mee uitpakte, was in dat verband een vindingrijk compromis, het omarmen van zowel verleden als toekomst. Het beste uit twee strijdende werelden werd in de Art nouveau verenigd.
“Ma racine est au fond des bois, parmi les mousses, autour des sources”, zei de veelzijdige ontwerper Emile Gallé uit Nancy. De natuur was de nieuwe bron van inspiratie, de kunst was losgekomen van de herhaling van stijltradities. Sommigen wilden er de veronderstelde oerwetten van ontcijferen en het design daarnaar doen luisteren. De nautilus-schelp (de spiraal), het palmblad, de stengel en de bloem werden gestileerde motieven in de handen van de nieuwe kunstenaars. Het verschil met de decoratieve lijn van vroeger zat hem in een nieuwe, levendige kracht. ‘Ligne-force’ of ‘dynamo-grafiek’ werd dat toen genoemd. Bij Horta eindigde die lijn soms op een finale tegen- of zweepslag, als nec plus ultra van die nieuwe dynamiek. Er was iets ontdekt dat paste bij de behoefte aan vernieuwing. Horta, die 1,5 jaar in Parijs studeerde en daar onder meer de invloed van architect en theoreticus Viollet-le-Duc onderging, had zijn liefde voor het Franse rocaille weten te bekronen door er nieuwe levendigheid aan toe te voegen en de stengel der natuur te stileren als motief – zonder de bloem zelf, of slechts hoogst zelden (tenzij als bekroning van verlichtingselementen).
Het nieuwe florale model, in twee dimensies. Wenen, Ringstrasse, Majolicagevel. Otto Wagner.
Ook Wenen liep voorop. Otto Wagner was daar de eerste moderne stylist die uit de chaos van het verleden een nieuwe stijl puurde, met inspiratie die hij uit Parijs had gehaald. Aan de nieuwe Ringstrasse die het oude centrum omgordde was daar plaats voor. Wagner gebruikte het gladde gevelvlak van zijn Majolicahuis als tekenbord. Een leerling, Josef Hoffmann, bracht een meer eenvoudige lijnvoering, uitgepuurder. En nog een andere, Josef-Maria Olbrich, die aan het eind van de Ringstrasse het manifestgebouw van de Wiener Sezession neerzette, ontwierp gebouwen voor Darmstadt, een kunstdorp dat door een mecenas in het leven geroepen werd.
Het ornament werd daar gezien als iets wat logisch of organisch uit de structuur van het voorwerp of gebouw moest voortvloeien. De Belg Khnopff droeg bij, en andere Europese kunstenaars. Er was in Europa een onderling uitwisselspel van wederzijdse beïnvloeding ontstaan, ook door de kunsttijdschriften die circuleerden. Paul Cauchie integreerde in Etterbeek Mackintosh’ stijlkenmerken.
Ondertussen moest de explosief uitdijende stad in goede banen geleid worden. Het platteland begon leeg te lopen, en de stad werd een nest voor arbeid en diensten. Er kwamen regels voor hygiëne, minimumhoogtes voor plafonds, verfraaiingen van dorpels, straten en gevels, bovenop het nieuwe stadsuitbreidingsplan onder leiding van ingenieur Victor Besme. Het was een knik in de evolutie van Brussel na de min of meer organisch gegroeide oude kernstructuur. Brussel werd een moderne metropool, door Leopold II aangestuurd, weldra met brandstof uit de Afrikaanse kolonie die de achterstand van België op Nederland (dat al lang op koloniale hulp kon rekenen) moest goedmaken.
In die zin bracht de poëtische introductie van de natuur ook de nodige zuurstof binnen tussen de talloze blokken langs die nieuwe tracés.
En daarmee waren de idealen nog niet opgebruikt.
Het devies ‘Pour tous’ verklankte de ambitie om iedereen toegang te geven tot schoonheid (ook bij Oscar Wilde). Mooi, maar tegelijkertijd schreven Paul en Lina Cauchie ‘Pour Nous‘ op hun gevel aan de Frankenstraat. Ook het gouden tijdperk van het individu was meer dan ooit tevoren aangebroken.
De visie op de nieuwe lijn door Hector Guimard
Het Art nouveau-ornament kon helpen om de nieuwe mens in galopperende tijden verbonden te houden met de natuur, met zijn ‘racines’. Tegenover het gevaar van anonimisering en de naamloze abstractie van de white box stond de grillige, onvoorspelbare, persoonlijke en natuurlijke lijn. Een huis werd een portret van haar specifieke bewoners. De architect, de kunstenaar (mannelijk en vrouwelijk) en zijn ambachtslieden tekenden, sneden of kapten in materialen. Innovatieve glasbewerking bracht het beste van moderne uitvindingen samen met de wensen van op nieuwe symboliek beluste burgers. Het vrouwelijke element kreeg een ambiguë hoofdrol in een nog sterk vermannelijkte maatschappij.
In Japan kan het belang van het doorgeven van vakkennis nog groter zijn dan het uiteindelijke resultaat. Gebouwen worden er moedwillig afgebroken om ze herop te bouwen. Kwestie van de technieken en vaardigheden te blijven oefenen.
De Art nouveau-lijn positioneert zich ook op de tijdslijn van de eco-logica. We maken deel uit van de natuur, we staan er niet boven, alhoewel we ons te vaak, als ultieme roofdieren, zo gedragen.
Sgraffiti door Adolphe Crespin voor Paul Hankar. Defacqzstraat 71.
Een tweede familie Art nouveau-kunstenaars zocht meer abstrahering en geometrisering in de lijnvoering. Paul Hankar liet nog veel vrijheid toe binnen de geometrie, bijvoorbeeld in zijn door Adolphe Crespin uitgevoerde sgraffiti voor zijn woonhuis, Henri Van de Velde was nog verder op weg naar abstractie met zijn ornament, of ging de abstractie vooraf. In elk geval was het de bedoeling om de natuur op te roepen, zonder haar te illustreren. De versobering kwam overgewaaid van de Schot Charles Rennie Mackintosh en de Wener Joseph Hoffmann.
Conclusie
Altijd moet je een weg vinden tussen verpletterende machinaliteit en overdreven versiering. Het blijft opmerkelijk dat veel Art nouveau-interieurs na verloop van tijd te beklemmend werden voor hun bewoners.
In het ideale geval komt de synthese tot stand: het artisanale en de reproduceerbaarheid worden complementair. Bauhaus en de Wiener Werkstätte (1903) richtten zich op een dergelijk verweven van kunst en industrie, werkplaatsen voor kwaliteitsproducten voor een selectieve markt.
Van hyper-uniek op-maat-ornament en object, over geometrisering, tot en met abstractie: zo ligt de tijdslijn van ons vormgeven vast.
Rond 1900 leidde de artistieke vernieuwing tot ongeziene ornamentiek in de straten en de interieurs van de stad.
Art nouveau en haar ornament doorstonden de tand des tijds, na een poosje uit de gratie gevallen te zijn door de opeenvolging van nieuwe evoluties en modes, economische noodzakelijkheden.
Vandaag wordt het ideaal van design ‘pour tous’ belichaamd door het Zweedse Ikea. Tegen welke prijs?
Het natuurelement komt terug, uit grotere noodzaak dan voorheen. Hebben we een nieuwe stijl nodig die illustratief kan zijn voor onze bewustwording van de noodwendigheid van de natuur?
In 2005 vertrekt een schilder-schrijver-tekenaar uit Gent, na een carrière die sinds 1982 de aandacht heeft getrokken tot in het verre buitenland. De schilderkunst beleefde in die jaren vernieuwde aandacht, en Philippe Vandenberg genoot daarvan. Uitgelopen in zijn thuisstad, komt hij aan in Brussel, kiest niet voor Sint-Gillis maar gaat wonen in de Ieperlaan en komt al wandelend bij zijn nieuwe ruime atelier aan Ribaucourt, Molenbeek.
Daar zal hij midden in de pijn snijden die de samenleving omringt, en die hij op straathoeken en in gesprekken opvangt. Sinds zowat 1989 is politiek prominent in zijn kunst in beeld gekomen. Wereldconflicten, nieuwe vormen van extremisme, verrechtsing en fundamentalisme wil hij – als burgerplicht – voorspiegelen en bestrijden. De onderhuidse spanningen die hij in microkosmos Molenbeek waarneemt, voltrekken zich ook op wereldschaal. De brand die Vandenberg 10 jaar geleden detecteerde, omsingelt de wereld vandaag.
Bozar trekt het nieuwe seizoen strijdend in onder het motto ‘kunstenaar en welzijn’. Omdat kunst goed doet. Als je een langgerekte, sensuele verdediging van kunst wil zien, kijk dan hiernaar:
De kunst van Philippe Vandenberg doet ook goed, onder de vorm van een vinger die op een wonde gelegd wordt, soms schreeuwend, vaak confonterend, maar ook kleurrijk en transformerend. En altijd met de magisch aandoende kracht die een plastisch kunstenaar eigen is.
Het woord komt in het beeld bij Vandenberg. Hij schildert met woorden. Zijn taalspel doet aan tijdsgenoot Walter Swennen denken, maar nog meer aan Paul Van Ostaijen. Van Ostaijen die ook, op zijn beurt, tussen zijn woorden beelden toeliet. Van Ostaijen die ook een getuige was van een onrustige, gevaarlijke tijd. Zelfs kersen knalden.
“Un grand amour suffit”.
“Un homme, ça dit rien, ça peint”
“Les preuves fatiguent la vérité” (G. Braque)
Een geslaagd kunstwerk levert geen bewijzen, maar schokken, en het helpt ons om te leven.
De schilder evoceert de gruwel die kan ontstaan in een gemeente als Molenbeek wanneer de gist overloopt, maar hij bereikt effect door er humor aan toe te voegen. Hij gebruikt het hakenkruis als terugkerend symbool, en beeldt Adolf Hitlers af (“Adolf reviens”). Boven opschuivende tanks staat “Dieu ronfle”.
In een reportage-video uit 2009 (te zien op de tentoonstelling, 2009, 40′, Hans Theys; er worden trouwens atelierbezoeken ingelast met de kinderen van de kunstenaar als gidsen) in het Molenbeeks atelier zegt de kunstenaar dat hij wellicht als gelovig kan beschouwd worden, maar dan met een god die wel bestaat maar afwezig is. Hij helpt ons niet.
hakenkruis-opstelling
In een tekening kan Philippe Vandenberg alles van die goddelijke kosmos steken. De goede fee gaf hem het tekentalent (“het mooste cadeau dat de goede fee me heeft gegeven”). Met niet meer dan een wit blad en enkele elementaire hulpmiddelen zegt hij kun je alles doen. Op zijn wandelingen in Brussel hield hij een tekendagboek bij, waaruit je een selectie krijgt te zien. Hij zag de verslaafden aan Ribaucourt. Er werd in zijn atelier ingebroken. Op een tekenblad kan je zaken verwerken, noteren, op een gestileerde manier.
“Het tekenen is het mooiste geschenk dat de goede fee mij heeft geschonken. Al de rest was niet zo fameus. Het feit dat je het complete universum, alles alles alles alles, de eeuwigheid zelfs, de kosmos, met een eenvoudig potlood en een stukje papier kan condenseren op een klein vlak vind ik echt beautiful. Ja, ik kan het niet anders zeggen. Het is fascinerend dat je gewoon kan gaan zitten, langs de weg, op de trein of in je atelier, en dan iets doen waar iets uit kan komen. Soms komt er een tekst uit, soms een tafereel, soms een kruisiging. En overal zie je dingen. Je ziet iets op straat en een week later teken je dat. Bijvoorbeeld die ganzen. Ik heb geen ganzen, maar onlangs hoorde ik hier een gans roepen. Een gans die geslacht werd. En dan sloop die gans in mijn tekening. Het is heel eenvoudig, eigenlijk. Het is ook heel vreemd en tegenstrijdig. Soms lukt het. Soms niet. Maar het hoeft ook niet te lukken. Daar maak ik niet zoveel problemen over.”
“L’homme au balai aura toujours trop de travail”
De straten van Brussel die altijd weer onproper worden, zijn een stekend symbool van de ordeloosheid die de mensheid blijvend parten speelt.
Een getuige van de wereldbrand. ‘Témoin à charge’. Meer dan kunstenaar. Tegelijk stelt Vandenberg dat Jeroen Bosch zijn waanzin met groot plezier moet geschilderd hebben. Een kunstenaar moet altijd plezier hebben aan het maken van een werk, in het omgaan met pijn, anders komt het niet goed. Die transformatie kan ook voor ons, toeschouwers, werken, ook al huilt de boodschap ‘KILL THEM ALL’ van straatmuren of internetschermen over het volledige geschilderde oppervlak. “Optimisme is onmogelijk”, maar er is nog iets sterkers aan het leven, want “het kan de pret niet bederven”.
Dat oppervlak kan bij Vandenberg ook een plank zijn, een stuk gevonden papier of een waardeloze doos. Hij pikte voorwerpen op tijdens zijn voettochten, en keerde naar het schildersdoek terug wanneer zijn ruimte verzadigd was van wrakhout. Ook met haar of met bloed, of theoretisch chocolade, wou hij schilderen, happig om routines een halt toe te roepen, de horizon te verruimen.
Vaak op reis, “mobiel mobiel mobiel” tussen Gent, Brussel en tweede thuisstad Parijs, komt Philippe Vandenberg met zijn Molenbeekse werk nu thuis. Na via de Philippe Vandenberg Foundation (sinds 2009) op veel plaatsen gezien te zijn (De Pont, Tilburg, Korea, NY, …).
“Le peintre, l’homme qui peint, ça dit rien, ça peine à peindre, à peine rien”
Philippe Vandenberg, Molenbeek. Bozar, 17 september 2020 – 3 januari 2021
Curator Barry Rosen (USA)
Inkomprijs: 8€
Bezoekers hebben toegang tot een uitgebreid en gevarieerd online mag(azine): Readymag.
Kunstenaars kunnen heel ver gaan in hun bizarre zoektochten, het is bekend. Dit jaar op Brussels Gallery Weekend, het summum van het kunstgebeuren in onze stad, tellen we een meester-uitvinder in de rangen, iemand die het licht heeft gezien en heruitgevonden. Adrien Lucca toont het licht. Het licht, dat we zo vaak niet zien, omdat het normaal is.
Licht is onzichtbaar zonder materie. De pigmenten op een schilderij nemen het over. Lucca laat die pigmenten, die hij met wetenschappelijke zorg uitkoos, reageren op zijn zelfgemaakte, programmeerbare lichtbron. Je staart in de geometrische patronen die met Jan Van Eyck-geduld zijn aangebracht en ziet voor je ogen vier kleurfasen in elkaar overgaan.
Adrien Lucca, LMNO
Bij LMNO in de Eendrachtstraat 31, Elsene, van 11 tot 18 uur
Dit jaar stelt het Gallery Weekend zich wat bescheidener op. Geen VIP-wagens die bezoekers rondrijden, geen eigen exporuimte voor de Brusselse selectie jonge kunstenaars, en zelfs geen nieuwe totebag. En ook geen m’as-tu vu op een grote receptie. We vallen terug op de essentie: met een Villo-fiets van galerie-buurt naar galerie-buurt schakelen, en kunst ontdekken.
De jonge Brusselse kunst krijgt onder de naam Generation Brussels in vitrines een plaats, in de Regentschapstraat, in de Louiza-galerij, aan een raam van Muntpunt en in de Lebeaustraat.
Koenraad Tinel, aan wie Bruzz een schitterend artikel wijdde, zit in het parcours met tekenwerk, in dezelfde buurt als Adrien Lucca, maar als je hem in het lang en het breed wil zien, moet je naar de vernieuwde Gare Maritime in Molenbeek/Laken (Tour&Taxis), de grootste nieuwe houten constructie in Europa (we mogen verbaasd zijn). Daar vind je Tinels vervormingen van mens en dier in een parade naar het einde der tijden. Ook zijn ‘Europa’ staat er te kijk, toch wel speciaal want het gigantische beeldhouwwerk kwam uit ‘s kunstenaars eigen tuin over. Op zijn zesentachtigste is de kunstenaar onvermoeibaar.
Koenraad Tinel, Gare MaritimeKoenraad Tinel, Gare MaritimeKoenraad Tinel, Gare Maritime
Vorig jaar verraste La Patinoire/Valérie Bach ons met een exquis overzicht van Belgische geschilderde abstractie na de Tweede Wereldoorlog, als een les in kunstgeschiedenis, in hun unieke ruimte aan de Veydtstraat in Sint-Gillis. Dit jaar geven ze ons genereus en consequent het vervolg: vijf Belgische vrouwen uit diezelfde periode. Het is en blijft, vreemd genoeg, een ontdekking om vast te stellen dat de kunst ook toen al vrouwelijk was. Berthe Dubail, Francine Holley, Antonia Lambelé, Gisèle Van Lange en (de bekendste) Marthe Wéry, wie kent hen? Vijf verschillende richtingen in de abstractie.
Belgian Women, La PatinoireBelgian women, La PatinoireBelgian women, La PatinoireBelgian Women, La Patinoire
Richard Aldrich (1975) bij het prestigieuze Gladstone toont werk tussen abstract en figuratief dat qua toets en kleurenpalet naar Gustav Klimt verwijst.
Richard Aldrich, Gladstone
Bij Rodolphe Janssen (Livornostraat 35) zet Tom Poelmans het Vlaamse primitief opnieuw op doek en papier. Uiterst precies en bedreven. Licht naïef van stijl. Kleurrijk als een gerestaureerd Lam Gods. En bovenal onze actuele eind-van-de-wereld-angsten in Bijbelse taferelen en rode vlammen drenkend. De vroeg-middeleeuwse voorspellingen staan op stapel.
Tom Poelmans, Rodolphe Janssen
Ook in het stadscentrum zitten galerijen. Greta Meert zit er sinds 1988. Liam Everett toont er zijn California state of mind, schilderkunst om van te snoepen, en beneden wordt het serener met Katinka Bock (°1976, Frankfurt am Main), in een landschap, een taal, een ontdekkingsreis.
Katinka Bock, Greta MeertKatinka Bock, Greta MeertKatinka Bock, Greta MeertLiam Everett, Greta Meert
Ik betrap mezelf op mijn didactische tics als ik jullie eraan wil herinneren dat een tentoonstelling tijd vraagt. Laat je niet vangen aan de veelheid van een parcours als dit (38 galeries). Kijk, neem de tijd, verdwaal, vergis je, vind. Denk niet: ik ken dit soort schilderijen. Laat het inwerken, zie wat het naar boven brengt.
Het speciale collaboratieve project ‘La Maison de Rendez-Vous’ in de Jef Lambeauxlaan 23 in Sint-Gillis, gehuisd in het schitterende geometrische art nouveau-decor van de tweede generatie, doet het werk van Margaret Lee heel mooi met het interieur contrasteren. It is OK to make yourself unintelligable, noteert de artieste.
De rijke Brusselse modescene heeft er een nieuwe vertegenwoordiger bij. YU.ME BXL maakt duurzame en stijlvolle stukken voor iedereen die zich goed wil voelen in zijn of haar kleren. Oprichtster Joke heeft tien jaar in de mode gewerkt en realiseert met haar collectie een oude droom. De eerste creaties rolden net van de band. Een gesprek met de trotse ontwerpster. “Ik koop heel weinig nieuwe kleren.”
Wat is het concept van je kraakverse modemerk ?
YU.ME BXL staat voor kleding die je een gevoel van vrijheid geeft en je niet in een hokje steekt. Je kunt ze dragen, onafhankelijk van je maat, je gender, je leeftijd of het seizoen. Je mag jezelf zijn en hoeft niet perfect te zijn. De stijl is strak en sober, zonder vaste sluitingselementen als knopen of ritsen. Al hebben de kleren geen maat, je lichaam komt er echt in uit.
Hoe breng je duurzaamheid in de praktijk?
Ik kies de stoffen zorgvuldig uit. Het zijn gecertificeerde duurzame ecostoffen met een minimale footprint, zoals biologisch katoen en bamboezijde. Of tencel, gemaakt van houtpulp van eucalyptusbomen. Ik gebruik ook stockoverschotten, onder meer van gereputeerde modebedrijven. Het einde van de rol, dat anders weggegooid zou worden. Bovendien werk ik zo lokaal mogelijk en doe ik bijna alles zelf. Voor de productie schakel ik kleinschalige ateliers uit de buurt in, zoals de Welvaartkapoen in Molenbeek, dat ook een sociaal tewerkstellingsproject is. En vooral: de kleren zijn tijdloos en kunnen een heel leven mee. Het is geen wegwerpproduct.
Hoe ben jezelf als modeconsument?
Ik koop heel weinig nieuwe kleren. Ik spaar liever voor iets moois en kwalitatiefs. Naar de Primark ga ik nooit. De mode-industrie heeft nood aan een revolutie. De huidige consumptiegerichte ratrace is dodelijk. Herinner je je nog die textielfabriek in Bangladesh, waar in 2013 meer dan duizend werknemers omkwamen? De druk is zo groot om snel en goedkoop te produceren en voortdurend nieuwe collecties op de markt te brengen. Gelukkig is er een tegenbeweging. Veel mensen kopen bewuster kleren. Bijna niemand is nog vies van vintage.
Yume is het Japanse woord voor droom, verbeelding, utopie. In hoeverre is Japan een bron van inspiratie voor jou?
Ik was erg onder de indruk toen ik in Tokio een tentoonstelling bezocht over Mingei, een beweging van volkskunst in de jaren twintig. De makers ontwierpen prachtige voorwerpen, maar noemden zichzelf geen kunstenaars of ambachtslui omdat ze geen etiket op zichzelf wilden kleven. De sporen van onvolmaaktheid maken hun werk menselijk. Heel pakkend. Mijn eerste creaties – jassen en jurken – zijn ook geïnspireerd door het ontwerp van de kimono.
Op de website staat niet jouw verhaal centraal, maar dat van je modellen. Een bewuste keuze, in navolging van de Mingei-beweging?
Het gaat voor mij om de kleren en de mensen die ze dragen. Iedereen kan ze dragen. Niemand wordt uitgesloten. You and me, dat zit ook in de naam. Hetzelfde stuk ziet er op iedereen ook anders uit. En ja, ik pas voor de vedettecultus van de modeontwerper.
BXL zit ook niet voor niets in de merknaam.
Brussel inspireert me. Het is zo’n veelzijdige, multiculturele stad. Niet eenduidig, zowel mooi als lelijk. Je kunt er jezelf zijn en je stem laten horen. Samenleven lukt hier op een of andere manier.
Tot slot: wat is je droom met YU.ME BXL?
Ik wil stap voor stap gaan en zoveel mogelijk leren. Ik bied mijn eerste stukken nu op mijn website aan, produceer voornamelijk in kleine reeksen en op pre-order en bekijk ook opties met geïnteresseerde boetieks. Ik zou graag met een showroom op pop-upevents staan, zodat klanten kunnen voelen en passen. Op termijn wil ik ook naar het buitenland, zowel om unieke, lokale stoffen te vinden als om de collectie te kunnen presenteren.
Meer weten of stukken bekijken of bestellen? Eén adres: YU.ME BXL.
Na twee tijdelijke plekken in Etterbeek en Molenbeek vestigt het fietscafé Tandem zich deze maand op een vaste stek in Sint-Joost-ten-Node. Brussel krijgt er dan een plaats bij waar je iets lekkers kunt eten en drinken en tegelijk je fiets laten herstellen. Er loopt momenteel een crowdfunding om de laatste investeringen te financieren.
Ze zijn met vijf : Céline, Amandine, Corentin, Gautier en Florent. Wat hen verbindt, is hun passie voor duurzame voeding en mobiliteit. Ze dromen van een open, gezellige en kindvriendelijke plek in de stad, waar fietsers zich kunnen ontspannen of kunnen telewerken. In Tandem wordt je cappuccino geserveerd met een laagje schuim in de vorm van een fiets.
Tandem heeft intussen al een voorgeschiedenis met pop-upcafés in de Orangerie in het Jean-Félix Hap-park in Etterbeek in 2017 en het Centre Communautaire Maritime in Molenbeek in 2018. Nu landt het café in Sint-Joost vlak bij het Madouplein. Het heeft een partner gevonden in Mundo Madou, een kantoren- en vergadercentrum voor organisaties actief in duurzame ontwikkeling en andere maatschappelijk geëngageerde thema’s.
De inzamelingsactie bij Growfunding is bedoeld om een aantal aankopen te financieren: een professionele oven, een koffiemachine, materiaal voor de fietsenmakers en zitbanken. Van de vooropgestelde 10.000 euro is al een derde bij elkaar gebracht.
De opening was gepland op 14 april, maar de coronacrisis stak er een stokje voor. Nu de Brusselse horeca opnieuw mensen mag ontvangen, is de nieuwe openingsdatum dinsdag 25 juni.
https://youtu.be/Rw8tXKaKXqU
Tandem strijkt neer op de Kunstlaan 7 in Sint-Joost-ten-Node. Het fietscafé is van dinsdag tot vrijdag open. Op zondag is er een brunchformule. Steunen kan nog altijd via de de website van Growfunding. Tandem heeft een website, Facebook- en Instagrampagina.
Na een zelfs voor Brusselkenners verrassende gids-trip door een achterkant van onze teergeliefde stad, staan we met verkleumde botten en dorstige tongen aan de ingang van de Walvis. Daar hebben we een tafel gereserveerd, voor de zekerheid, want de rest van het café zal wel vol zitten. We schrijven pre-corona.
De Brusselblogt-crew schuift aan tafel en ieder bestelt wat zijn hartje verwarmt, vooraleer we aan onze geplande meeting beginnen. Brainstorm, zeg maar. Altijd een goed moment om nieuwe ideeën in de groep te gooien, of oude ideeën nieuw leven in te blazen.
‘We doen een I’ve never!’, gooi ik op tafel. ‘We dagen onszelf uit om iets te doen wat we nog nooit deden en schrijven er een artikel over op de blog.’ En dan geven we de fakkel door aan een Chinese vrijwilliger die de ketting verder legt. Een nieuw oud idee. En ik zou de eerste steen leggen.
Ik wou naar de mis, naar een internationale misviering in Brussel. Niet dat ik nog gelovig ben, maar in een ver verleden deed ik ooit wel een communie of twee en ik begon me af te vragen of het zondagsmoment van samenzijn misschien wel een gemis was in mijn goddeloos bestaan. En of er nog gezongen werd en of dat dan nog verteerbaar was, vroeg ik me af.
Zo gezegd, zo gedacht. Ik noteerde met stip in mijn telefoon ‘Mis St.- Niklaas kerk – Boterstraat, Brussel.’, op zondag 16/2 om 10u. Nog nooit gedaan. En vast en zeker van plan om het licht te zien.
Helaas. Een intussen reeds vergeten obstakel stuurde mijn nobel plan in de war. Waarna een volgende zondag sneuvelde aan het front van Aalst carnaval en de zondag erop het killer-coronavirus reeds in de geburen was gesignaleerd en ik zodoende niet meer naar een gesloten kerk vol potentieel geïnfecteerd gezang wou. Plots stortte de hele wereld in een gigantisch I’ve never-spel. Nog nooit moeten schuilen voor een onzichtbare vijand die in een mum van tijd de aardbol had ingepakt. Nog nooit in quarantaine gezeten, nog nooit met een masker naar de supermarkt, nog nooit genoeg plek gehad in de supermarkt, nog nooit. Een blog over een zondagsmis. Niet, dus.
En zo verdween het nieuwe plan op de alom gevreesde lange baan, de snelweg der vergetelheid, het sas naar de bodemloze kerker van het ongebruikt archief.
Tot nu. Want nu is het tijd om uit ons kooi te kruipen, om oude ideeën nieuw leven in te blazen, om elkaars – gefilterde- lucht weer in te ademen en om het misplan opnieuw uit de kerker te vissen. Ik wil en zal naar de zondagsmis. De eerste steen van de I’ve never-ketting moet gelegd, van zodra Here Jezus ons weer allen toelaat in zijn heilig huis. Want ik zou nu niet graag de plek innemen van een huidgehongerde gelovige die de dagen naarstig heeft afgeteld naar een welverdiend groepsgebed. Dus we wachten tot de deuren opengaan voor de sympathisant, de ex-gelovige die opnieuw nieuwsgierig is geworden naar een zaal vol believers in het bovenaardse.
Na weken van lockdown kunnen vanaf 18 mei musea onder voorwaarden de deuren opnieuw openen. Voor de beslissing er kwam werden er vanuit de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België (KMSMB) aan de bevoegde overheid voorstellen overgemaakt. Het Old Masters Museum, een van de musea gelegen aan de Regentschapsstraat, zal door deze demarche op 19 mei kunnen heropenen. Ondertussen bieden de KMSKB met Fine Arts at Home een digitaal aanbod voor jong en oud. Een selectie.
Voor wie het Bruegeljaar aan zich liet voorbijgaan en nu zijn schade wil inhalen of voor wie niet genoeg kan krijgen van deze humanist zijn er op de website van Google Arts & Culture maar liefst 12 virtuele tentoonstellingen online te bekijken. In de reeks Stay At Home Museum van Flemish Masters kun je ook een rondleiding volgen. Museumdirecteur Michel Draguet gidst je door de Bruegelcollectie van de KMSKB. naar Google Arts & Culture, naar Flemish Masters
In samenwerking met Amnesty International selecteerden experts uit verschillende disciplines werken uit de collecties van de KMSKB, lang voor er sprake was van een lockdown. De werken dienen als uitgangspunt voor een dialoog over mensenrechten zoals die in het Europees mensenrechtenverdrag voorkomen. Dit resulteerde in een twaalftal video’s die als YouTube-kanaal te bekijken zijn. Wat op de schilderijen te zien is, illustreert verbanden tussen heden en verleden en vormt de aanleiding om in te gaan op tegenstellingen die er bestaan tussen respect voor mensenrechten in België en andere landen. Begin 2019, nog voor alle video’s vrijgegeven waren, publiceerde BrusselBlogt al een artikel hierover. In betere tijden kon deze selectie uit de collecties in de KMSKB als een parcours bezocht worden. naar YouTube
En dan zijn er nog de twee creative workshops die je kunnen helpen kinderen een prettige namiddag te bezorgen. Ga je ermee aan de slag en wil je het resultaat wereldkundig maken? Foto’s kunnen opgestuurd worden naar info@brusselblogt.be . We zorgen dat ze een plaatsje krijgen in onze virtuele vitrine (lees: op onze sociale media). naar YouTube
BrusselBlogt heeft een hart voor dieren en wil dat in tijden van coronacrisis tonen. Niet enkel inheemse dieren maar ook exoten verdienen aandacht. Reeds kort na de uitbraak van de gezondheidscrisis werd van hogerhand beslist om dierentuinen voor het publiek te sluiten. Door deze maatregel is het er akelig stil geworden. De dieren die er verblijven, zijn slachtoffer van de toestand en raken meer en meer geïsoleerd. BrusselBlogtzocht en vond een oplossing.
In overleg met de Zoo van Antwerpen worden inwoners van het Brussels Gewest ertoe opgeroepen om voor de duur van de lopende crisis een dier in huis op te nemen. Iedereen kan een keuze maken uit een lijst die ons ter beschikking werd gesteld. Niet elk dier dat in de zoo verblijft, kan in huis gehaald worden. Een kaketoe voor het raam of een welpje op de bank, dat kan. Een volwassen beer in de voorkamer ontvangen is uiteraard uitgesloten.
Wie wenst deel te nemen of gewoon meer informatie zoekt, gelieve naar deze link te surfen.