In augustus pakken we opnieuw uit met onze quizrubriek Kwistig. We zijn daarin kwistig met moeilijke vragen, interessante weetjes over Brussel en … mooie prijzen. Wie weet, win je een van de vijf duotickets voor Flowertime. Van 14 tot 18 augustus kun je in het Stadhuis van Brussel terecht voor zomerse bloemenmagie, aangeboden door de makers van het Brusselse bloementapijt en de Floraliën.
Hoe heet de enige camping in het Brussels Gewest? Toeristen kunnen er kamperen op 300 meter van het Europees Parlement.
In welk verfilmd stripalbum koopt Kuifje op het Vossenplein een maquette van een Portugese zeilboot als cadeau voor Kapitein Haddock?
Was is de naam van de Sint-Niklase bloemenkunstenaar die een winkel heeft in de Koningsstraat in een pand van art-nouveau-architect Paul Hankar?
Waag je kans vandaag nog! Stuur een mail met als titel ‘kwistig augustus’ naar BrusselBlogt of laat een persoonlijk bericht achter via onze Facebook-pagina. Geef daarin de oplossingen en vermeld je naam en je postadres. Je hebt daarvoor tijd tot en met vrijdag 9 augustus. Je persoonsgegevens dienen uitsluitend voor de wedstrijd en worden niet bewaard, doorgegeven of op een andere manier gebruikt.
Op warme dagen is het altijd interessant om een goed terrasje in gedachte te hebben voor een fris glas bier. Sinds kort kan je hiervoor terecht op een van de grootste openluchtruimtes van Brussel, het binnenplein van de oude brandweerkazerne aan het Vossenplein.
Door de omliggende gebouwen is dit misschien niet de zonnigste plek van de stad, maar dat is bij warm weer misschien wel een voordeel. Het binnenplein geeft bovendien ook de nodige rust in het bruisende hart van de Marollenwijk. De drukte van de Blaesstraat en de beroemde rommelmarkt op het plein lijken plots ver weg. Een baken van rust die zeker in de smaak zal vallen bij gezinnen met kinderen die er zonder risico kunnen rondlopen.
Een omgeving die je uitnodigt om even de klok te vergeten en de tijd te nemen. Dat doet ook de kaart. Het is niemand minder dan de Broebbeleir die zijn intrek heeft gevonden in de kazerne. Dit project is amper een vijftal jaar oud, maar Thibaut Demanet heeft het ondertussen wel al ‘uitgerold’ in Ukkel, Sint-Gillis en Jette, alvorens het Vossenplein in te nemen. Het concept is eigenlijk erg simpel: een lekker frietje bij een goede selectie bieren. Wat Broebbeleir aan het Vossenplein overneemt, is een zaak die vierkant draaide en een stevige financiële put had gegraven. De uitdaging zal er dus uit bestaan de lat weer te leggen waar ze hoort te liggen en daar is Thibaut zeker voor geschikt.
Momenteel biedt de eetkaart alles wat je kunt verwachten van een zaak die de Belgische frietcultuur een warm hart toedraagt. Op termijn zullen daar zeker wat kleinere gerechten bij komen. Wel worden ook reeds hartige wafels aangeboden als ‘brunch’ met het doel wat extra ‘snuffelaars’ van de rommelmarkt te lokken. Ook onze biercultuur wordt niet vergeten. Maar liefst zeven bieren van het vat (niet slecht voor een frituur), aangevuld met flessen van grote merken en kleinere lokale spelers. De pils van En Stoemelings smaakt in ieder geval uitstekend bij die frietjes.
De kazerne is vandaag de dag eigendom van de stad Brussel en werd in de tweede helft van de 19e eeuw getekend door de gerenommeerde architect Joseph Poelaert. De brandweer is er weggetrokken begin jaren tachtig en in 2011 werd een groots restauratieproject opgestart. Met de hernieuwde activiteit lijkt de toekomst alvast veelbelovend.
est-ce que je peux m’asseoir à côté de vous? zo versiert hij een plek naast mij op een bank aan de Mont des Arts
hij draagt een crèmekleurig maatpak keurige schoenen een rode pochet in zijn poche de poitrine Jean, een 94-jarige Brusselaar
hij is een vriend van Jacques Brel geweest qui n’était pas un voyou d’ailleurs, zette hij zijn vriendschap kracht bij
ken je het standbeeld van ‘t Serclaes op de Grote Markt? – ooit lanceerde een verkoper op de zondagse vogelmarkt het verhaal dat wrijven over de rechterarm van ’t Serclaes geluk bracht. wie het deed zou zeker nog terugkeren naar Brussel en mocht een wens doen – ik ben een schieven architekt, ik heb er nog aan meegewerkt aan de wensen, vraag ik oui, si tu veux, geeft hij terug
elke derde dinsdag van de maand heeft Jean met twee antieke kameraden een vergadering op het Koningsplein na de réunion houdt hij de goede gewoonte aan naar de benedenstad af te dalen en op de Grote Markt een glas te heffen j’aime bien les bières nobles, zegt hij soort zoekt soort, zeg ik
Brussel rolt over onze tongen une Espagnole des Marolles vendait des caricoles ken je dit, kwam je daar ce coin, cette rue, die sculptuur zie je misschien wat ik zie, jongeling à regarder à nouveau, zeg ik
we lachen, de tijd verstrijkt en hij vertrekt, peut-être au revoir mademoiselleke je vous laisse à vos amours
later die avond in het licht van de volle maan doe ik op de Grote Markt bij ‘t Serclaes een wens
de volgende derde dinsdag zit ik op hetzelfde bankje klaar om nog eens te wachten op iemand met hoop met de lichtheid van de mogelijkheid
om een vervolg een kans te geven waardoor de eerste ontmoeting een begin kan zijn van iets ik probeer einden te vermijden de laatste tijd
om met hem zijn goede gewoonte aan te houden en samen een edel bier te drinken om in dat kleine gebaar – le temps d’un tchin tchin – mijn vader te willen zien een glimp van de 94-jarige Brusselaar die hij had kunnen worden als zijn hart
om hem nog een keer te horen zeggen je vous laisse à vos amours
oui, si tu veux de afgelopen maand heb ik iemand een langverlangde kus gegeven
de afgelopen maand is Jean jarig geweest 94 zou 95 worden, had hij mij verteld ik wilde hem feliciteren ik blijf anderhalf uur naar de trappen van de Mont des Arts kijken speur de horizon af naar een rode pochet fluister peut-être au revoir je vous laisse à vos amours
Jill Marchant is een Brusselse dichter-woordkunstenaar. Ze heeft een eigen blog: Verhaalgemaak.
Ach ja het materialisme, platte commerce gekroond in de matigheid van het oppervlakkige: de kermis. Als een onderbetaalde hoer opent ze vijf weken lang haar benen en laat alles binnen wat passeert. Zolang het maar opbrengt.
Wat de klanten zoeken is onduidelijk. Liefde, genegenheid is er niet te vinden. Komen ze uit sympathie? Misschien wel. De kleurrijke massa, de namaakknuffels, zoete geuren van smoutebollen. Of komen ze uit nostalgie? Misschien wel. De jaren 80 en 90 voelen dichtbij. Soms lijkt het erop dat ze al de voosheid uit die jaren krampachtig hebben willen bewaren. Ze hangt als een waas over de foor. Fris en vrolijk kan je het moeilijk noemen. Bepaalde kramen zien eruit als een replica van Walter Capiau’s De Kinderacademie. Sommige lijken dan eerder op een uitvergrote lichtreclame van een nachtwinkel.
En toch, de klandizie is aanwezig en blijft komen. Roze tenuetjes, gouden kettingen, Marcellekes met portretten van Danny Fabry en Johnny Hallyday, zilveren babydolls,… Bij wijlen lijkt het Bal Marginal waar alle vormen van vestimentaire ongein kunnen. Alleen wie heeft dit bedacht? Schitterend levensecht straattheater. Observeren is de boodschap en krijgt na een tijd sportallures. Het is nog moeilijk volgen wie wat draagt, welke combinaties. Een ware competitie. Hier worden nieuwe modetrends gemaakt.
Die kermis. Ze dweept met haar publiek en ze incasseert de centen. Wop-wop-wop, allez hup, roulez-roulez. Een luidruchtig fake-orgasme… die vuile hoer! De klandizie trekt gretig haar portemonnee open voor een extra rondje. De kermis kreunt luider en luider. Schaamteloos, want de buren luisteren mee.
In al haar vunzigheid merk ik ook wel een sprankeltje elegantie op. Achter elk kermiskraam staat een trotse uitbater en achter elke uitbater een trotse kermisfamilie. Hun trots is af te meten aan de lengte van hun caravan. Het is verbazend om zien hoe ze die blikken doos op wielen openschuiven tot een vijfsterrenverblijf. In elk hoekje, elk kantje zit er beweging. Heel ingenieus en zelfs bewonderenswaardig.
Als de kermis voorbij is, schuiven de foorkramers alles weer in z’n plek, haken ze hun sleurhut aan en zijn ze weg. De tijdelijke kermisgrandeur op de Zuidlaan zal plaatsmaken voor de nietszeggendheid van het heden. De vrijgekomen ruimte laten de Brusselse politici voor wat ze is. Parkeren mag, dumpen mag, dealen mag,… we wachten wel af. Volgend jaar is er weer een Zuidfoor. Morgen opent de de 139ste editie van de Zuidfoor. Nog tot 18 augustus kunnen liefhebbers van spooktreinen, botsauto’s, achtbanen, schietkramen, draaimolens, smoutebollen, suikerspinnen en ander lekkers hun hart ophalen. Blogger Thijs schreef er als buurtbewoner in 2013 een tekst over. Mogelijk verhuist de jaarlijkse zomerkermis volgend jaar naar de Heizelvlakte door de geplande werken voor de aanleg van metrostation Toots Thielemans
Er bloeit iets moois in Anderlecht. De Community Land Trust Brussel wil vier leegstaande magazijnen in de Pastoor Cuylitsstraat omvormen tot negen betaalbare collectieve koopwoningen. In afwachting van de verbouwing kunnen sociale en culturele verenigingen er hun projecten ontvouwen. Buurtbewoners en geïnteresseerde bezoekers waren gisteren uitgenodigd om er de iftar te vieren, de maaltijd die in de ramadan na zonsondergang de vasten breekt.
Vier loodsen, vier voorlopige bestemmingen. De eerste ruimte wordt gebruikt voor laagdrempelige sociale, culturele en vormingsactiviteiten. Zo organiseert Samen voor Morgen er regelmatig straatfeesten en wordt het pand de ontmoetingsplaats voor de toekomstige bewoners van de woningen. Home for Less zal in de tweede loods twee modulaire woningen voor daklozen bouwen. Het bouwproces wordt een participatief proces. Het derde magazijn richt zich op stadslandbouw: de ontwikkeling van verticale tuinen en de kweek van champignons. In de vierde loods bewaart het jonge artistieke collectief Gilbard rest- en recuperatiemateriaal van bedrijven en bewoners en stelt het ter beschikking voor de buurt. In de werkplaats kan iedereen met het materiaal aan de slag.
Community Land Trust Brussel heeft op elf verschillende plaatsen in Brussel projecten lopen. Gezinnen met een bescheiden inkomen kunnen een eigen woning kopen, maar de grond blijft eigendom van de gemeenschap. Coördinator Geert De Pauw: “We kopen met de steun van het Brussels Gewest een grond aan en zoeken naar een mix van kopers. Na een oproep krijgen de geïnteresseerden die het langste lid zijn de woning toegewezen. We hebben momenteel 400 gezinnen op de wachtlijst staan. De vraag naar betaalbare woningen is dus enorm.”
Niet alleen buurtbewoners zijn afgezakt naar de iftar, maar ook Franse architectuurstudenten, die in Gent en Brussel voorbeelden van tijdelijk gebruik en collectieve woonvormen komen bekijken. ‘Monsieur Geert’ krijgt van de locals veel complimenten, omdat het project een positieve dynamiek teweegbrengt en zich uitdrukkelijk openstelt voor de buurt. Een bewoner van Noord-Afrikaanse afkomst toont trots een krantenartikel van vele jaren terug dat hem portretteert als symbool van integratie, omdat hij voor België kungfukampioen was. Na de terreuraanslagen van 2016 heeft hij het wantrouwen tussen gemeenschappen enkel zien groeien. De verkiezingsuitslag in Vlaanderen baart hem zorgen.
Als de klok kwart voor tien aangeeft, wordt het startschot gegeven van een grote, vriendelijke receptie, met muntthee in plaats van cava. Het buffet is aangevuld met dadels en noten, brood en beleg, soep en vooral veel zoet gebak. Tussen de gasten bewegen joelende kinderen, die de weg naar de trampoline gevonden hebben. Kan het Pastoor Cuylitsproject een springplank worden voor de ketjes van Anderlecht?
met mijn ogen toe luister ik naar zijn ademhaling en ik denk aan al mijn liefdes in deze stad zwoel zwelt de nachtlucht
(c) DR – La Capitale
met zijn ogen toe speelt hij met zijn gevoel bij een adempauze kijkt hij naar de volle maan – naar meer kijkt dan vanop de berg naar de kunst achter zijn rug: Brussel dan naar de oprijzende moerasoevers voor zich trappen waar passanten arm in arm, hand in hand, hand in haar op Mont des Arts op dat moment – een hoogtepunt hun blik nog even laten zweven over de benedenstad
een zilveren gloed vloeit over het gouden midden van het panorama van koper is de soundtrack die hij met zijn ademtochten speelt voor vele levens vanavond of we nu klimmen of dalen
ik ben de avond daarop rond hetzelfde tijdstip teruggegaan om hem meer te geven dan de munten die ik de avond voordien in mijn portefeuille vond we herkenden elkaar ‘je suis revenue pour vous remercier’ ‘merci’ we glimlachten magnetisch een jongeman danste naar ons toe hij bonsde met zijn rechterhand op zijn hart, mouvement du respect en legde tien euro in de instrumentenkoffer, geste doré wij drie met onze handen op onze harten op de trappen waar passanten arm in arm genoten van dat moment des arts onder de volle maan
van zijn mond gleed naar zijn hals een tedere trilling – zo ontstaat het geluid van saxofoon – de muzikant blies sterren de stad in ze stijgen verder naar het bovenmaanse
ik heb het hem gevraagd zijn naam en waar en wat hij het liefst hij zei ‘op deze helling met de lucht tussen ons als ik ze tussen mijn lippen pers kan ik mijn onderdak betalen’
in Brussel zwelt zwoel de nachtlucht vol sax
Jill Marchant is een Brusselse dichter-woordkunstenaar. Ze heeft een eigen blog: Verhaalgemaak.
“Dat zou ik nu eens het liefst met jou doen.” Nee, het was geen indecent proposal dat ik een jaar geleden kreeg van de man van een vriendin. Hij wilde met mij naar de opera. Tegen dat soort voorstellen zeg ik niet snel nee, of mijn date nu getrouwd is of niet.
(c) B. Uhlig
Wel was het even wachten op de heropening van De Munt en een voorstelling die ons beiden kon bekoren. En toen viel ons oog op de wereldcreatie van Frankenstein, een technologisch hoogstaande productie van de Amerikaanse componist en sound engineer Mark Grey, gebaseerd op de wereldberoemde roman van Mary Shelley. Voor een rondje ‘de film-/theaterbewerking of het boek’ ben ik altijd wel te vinden, dus waarom geen ‘de opera of het boek’? Intrigerend klonk het wel. Een voorstelling vol geavanceerde hi-tech die waarschuwt voor de gevaren van de vooruitgang.
In de aanloop naar de voorstelling las ik de klassieker over Victor Frankenstein opnieuw. De 200 jaar oude roman bleek niet alleen verrassend leesbaar, het verhaal is in tijden van genetische manipulatie ook bijzonder actueel. Vanwaar die vooruitziendheid?
Met de roman nog vers in het hoofd vallen enkele verhaalkeuzes uit het libretto meteen op. In de eerste plaats is de raamvertelling anders. Die van Mary Shelley is maar flauw in vergelijking met de futuristische toekomst waarin we hier belanden.
Creature is na een ijstijd (ja, Frankenstein wordt niet voor niets een klimaatopera genoemd) gevonden door een team wetenschappers onder leiding van Dr. Walton. Die brengen Creature tot leven en visualiseren zijn herinneringen met behulp van moderne technieken. In hun witte steriele pakken zien de onderzoekers hoe Creature zijn vreselijke verleden herbeleeft.
In een mix van geacteerde flashbacks en videobeelden wordt Creature afgewezen door het gezin dat hij maanden liefdevol heeft geobserveerd, vermoordt hij Frankensteins kleine broertje en slaan zijn stoppen door als Frankenstein weigert om een vrouw voor hem te scheppen. Creature beleeft de horror all over again, het team vraagt dan ook aan Dr. Walton om de behandeling te beëindigen, maar Dr. Walton zet voort. De parallellen met de door de wetenschap geobsedeerde dokter Frankenstein zijn nooit veraf.
(c) B. Uhlig
Tijdens de flashbacks blijft de opera dicht bij het oorspronkelijke verhaal van Mary Shelley. Wel krijg je als publiek – doordat je dit keer niet kijkt door Frankensteins bril én omdat er gewoon ook meer vrouwenstemmen nodig waren om het operatechnisch interessant te houden – extra dialogen en daardoor nieuwe perspectieven. Zo gaan de ogen van Frankensteins geliefde Elisabeth open tijdens haar fatale slotconfrontatie met Creature en dat is best ontluisterend. Zoals in veel postmoderne bewerkingen van literaire klassiekers krijgen de ‘onderdrukte’ personages uit het boek dankzij deze polyfonie toch een stem. Op mij had deze veelheid aan stemmen het effect dat ik nog meer ging sympathiseren met Creature dan ik in de roman had gedaan.
Hoe afschrikwekkend hij er ook uitziet in zijn ‘naaktkostuum’ van silicone en hoeveel gruwelmoorden hij ook op zijn palmares heeft staan, toch is hij in deze opera vooral een kind, verworpen door zijn vader, een gedoemde outcast die er wanhopig graag bij wil horen en tegelijkertijd zijn schepper op zijn verantwoordelijkheden blijft wijzen.
(c) B. Uhlig
Naar de opera ga je natuurlijk niet alleen voor het verhaal. Ronduit indrukwekkend in deze voorstelling is het decor. De setting is een kopie van het ruimteschipachtige Boezloedzja-monument in Bulgarije. Tijdens de toekomstscènes lijkt het wel alsof je naar een gestileerde scifi-film kijkt. De filmbeelden met de herinneringen van Creature liggen dan weer letterlijk als een extra laag op de voorstelling. Beklemmend! De kale koppen van de personages verhogen het gevoel van bevreemding. Frankenstein is hier niet de horror van één monster. Het monsterlijke is gewoon overal aanwezig.
De compositie zelf is hedendaags klassiek, zonder onderscheid voor scènes uit verleden of toekomst. Flarden elektronische muziek kunnen de klassieke partituur niet verstoren. De soundscape klinkt daardoor toch eerder virtuoos en melodieus dan minimaal. Meezingbaar is het niet, lichtvoetige riedeltjes ontbreken, drama overheerst, altijd! En dat is behoorlijk heftig.
(c) B. Uhlig
Een avondje opera, dat is the full package. Prosecco en pasta vongole vooraf, onze ogen laten genieten van het stijlvol uitgedoste publiek, de marmeren traphal en de pompeuze grote zaal én natuurlijk even nakaarten in Café de l’opéra. We roepen de avond meteen uit tot een nieuwe vaste traditie. Dit soort decent proposals mogen ze me nog doen!
Katrien Elen schreef deze bespreking voor This is how we read, een literatuur- en lifestyleblog voor ondernemende lezers.Benieuwd? Op Opera Vision kan je tot 15 september 2019 de hele voorstelling online bekijken.
‘Kijk goed als we afstappen, deze tramhalte lijkt op jouw sjaal.’ Een roodharig meisje van een jaar of tien zegt het tegen haar kleine zus. De kleine zus staat met de rug naar me toe, de sjaal kan ik niet zien. Ik ben benieuwd.
Op de muren van halte Lemonnier staan grote handen getekend in fijne blauwe lijnen. Op de handen zijn sierlijke patronen aangebracht, zoals de fijne hennatekeningen die Marokkaanse vrouwen op hun handen maken. Maar dan in Delfts blauw. ‘Les mains de l’Espoir’ heet dit werk van de Algerijnse kunstenaar Hamsi Boubeker – de handen van de hoop. Bij het afstappen zie ik de sjaal van het kleine meisje. Hij is wit, met hetzelfde blauwe lijnenpatroon als de muurtekening. Een klein wonder, zo scherp opgemerkt door de zus.
Ik kom boven in het felle licht van de te vroege eerste lentezon. Ook ik neem vandaag alles verhevigd waar: een man die rechtstaand tegen een gevel staat te slapen, planten op een vensterbank, zonlicht op kinderkopjes, twee kleurige handdoeken over een balkonrand. Ik ben blij vroeg op pad te zijn gegaan.
Ik heb zin in koffie. Ik herinner me dat ik een tijd geleden vroeg naar een fijn adres om koffie te drinken bij het Vossenplein, in de Facebookgroep ‘Durf te vragen in Brussel’. Iemand tipte me een café dat ik niet kende. Wandelend langs de Zuidlaan zoek ik het op op mijn telefoon. Ik vind het snel, hoewel mijn vraag van een half jaar geleden dateert. ‘Wij zijn vaste klant van ‘Le Père Tranquille’ in de Vossenstraat,’ schreef iemand. Dan zie ik wie me het café aanraadde. Een rilling gaat door me heen. Omdat ik weet dat ze intussen is overleden. Ze was iets jonger dan ik. Ik kende haar alleen uit de digitale wereld, we hadden veel gemeenschappelijke vrienden.
Alles in haar ene zin raakt me plots diep. De tegenwoordige tijd. Dat zij, vanuit haar eeuwige rust, ‘Le Père Tranquille’ aanraadt. De ‘wij’ in haar zin. Wie en waar zijn zij nog zonder haar? ‘De Vossenstraat’ – ik hou van de vossen, die ’s nachts door de straten van Brussel wandelen en het bos naar de stad brengen. En de uitdrukking ‘vaste klant’. Niets in dit leven is vast, denk ik.
Droefenis overvalt me en tegelijk geniet ik nog intenser van deze mooie dag. Het eerste wat ik zie op het Vossenplein, is een kraam met Nederlandstalige boeken. Ze liggen door elkaar in dozen. Veel politieke boeken, maar ook romans en essays. Het is duidelijk de collectie van één persoon, die grotendeels in de jaren 1980 werd opgebouwd. Het boek ‘Kernenergie? Nee bedankt, ja graag’ ligt er naast ‘Geen winnaars in de Wetstraat’. ‘De digitale toekomst’ vergezelt ‘The end of time’. De digitale toekomst is intussen allang aangebroken en het einde der tijden lijkt steeds dichterbij. En toch is er niet echt iets nieuws onder de zon, denk ik. Even overweeg ik het boekje ‘Oude mensen’ van Simon Carmiggelt te kopen, maar leg het toch terug.
‘A un certain age, on marche en arrière,’ hoor ik een man tegen een marktkramer zeggen, waarna hij lachend verder wandelt. Voorwaarts, uiteraard. Ik geniet van de zinnen die ik hier opvang. ‘Dat zijn allemaal zo van die verloren cadeaus,’ zegt een vrouw tegen haar man, een blik werpend op de rommel die hier kriskras door elkaar in dozen te koop wordt aangeboden.
Toch vind ik tussen de verloren cadeaus een nog bijna intacte terrinevorm van Le Creuset, voor twee euro. Mooie Tupperwarepotjes voor een prikje. Een kitscherig blik met dahlia’s erop – de lievelingsbloemen van mijn moeder. En een prachtige glazen tafellamp met een vorm die zo sensueel is dat je hem zou willen strelen.
Het Vossenplein is een openluchtmuseum van afgedankte alledaagse
voorwerpen. Soms ook van uitzonderlijke dingen en uitvindingen, die geen
lang leven beschoren waren. Zoals de ‘Swing-o-graaf’. Wie weet nog wat
dat is, vraag ik me af. ‘Draws pictures of breath-taking beauty with
fantastic ease,’ lees ik. Het blijkt een soort tekentoestel waarbij een
pen aan een draad slingert, die aan een zware metalen constructie hangt.
Ik geniet van de vormgeving van een oud hamertje tik-spel. Gezelschapsspelletjes waren vroeger veel mooier. Alleen voor de doos zou ik het willen kopen.
Zoals steeds grijpen de postkaarten en de foto’s me het meest aan. Groeten van vervlogen vakanties, huwelijksfoto’s waarop stralende koppels hun inmiddels verleden toekomst hoopvol tegemoet zien. Hun liefde en ook hun latere ruzies, die er ongetwijfeld waren, zijn inmiddels lang begraven. Dan moet ik altijd even slikken. Net als bij het afgeleefde hobbelpaard dat hoopt op een nieuwe eigenaar.
Ik wandel naar de Vossenstraat. ‘Le Père Tranquille’ ligt aan de rechterkant, dicht tegen het plein. Het interieur is sympathiek, een beetje gezellig rommelig. Het is er rustig. Vier vrienden zitten met hun rommelmarktbuit voor zich uitgestald te eten en te drinken. Ik bestel een cappuccino bij de hartelijke bazin. Ik heb zicht op de keuken. Daar staan drie pains de veau in de oven, voor bij de stoemp. Dit is een plek waar je je meteen op je gemak voelt, vriendelijk, eenvoudig en warm, zonder chichi.
In gedachten dank ik de lieve vrouw die hier vaste klant was voor haar fijne tip. ‘Le Père Tranquille’ is een Franse film van René Clément uit 1946. Hij vertelt het verhaal van een 50-jarige man die een rustig leventje leidt maar in feite een verzetsstrijder is. Ook zij die me dit café tipte, zette zich in voor een betere wereld. Ze hielp kinderen met verdriet.
Dan wandel ik naar de hoogstad. Op de Gulden Vlieslaan sla ik links af naar de Grote Hertstraat. Nog zo’n straatnaam. Ik hou van de grote herten die ’s nachts door de straten van Brussel lopen. Lang geleden woonde mijn meter hier. Vanuit haar appartement keek je uit op het Egmontparkje, dat toen nog een geheime plek was. In de Grote Hertstraat is er een poort naar dat park. Mijn geheime plek van vroeger met het mooie beeldje van Peter Pan is intussen niet meer de oase van rust in de stad. Veel mensen genieten er van de eerste lentezon.
Via de Wolstraat en de Zavel daal ik af. Ik ben in Parijs. Even ga ik binnen bij Wittamer om pateekes te eten met mijn ogen. Snel loop ik voorbij Manneken Pis en de talloze toeristen. Bij De Brouckère neem ik de ondergrondse. Ik verheug me erop om mijn Vossenpleinvondsten een plekje te geven in ons kleine huis.
Alles moet tegenwoordig opgeleukt worden. Je kan niet gewoon meer door de stad wandelen en zien wat je zou willen zien: een rustig, groen park waar je doorheen kan slenteren, met enkele banken en een fontein. Een plein waar je even kan vertoeven om vogels te observeren, met een kiosk en een stuk of wat standbeelden. Een straat die naar de kerk leidt met hier en daar een winkel: de bakker, de beenhouwer en een apotheek.
Winterpret
Een park wordt dezer dagen gepimpt met kilometers lampenlinten, schijnwerpers die de bomen afwisselend in geel, rood, paars en blauw uitlichten en van spuitende fonteinen een nog unieker spektakel moeten maken. De meeste keren is er ‘iets’ te doen, de plaatselijke jeugd is neergestreken om er luidkeels zijn stripverhalen en andere rommel te slijten, er moet keihard popmuziek knallen uit de grote boxen van een stereoketen op jaren die ook te koop wordt aangeboden.
In een ander park wordt de nieuwe “fit-o-meter” of hoe dat ding ook mag heten ingehuldigd en honderden mensen, begeleid door boem-kadzjiing-iiiep-iiiep-‘muziek’, rennen joelend tientallen rondjes en draaien, hangen en springen in het rond op de nieuw geplaatste toestellen. Of een of andere gemeenschap – de Portugezen, de noeste Noren, de Friuliërs, Canadese jagers of Hasseltse houthakkers – houdt haar jaarlijkse volksfeest en rookt de ganse buurt uit met haar gegrilde vis, gebraden rendier, gevulde lebmaag, gestookte jenever of whatever.
Ieder stadsplein wordt voortdurend ingenomen door hetzij een ijsbaan, hetzij honderden kerstkramen, een reuzenzandbak, een springkasteel zo groot als een half voetbalveld, een bloementapijt, een crossparcours, een kermis. Afwisselend wordt het plein bezet door de jeugdbeweging, de kinderopvang (het speelplein wordt dan letterlijk een pleingebeuren!), voetbalsupporters, de atletiekclub, de plaatselijke neringdoeners, de marktkramers.
Voor deze laatsten is het oorspronkelijk bedoeld, peins ik, pleinen waren een plaats waar het volk enkele keren per week samenkwam om te ruilen, te onderhandelen, te babbelen. In een verder verleden werden er ook al eens zaken beslecht en vonnissen uitgevoerd. In de middeleeuwen kwamen bij hangen, trekken en vierendelen kijklustigen elkaar verdringen op het dorpsplein.
Nu zijn er dus andere brood en spelen! Bij ieder pleinevenement klinkt steeds de obligate niet te negeren muziek, en wordt de locatie zodanig versierd dat er vooral niets oorspronkelijks meer te zien is. Daarbij al dan niet aangename geuren, verspreid door eetstallen die hamburgers, frieten, dürüms, pizza’s en oliebollen aan de man brengen. Wil je toevallig aan de andere kant van het plein zijn, moet je overal tussendoor laveren. Laatst vond ik als voetganger de entree van de parkeergarage niet terug omdat ik letterlijk doorheen alle (kerst)kramen de weg niet meer zag, er was geen doorkomen aan. Iemand van het parkeerbedrijf wist ook niet waar ik doorgang kon vinden. Uiteindelijk werd ik ter plaatse gebracht door een ‘geel hesje’ dat het gemotoriseerd verkeer omheen het drukke plein stond te regelen.
Winkelstraten zijn wat ze zijn, één aan elkaar geregen reeks van winkels die overal ter wereld dezelfde zijn. Ook hier word je meegezogen in een kolk van muzak en blazend lawaai. Grote kledingzaken hebben zelfs bij vrieskou de deuren wijd open om je naar binnen te lokken met een warmwindmachine. Voor mij is winkelen een noodzakelijk kwaad om een voorraad voeding in te doen, het is zeulen met zakken vol dagelijkse benodigdheden. Shoppen daarentegen, dat schijnt je van het te zijn. Winkel in winkel uit en alle pashokjes verkennen, mee neuriënd met de onontkoombare kwelerige hits. Neon- en ander licht verblindt je. Gegarandeerd krijg ik hiervan schele hoofdpijn binnen het kwartier.
Je kan je voorstellen dat de kerstperiode niet erg aan mij besteed is. Ik leg dan op voorhand nog grotere voorraden voedsel aan en kom zo weinig mogelijk buiten. Het dagelijks brood gaan halen is bijna een kwelling. Liefst zou ik twee weken onder mijn dekbed willen liggen slapen, lezen, eten. Pas na de jaarwisseling kom ik mijn hol weer uit.
Op de eerste dag van het jaar komen we gewoonlijk samen met de familie. Wat vroeger een gezellige, rustige uitwisseling van de beste wensen was met een hapje en een drankje (type ‘potluck’) is ondertussen echter een beetje ontspoord in de richting van de ‘opleuking’. Het feestje in iemands living moet zo nodig opgeluisterd worden met tv-beelden van open haard, plaatjes van besneeuwde bergen, watervallen, eindeloos machtig ogende bossen waar roofvogels van reuzenformaat over cirkelen. Het is onschuldig hoor, niemand heeft er iets kwaad mee in de zin. Maar helaas, mensen kunnen op die manier niet normaal meer praten met elkaar. De aandacht wordt weggezogen naar het bewegende licht op tv, de bijhorende natuurgeluiden en muziekjes op de achtergrond (in stereo- en soms zelfs quadrofonie) overklinken en verstrooien de stemmen, de gespreksonderwerpen worden voornamelijk bepaald door de wisselende zaken die je op dat grote, gebogen scherm ziet. Je wordt nauwelijks of niet gehoord door deze bijkomende pregnante informatiebronnen.
Na enkele uren stap je geheel verzadigd – want heus veel lekkers! – en toch een beetje gefrustreerd in de auto om de lange rit naar huis aan te vatten met op de achtergrond … the sound of silence!
Mattie Billen schreef deze tekst voor de blog Pierewit.
Ik stond er nog maar net of daar kwam de bus naar Brussel Noord al aan. “Ben jij niet veel te vroeg?” vroeg ik. “Te laat ben ik, bijna tien minuten te laat!” reageerde de bestuurder onmiddellijk. Ik fronste allicht, want hij toonde zijn papieren met de doorkomsturen. “Ik geloof je wel, hoor. Ik zal verkeerd gekeken hebben. Ik dacht dat hij om 12.22 uur kwam.” “Dit is de 231 hè, niet de 260!” Er stootte even een paniekstroompje door me (waar ging dit heen?), maar deze bus reed finaal ook richting Noordstation, zo stond het toch aangegeven aan de buitenkant.
Koopdrukte in de Nieuwstraat
Ik kon vanzelfsprekend een halte verder terug uitstappen om daar te wachten op de 260, maar het regende, er woei een snerpend koude wind en de chauffeur beweerde dat ik met deze bus sneller op mijn bestemming zou zijn. Ik maakte mijn ticket aan op mijn smartphone.
“Erg hè, wat hier gebeurd is”. We reden voorbij de plaats waar er een berg bloemboeketten lag en talloze gedoofde kaarsen stonden. Veertien dagen eerder werd hier een jonge fietser vlak na schooltijd doodgereden door een lijnbus die rechtsaf reed. Op die bus zaten klasgenoten en andere schoolgangers die het zagen gebeuren. Wat kan je daarover zeggen? Zo verschrikkelijk afgrijselijk onomkeerbaar waanzinnig erg. Ook voor de busbestuurder die dit nooit te boven komt. De chauffeur vertelde me dat hij er zeker van was dat zijn collega nooit meer opnieuw zou komen werken. De man bleek al ‘geen sterke figuur’ en nu was hij volkomen gebroken. Het zou hem niet verbazen als die over een poos op zolder een dik touw zou gaan zoeken en …
Ik maakte me los van deze praatgrage man. “Ik ga je met rust laten. Jij mag eigenlijk niet babbelen met passagiers! Concentratie is nodig, hè?”
Ik ging vooraan zitten lezen. Ik werd echter al gauw afgeleid toen een pronte oudere dame opstapte die door de chauffeur met “Ah mijne sjoe” werd begroet, waarna zich een geanimeerd gesprek tussen de twee ontspon. Gelukkig stapte ze enkele haltes verder weer uit, zodat ik me kon concentreren op mijn boek.
Tot aan de stelplaats in Grimbergen. Daar was er een chauffeurswissel. Beide chauffeurs zegden slechts enkele woorden tegen elkaar. Ondertussen stapte een bejaard koppel op. Zij waggelde aarzelend naar het ene scanapparaat, dan naar een andere stempelautomaat, zocht naarstig in haar tas. Hij grommelde iets naar haar, zij beet bitsig terug. Ze kreeg de deur van het bestuurderscompartiment dat de kruisende chauffeurs openzwaaiden ei zo na met een smak tegen haar rug. Net op tijd deed ze een stapje opzij. Als slingerapen op rust sukkelden ze naar achteren, waar er nog plaatsen vrij waren, zich onderweg vastklampend aan de stangen terwijl de bus alweer driftig optrok.
Na enige tijd kwam de mevrouw naar voren om iets te vragen. Daarbij haakte ze met haar regenmantel achter een zetelleuning. Krrrrrr. Een grote scheur. “Mo kik nowa! Allè nowa!” Het leek wel Limburgs. Ik keek inderdaad en probeerde haar gerust te stellen dat ze dit gemakkelijk kon repareren, want het was op de naad. Ze keek erg ongelukkig naar me. Misschien kon ze niet naaien? Bij de chauffeur kreeg ze de nodige inlichting en ging vlug terug om haastig aan de volgende halte met haar man van de bus af te gaan waar ze op een andere moesten overstappen.
Zou ik nog wat verder lezen. Was het de moeite? Of was er nog verdere afleiding op komst? We waren nog maar goed halverwege de rit maar het tijdstip dat ik op mijn gewoonlijke halte in Brussel zou arriveren was wel reeds over tien minuten. Ik stuurde een bericht naar mijn vriend dat ik maar nipt tijdig op de afspraak zou zijn.
Aan het Rogierplein sprong ik eruit en besloot niet ondergronds te gaan voor een metro. Ik zou tijd winnen met een stevig stukje stappen, het regende niet meer en misschien was er nog wel iets leuk te bekijken onderweg. Ik had niet gerekend op de drukte van de Nieuwstraat in pre-eindejaarsperiode en bovendien in delen opgebroken en afgezet voor werken aan een nieuw wegdek. Behalve over rondslingerende klinkers struikelde je ook haast over tegen de grond zittende bedelaars, eentje zelfs met tussen zijn knieën een hond met kerstmuts op z’n kop. Zou dat meer opbrengst genereren?
Zo goed als mogelijk beende ik me een weg tussen de koopdronken mensenmassa en de andere obstakels. Ik kwam een ietsiepietsie te laat in het café. Niet erg. Wat is er erg als je al met het allerergste geconfronteerd bent? Opnieuw – net als vorig jaar – nam ik me voor al de kleine en iets grotere tegenslagen of ergernissen en zelfs redelijk grote problemen van het komende jaar werkelijk als pietluttigheden te beschouwen.
Mattie Billen schreef deze tekst voor de blog Pierewit.