Wat een geluk

Een zonnige woensdag in juli. We gaan koffie drinken bij ‘Il Cappuccino’. We wandelen naar het marktplein, aan het eind van onze straat. Van ver zie ik hen aankomen. Hij draagt een bermuda, zij een roze rok. Ze stralen. Van op meters afstand voel ik hun rust, hun levensvreugde, hun liefde. ‘Wat een mooi koppel,’ zeg ik tegen mijn man. ‘Ja,’ zegt hij lachend, nadat we hen gekruist zijn. We hebben hen hier nooit eerder gezien.

In de namiddag heb ik met vrienden afgesproken in het Dielegembos. Bij de hondenweide is een kleine speeltuin. De vrienden zijn er met een groep kinderen. We praten en drinken gemberlimonade. We verbazen ons erover dat we deze gigantische tuin voor ons alleen hebben.
Ik keer terug naar huis, via het Boudewijnpark. Zal ik nog even naar de bibliotheek gaan? Dan moet ik naar links. Ik zie dat ik mijn bibliotheekkaart vergeten ben. Dan naar huis, naar rechts. Langs het pad waar ik bijna elke avond wandel. Daar op het bankje waar ik ook vaak naar passanten kijk, zitten zij: het stralende koppel van ’s ochtends. Hij zit links, zij rechts. Tussen hen in is ruimte voor een derde persoon. Ze lezen niet, ze praten niet. Ze kijken rustig voor zich uit. Ik zeg dag. Ze herkennen me niet. Ik loop hen voorbij.
In mijn rug voel ik hen nog stralen. Dit is te groot toeval. Ik loop terug. Schraap mijn moed samen. Ik vraag of ze Nederlands of Frans spreken. ‘Les deux’ antwoordt de man, dus ga ik verder in het Frans. Ik vertel dat ik hen ’s ochtends zag en zo mooi vond. Ik vraag of ik een foto van hen mag maken. ‘Wacht, ik ga wat dichter bij mijn vrouw zitten,’ zegt hij en schuift naar haar toe. ‘Ik pak niet op foto,’ zegt zij. Ik spreek haar tegen. Ik hurk voor het bankje en fotografeer hen. Uit de blik van de man maak ik op dat ik mijn tijd mag nemen.
‘Zijn jullie al lang samen?’ vraag ik. ‘Aan het eind van de maand zijn we 61 jaar getrouwd. Maar we zijn al vier jaar langer samen. Door de oorlog stelden we onze trouw uit.’ Ik vertel hen dat ik ook al 28 jaar met mijn man samen ben en dat we twee dochters hebben. ‘Wij hebben één dochter en één kleinzoon. Ik ben altijd thuis gebleven om voor onze dochter te zorgen. Mijn man heeft tot zijn eenenzestigste gewerkt. Toen stopte het bedrijf waarvoor hij werkte, door de Europese Unie en de grenzen die werden opengesteld.’ ‘Ja, ik had graag tot 65 gewerkt. 61 is vroeg om te stoppen.’ ‘Dat was wel even moeilijk.’
‘Mijn moeder zei het vroeger al tegen mij en nu ervaar ik het zelf ook: als je ouder wordt, gaat de tijd sneller. Soms gaan de dagen heel traag. Maar de tijd in zijn geheel gaat veel sneller. Wij hebben geluk, we zijn nog gezond. Als je hoort van vrienden, andere mensen van onze leeftijd: ze hebben allemaal iets. Wij niets. Mijn man fietst nog.’
Ik vraag of ik over hen mag schrijven voor mijn blog. Het mag. ‘Nee, we hebben geen internet. Mijn vrouw heeft wel een gsm waarmee ze kan bellen en gebeld worden. Ik niet.’ ‘Wat een geluk,’ lach ik.
Hoe graag ik ook verder zou willen praten, ik vind het tijd om hen weer in hun mooie rust laten. ‘Ik hoop dat we elkaar nog eens zien,’ zeg ik, ‘ik maak hier elke dag mijn avondwandeling’.
‘Ja. Wij wonen hier achter het park. We zitten hier vaak.’
Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.

Le Coiffeur Marc

Bij de kapper

Mijn haar wordt geföhnd terwijl er een koppel binnenkomt. Jonge twintigers. Hij op het eerste gezicht iets jonger dan zij. Ze hadden een afspraak, maar het is druk en dus moeten ze even wachten.
Ik sta af te rekenen aan de comptoir als meneer aan de beurt is. Ook mevrouw veert recht. En als hij in de kappersstoel gaat zitten, komt ze naast hem staan.
« Nous en avons parlé, » zegt ze met een Pools accent tegen de kappersgast, op een toon alsof ze net over een belangrijke aankoop hebben beslist, een huis of zo. Volgt een omstandige omschrijving van hoe meneers haar dan wel moet worden gekapt. Als de kappersgast vraagt wat meneer gewoonlijk met zijn haar doet, antwoordt deze laatste schaapachtig: « Pas grand-chose ».
Als ik heb betaald en na een « bon week-end » de deur achter me dicht wil trekken, zie ik haar nog net naar het zwarte zeteltje benen waar ze haar handtas had neergezet. Ze haalt haar hand door haar lange, pikzwarte haren en trekt haar jeansvestje uit. Daaronder heeft ze een spierwit t-shirt aan, met in grote rode letters de tekst « C’est moi ».

Nachtelijke impressies. Brussel. De 30 graden editie

Het is half een. De moslims komen de moskee uit na het middernachtgebed en lopen gezellig pratend door de nazinderende straten. Mijn pyjama kleeft aan mijn lijf. Vanop het balkon kijk ik toe zonder gezien te worden. Een voordeel van onschatbare waarde.

Vermoeid stroomt het warme bloed door mijn hoofd. Het is geen moment helemaal stil. Een meisje fietst voorbij met haar vriendje aan de hand. Hij balanceert op een breed skatebord en laat zich meevoeren door zijn zomers geklede maatje op de fiets. Een gezwind duo dat voorbij suist zoals de gedachten door mijn hoofd. Een voor een.
Het wordt stiller nu. Gesprekken verstommen, voetstappen worden zeldzamer. Lichten doven een voor een. Ook mijn buurman schraapt het brandende eind van zijn sigaret langs het kozijn van de nacht en blaast zijn laatste rooksignaal de doezelende stad in – of zijn boodschap beantwoord wordt zal ik nooit weten.
De trillende lucht heeft plaatsgemaakt voor een kalme bries. Een hond keft ijverig de laatste hitte van zich af en nestelt zich in zijn eigen vacht. Een vrouw wacht geduldig maar eenzaam voor een deur die gesloten blijft. Waar loopt de man met de kleurige all stars en het dansende fluitje op zijn borst heen? Zijn huppelpas vergezelt hem de straat uit.
Slaapwel dorstige straten, slaapwel dommelende stad.
Lien is studente taal- en letterkunde aan de VUB en woont al vier jaar in Brussel. In haar vrije tijd verdwaalt ze graag in de Brusselse straten, speelt ze voor stadsgids of filosofeert en schrijft ze op haar balkonnetje. Haar hersenspinsels en reisverhalen kan je vinden op haar blog The International Dinner Table.

Diagonaal het fietspad op? Waarom niet?

Ik had hem al gezien bij het thuiskomen: een zwarte Nissan stond iets verderop diagonaal op het tijdelijke fietspad geparkeerd! Een dag eerder had ik, op net dezelfde plaats, mij er al tussen moeten wurmen met de fiets. Toen was het een Audi. Een paar dagen ervoor was het uitwijken op straat. Elke week is wel een paar keer hetzelfde liedje. Uiteraard heb ik ergens wel begrip voor de onwetendheid van bestuurders. Tenslotte ben ik zelf ook af en toe autobestuurder. De situatie in de Slachthuislaan is tijdelijk en het fietspad ook, niet alles is even duidelijk gemarkeerd. Maar toch, je moet van slechte wil zijn om niet door te hebben dat er tussen de betonblokken en stoeprand een fietspad ligt.

Een 20 minuten later vertrok ik opnieuw. En ja, de sloeber stond nog altijd op dezelfde plaats ‘geparkeerd’. Er zat zelfs iemand in. Misschien was dit wel het moment om hem het duidelijk te maken. Veel zin om aan te kloppen had ik niet, dus ostentatief een fotootje maken leek me een beter plan. Gsm in de hand, lachen naar het vogeltje en weg was ik. Dacht ik… Iets verderop moest ik oversteken richting Arts et Metiers. Ik hoorde een claxonsalvo richting mijn kant komen. Het hek was van de dam. De autobestuurder stapte uit en kwam samen met z’n vrouw aangelopen, gevolgd door een kleine delegatie ‘betrokkenen’. De discussie ging plots niet meer over het feit dat hij hinderlijk geparkeerd stond maar dat ik zonder toestemming een foto had gemaakt. Goh schande en zonde! Er ontstond ter plekke zowaar een kleine massahysterie. Er werd met van alles gedreigd. Ze leken er erg bedreven in. Ze dreigden er zelfs de politie bij te halen: ‘ja graag’ was m’n antwoord. De man eiste dat ik de foto zou verwijderen en nu wel meteen! Bon, om het niet helemaal de spits op te drijven ging ik op z’n vraag in. Verwijderde de foto en vroeg of ik nu eindelijk ook iets mocht zeggen. De hysterische vrouw zweeg, zelfs de man liet me nu eens uitspreken. Het bleek snel dat hij heel goed wist dat hij er niet mocht staan. De argumentaties om het wel te mogen waren origineel:
– “We konden niet ver parkeren omdat we moesten wachten op een baby. U moet dat toch begrijpen als vader!”
– “Hij is van Kraainem en kent het hier niet zo goed, dat snapt u toch?”
– “Er staan toch af en toe nog auto’s zo geparkeerd?”
– …

Tja, de discussie laaide opnieuw op. Tijd misschien om verder te gaan?
Deus ex machina: de politie stond plots voor het rode licht. Het enthousiasme om de politie erbij te betrekken was plots getemperd bij de hysterische vrouw. M’n vrouw deed toch teken en na wat aarzeling stapten de agenten uit. De openingszin was goud waard: “we kunnen niets doen, want we zijn van Zone Zuid en u staat aan de verkeerde kant van de weg. Bel een ander zone-team a.u.b., want dit is niet onze verantwoordelijkheid!”. Huh? “Maar mijnheer, het is daar gebeurd, u kan toch wel even kort luisteren?”… “Oké, oké.” Uiteraard werd het zeer snel duidelijk dat de autobestuurder bot ving bij de agenten. Enkele tips over hoe ze niet hinderlijk dubbel konden parkeren werden gedeeld. Ik werd aangeraden om bij een volgende keer in plaats van foto’s te nemen de politie te bellen. Dat kan ik doen, al vraag ik me af of ze de wekelijkse telefoontjes gaan appreciëren. Best zoek ik vooraf  uit welke zone ik bel.
Straf hoe zo’n klein akkefietje snel kan ontaarden, maar ook bizar hoe eenzijdig mensen de wereld bekijken. Het grote gelijk staat altijd tegenover het grote ongelijk. Of was het een clash der culturen? Het is duidelijk dat er hoe dan ook echt wel een mentaliteitswijziging nodig is. Of ligt het aan mij? Misschien ben ik niet tolerant genoeg en moet ik er me bij neerleggen? Wie zal het zeggen? Nu, het was best spannend en wie weet komen we elkaar nog tegen. En die verwijderde foto? Tja… m’n excuses aan de man uit Kraainem.

Sneeuwwandeling met fotograaf

Begin december 2016, een natte winteravond. Ik liep naar het Kaaitheater. Bus 14 had me tot bij Thurn en Taxis gebracht. Ik had niet, zoals gewoonlijk, de metro naar IJzer genomen. Waarom ik de bus had genomen? Afwisseling is soms nodig. De bus of de metro, het zijn van die kleine beslissingen die het verschil kunnen maken in een leven, in goede of slechte zin.

(c) Kim Sattler
Het was donker langs het kanaal. Ik liep over de brug. In het midden van de brug werd het voetpad versperd door het statief van een fotograaf. Ik probeerde te zien wat hij fotografeerde. Het nachtelijk verkeer dat vanuit de stad de brug over reed. Ik zag de poëzie er wel van in. Ik had zin om de man aan te spreken, maar durfde niet goed. Hij was heel toegewijd bezig, leek alle tijd van de wereld te hebben. Ik niet, ik had een beetje haast. Ik liep naar het theater, haalde mijn ticket af. De fotograaf bleef in mijn gedachten. Misschien had er een verhaal in gezeten.
Tot mijn verbazing zag ik hem even later in de inkomhal van het theater. Weer had hij zijn statief opgesteld. Hij nam foto’s van de foyer en van de neon van Tim Etchells die er boven de deuren hangt: ‘Al we have is words all we have is worlds’. Ik verzamelde mijn moed en sprak hem aan. Waarom nam hij foto’s, wat deed hij ermee? Was hij beroepsfotograaf? Nee, dat niet. Hij had in de sociale sector gewerkt en was sinds enige tijd werkloos. Elke dag ging hij wandelen door Brussel om foto’s te nemen, ‘om niet gedeprimeerd te raken’. Ik vroeg of ik zijn beelden ergens kon zien, hij schreef zijn naam voor me op een briefje. Toen moesten we afscheid nemen, de voorstelling begon.
De volgende dag waren we vrienden op Facebook. Zo snel gaat dat soms in deze wereld. We hadden geen gemeenschappelijke vrienden, wat ik prettig vond. We bewegen ons te vaak in dezelfde vertrouwde kringen waarin vrienden vrienden van vrienden zijn. Ik zag de foto die hij van de foyer van het Kaaitheater had genomen. Het was niet de volle foyer waarin ik me had bevonden, maar de verlaten foyer tijdens de voorstelling, met één persoon die in schemerlicht op de bank zit te wachten onder de woorden ‘Optimism in practice’.

(c) Kim Sattler
De foto was genomen op dag 29 van de ‘Défi 365 jours’ die de fotograaf zich gesteld had. Nog 336 foto’s te gaan, nog 336 dagen rondwandelen in Brussel. Sindsdien volg ik hem. Ik vind zijn foto’s niet altijd goed. Maar het gaat niet om goed zijn. Ook niet om consequent zijn. Het gaat om het wandelen, het ontdekken, het onderzoek: van de stad en van de fotografie. De ene dag in kleur, de andere dag in zwart-wit. De ene dag bewerkt, de andere dag niet. De ene dag figuratief, de andere abstract. De ene dag een studie van gezichten weerspiegeld in ramen, de andere dag de regendruppels op die ramen. Ik deel zijn interesse voor bomen, mensen en vensters. Die keren steeds terug in zijn werk. Het is een plezier om elke dag mee te kijken naar mijn geliefde Brussel door de ogen van deze fotograaf.
Eergisteren lag de eerste sneeuw van deze winter in onze stad. Ik ging niet naar buiten: het was te koud en te glad, bovendien had ik binnen te veel werk. ’s Avonds zag ik Kims foto. Een bankje in het Warandepark. Een man zit erop, met één been in de sneeuw. De voet van zijn andere been rust op de knie van het been dat in de sneeuw staat. Het been dient als een bankje voor een tengere gestalte in amazonezit. Haar benen bungelen in een grappig benenspel naast de zijne, haar voeten in elkaar gehaakt. Ze draagt een jas met grote ruiten die haar kleine lichaam benadrukken. Hun hoofden zijn versmolten in een innige kus. Ze zijn zo klein in vergelijking met de bomen. Die kijken stilzwijgend naar het leven dat beneden voorbijgaat. De vluchtigheid van de kus versus de eeuwigheid van hun kruinen.
Even ben ik het weer wier benen boven de sneeuw bungelen. Dan zoom ik uit en zie ik de fotograaf staan, een eind van hen verwijderd, in zijn aangename eenzaamheid. Ik ben hem dankbaar voor de wandeling die ik vandaag zelf niet kon maken. Hoeveel boeiende, getalenteerde mensen lopen zo nog rond in deze stad? Het enige wat je moet doen is om je heen kijken en iemand aanspreken. Het helpt om niet gedeprimeerd te raken.

(c) Kim Sattler
Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.

Een appeltje of cola voor de dorst?

Ik neem dagelijks tram 92. Ik stap altijd op aan Ma Campagne. Je weet wel, de fijne buurt in het grensgebied tussen Sint-Gillis en Elsene, niet ver van Vorst op weg naar het mooie Ukkel. Afstappen doe ik aan Koning. De tram nemen is fijn. Je komt meestal dezelfde mensen tegen op lijn 92. Verzorgd, volgens de laatste trends, vrouwen in kleedjes van &Other Stories of Cos, hier en daar een Chaneltas, vrouwen met een krant of iPad, vaders die hun kinderen naar school brengen, knappe mannen die af en toe vriendelijk naar jou lachen. Dagelijks tot aan Koning hetzelfde tafereel.

(c) ThePegasus, Wereldwijde Trams Wiki
Op 16 juni 2016 moest ik vroeg naar Schaarbeek, met de tram 92. Ik zat voor een man die elke dag zijn zoontje naar school brengt. Het kindje speelt dagelijks hetzelfde spelletje op de iPad van zijn vader. “Papa, ik heb honger”. Het jongetje kreeg een voorgesneden appel. Het leven zoals het is op de tram 92, dacht ik.
Deze keer moest ik niet in Koning afstappen maar Verboekhoven om dan de tram 55 te nemen naar de halte Helmet. Mijn dagelijks tafereel was na de tramhalte Kruidtuin verstoord. Geen man die een appeltje gaf aan zijn zoon maar een vrouw die River Cola gaf aan een krijsend kind. Vrouwen die de tram nemen in hun pyjama, een andere vrouw had gewoon gaten in haar trui met vettig haar en beet constant aan haar vuile nagels. Ze leek depressief met haar peuters op de tram. Een andere man schreeuwde tegen een kindje “Je vais t’en coller une si tu t’assies pas!”. Toen ik aan Verboekhoven afstapte kwam een man naar me toe en vroeg “Tu n’es pas d’ici?” Ik aarzelde om te antwoorden maar schudde dan neen met mijn hoofd. “Je peux ton numéro?”. Ik rolde mijn ogen en liep in de tram 55 weg met Beyonce in mijn oren. ” Tell him boy bye” Negeren die dude.
Na een lange trip kwam ik aan in Helmet. Met mijn iPod, mijn Givenchyzak, mijn & Other Stories-schoenen en fancy kleedje. En toen bleef ik even stilstaan. Ik besefte toen dat er een andere wereld is na de halte Koning. Een wereld waarmee ik niet dagelijks geconfronteerd word. Een wereld die meer aandacht verdient. In Brussel bepaalt een tramhalte of een postcode of een kind op de tram een appeltje krijgt of River Cola. Die tram 92 toch!
Tracy T. postte deze tekst op Entramie, een blog met Brusselse tramverhalen. Nog tot 28 december kun je in de wijk Midi-Lemonnier een expo bekijken, een visuele vertaling van 13 verhalen.

Mariannes wereld

Het is nog vroeg in de ochtend wanneer ik Marianne tegenkom in het metrostation. Het is ochtendspits en tussen de massaal naar het werk snellende mensen, merk ik één persoon op die stilstaat. De rush van het leven gaat ongemerkt aan haar voorbij, terwijl passanten gestresseerd hun ochtendritueel lijken af te werken zonder erbij stil te staan wat er rond hen gebeurt. Het lijkt alsof twee verschillende werelden elkaar achteloos raken, maar zich elk in een andere dimensie afspelen.

Ikzelf, straathoekwerker in Brussel, zit ook in mijn ochtendritueel en ik moet mezelf sterk afremmen om op het niveau van Mariannes dimensie te geraken. Ik ga naast Marianne zitten. De omgeving, de mensen, het geluid,  het wordt een vage film van bewegend licht. Geluid wordt dof en gaat steeds verder naar de achtergrond. Ik zie dat Marianne zich nog meer heeft afgesloten van die snelle wereld. Ritmisch beweegt ze haar vinger, terwijl ze stamelende, onverstaanbare discussies houdt met mensen in haar wereld. Ik weet niet goed hoe Marianne mij plaatst in haar wereld, maar ik mag er wel zijn en daar ben ik heel dankbaar voor.
De tijd leerde me mijn verwachtingen bij te stellen. Mariannes psychose laat niet toe dat ik met haar praat over toekomstige projecten. Ik ben al blij als haar psychose me toestaat met haar in contact te komen. Vijf minuten even terug in onze wereld. In die korte momenten sta ik regelmatig perplex over haar intelligentie. Het omgaan met haar psychose vergt erg veel van haar energie en beperkt zo haar reële capaciteiten.
De psychose en het leven op straat. Het is een moeilijke combinatie. Door de psychose slaagt ze er niet in om haar administratie in orde te maken en stappen te zetten om zich in de maatschappij te reïntegreren. De psychose houdt haar gevangen in de meest minieme vorm van structuur: de vertrouwde hoek van het metrostation, de vriendelijke mensen van de broodjesbar, de norse poetsman die haar rommel wat helpt op te kuisen. Elke verandering in haar omgeving ziet ze als een mogelijke vijand, iets wat vermeden moet worden. Haar ingebeelde vrienden bevestigen dat.
Misschien kunnen we haar wel iets bieden vanuit de maatschappij? Met de hulp van een bewindvoerder proberen we haar administratie in orde te brengen. Er is hoop! Stel dat we wat financiële steun voor haar geregeld krijgen, wat zijn dan de mogelijkheden? Misschien kan Marianne hulp krijgen van een psychiater om de psychose een beetje minder aanwezig te laten zijn? Ik geloof dat we met steun van de gemeenschap en van de overheid een echte hulp kunnen zijn voor Marianne.
Bram V. postte deze tekst op Entramie, een blog met Brusselse tramverhalen. Nog tot 28 december kun je in de wijk Midi-Lemonnier een expo bekijken, een visuele vertaling van 13 verhalen.

Net als in de film

Naast de school waar ik op zaterdag les volg, is een kleine snackbar die uitgebaat wordt door twee Marokkanen. Je kunt er niet goed naar binnen kijken. Op het gelijkvloers staan bakken in plexiglas waar je zelf met een grijptang een koffiekoek uit mag nemen. Om naar het verbruikersgedeelte te gaan, moet je trapjes op. Daar is de toog. Je kan er een broodje smos bestellen, maar ook een broodje kefta of een tajine.
Een cappuccino kost er maar 2,20 euro, als ze de prijs niet afronden naar 2 euro. De muntthee is er ook lekker, je krijgt hem mee in een kartonnen beker met een deksel. De school heeft momenteel geen cafetaria. Wie in de pauze een betere koffie wil dan die van het automaat, gaat naar de snackbar. Soms ben je dan wat te laat in de les, want in de koffiebar kennen ze geen haast. Het interieur is wat stoffig en bruinig en er heerst altijd een gezellige familiale sfeer.
it-happened-one-night
Gistermiddag ging ik er rond een uur of drie een muntthee halen. Er was niemand in de zaak. De twee uitbaters zaten samen aan een rond tafeltje naar een film op tv te kijken. Een zwart-wit-film op één. Ik wist niet dat ze dat nog deden, oude klassiekers uitzenden op zaterdagnamiddag. Als kind en als tiener keek ik er vaak naar. Zo ben ik fan geworden van de screwball comedies uit de jaren 1930-1940, waarin een man en een vrouw voortdurend bekvechten maar eigenlijk verliefd op elkaar zijn. Naar zo’n film waren de twee mannen aan het kijken.
Ik bestelde de muntthee. ‘Met of zonder suiker?’ ‘Een beetje suiker,’ zei ik, want ik weet dat de suiker er volgens het echte recept in móet. De man verdween naar de achterkeuken om thee te gaan zetten. Ze maakten die niet met heet water uit de koffiemachine maar waarschijnlijk op de traditionele manier, bedacht ik toen hij lang wegbleef.
Zijn kompaan keek intussen verder naar de film. ‘Welke film is dat?’ vroeg ik. ‘Ik weet het niet,’ antwoordde hij. ‘Mooi dat ze nog zulke oude films geven op tv. Ik wist niet dat ze dat nog deden. Vroeger als kind heb ik er veel gezien,’ zei ik. ‘Ik zie dat graag. Ze acteren anders dan nu,’ zei de man. Het geluid stond niet aan, maar er werd met veel mimiek en gebaren geacteerd. ‘Een beetje nog zoals in de stille films,’ zei ik, ‘expressiever’. ‘Ja, expressiever,’ zei hij. Ik vond het mooi dat hij dat woord herhaalde.
Zijn Nederlands was beperkt, later zou hij een van mijn cursisten kunnen zijn. Ik vertelde dat ik de lerarenopleiding volgde. ‘De SLO?’ vroeg hij. Ik verbaasde me erover dat hij de afkorting voor ‘specifieke lerarenopleiding’ kende, tot voor kort had ik daar zelf nog nooit van gehoord. ‘Ik ga me ook inschrijven. Om Frans te geven aan Nederlandstaligen. In februari begin ik.’ Later zou ik ook een cursist van hem kunnen zijn.
We keken verder naar de film. Een man en een vrouw zaten samen op een grote passagiersboot. ‘Ik denk dat die actrice Claudette Colbert is,’ zei ik. Het had me niet verbaasd als hij haar had gekend. Toen was mijn muntthee daar. Ik nam afscheid en kwam iets te laat in de les aan. Met binnenpret om die kleine scène in de snackbar, die zelf uit een film had kunnen komen. Ik nam een slokje van de muntthee. Mierzoet.
Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.

Heroïne voor de stadsgeest

Iedere stad heeft zo zijn geesten, maar Brussel telt er veel. Gelaten gaan ze door de straten, zowel ‘s nachts als overdag. Waar ze precies vandaan komen, blijft een goed bewaard geheim, althans toch voor de meesten. Vaak liggen ze te slapen in portieken op een bedje van karton. Of zitten ze te schooien naast een bank of automaat, in lotushouding onder een dekentje, het opgehouden bekertje paraat. Geesten van de stad gaan schraal gekleed in bevlekte broeken en ongewassen jassen. Soms zelfs met kapotgeknipte schoenen, opdat ze toch maar zouden passen.

stadsgeesten

Vriendelijk zijn ze doorgaans wel, die zonderlinge zielen van de straat. Lonkend naar een cent of sigaret wenden ze zich tot het mooie volk op de terrassen. Men vertelt dat ze flink drinken en immer verkeren in beschonken stemming. Je ziet ze zelf toch lallend zwalpen, niet gehinderd door de minste remming. Toch lijkt de welgestelde stedeling deze lui niet te bemerken. Hij loopt ze vlot voorbij, zonder blik of knik, alsof de stadsgeest hem ontglipt. De pendelaar vermijdt de vieze vogels dan weer met een brede boog. Hij vindt ze veel te excentriek, met dat akelige aanzicht en dat warrige betoog.

Toevlucht in De Markten

Als huisbewaarder van een gemeenschapscentrum in het hartje van de stad, zie ik de Brusselse diversiteit in haar verschillende facetten. Van Braziliaanse fuiven, Afrikaanse feesten en Berberse buffetten, tot de oefensessies van enkele Vlaamse majoretten. Ook Bollywood- en breakdance, tai chi en stadsbiografie vinden hier plaats. En theater, tango, yoga, debatten, taalles en pilates. Ik krijg hier met andere woorden zo goed als alles over de vloer.

Maar dus ook stadsgeesten, zoals die ene die hurkend z’n behoefte deed in de struiken op de binnenkoer. Menig stadsgeest beschikt niet eens over een eigen toilet. En aangezien de meeste deuren voor hem op slot blijven, rept hij zich ijlings naar De Markten in de hoop dat hij het redt. Inderdaad, dat zorgt voor ongemakkelijke situaties, dat heeft u goed geraden. Ik ben dit jaar dan ook een paar keer fiks verbaasd geweest. Misschien nog wel het allermeest door een kleine vrouwelijke stadsgeest.

Een desolaat wc-hok

In de herfst van vorig jaar leerde ik Alicia* kennen als een nietig, schichtig vrouwtje van een jaar of veertig. Met een rood gekloofd gezicht, vette haren, ingevallen wangen en opmerkelijke kleren, baande ze zichzelf dagelijks een weg door de gebouwen. Hardop ijlend tegen dove muren, zocht ze haar vaste stek in de toiletten voor de vrouwen. Om te wassen en te plassen, maar ook om zich te warmen aan de walmen van goedkope heroïne, die ze ‘s avonds chinezend kwam inhaleren om daarna de nacht naast een wc-pot te spenderen. Talloze keren kwam ik haar tijdens de sluitingsronde tegen. En telkens zat ze dan geruisloos in een op slot gedraaid toilet te hopen dat ik haar niet zou opmerken en we elkaar zouden mislopen.

Ik klopte dan doorgaans bescheiden op de deur, wachtend op reactie die niet noodzakelijk kwam. En als ik na een aantal pogingen nog steeds niets uit het schimmige hok vernam, sprak ik haar naam, zonder mijn stem overdreven te verheffen. In het ongewisse over wat ik binnen zou aantreffen, moest ik de deur dan zelf ontgrendelen van aan mijn kant. Daar sta je dan ‘s nachts flink te wezen in een groot verlaten pand. Een paar verdiepingen hoog, angstvallig oog in oog met een op slot gedraaide deur, geen zuchtje of geluid, maar wel brandend licht en een misselijkmakend penetrante geur.

Op zo’n moment zorgt de spanning eerst voor wat getreuzel en verlamming, maar als je hand finaal toch naar de klink beweegt, voel je vanbinnen alleen adrenaline. Bang voor het vinden van een door ellende aangevreten lijk, draaide ik het slot om en liet dan de deur gauw openzwaaien. Waarop de somberte me prompt in het gezicht kwam aanwaaien. Luguber lag Alicia languit op een groezelige vloer, het hoofd onbeweeglijk naast de porseleinen toiletafvoer. Of ze dood of toch nog levend was, kon ik niet meteen bepalen. Maar het leek alsof de thuisloze zich fors was komen laven, om zich daarna in de vergetelheid van een desolaat wc-hok te begraven.

Mentale muren

Verstoord door de onrust die ik veroorzaakte, werd de stakker uiteindelijk weer wakker. Iets later richtte ze zich op met al haar spullen in de hand. En keek ik geschrokken toe hoe de ontheemde me suf voorbijliep en de kille nacht in beende. Bij het verjagen van zo’n wandelend geraamte, past eigenlijk alleen maar schaamte. Maar je vertelt jezelf dat je de kennis mist om hiermee te dealen, dat zo’n vrouw door jou niet echt geholpen wordt en je haar op lange termijn toch niets kunt bieden. Nee, voor die haveloze lieden en die laveloze gekken bestaan er ongetwijfeld betere instanties en aangewezen plekken.

Dus bel je naar het straathoekwerk om het probleem te signaleren. Je vertelt over Alicia en dat ze steeds maar blijft terugkeren. Dat ze het toilet als bed en bad gebruikt, verhitte smack snuift tot ze half de pijp uit gaat, soms haar eigen jas doet smeulen of doodgewoon haar schoenen achterlaat. Met dat onverkwikkelijks gaat de sociaal werker daarna dan aan de slag. Hij poogt de stadsgeest in het straatbeeld te traceren, informeel een band te smeden en hem of haar tot het aanvaarden van wat hulp te overreden. Zo’n proces kan maanden of zelfs jaren duren. Het gaat immers over het bouwen van vertrouwen en het slopen van mentale muren. Maar evengoed over structuren, kantooruren en lange wachtlijsten voor ontwenningskuren.

Feniks

Veel later in de lente leek Alicia plots verdwenen, nadat ze dagen niet meer in De Markten was verschenen. Eerst lucht dat op en voelt het als bevrijding, vervolgens gaat het knagen en stel je je een aantal pertinente vragen: waar schuilt het zielig mensje en kom je ze nog tegen? Wat zou er aan de hand zijn en is ze nog in leven?

Uiteindelijk werden we door de straathoekwerker ingelicht. Sinds een tijdje was Alicia in een centrum opgenomen, luidde het bericht. Maanden verder in de zomer liep ik haar plots opnieuw tegen het lijf. Met charmante kleren, bolle wangen en hygiënisch kortgeknipte haren, stond ze me verlegen lachend, maar parmantig aan te staren. Compleet verrezen als een feniks wist ze helder te vertellen dat ze was vertrokken uit het rijk der dolende halfdoden en dat ze binnenkort in een appartementje zou gaan wonen. Het leven heeft wel vaker verrassingen in huis. Soms grote, anders kleine, dikwijls zure of beroerde, maar veel te weinig zulke fijne.

Vitamine voor de stadsgeest

Ik vraag me af hoe het tegenwoordig met haar gaat en of ze intussen niet opnieuw beland is op de straat. Hoe zal ze straks het winterweer verteren en zie ik haar hier nog terugkeren? Wel durf ik te beweren dat Alicia’s opzienbarende verrijzenis geen wonder of mirakel is, maar het resultaat van hard labeur in de sociale sector, waar men dagelijks aan de slag gaat met de donkerste verhalen uit de kieren en de spleten van het stadsdecor.

Daarom hulde aan de straathoekwerker, die de samenleving inclusiever maakt en het sociale weefsel sterker. Hij of zij treedt amper voor het voetlicht, maar naait in de schaduw noest de mazen van het net dicht. Of toch zoveel mogelijk, afhankelijk van draagkracht en beschikbare budgetten. Zijn dit dan niet de jobs waarop we nog een tikje meer moeten inzetten? Als vitamine voor de stadsgeest. En daarmee bedoel ik niet die ene, maar wel de algemene.

stadsgeesten-try

* De naam Alicia werd verzonnen.
Personeelsleden van De Markten stonden de hele periode in contact met de betrokken straathoekwerker(s).
Hans Moyson heeft een eigen blog. Hij woonde, werkte of studeerde in Brussel, Berlijn, Shanghai en Saint-Louis. Hij gaf onder meer les in het Atheneum van Schaarbeek. Nu werkt hij voor De Standaard en bouwt hij mee aan het Kenniscentrum voor Wereldburgerschapseducatie.

Polaroids van Sint-Katelijne

Op de Oude Graanmarkt bundelen bomen het felle licht tot krachtige stralen die groepen kinderkopjes accentueren. Een stalen giraf vist een loodzware theezak uit een container. De luidruchtige toerist definieert zichzelf vandaag als manzwangere bierton, vacuüm gezogen onder een fluoroze polo en nepleren heuptas, voortbewogen door coureursbenen in safaribruine broekspijpen en casual herenschoenen met witte zool.
 
sint-katelijne

Foto © Lieselore Van Hertum

 
Een romavrouw vraagt om een aalmoes. Haar doelwit mompelt ‘Je suis désolé’, zonder goed te weten wat hem net spijt.
De slungel met blinkend zwart nektapijt en donzige snor verovert het laatste vrije bankje. Zijn pet balanceert grotesk op zijn hoofd, als het te kleine kroontje van een sprookjesprinses. Een t-shirt wrikt zich in kreukels onder zijn oksels en wassend zweet lijmt de trainingsbroek aan zijn ledematen. Bij het betreden van de City 2 beval een bewaker hem om zijn gedachten achter te laten. Hij vergat ze terug te vragen bij het buitengaan.
Er weergalmt een commando: ‘Allez Bobby, kom, plus vite!’ Het vindt weerklank bij een witte bichon frisé. ‘t Beest heeft een grotere kop dan nodig.
Aan de oesterbar, met panoramisch zicht op de terrassen en op het kerkportaal, strandt een gegidste troep adolescenten. De uiteenzetting over kerkelijk leven krijgt dezelfde bijval als muzak in een te warm metrostation. Een kwintet giecheltrienen en hitsige posterboys reageert verrast wanneer de sliert zich opnieuw in beweging zet. Met de verwarde haast van een karaokezanger die het gemiste begin van zijn liedje recupereert, lichten ze de smartphones uit hun holsters, vellen het plein met een reeks voltreffers.