Behalve relletjes, solden, kutmarokkaantjes, wagens die in de fik worden gestoken, diefstal, moord en brand, dieverij, jihadisten die schuilen, verkeersinfarcten, vrouwen die worden beschimpt, armoe, huisjesmelkerij, loslopende vluchtelingen en oorlogen tussen zwarte bendes – wordt er in Brussel ook gesjot. Foto: SoFoot.com
“Oui Ahmed, vite – passe-moi le ballon” roept het meisje in witblauwe training.
Ze is lang, slank en haar paardenstaart danst gezwind als ze drie man in grote stijl voorbij dribbelt.
Ahmed en de paardenstaart zijn voldragen twintigers.
Op het veld staan ook twee kinderen die de lagere school nog niet zijn ontgroeid.
Een Afrikaanse tiener met een schuchter sikje, een bleek meisje met fragiele blokjes en een gekleurd meisje zonder hoofddoek.
“Oui! ” roept Ahmed want de paardenstaart heeft gescoord. Zij omhelst hem want hij passeerde gracieus, ze hoefde maar in te leggen.
“Chouette!” de zwarte sik rukt heel even maar amicaal aan haar paardenstaart. In een ander kader had dit ongetwijfeld een kwalijke hashtag opgeleverd. Zij drukt triomfantelijk haar handen tegen zijn opgestoken handpalmen.
De match verloopt zonder enig incident.
Winst of verlies, la joie du jeu primeert.
Midi pile, aan de J. Brelsquare, het beste van Brussel verpakt op 62 vierkante meter.
Gender? Intergenerationeel? Multicul? Interreligieus? Multilingue?
Wij maken er hier geen spel van.
William
Meer over Brussel? http://hetrijkderzinnekes.blogspot.be/
Na het rampenjaar 2017 dat beschreven werd in de Brusselse blog van Willemjan, probeert hij met een klare blik terug te kijken naar het voorbije jaar. Tijdens dat jaar is de voetbalklassieker tussen Brazilië en Argentinië weer gespeeld. Wie uiteindelijk won, leest u hier.
Ik had de kater van het voorbije jaar nog altijd niet verteerd of de eerste ramp van het nieuwe jaar stond al klaar. Toch was het duidelijk dat wat ooit begon als een blog over terugkomen uit Brazilië en zich weer integreren in Brussel, uitmondde in een eerbetoon aan een ver verleden in Argentinië.
De ‘Clasico’ tussen Argentinië en Brazilië is dus gespeeld en Argentinië haalde de buit weer binnen omdat de Argentijnen gewoon naar Brussel kwamen om orde op zaken te stellen. Hoe komt het toch dat Brazilië ook dit jaar weer in het zand moest bijten?
Zal het anders zijn in 2018? Hopelijk niet, want 2018 is een voetbaljaar en geen beter ploegske dan de Argentijnen. Toch vraag ik mij af of ik daarvoor bij de Paters, in Molenbeek en Ukkel moest gaan wonen om te beseffen dat ik een Argentijn ben en dus geen Braziliaan gewoon omdat koning voetbal weer duidelijkheid wilde.
Dit jaar zal niet met een identiteitscrisis starten omdat ik weer veilig in het kamp van de Argentijnen zit. Toch zal ik de straf van de Brazilianen moeten ondergaan.
Ik heb één geluk. De Brazilianen hebben mij deze keer niets te verwijten. Op naar 2018 en een blog met als insteek Argentinië. Willemjan is blogger. Bekijk zijn werk op zijn blog of website.
Er valt eigenlijk niet veel te vertellen over de Brusselse gaucho’s. Ze zijn meestal eenzaam in hun bestaan. Je ziet hen soms te paard in Brussel of een stukje gitaar spelen tegen een koud muurtje. Zij zijn echter de enige beschermers van de stad tegen de barbarij. De Brusselse gaucho
Soms voel ik mij een Brusselse gaucho, voortdurend onderweg te paard om onrecht te bestrijden. Tijdens een lange zwerftocht werd het echter duidelijk dat de Brusselse gaucho’s zich niet meer konden verzetten en ze werden één met de barbarij.
Na jaren van verval van Brussel kwam er een gaucho uit een land hier ver vandaan en die schudde de Brusselse gaucho’s weer uit de barbarij en ze keken met een verse blik naar de wereld.
Er was een Brusselse gaucho die zich verwonderde en zich realiseerde dat de barbarij weer de norm was. Jaren van harde labeur waren verloren gegaan omdat de strijd tegen de barbarij opnieuw gevoerd moest worden.
Toch had de Brusselse gaucho niet meer de kracht om tegen de barbarij te vechten en vertrok hij naar ver buiten Brussel om daar een eenzaam bestaan te leiden, maar de barbarij van de stad bleef hem achtervolgen. Het leek alsof alles rond hem een stukje van die barbarij in zich had.
Echter hij keerde terug naar de stad en zag daar de Brusselse gaucho’s die één waren met de barbarij, hij schudde hen wakker en zij konden opnieuw de strijd aangaan tegen de barbarij.
Terwijl één gaucho zich verwonderde en te zwak was voor de strijd en naar een land hier ver vandaan ging … Willemjan is blogger. Bekijk zijn werk op zijn blog en website.
‘Dit is José, ze hoopt vurig op een nieuwe eigenaar die leuke plannen voor haar heeft, anders moet José naar het containerpark. Dit valiesje is nog in goede staat, vermoedelijk gemaakt uit similileer. Zoekt jouw toneelgroep nog een valies met karakter of kan ze dienen als pronkstuk in je fotoshoots? Geef mij dan een seintje! José meet 41 x 65cm en is 17 cm diep, met deze afmetingen en bij gebrek aan wieltjes is ze waarschijnlijk niet meer geschikt voor de catwalk. José is oud maar nog jong van geest! Ophalen vlakbij Zwarte Vijvers na de kantooruren.’
José wordt weggegeven op Brussel Verniet. In die Faceboogroep krijgen dingen een nieuw leven: meubelen en kleren uiteraard, maar ook passe-vites, fietstassen, woordenboeken, wandhorloges, trampolines, typmachines, inktpatronen, dieetboeken, lichaamsolie enzovoort. Eén keer ook een kakkedoor. Een collega heeft me getagd in het bericht. ’Dit is echt een exemplaar voor jou!’ Mijn oudste dochter schrijft: ‘Ik wou haar ook taggen! Doen, mama!’ Ik maak mijn interesse kenbaar, maar ben te laat. José is al vergeven.
José is een rode valies. Uiteraard wil ik haar. Maar ik geloof graag dat de dingen lopen zoals ze moeten lopen in het leven. In het mijne, maar ook in dat van José. Ze zal ergens naartoe gaan. Dat is goed.
Ik geloof ook graag dat wat of wie je loslaat, vanzelf weer naar je toekomt als het zo moet zijn. José is al uit mijn gedachten als ik een berichtje krijg. Met de vraag of ik nog interesse heb. José is niet opgehaald. Ik mag haar gaan ophalen in de Verhuizersstraat.
Of ze me iets meer kan vertellen over José, vraag ik de schenker. José is van haar oma geweest en stond al een tijd bij haar ouders. Zij zijn hun huis aan het opruimen en wilden José weggooien. De dochter vond haar nog veel te goed en wou er iemand blij mee maken. Maar eerst is ze zelf nog één keer met José naar zee geweest.
Vreemd dat mensen vroeger koffers zonder wieltjes hadden. Die zie je nu nooit meer. Het moet veel mooier geweest zijn om te zien, al die mensen met een valiesje in de stations. Die valiesjes hadden meer karakter, verschilden ook meer van elkaar. Waarom hadden ze toen nog geen wieltjes? Het wiel is toch in de nieuwe steentijd uitgevonden? Zouden mensen toen lichter gereisd hebben? Of waren ze toen sterker? Niet verwonderlijk dat er toen nog geen fitnesscentra nodig waren.
Mijn milde schenker denkt dat haar oma José afdankte toen ze vliegvakanties begon te maken. Daarvoor was José niet geschikt. Te kwetsbaar voor een tijdperk waarin alles snel moet gaan. Hoe komt de koffer aan haar naam? ‘Heette je oma ook José?’ vraag ik. Nee, haar oma heette Marie-Ange. Ze vond de naam José gewoon mooi bij de valies passen.
Met blijdschap neem ik José mee. Ik wandel met haar naar huis. Ik voel me een beetje opvallen in het straatbeeld met mijn grote rode valies. Een vrouw spreekt me aan. Ze vraagt me de weg naar metrostation Belgica. Ik verbaas me erover dat ik er nog steeds uitzie als iemand van hier, ook met de valies. Dicht bij mijn huis bots ik tegen een vriendin. Ze komt buiten bij de Kringwinkel. Ik toon haar José. Ik vertel over mijn blog ‘De rode valies’. Ze wist nog niet dat ik schreef. ‘Ik heb over mijn vorige toevallige ontmoeting met jou ook geschreven,’ zeg ik. Die herinnert ze zich nog goed.
Zij vertelt dat ze net terug is van een reis naar Parijs. Op straat toont ze me de foto’s. Ik stel voor iets te gaan drinken in café de Sportvriend op de hoek. Daar praat het iets rustiger dan op straat. Ze vindt het goed, ze heeft wel wat tijd. José mag al meteen mee op café.
Enkele dagen geleden werd het woord ‘koesterkoffer’ verkozen tot woord van het jaar. Onnodig te zeggen dat ik het een heel mooi woord vind. Een koesterkoffer is een koffer met tastbare herinneringen om een jong gezin te ondersteunen na het verlies van een kind. Gelukkig heb ik geen kind verloren. Maar een koesterkoffer heb ik al lang: een oude valies met foto’s van overleden dierbaren, rouwkaartjes, brieven en een klein geel handbeschreven treinkaartje van een geliefde waarmee hij op mijn zestiende verjaardag naar mij toe is gereisd.
Ook José koester ik. Weldra mag ze nog eens mee naar zee. Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.
Ik klop. Er komt geen antwoord. Zacht open ik de deur. Ik zie haar voeten en kuiten, gehuld in bruine panty’s, liggend op het knalrode, harige sprei. De rest van haar lichaam zie ik niet vanuit de deuropening. Ze doet haar middagdutje. Ik wil weer weggaan. Dan slaat een andere deur op de gang hard dicht. Ze schrikt wakker. ‘Kom binnen,’ zegt ze. ‘Ha, jij bent het.’ Ze staat recht. Ze is weer een beetje gekrompen, ze loopt wat meer voorovergebogen. Ze heeft ook nog wat meer rimpeltjes gekregen. Het is te lang geleden dat ik haar zag. Zij is mijn oudste vriendin. ‘Ik ga je geen kus geven, want ik ben verkouden,’ zegt ze.
‘Ik heb een thermos met thee mee,’ zeg ik, ‘en kaastaart.’ Ze dekt het kleine vierkante tafeltje. Ze vertelt dat er op de binnenkoer twee zwerfkatten zitten en dat ze hen te eten geeft. Zelf heeft ze vanmiddag stoofvlees gegeten, maar het was waterig. Ze mist haar groenten. Ze at zo graag verse groenten van de biomarkt. Hier zijn het vaak aardappelen, daar houdt ze niet van.
Haar zoon is vanochtend langs geweest. Ze heeft hem zijn nieuwe trui meegegeven. Ik heb spijt dat ik hem niet gezien heb. Ik hou van haar breiwerken. Breien kan ze nog als de beste. ‘Het is een zomerpull, in dunne wol, grijs met beige. Ik heb er lang over gedaan. Mijn zoon zei dat hij niet tot de zomer zou kunnen wachten om hem aan te doen. Hij heeft verstand van mode. Het is een plezier om voor hem te breien.’
Ze vertelt over haar 89e verjaardag, drie maanden geleden. Haar familie was onverwacht op bezoek gekomen. Ineens zaten ze daar, beneden in de eetzaal. Ze was zo verbouwereerd dat ze met haar rollator rechtsomkeert had gemaakt. Bij de deur hadden ze haar tegengehouden. Ze schiet er opnieuw mee in de lach. Ach, ze krijgt zo weinig bezoek, ze is dat niet meer gewoon, zoveel volk. Ze toont me een foto van die dag. Zij zit in het midden, met een zachtroze bloes aan. Stijlvol gekleed als altijd. Ze vertelt me wie de dierbaren om haar heen op de foto zijn. Oma Brussel noemen ze haar.
Ze neemt nog deel aan de activiteiten. De gymnastiek, het bloemschikken, de filmnamiddagen. Met het koor is ze opgehouden, ze was nog de enige en solo zingen zag ze niet zitten. Meestal zit ze op haar kamer te lezen, te breien of tv te kijken. Ja, ze heeft ook naar ‘Thomas speelt het hard’ gekeken. Zo mooi. Maar waarom hebben ze dat concert niet live op tv uitgezonden? Ze kijkt ook naar het programma over kinderen van collaborateurs. Soms kan ze er niet naar blijven kijken. Er komen beelden van lang geleden naar boven. Van meisjes die verliefd waren geworden op een Duitse jongen en die in een stal voor het hele dorp ten schande werden gezet. Kaalgeschoren, met een hakenkruis op hun hoofd. Voor één meisje was het de foute tijd van de maand geweest, zij had naakt, met haar rug naar de mensen, op een emmer gezeten. Dat was zo vernederend geweest. Ze kan niet tegen onrecht.
Ze maakt zich ook zorgen over de wereld nu. Ze volgt het nieuws nog. ‘Noord-Korea, ik ben er niet gerust in. En dan Strumpf. Ah nee, dat zijn Duitse kousen, ik zeg altijd Strumpf. Misschien is het gewoon spierballerij. Maar ik maak me toch zorgen. Niet meer voor mij, ik zal het niet meer meemaken. Enfin, we mogen er niet van wakker liggen. We kunnen niet weten wat de toekomst brengt.’
Ze vraagt hoe het met mij gaat. Ik vertel het haar. Ik toon haar foto’s van mijn dochters en van mijn man. Ze kent hem ergens van. ‘Heeft hij niet aan de Slimste Mens meegedaan?’ Nee, dat niet, maar misschien heeft ze hem weleens voorbij haar raam zien wandelen toen ze nog in haar serviceflat woonde? Dat zou kunnen.
Ik vraag of ze nog geschreven heeft. Nee, het is lang geleden. Een brief aan haar moeder toen ze zich een tijd geleden niet goed voelde. Soms is ze wel eenzaam. Ik zeg dat ze me altijd mag bellen. Dat doet ze nooit. Ze is altijd blij als ik er ben, maar verwacht niets van mij.
We ruimen de tafel af. Ik zeg dat het fijn was haar terug te zien. Ik wil haar een kus geven. ‘Zou je dat wel doen?’ ‘Ik ben al verkouden geweest deze winter, ik kan er wel tegen,’ zeg ik en geef haar een dikke kus. ‘Tot volgend jaar!’
Ik loop haar kamer uit. Ze komt me achterna met haar wandelstok. ‘Ik begeleid je tot aan de lift.’ Ik vertraag mijn pas, samen lopen we verder. Ik roep de lift, hij komt snel, ik stap in. ‘Daag!’ zegt ze nog terwijl de liftdeuren toegaan.
Beneden in de inkomhal kijk ik op het activiteitenbord. Volgende week is het kerstfeest met Marijn Devalck. Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.
Vanochtend ging ik naar mijn osteopaat. Mijn nek zat al tien dagen geblokkeerd. Ik begaf me door de sneeuw naar de halte van bus 49. Die kwam er snel aan. Ik hoefde niet lang in de kou te wachten.
Ik hoefde ook niet lang op de bus te zitten. Na tien minuten kwam ik aan bij de mooie cité van Diongre in Molenbeek. Ik was twintig minuten te vroeg, maar dat deerde me niet. Ik las een boek in de knusse roze barokke fauteuil in de warme wachtzaal van mijn osteopaat. Daarna kreeg ik een heerlijke, diepe, soms een beetje pijnlijke massage. Ik hoorde dat de osteopaat, een zachte gespierde kerel, er buiten adem van was. Hij legde een warmtekussen op mijn rug en liet me even rusten. Na tien minuten kwam hij me kraken. Ik kon nu weer goed bewegen. Ik kon er weer voor drie maand tegen.
Nog snel deed ik wat boodschappen bij de Carrefour om de hoek. Zo hoefde ik vandaag niet meer buiten te komen. Er was tien centimeter sneeuw voorspeld. Met mijn zware boodschappentas schuifelde ik de straat over naar de bushalte. Daar stond een bus 49 klaar. Ik stapte op. Het duurde heel lang eer de 49 vertrok. Hij reed twee haltes verder. De chauffeur zei: ‘Verder geraak ik niet. Jullie moeten hier afstappen.’
Ik stapte af, liep met mijn zware tas richting Basiliek. Mijn handen bevroren, ik was mijn handschoenen vergeten. Ik stak één hand in mijn jaszak, met de andere hand moest ik mijn paraplu vasthouden. Wanneer de hand te koud werd, wisselde ik de paraplu van hand en verwarmde de koude hand in de jaszak. Mijn schoenen waren ook niet waterdicht genoeg voor de dikke laag sneeuw. Mijn voeten werden nat. Ik begaf me naar de halte van de 19, wachtte daar tien minuten. Ook de tram kwam niet. Een oude dame zei dat ze te voet zou verder gaan. ‘Wees voorzichtig,’ maande ik haar aan. ‘Hoe is het toch mogelijk, ik heb een vriendin in Rusland, daar is het soms -50°C. En hier, van zodra het een beetje vriest, ligt het hele leven plat.’ Ze vertrok. Ik besloot ook te voet te gaan.
Mijn tas woog erg zwaar. Langzaam voelde ik de weldaad van de osteopaat wegebben. Toen zag ik iets liggen op straat. Boven op een vuilniszak. Een kerstboom van donker hout, een soort letterbak. Hij was oud en duidelijk zelfgemaakt. Er lag een beetje sneeuw in, maar hij was in goede staat. Wat een mooi ding. Ik zou er zeker een nieuwe bestemming voor vinden.
Dit was de beloning voor de vermoeiende voettocht. Ik was nu nog zwaarder geladen en kon mijn handen ook niet meer in mijn jaszakken verwarmen. Dat deerde me niet. Langzaam wandelde ik verder naar huis. Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.
Een zondagnamiddag in Etterbeek. Ik fiets van het dichtstbijzijnde wassalon naar huis als een vrouw op het trottoir mij aanspreekt: “Monsieur!” Ze sleept een rolkoffer achter zich aan en draagt ettelijke plastic zakjes. Of ik haar kan helpen, vraagt ze in gebroken Frans.
Ja, ik heb tijd en wil haar gerust een handje helpen. Ze reikt me haar boodschappen aan en ik stop ze weg in mijn lege Ikea-tas, waar het vuile wasgoed in heeft gezeten. Ze bedankt me voor mijn vriendelijke hulp en gaat voor. Mijn vraag of het ver is, negeert ze. Ze gaat de eerste straat rechts. Daarna volgt een stuk bergop. Ik stap achter haar aan, met de gevulde tas op de bagagedrager. Ze vraagt of het niet te zwaar is en herhaalt dat ik heel vriendelijk ben. Andere mensen die ze aangesproken had, wilden niet helpen. Als ze nog eens afslaat, weet ik niet meer waar ik juist ben. En ik moet tijdig terug zijn in het wassalon om het schone wasgoed op te pikken.
Met wie maak ik eigenlijk deze onverwachte wandeling door Etterbeek en waarom doet deze vrouw haar boodschappen alleen, vraag ik me af. Ze is Turkse, vertelt ze. Ze is getrouwd, maar op haar man kan ze niet rekenen. “Il est très méchant.” Beter een dode echtgenoot dan zo’n snoodaard van een man! De kinderen zijn nog klein. Een intriest levenslot duikt op voor mijn ogen, maar wat kan ik als toevallige voorbijganger ondernemen?
We zijn aangekomen. Voor haar huisdeur bedankt ze me nog eens en drukt me op het hart dat Gods zegen rust op de behulpzamen. Ik zeg niet dat ik niet in God geloof. Ze staat erop dat ik een appel kies uit het zakje dat ik heb gedragen. Ik kies er een uit en wens haar nog een mooie dag. “Vous êtes bien gentil, monsieur!” Wat staat haar te wachten aan de andere kant van de deur? Ik verlaat haar straat en na wat zoeken vind ik de weg terug. De was is net klaar.
Onze familie heeft een traditie om naar de Globe te gaan. Wij gaan daar al 60 jaar onze reiszakken halen. Mijn oma en opa kochten daar grote vierkante reiszakken om naar Spanje te reizen in de jaren ’50 met de auto, want van vliegtuigen was er toen nog helemaal geen sprake. Vandaar dat de reiszakken heel groot en log waren omwille van al de schokken op de onbegaanbare wegen van Europa.
De reistassen evolueerden mee met de vraag van de reiziger. In de jaren ’60 kwamen de lijnvluchten op gang. Mensen moesten lichtere zakken hebben. Het reizen met het vliegtuig was nog exclusief, maar de reistassen van aan de Globe werden gretig gekocht omdat daar de bourgeoisie woonde die al naar verre bestemmingen kon reizen.
Mijn oma en opa reisden enkel in Europa, maar mijn moeder kwam als kind in contact met de generatie die in de jaren ’60 en ’70 met een 2PK naar India reed en ze kreeg het reisvirus te pakken. Begin jaren ’0 nam zij heel onze familie mee op verre reizen omdat de lijnvluchten gedemocratiseerd werden.
En zo werd alles gedemocratiseerd. Onze reiszakkenwinkel kan niet het gespecialiseerde reisgerief aanbieden zoals vroeger. De mensen die er nu komen zoals ik, komen er uit traditie om ergens een verloren gegaan idee in het leven te houden: reizen is niet vanzelfsprekend en is een traditie op zich. De laatste zeventig jaar evolueerde de Globe, de reissector en Maroquinerie Karwan met in het begin als doelgroep de rijke niche naar een meer gedemocratiseerde niche.
Ik als millennial ontdekte de wereld in snel tempo. Ik leerde vreemde talen en culturen, fotografeerde oude culturen en steden en ontwikkelde mij tot blogger voor een mondiaal forum. Tot de laatste jaren. Toen kwam er een kink in de kabel. Ik bleef namelijk hangen in Brazilië.
Ik had drie jaar nodig om van Brazilië los te komen. Ondertussen voel ik dat ik een wereldreiziger ben die veel immateriële rijkdom heeft in zijn reistas en af en toe bezoek krijgt uit een ver land.
De laatste jaren was ik het laatste uit mijn jeugd aan het persen. Ik kwam steeds meer als kleine jongen uit de rand vast te zitten in het geopolitieke en leerde de ranzigheid van deze wereld kennen.
Vandaar dat ik nu terugvlucht naar de dorpskom na 13 jaar te zwerven om te beseffen dat we weer maar een steenworp zijn verlegd. Willemjan is blogger. Zijn werk staat op zijn blog en website
Het regent. ’s Morgens krijg ik een bericht in mijn mailbox. Iemand vraagt of ze de trip-trapstoel die ik op tweedehands.be te koop heb aangeboden, vandaag kan komen ophalen. Ze wil hem morgen schenken voor een verjaardag. Meteen overvalt me een gevoel van melancholie. Het is geen dag om de stoel waarop mijn twee dochters groot werden, weg te doen. Ik wacht met antwoorden.
Ik ga naar buiten. Een paraplu kopen. Wij hebben thuis drie paraplu’s voor vier. Dat was tot nu toe nooit een probleem. Maar vandaag wel. Ik koop een zwarte paraplu bij de Veritas in mijn straat. Dan stap ik binnen bij ‘Il Cappuccino’. Er zit maar één klant koffie te drinken. Een vrouw met blonde haren en een broek met vlinders en rozen erop en het woord ‘Love’ in zwierige letters. De eigenaar staat niet achter de bar. Ik zie hem niet. Ik ga in het hoekje achteraan zitten en lees in mijn boek. ‘Nora’ van Colm Toíbín. Zelden kies ik de boeken die ik lees. De boeken dienen zich aan. Ik ga naar de boekenwinkel of bibliotheek en laat de boekenruggen tot mij spreken. Intuïtief kies ik er een uit.
De schrijver heeft twaalf jaar aan ‘Nora’ geschreven, een verhaal geïnspireerd op het leven van zijn moeder. In het online archief van de Standaard lees ik: ‘Meestal vindt Tóibín inspiratie in de muziek wanneer hij op zoek is naar een vorm voor zijn verhalen. Met name kamermuziek en de cantates van Bach zijn voor hem erg belangrijk. De vorm van Nora Webster vergelijkt hij niet met muziek maar met de schilderijen van Agnes Martin, waarop je een heel geleidelijke, aanvankelijk nauwelijks zichtbare verschuiving ziet in kleur en patroon.’ Ik hou van Bach en van Agnes Martin. En van boeken waarin weinig gebeurt, over het gewone leven.
De man van ‘Il Cappuccino’ heeft me eindelijk opgemerkt. Ik zie dat hij blij is me te zien. Zijn warme lach verbaast me vandaag. ‘Een cappuccino?’ vraagt hij. ‘Oui,’ zeg ik. Hij brengt de koffie. Hij heeft er een bloempje in getekend. Ik denk aan de stoel van mijn dochters. Zal ik hem verkopen? Of toch voor de mogelijke kleinkinderen bewaren? We hebben niet veel plaats in ons huis. En zo bijzonder is die stoel nu ook weer niet. Ik zal me vermannen en hem verkopen. Ik zal de nieuwe eigenaar vragen naar welk kind de stoel gaat. Dat zal de pijn verzachten.
Ik loop nog even de Carrefour binnen. Tot mijn verbazing speelt er een nummer van ‘Tears for fears’, ‘Everybody wants to rule the world’. Vreemd, het is al de tweede keer in korte tijd dat ik de geliefde groep uit mijn tienerjaren in de supermarkt hoor. Ik koop uien voor de brandnetelsoep. Nog nooit heb ik brandnetelsoep gegeten. Al jaren ben ik er benieuwd naar. Maar ik durfde ze nooit goed zelf te plukken, uit angst dat ze bespoten met gif of door honden beplast zouden zijn. Gisteren heb ik via ‘La Ruche qui dit oui’ een zakje brandnetels gekocht.
Wanneer ik de Carrefour verlaat, is het aan het stortregenen. Het waait ook hard. Mijn nieuwe paraplu waait bijna binnenstebuiten. Opmerkelijk dat wanneer je een paraplu koopt, ze hem in de winkel steeds eerst even opendoen – om te controleren of hij intact is. Dat doen ze natuurlijk omdat hij vijf minuten later al kapot gewaaid kan zijn en ze hem dan niet willen terugbetalen.
Thuis steek ik kaarsjes aan. Ik luister naar Dinah (take 2) van Thelonious Monk, een nummer dat vele malen vrolijker is dan ik. De telefoon gaat. Ik neem op en hoor een telefoon overgaan. Ik haak in voor ik de televerkoper aan de lijn krijg. Ik ga naar boven. Ik draag de stoel van mijn dochters één trap naar beneden. Hij staat nu op de tussenverdieping.
De brandnetels zijn mooi. De blaadjes zijn met veel zorg van de taaiere stelen gehaald. Ze ruiken naar een wandeling in de natuur na een regenbui, gezond en wild. Ik snuif de geur op en sluit de ogen. In gedachten zie ik de man die ze me verkocht. Een magere man met lange grijze haren in een staart en een lieve lach. Met latex handschoenen aan was ik de netels. Ze prikken door de dunne handschoenen heen. Netelbeten zijn niet erg. Ze laten je voelen dat je leeft. Het is fijn dat ik mijn pijn aan de netels kan toeschrijven.
De soep pruttelt zoals het recept van de Boerinnenbond voorschrijft – met spek erin. Ik wil antwoorden op het bericht over de kinderstoel. Dat het goed is. Dat hij klaar staat. Maar het bericht is opgelost in cyberspace. Ik vind het niet meer terug. Ook niet erg. Allicht heb ik te lang getwijfeld. Er is geen tijd voor traagheid meer.
De soep is klaar. Ze is heerlijk. Even later is de zon daar. Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.
President Trump zei het nog, ‘Brussels is a hellhole’, en toen ik mijn pint zat te drinken in het oudste café van Brussel, Au vieux Spijtigen Duivel in Ukkel, besefte ik dat je daar niet zo maar een pint gaat drinken, je moet daar iets leren.
De duivel woont hier (c) Willemjan (gsm)
Ik zocht het café snel op mijn smartphone op, 500 jaar oud en Victor Hugo had er nog Literaire Café gegeven en Karel de Vijfde kwam hier regelmatig en het moet een soort posthuis zijn geweest op de huidige Alsembergsesteenweg. Toch bleef het knagen, van waar die referentie naar de duivels?
Hier is iemand die Brussel toch een hellhole blijft noemen en dat is Trump, terwijl onze cultuur vol zit van referenties naar duivels. Zoals de Rode Duivels, het verhaal van Beatrijs, iemand beduvelen of het bier Duvel. Voor mij zijn de duivels echter anarchisten. Na veel reizen lijkt me dat duidelijk.
Toen ik enkele dagen terug in de Tulpenstraat een Franstalige boekenwinkel binnen liep kreeg ik de “Anarchistische Bakker” aangeraden van Fernando Pessoa in het Portugees.
In Brazilië leerde ik dat anarchisten altijd het laagste niveau in de samenleving waren. Zij waren de bakkers en de schoenenpoetsers. Later hoorde ik van een vriend van de familie dat anarchisten veel aanslagen pleegden begin 20ste eeuw en dat de PS een anarchistische component heeft.
Ik ben helemaal geen anarchist. Ik geloof namelijk niet dat mensen vrij van coërtie kunnen leven. Mensen moeten altijd een beetje ‘genudged’ worden, een klein duwtje in de rug dus, geen stamp onder het gat.
Anarchisten zijn tegen de staat, omdat de staat regels oplegt en zij geloven dat een mens dit niet nodig heeft om hun rol op te nemen. Er is sociaal anarchisme dat gelooft dat de mens van nature het goede zal doen en er is natuurlijk negatief anarchisme dat geweld niet uitsluit. Hun bekende slogan is “ni Dieu, ni maître” hoor je ook in de straten van Brussel.
Wat je bijvoorbeeld dit weekend zag in Catalonië was vreedzaam protest. Na de Spaanse Burgeroorlog zijn er namelijk nog fundamenten van dat sociaal anarchisme achtergebleven in Spanje en dan voornamelijk in Catalonië. We weten de Basken de wapens hebben neergelegd, maar ik denk dat het niet lang zal duren of ze nemen ze weer op als het zo verdergaat in Spanje.
De anarchistische tendensen waarvoor de overheid zo vreest in België, die ken ik niet, maar ze zijn wel virulent in België. Trump vindt de Brusselaar in mijn ogen maar een zootje ongeregeld, een bende anarchisten.
Als je anarchist bent in Europa, dan is je spelletje meestal gespeeld. Dan komen de mannen van Madrid wel met hun stokken om je naar Latijns-Amerika te schoppen.
In het begin van de 20ste eeuw voor de Eerste Wereldoorlog mocht de eerste lading van de anarchistische Spanjaarden, Portugezen en Italianen vertrekken naar Latijns-Amerika. Na de tweede Republiek in Spanje moesten de laatsten weg uit de haven van Barcelona of Galicië. Er vertrok een lading van de anarchisten naar het Midden-Oosten.
In Argentinië en São Paulo, waar ik lange tijd verbleef, leeft de rancune nog steeds bij de anarchisten, omwille van het verplichte vertrek uit het oude continent, namelijk Europa.
En toen realiseerde ik het mij, ik was even in Wonderland. Binnen 3 uur moet ik naar de luchthaven. Ik heb bezoek uit Argentinië, de anarchisten zijn daar.
Willemjan is blogger. Bekijk zijn werk op zijn blog en website