Boon in Brussel

Louis-Paul Boon en Brussel, het is geen evidente combinatie. Maar er zijn verbanden tussen de Aalsterse schrijver, die exact veertig jaar geleden overleden is, en de hoofdstad.

Boon gaf zijn eerste boeken uit bij uitgeverij Manteau, gevestigd in de Nerviërs­laan, naast het Jubelpark, en hij werkte van juli 1945 tot september 1947 op de redactie van het communistische blad ‘De Roode Vaan’ in de Hopstraat. Zijn in 1999 verfilmde roman ‘Vergeten straat’ heeft een sterke Brusselse fundering.
‘Vergeten straat’ uit 1946 is het derde werk van Boon, na ‘De voorstad groeit’ en ‘Abel Gholaerts’. Het is het verhaal van een anarchistische utopie. Een doodlopende straat wordt afgesloten voor werken aan een nieuwe spoorlijn dwars door de stad. Aanvankelijk blijven de bewoners ontredderd achter, totdat zij de kans zien die deze absurde situatie hen biedt. Tot elkaar veroordeeld slaan ze de handen in elkaar en besluiten ze zonder enige vorm van gezag met en naast elkaar te leven. De ernstige ziekte van twee van de bewoners dwingt hen uiteindelijk contact te maken met de buitenwereld. De utopie gaat ten onder. Boon toont zich, net als in ‘Mijn kleine oorlog’, als de schrijver die de mensen een geweten wil schoppen en zich achteraf vertwijfeld afvraagt wat het alles voor zin heeft.

De inspiratie voor ‘Vergeten straat’ haalde Boon bij de Vertinnersgang, een doodlopend straatje met honderd bewoners in de buurt van de Nieuwstraat. Hij leerde de omgeving kennen tijdens stadswandelingen met de bevriende schilder Maurice Roggeman, die in de Marollen woonde. Boon verwerkte in zijn roman ook de realisatie van de Noord-Zuidverbinding (1904-1952), die in het stadsgedeelte gelegen tussen de boven- en benedenstad grootse onteigeningen en afbraakwerken met zich meebracht. Dat project ging uit van een onwrikbaar geloof in de vooruitgang, dat Boon in zijn oeuvre meer dan eens hekelt.
Boon schreef voor ‘De Roode Vaan’ ook reportages over Brussel, gebundeld in ‘Brussel, een oerwoud’. Hij schildert hierin het leven van het naoorlogse Brussel en zijn kleurrijke inwoners. Achter de imponerende façade van de grootstad ontwaart hij het verval en de armoede. Journalist Filip Rogiers volgde zeven jaren terug de voetsporen van Boon in een mooie reeks voor toen nog Brusselnieuws.”De stad voedde zijn kritisch, weifelend wereldbeeld”, zegt hij daarin.

Boon maakte, samen met Jan Walravens en Hugo Claus, deel uit van de redactie van het literaire blad ‘Tijd en Mens’, dat van 1949 tot 1955 verscheen. De vergaderingen vonden plaats in het artistieke volkscafé ‘Het Goudblommeke in Papier’.
Boon blijft actueel. Getuige daarvan: Pascal Verbeken begint zijn gloednieuwe boek ‘Brutopa’ met een citaat uit ‘Brussel, een oerwoud’: “Gij die gezien hebt dat Brussel, België, Europa, DE WERELD een oerwoud is, gij peinst dat het DE NIEUWE WERELD is die afkomt.”

De Cheval Marin terug van weggeweest

Veel Brusselaars zijn vertrouwd met het historisch pand op de hoek van de Varkensmarkt. Na bijna 20 jaar leegstand en verkrotting is de Cheval Marin weer open. De renovatie is met enorm veel zorg gebeurd. Topstuk is het houtwerk van het plafond en lambrisering op de gelijkvloers van het café. Daarvoor alleen zou je er al een koffie gaan drinken.
Het gebouw heeft sinds z’n bouw in 1680 veel verschillende eigenaars gehad. De Cheval Marin had als oorspronkelijke functie een havenhuis, daar er verschillende vaarten tot in het centrum kwamen. Deze zijn nu grotendeels verdwenen en de straatbenamingen met kaai zijn er een erfenis van.

Het gebouw werd in 1852 door de Stad Brussel aangekocht. De stad wilde er een politiecommissariaat in huisvesten op het gelijkvloers. De relatieve arme wijk had toen een slechte reputatie.
De oorspronkelijke bezetting van de gevel werd weggehaald. Op dat ogenblik kwam men tot de vaststelling dat het gebouw in zeer slechte staat was. De stad deed het gebouw van de hand maar legde de toekomstige eigenaar op het af te breken en identiek opnieuw op te bouwen. Dat werd gedaan in 1899 onder leiding van architect H. Marcq. Het gebouw werd gedemonteerd tot op de hoogte van de plint van het gelijkvloerse verdieping. Daarna werd het volledig opnieuw opgebouwd en het is bijna identiek aan het oorspronkelijke. Bepaalde houtstukken van het dakgebinte werden wel opnieuw gebruikt. In deze periode werd eveneens het eclectische decor van de gelagzaal ingericht.


Initieel was het gebouw symmetrisch met zes traveeën aan beide kanten (Baksteenkaai en Varkensmarkt). In 1917 werd het buurhuis, aan de Varkensmarkt, aangepast en geïntegreerd aan het pand. Van sinds de heropbouw heeft het gebouw een horeca-functie.

Eind vorige eeuw sloot de handelszaak. Na verschillende jaren later werd het pand verkocht. De nieuwe eigenaars dienden een bouwvergunning in voor de renovatiewerken. Het vergunningstraject van dit ondertussen beschermd pand duurde maar liefst 7 jaar. Aan het eind van de rit merkten de eigenaars dat ze niet in staat zouden zijn om deze, toch omvangrijke, werken uit te voeren.
De brouwerij AB Inbev liet haar oog op het pand vallen en vroeg aan haar vastgoedpartner Pubstone (dochterbedrijf van Cofinimmo N.V.) om het pand aan te kopen en de werken uit te voeren. Dat werd gedaan door gespecialiseerde aannemer tussen augustus 2016 en november 2017.
Sinds deze week is het café weer open. Ga zien en geniet!

Op de Brusselse straten spreekt men 'Frabisch'

Brusselblogger Willemjan kreeg genoeg van de miserie waar sommige mensen in leven in Molenbeek en deed zijn eerste goede daad van de Brusselse Lente, omdat in Molenbeek één een probleem heeft met architectuur en twee er niet genoeg aan gezonde en geïntegreerde cultuur gedaan kan worden.


Als je ‘In Molenbeek’ leest van Hans Vandecandelaere dan leer je dat oud-Molenbeek zo populair is onder arme mensen omdat daar gemiddeld de kleinste en goedkoopste appartementen zijn in Brussel. Zit ik nu niet al exact een jaar mijn Arabisch-Franse tandemtaaluitwisseling daar te doen in zo’n klein appartement.
Meestal ga ik een koffie drinken bij Shadi, een Syrische vluchteling uit Dera’a, en ‘papotten’ we een beetje over de actualiteit in het Midden-Oosten en over de beslommeringen van het dagelijkse leven. We spreken Frans en Arabisch door elkaar. Ik begin dat ‘Frabisch’ te noemen. Zijn Frans is tegenwoordig bijna beter dan dat van mij na 4 jaar en 6 maanden in Brussel. Ik heb natuurlijk het voordeel dat ik nog Nederlands kan op de arbeidsmarkt, maar binnenkort wil hij dat ook leren.
Shadi zat vandaag weer te paffen gelijk een Turk, zoals de Syriërs werden genoemd toen het Ottomaanse rijk nog over die gebieden regeerden, dus ik die nu al 2 jaar zonder één ‘siggy’ zit besloot het raam open te trekken en die man eens uit zijn kot te halen voor een ‘Walking Language Exchange’.
De taalutiwisselingsorganisaties schieten als paddenstoelen uit de grond in Brussel, maar niets beter dan een geïntegreerde en gezonde taaluitwisseling. Geen betere manier om een frisse geest te hebben dan tijdens een kuiering door de stad. Of het nu sigarettenlucht van Shadi’s sigaretten is die ik inadem of de Brusselse ongezonde lucht die astma veroorzaakt bij de jongsten. Ik dacht dat we maar beter eens de beentjes konden strekken.
We trokken door de Vierwindenstraat naar het kanaal en vandaar langs de Leopold-2-laan naar Rogier en dan naar het Centraal Station waar onze wegen scheiden. We spraken ondertussen een mengeling tussen Frans en Arabisch, gelijk de Marokkanen hé, maar wij spreken wel hoog-Arabisch.
Tijdens onze wandeling praten we over de Brusselse architectuur. Het was opvallend hoeveel Bruzz-weetjes Shadi wist. Hij kende bijna heel de skyline van Brussel. Hij was dan ook architect in Syrië omdat hij met autocat kan werken en hij heeft ook een diploma marketing, waarmee hij niets doet.
In ieder geval, toen we door de ‘Galerie de la Reine’ liepen, werd mij duidelijk dat onze wandeling een hoog toeristisch gehalte begon te krijgen, terwijl Shadi nu al bijna 5 jaar in Brussel is als Syrische politieke vluchteling.
Jeetje, de oorlog in Syrië duurt nu wel al heel lang!
Willemjan Vandenplas is blogger. Bekijk zijn werk op Facebook en zijn website.

Wij kiezen voor virtuele open grenzen als millennials in Brussel

Terwijl de politici verder bikkelen op de kap van de vluchtelingen zijn open grenzen een feit in de virtuele wereld. Wij, millennials, blijven bouwen aan deze virtuele open wereld, omdat wij weten dat in de realiteit onze toekomst als generatie er slechter uitziet dan die van onze ouders en dat wij hoogstens de pizza via Deliveroo hebben uitgevonden. De vraag is nu hoe wij deze virtuele open grenzen vorm geven.

Bij ons gaat het plezant zijn

Het is simpel. Wij zijn allemaal verslaafd aan onze smartphone, dus daar vinden wij onze toekomst. Een toekomst die voor het grijpen ligt en die opgebouwd moet worden. Daarom steken enkele Brusselse jongeren die al grijs beginnen te worden, de koppen bij elkaar om de wereld met de virtuele open grenzen vorm te geven en naar Brussel te brengen.

Wat houdt dit concreet in?

Je kan denken, deze jongeren sluiten zich aan bij de conferentie van Bandung voor de ongebonden staten, of maken deel uit van de BRIC’s die steeds machtiger worden. Nee, dat zijn ze niet, maar wat ze proberen, is mensen hun identiteit terug te geven door ze te informeren.

Het opzet is om aan de hand van Facebook een tricontinentaal netwerk op te richten.

Er beweegt op dit moment veel in Brussel. Er zijn veel mensen met identiteit bezig. Veel mensen van andere origines krijgen identiteitscrisissen door de huidige identiteitspolitiek. Wij zoeken daar een oplossing voor.
Wij zien dat er verschillende culturele centra opgebouwd zijn rond een continent. Wij zouden graag het Midden-Oosten, Afrika en Latijns-Amerika met elkaar verbinden.
De reden hiervoor is omdat er sinds oudsher uitwisselingen hebben plaatsgevonden tussen deze continenten. Azië is een relatief nieuwe speler in deze wereld.
Aan de hand van underground radio, events van deze culturele centra, taaluitwisselingen en  actualiteit willen wij een netwerk van pagina’s op Facebook maken, waarin deze verschillende continenten gepromoot kunnen worden in Brussel.
Dat is eigenlijk niets nieuws, maar het verschil is dat wij niet alleen aan een pagina voor het Midden-Oosten, Afrika en Latijns-Amerika zullen werken, maar ook aan een pagina Afro-Latino, Afro-Arabo, Arabo-Latino. Wij willen de cement zijn tussen de continenten.
Je kan je  afvragen wat  dit met Brussel heeft te maken. Natuurlijk zullen er spill-overs zijn naar andere Vlaamse steden, en zelf naar Nederland, want wij willen heel het taalgebied bereiken, maar onze focus ligt op Brussel, omdat dit ons basecamp is en de meeste mensen die meedenken en meewerken van Brussel zijn.

Op wie kunnen we rekenen?

Op verschillende taaluitwisselingsorganisaties in het Brusselse en Leuvense, Kuumba Vlaams-Afrikaans Huis, Brussel Blogt, Brazilieforum, Mena-LatAm observer, Arte N’ativa, Roda de Choro. We hebben enkele sterke radiomakers en journalisten in huis.
Waar wij nog naar op zoek  zijn, zijn mensen die iets weten over Afro-Arabo muziek en actualiteit. Er is een enorme uitwisseling geweest tussen Afrika en het Midden-Oosten, waar we in België eigenlijk weinig over weten. Enkel Tippo Tip ziet het levenslicht in het Congo-boek van David Van Reybrouck.
Het is niet de bedoeling om een virtueel media-imperium op te bouwen à la Berlusconi. Natuurlijk kan het zijn dat wij een drukkingsmiddel worden, omdat wij op de identiteitspolitiek inspelen en geloven dat wij de identiteitscrisissen van jongeren kunnen verminderen en meehelpen om bepaalde subculturen vorm te geven.
Laat ons eerlijk zijn. Gaan we het alleen maar doen met Brusselse hip hop? Ik hoop van niet, want de wereld heeft zo veel meer te bieden.
Als je geïnteresseerd bent om mee te werken: willemjan.vandenplas@gmail.com.
Willemjan is blogger. Bekijk zijn werk op Facebook en zijn website.

Opiniestuk

Een week na de rellen: Brussel, u verdient beter – opiniestuk

Brusselaar, journaliste en politicologe Sara Leemans schreef een opiniestuk over de rellen in Brussel van 11 november jl. We nemen haar stuk hier op als gastbijdrage.

Ik zit thuis op zaterdag 11 november. Er zijn wat vrienden op bezoek in m’n appartement op driehoog midden op de Anspachlaan, recht tegenover Plattesteen. Er is altijd lawaai buiten: dronken toeristen, ruziënde junks, maar evengoed uitgelaten vriendengroepen op weg naar de AB. Dus bij wat gestommel schrik ik nauwelijks op. Tot het echt luid wordt. We openen de ramen en zien eerst tientallen en al gauw honderden jonge mensen op de brede laan onder het balkon. Ze zijn uitgelaten. Marokko is gekwalificeerd voor het WK. Jolijt. Iedereen blij, en we roepen gezellig mee. Nog wat vrienden stuiken toe. Maar in paniek dit keer. Waarom? Het gaat er aan de Beurs hevig aan toe. Een vriendin geraakt niet door de massa. “Ze gooien met stenen!”. Aan de Beurs blijkt de meute slaags geraakt met de politie.

Wat de komende twee uur volgde was hallucinant. Het was alsof je naar CNN zat te kijken, sensatie-tv over schermutselingen op een plein aan de andere kant van de wereld. Maar dit gebeurde hier, onder m’n raam. We zagen hoe opgehitste jonge gastjes alle hekken die ze konden vinden op een hoop gooiden om een muur te maken tegen de politielinie, hoe ze stenen en glazen flesjes smeten tegen politieschilden. Zodra de politie marcheerde renden ze voor hun leven. We volgden het nieuws via Twitter. Ademden de dampen in van Bengaals vuur, zagen het waterkanon uitrukken en hoorden af en toe een knal.

Later op de avond gaan enkele vrienden de straat op, we hoorden dat er wagens in brand werden gestoken. Ze willen even de hunne in veiligheid stellen. Een post-apocalyptisch tochtje wordt het: de Lemmonierlaan is leegeplunderd, winkelruiten zijn ingeslagen, nachtwinkels leeggeroofd. Een camionette werd op z’n zij getild en brandde uit, twee auto’s mochten er ook aan geloven. Verkeersborden en vuilbakken werden hier en daar uit de grond gerukt en de hekken liggen hier voor de deur nog steeds op een grote hoop. Niemand kwam tussenbeide, niemand werd aangehouden.

Na zulke gebeurtenissen verwacht je antwoorden: van het stadsbestuur, van de burgemeester. Antwoorden op de vragen: “Hoe kon dit gebeuren?”, “Waar liep het fout?”. Er is veel geschreven en gesproken over de rellen van zaterdag, maar antwoorden op die vragen heb ik nog steeds niet. De afgelopen week heeft een bijzonder kwade Brusselaar van me gemaakt. En het weinige vertrouwen dat ik had in ‘mijn’ stadsbestuur is nu helemaal weg. In Vlaamse media kwamen de reacties uit de mond van burgemeester Philippe Close en schepenen Els Ampe en Alain Courtois. Mijn verbazing over wat ik die avond zag verbleekt tegen mijn verontwaardiging over de apathie en onwetendheid van deze figuren, die nota bene aan het hoofd van de stad staan.

Burgemeester Close schuift in een eerste reactie twee zaken naar voor: hij staat achter zijn politiemachten, die met veel te weinig op het terrein stonden en onvoldoende middelen ter beschikking hadden voor dergelijke rellen (zijn fout), én het feit dat er geen slachtoffers zijn bij de burgers (het zou er nog aan moeten ontbreken). Close was zaterdag in Parijs. Indien de burgemeester niet aanwezig is wanneer dergelijke situatie zich voordoet wordt de eerste schepen aangesteld om knopen door te hakken en beslissingen te nemen. Maar gebeurde dit wel? Courtois zegt er het volgende over in het tv-programma De Afspraak op dinsdag: “Dat is naar het schijnt niet gebeurd”, de man weet zelf kennelijk van niets. “Philippe Close moet die beslissing in handen leggen van de eerste schepen of de persoon binnen het schepencollege die hij verkiest”, vertelt Courtois. Presentator Bart Schols zoekt een duidelijk antwoord: “Dus dat is niet gebeurd?” Waarop Courtois: “Bij mijn weten niet”. Alstublieft. Courtois zit er apatisch bij in De Afspraak, waar hij uitgenodigd wordt naar aanleiding van een vernietigend stuk door Jan Segers over het optreden van het stadsbestuur. Courtois blijkt doorheen het hele interview geen enkel idee te hebben wie zaterdagavond de actie coördineerde. En omzeilt onvakkundig de vraag.

Uit anonieme getuigenissen van enkele jonge politieagenten bleek zondag dat de politie het bevel kreeg om zaterdag niet tussen te komen toen de rellen zich verplaatsten naar de Lemmonierlaan. Over dit bevel blijkt Els Ampe, een dag eerder in De Afspraak, niets te weten: “Da’s vreemd he?”. Schols herinnert haar aan het feit dat ze schepen is in Brussel (iets wat ze vergeten lijkt te zijn): “Ja, da’s waar, maar ik ga me niet uitspreken over keuzes die politiemensen maken op het terrein”, verdedigt Ampe zich. Agenten krijgen bevel, Els, een opdracht om op te treden. Deze uitspraak toont dat zij, noch eerste schepen Courtois wisten wie er in godsnaam de beslissingen nam op zaterdag. La honte.

Hoe kan het dat een stad van dit kaliber, onder terreurniveau 3, niet voorbereid is, noch het juiste materiaal ter beschikking heeft om met dit soort rellen om te gaan? Dit was overigens een terechte vraag van Luckas Vander Taelen die maandag de tafel deelde met Ampe in De Afspraak. “Waarom zijn die reserves niet aanwezig?” Ampe heeft hier geen antwoord op, noch Courtois die de dag erna dezelfde vraag voorgeschoteld krijgt. Hierbij stelt Ampe zélf nog vragen: “Hoe komt het dat er geen twee sproeiwagens waren?” Ik weet het niet Els, zou jij dat zelf niet moeten weten?

Een terechte en pakkende getuigenis die me deze week opviel was die van een Brusselse brandweerman in Terzake op maandag. Hij was zaterdag ter plekke en moest vluchten uit zijn voertuig omdat ook dit bestookt werd met stenen en andere voorwerpen. Ook hij had onvoldoende bescherming om op te treden en z’n werk te doen. Opnieuw een fout van het stadsbestuur. Onvoorbereid. Een tweede probleem was dat hij nergens met z’n voertuig doorkon. Door de bakken met bomen en de betonblokken die op de voetgangerszone geplaatst zijn. Want de piétonnier (voetgangerszone) is het paradepaardje van bepaalde politici, en moet mooi zijn om volk naar Brussel te lokken, is het niet Alain? Hierdoor hebben hulpvoertuigen nauwelijks doorgang naar de Anspachlaan. Iets wat me overigens ook frustreerde toen een goeie vriend een aanval van epilepsie kreeg in m’n appartement de dag erop, en hij 40 minuten moest wachten op een ambulance die van een ziekenhuis een halve kilometer verderop moest komen maar nergens doorkon. La honte, opnieuw.

Daarnaast is het erg lang geweten dat manifestaties en grote bijeenkomsten veelal worden aangekondigd via sociale media. Hoe kan het dat de politie hier nog steeds niet in mag investeren? Maar wel worden na afloop de sociale media afgeschuimd om de daders te herkennen.

Ampe krijgt op maandag ook de vraag hoe het kan dat er geen énkele arrestatie gebeurde toen de jongeren winkels kort en klein sloegen en arm roofden. Ampe: “Ja nu moet het gebeuren hè, nu moeten de arrestaties gebeuren nu moeten mensen opgepakt worden, ze worden geïdentificeerd via camerabeelden, meldingen en sociale media. De politie is er mee bezig” Te laat. Inmiddels zijn er twee aanhoudingen gebeurd, geen enkele de avond zelf. Om te zwijgen over de schade die aangebracht werd bij deze winkeluitbaters. Volgens Ampe zullen de relschoppers deze moeten betalen. Welke relschoppens? Ampe houdt een betoog dat past bij een gestolen handtas in de Inno. Apatisch, onverontschuldigend en laf.

Zowel Ampe als Courtois en ook Close slagen er in bij elke reactie de vraag te ontwijken en de focus te verleggen. Courtois buigt al snel het onderwerp van zijn optreden in De Afspraak richting preventie en beweert dat de stad heel veel doet om de problemen in de Anneessenswijk (waar de meeste relschoppers opgroeiden) op te lossen. Iets wat de dag voorheen ook Els Ampe deed. Beweren dat de stad genoeg aan preventie doet en pijlen schiet op de reacties van links in plaats van te antwoorden op de enige vraag die haar wordt gesteld. Waarom jongeren in hun eigen geboortestad de boel kort en klein slaan is een van de vele grote vraagtekens. Hoe het kan dat de jongeren geen enkel respect tonen voor de stad en haar autoriteiten. Hier faalt ook de stad voor een deel, maar dat is een heel andere discussie. Als de faciliteiten er zijn en er voldoende preventie is, waarom slaagt Brussel er dan niet in om burger en stad te verenigen? Waarom slagen we er dan niet in een Brusselse identiteit te ontwikkelen? Met deze vragen zit ook Hamid Benichou een ex-politieagent die in een mooie reportage in Terzake op donderdag vertelde hoe hij de binding tussen burger en autoriteiten bergaf zag gaan doorheen de jaren. Het wegebben van wederzijds respect. Maar zoals ik zei, dat is een andere discussie.

Courtois en Ampe zijn als boeren die klagen over de oogst, zonder iets gezaaid te hebben. Courtois werpt ten slotte nog op hoe belangrijk het is om volk naar Brussel te lokken, en de grote bedragen die hier voor worden neergeteld. Zoals onder andere aan de immer gevierde voetgangerszone.

Na een week vol heen-en-weergepraat blijven àlle vragen onbeantwoord. Deze antwoorden moeten er komen na een evaluatie. Maar eerlijk gezegd: uw stuk papier interesseert me niet.

Dé hamvraag: hoe kon dit gebeuren? Naar een antwoord hebben we het raden. Hoe kunnen 300 jongeren een stad doen branden zonder dat iemand tussenkomt? Hoe kan een schepencollege, en nog niet het minst een burgemeester, zijn stad zo in de steek laten? Hoe kan een stadsbestuur zijn eigen ordediensten en burgers het leven zo moeilijk maken? Hoe kan je dit laten gebeuren? En hoe kan preventie zo hard falen dat jongeren geen enkele binding hebben met hun eigen geboortestad?

Brussel is als een onstabiele muur met vochtplekken en scheuren. En het stadbestuur doet niets anders dan er een likje witte werf over aanbrengen, zodat het volgende bestuur met de gevolgen zit om vervolgens een nieuw laagje aan te brengen. En dit al decennialang.

Brussel, u verdient beter. Een bestuur dat met liefde en betrokkenheid de problematiek aanpakt. De harde én de zachte middelen inzet en het respect van de bevolking verdient. Correct omgaat met openbare ruimten en zijn ordediensten steeds in het achterhoofd houdt. Blijven klagen en stukken als dit schrijven is ook geen oplossing. Ik zie nog maar twee opties: of verhuizen, of er zelf iets aan proberen te veranderen. Voor nu kies ik even dat tweede. Maar in de tussentijd: Close, Ampe en Courtois: schaam u. U bent Brussel onwaardig. Casse-toi.

daar ligt alles PLAT

BOEM

            PAUKESLAG

 
Zaterdag, zon met wolkjes, iets voor het middaguur, geen druppel regen en net een kwart koffie in mijn tong gebrand. Ik steek haastig het kruispunt over en loop een opgetogen geroezemoes tegemoet in de Brusselse Naamsestraat. Daar, aan de gevel van het pand op nr. 70, wordt onder veel belangstelling een gedenkplaat ingehuldigd. Neen, niet van een of andere betwiste politieke leider, dan wel van een bijzonder buiten de lijntjes kleurende dichter: Paul van Ostaijen. Een Nederlandse Antwerpenaar nog wel. Ik zou dra ontdekken wat zijn knappe tronie vandaag in Brussel hangt te doen.

Continue reading

Op zoek naar de droomjob in Brussel

Op dit moment heb ik twee bezigheden in mijn leven: mijn blog op Brusselblogt en op Global Voices en ik onderhoud de Facebook-pagina van het Vlaams-Afrikaanse huis Kuumba. Mijn vrije tijd spendeer ik met lezen, vrienden en familie ontmoeten en wandelen door Brussel. Terwijl ik al zo vaak een poging heb gedaan om die droomjob te vinden, omdat ik met ‘8 hours of work, 8 hours of leisure and 8 hours of sleep’ geen vrede kan nemen. Toch zal het zoiets worden, maar we blijven uitstellen. 

(c) Steve Senne

Vroeger was ik een rusteloze student geneeskunde, ik nam zelf niet de tijd om eens rustig in de zetel te zitten en nu weet ik geen weg meer met mijn tijd. Ik werd namelijk gediagnosticeerd met zware gezondheidsproblemen en kon fluiten naar mijn studies geneeskunde in het vierde jaar zonder ook maar één tweede zit te hebben gehad. Ik wou dokter worden in Brussel, in de wijken in Kuregem of de Kanaalzone of Schaarbeek. Ik had daar trouwens al stage gelopen.
Na mijn mislukte studies geneeskunde ontwikkelde ik een sociale business in fotografie als Brussels Based Photographer. Ik werkte voor het middenveld, culturele en internationale organisaties in Brussel tegen een goedkoop tarief. Het probleem was dat op het moment dat de lat steeds hoger werd gelegd, het loon hetzelfde bleef en de investeringen altijd groter werden. Na zes jaar op professioneel niveau mee te draaien moest ik de camera aan de haak hangen.
Ondertussen studeerde ik Arabisch om toegang te krijgen tot een belangrijke groep mensen in Brussel. In tien jaar tijd leerde ik boeken lezen, slaagde ik er in om op Facebook over zeer veel onderwerpen te chatten en leerde ik over verschillende onderwerpen vlotte dialogen te houden. Mijn droom was dan ook medische tolk Arabisch te worden voor de vluchtelingen in Brussel. Ondertussen zijn er zoveel Arabische tolken, dokters en verpleegkundigen aangekomen tijdens de vluchtelingencrisis in Brussel dat ze mij niet meer nodig hebben als Arabisch medisch tolk. Het enige wat ik nu kan doen is verder Arabisch leren voor mijn plezier en om toegang te krijgen tot de cultuur.
Ik ben zes jaar met journalistiek bezig, altijd in het Nederlands omdat ik geloof dat internationaal nieuws ook in het Nederlands gebracht moet worden. Nu hoop ik daarmee een sociale business uit te bouwen. Ik heb mijn lessen geleerd. Ik heb het probleem dat ik een zogenaamde polyglot ben en andere talen ben beginnen te leren op het moment dat mijn Nederlands nog niet matuur was. Daardoor heb ik op late leeftijd nog veel vlotheid moeten inhalen en er is nog een weg te gaan. Je krijgt daar zeer veel commentaar op als je Nederlands niet vlot is op latere leeftijd. Ik hoop nu een kleine carrière uit de bouwen met journalistiek. Ik had veel knowhow opgebouwd rond internationale thema’s, toch is daar niet echt een markt voor in België. Vandaar dat ik er al lang aan denk om te stoppen met de Belgo-Belge en over te stappen naar het eenzame bestaan als internationale reporter. Ondertussen blog ik voor een van de grootste blogwebsites ter wereld, echter vraag ik mij af of ik genoeg sterke verhalen kan brengen om daar echt een stabiele aangelegenheid van te maken. Ik zou graag over Brussel schrijven en krijg daar alle kansen toe, maar ik besef meer en meer hoe weinig ik weet over Brussel. Tijd om mijn kennis bij te schaven. Ik ging alvast naar Muntpunt een boek uitlenen bij de sectie Brussel.
Willemjan Vandenplas is blogger bekijk zijn werk op Facebook en op zijn website

Slagerij Vercammen

Slagerij Vercammen vind je niet tussen de zoekresultaten van Google. Maar Jean-Marie bestaat, écht. Hij slentert geregeld langs de Molenbeekse kanaalkant. Je herkent hem aan zijn schouders die ontleend lijken aan een blanc bleu belge, aan de twee vetrollen in zijn nek die als witte pensen op elkaar gestapeld liggen, maar vooral aan de diepe frons op zijn voorhoofd.

©Renaud Callebaut
©Renaud Callebaut

Halouf, Berbers voor ‘varken’. Het stond in slordige blokletters op zijn rolluik gestift. Jean-Marie Vercammen verdenkt het crapuul uit de wijk Zwarte Vijvers, de afgunstige eigenaars van de boucheries halal. Hij laat er zijn ochtend niet door vergallen, bergt de fles white spirit op en slaat zijn slagersschort om.
Al drie generaties lang houdt Slagerij Vercammen stand als een gezellige ontmoetingsplek op de westelijke kanaaloever van Brussel. Het is een lieu de mémoire waar oude knarretjes in Brussels patois hun hart komen luchten. Nu zijn dochter Clara aan het einde van dit schooljaar afstudeert, lijkt de opvolging verzekerd.
Sinds de crisis van de jaren zeventig wordt zijn werkvreugde overschaduwd door de prijzenslag van de exotische slagerijen. Jean-Marie vindt ze nestbevuilers. Zelf is hij een van de laatste ambachtelijke slagers in de vijfhoek, een koppige Brusselse ket met het hart op de juiste plaats. Jean-Maries klanten hebben het niet breed en waarderen de gulheid waarmee hij het gehakt of de ossentong op zijn weegschaal wikt en er steevast een paar honderd gram aan toevoegt. Zijn altruïsme vertaalt zich maandelijks in een boekhoudkundig deficit waar stielkennis maar weinig gewicht tegen biedt.
Wat Jean-Marie niet vermoedt wanneer hij de grijze randen van de préparé nog eens omroert en de hespen tot een tableau vivant schikt, is dat vandaag een man in linnen pak, katoenen shirt en gestippelde zijden das de winkel zal betreden, met een stapel niet beantwoordde aanmaningen tot betaling en een dagvaarding onder de arm. En dat Clara nog voor zijn komst zal bekennen dat ze al vijf maanden lang heimelijk afspreekt met Yassine, een jongen uit haar klas die zijn jaar overdoet. Dat ze de Koran is beginnen lezen. En besloten heeft om de zaak niet over te nemen.

Polaroids van Sint-Katelijne

Op de Oude Graanmarkt bundelen bomen het felle licht tot krachtige stralen die groepen kinderkopjes accentueren. Een stalen giraf vist een loodzware theezak uit een container. De luidruchtige toerist definieert zichzelf vandaag als manzwangere bierton, vacuüm gezogen onder een fluoroze polo en nepleren heuptas, voortbewogen door coureursbenen in safaribruine broekspijpen en casual herenschoenen met witte zool.
 
sint-katelijne

Foto © Lieselore Van Hertum

 
Een romavrouw vraagt om een aalmoes. Haar doelwit mompelt ‘Je suis désolé’, zonder goed te weten wat hem net spijt.
De slungel met blinkend zwart nektapijt en donzige snor verovert het laatste vrije bankje. Zijn pet balanceert grotesk op zijn hoofd, als het te kleine kroontje van een sprookjesprinses. Een t-shirt wrikt zich in kreukels onder zijn oksels en wassend zweet lijmt de trainingsbroek aan zijn ledematen. Bij het betreden van de City 2 beval een bewaker hem om zijn gedachten achter te laten. Hij vergat ze terug te vragen bij het buitengaan.
Er weergalmt een commando: ‘Allez Bobby, kom, plus vite!’ Het vindt weerklank bij een witte bichon frisé. ‘t Beest heeft een grotere kop dan nodig.
Aan de oesterbar, met panoramisch zicht op de terrassen en op het kerkportaal, strandt een gegidste troep adolescenten. De uiteenzetting over kerkelijk leven krijgt dezelfde bijval als muzak in een te warm metrostation. Een kwintet giecheltrienen en hitsige posterboys reageert verrast wanneer de sliert zich opnieuw in beweging zet. Met de verwarde haast van een karaokezanger die het gemiste begin van zijn liedje recupereert, lichten ze de smartphones uit hun holsters, vellen het plein met een reeks voltreffers.

ViaVia komt men altijd op de leukste plekjes

Screen Shot 2016-10-05 at 10.55.34
Het durft al eens te gebeuren dat ik een tekst begin te schrijven zonder te weten waar ik zal uitkomen. Op gelijkaardige wijze wil ik al eens door te stad beginnen te wandelen, evenzeer zonder te weten waar ik zal uitkomen.
Al te vaak sterft mijn poging tot wanderlust een veel te vroege dood in een van de gezellige cafés binnen de vijfhoek die ik bovengemiddeld regelmatig frequenteer, al hangt dat natuurlijk ook af van wie je de vraag stelt.

Tegenstrijdig als het leven is herinner ik me van de meest memorabele nachten vaak het minst.

Zo durf ik mijn dag wel al eens te beginnen met een lait russe – met soja melk – of mijn werkweek te beëindigen met kabouterbier in de Barbeton. Het was ook één van de weinige cafés dat open was toen Jantje na de aanslagen in Parijs Brussel een koord  rond de nek hing en er abrupt een snok aan gaf. Het was ook daar dat we schuchter samenkwamen met enkele vrienden om onze gevoelens te delen over wat gebeurd was, twijfelend of die grote ramen nu een voordeel dan wel een nadeel waren bij een eventuele terroristische aanslag. Nuja, er was altijd nog een bar-in-beton waar we achter zouden kunnen schuilen, als mijn kabouter dat toeliet.
Via de Dansaertstraat over de Oude Graanmarkt brengt mijn tocht me naar café ‘de Roskam’ wat zijn naam ontleende aan het gebruiksvoorwerp waar ik mijn zweterige, regressieve haardos opnieuw sluik mee trek na een avondje dansen – en dus niet aan de filmregisseur die je er ook al eens drinkend aantreft. Licht aangeschoten zet ik als een boer die een hoefijzer vindt mijn weg verder.
Via de Vlaamsesteenweg en het pittoreske Land van Luikstraatje arriveer ik aan café Merlo, dat me zeer genegen is. Niet enkel omdat ik er voorzitter ben van hun zaalvoetbalploeg die na vijf jaar eindelijk genoeg moed had ingedronken om eens een reeks hoger te gaan spelen, maar vooral omdat ik er geweldig memorabele nachten heb mogen meemaken en zeer fijne mensen heb leren kennen. Tegenstrijdig als het leven is herinner ik me van de meest memorabele nachten vaak het minst. Eén van die fijne mensen die ik er leerde kennen, eerst in een betaal – ontvang relatie en al vrij snel ik een meer vriendschapsrelatie was de boomlange barman/mede-eigenaar Simon Duhamel wiens cynisme en sarcasme steeds gepaard gaat met een stralende glimlach die van oor tot oor reikt.
Het is diezelfde Simon die niet zo lang geleden zijn vertrek in de Merlo aankondigde en me meetroonde naar een veel te grote bouwwerf 50 meter verder. Achter een imposante gevel werd me een soort van binnen-buiten terras getoond, een ruime eventzaal op de eerste verdieping en de eerste pallet stenen waaruit de nieuwe toog zou opgetrokken worden waaraan ik menig avond zal slijten. “Hier opent op 7 oktober mijn nieuw café, de verderzetting van het ViaVia reiscafé.”
Ik kon me eigenlijk geen betere plaats bedenken om mijn wanderlust te beëindigen dan in een reiscafé, tegenstrijdig als het leven vaak is…