‘bonjour et bonsoir’ zegt hij
terwijl hij de blauwe bakken binnenhaalt
on prépare la journée de demain
we weten verder niets van elkaars dag en of de avond al begonnen is behalve dat de laatste zon uit de Rue Vanderstichelen vertrekt dat ik er graag ben en in gesprek geraak met een oude man die vertelt dat hij hier normaal nooit komt alleen vandaag dezelfde man die bij het buitengaan met zijn zak olijven ‘à la prochaine’ zwaait dat hij dus op een dag terugkomt ‘parce que c’est un magasin gentil’
que c’est vrai
de commerçanten zeggen dat ze buiten over mijn fiets zullen waken
dat ik op hen kan rekenen
dat ze kleingeld zullen bijpassen mocht ik ooit tekort komen
voor mijn kilo en half cacahuètes
dat dat veel is
‘we weten ook dat je ze uitdeelt, viens, schep nog een handvol bij’
en elke keer vragen ze wie deze keer de gelukkigen zijn
ze doen me twijfelen, terloops in de magasin du coin over mijn voorliefde voor onuitgesproken woorden aan het genoeg aan bonjour of bonsoir aan wie de gelukkigen zijn
er circuleren cacahuètes door de stad we stapelen blauwe bakken voorliefdes en à la prochaines op elkaar ‘ce que t’as eu, t’as eu et ce que t’as eu, tu as pour toujours’ genoegens sur des coins préparations pour demain
Jill Marchant is een Brusselse dichter-woordkunstenaar. Ze heeft een eigen blog: Verhaalgemaak.
Ik trek tegen de stroom in de trappen van het Noordstation op.
Hoe de wind ook waait,
we vloeien samen.
Stanescu Florin singing and playing accordion in Istanbul, filmed by Tao Ruspoli, YouTube
De man die aan de voet van de ingang accordeon speelt, krijgt enkele euro’s in zijn hand gelegd. Hij sluit zijn hand, maakt een zachte vuist, een gebaar van kracht. Iemand heeft zonet voor de muziek gezorgd en vooral, voor de mens erachter. Het maakt mij essentieel blij wanneer we elkaar iets meer geven dan ons kleinste kleingeld dat we kunnen missen, dat we niet zullen voelen. Waarom zouden we niet willen voelen? ‘Alle kleine beetjes helpen’ en toch … in één keer een verwarmende koffie of een maaltijd kunnen betalen, dat ís iéts. Op dàt moment.
Iets is soms even alles. Voor de man met het draaiorgel die door Brussel trekt, vouwde ik dit weekend een briefje van vijf euro. Hij had mij uit mijn raam zien zwaaien, had gelachen en met zijn handen draaiend rond elkaar in de lucht getoond hoe ik het briefje waardering voor zijn wandelingen vouwen kon. Ik liet het waaien. Origamigeld is een mooie gift. We keken samen hoe mijn bijdrage door de lucht reisde. Het gaf ons de tijd om er samen om te lachen. Een euro zou te snel gevallen zijn. We zouden het niet gevoeld hebben. Nu hadden we tijd. Een moment van uitwisseling tussen het verzenden en het ontvangen. Het maakt mij intrinsiek blij wanneer we iets voelen als we elkaar iets geven.
Tijdens de wintermaanden werd ik steeds gegrepen door zijn vingers die de koude trotseerden. Ook doorheen de donkere dagen speelt de accordeonist solo aan de trappen van Brussel-Noord. ‘s Avonds dan weer zag ik hem samen met kompanen muziek maken aan het Centraal Station. Zijn accordeon krijgt er gezelschap van een contrabas met twee gele en één rode snaar, een gitaar en een cimbalom. Hoe ze ook besnaard zijn, ze vloeien samen. Ik kijk of er tijd is om iets te geven, iets te voelen, iets door de lucht te laten reizen. Ik vouw een glimlach bij de muziek die ik van hen krijg.
Ik reis in de tijd.
Nog drie minuten.
Achter mij in de mensenzee zie ik een meisje met een krant in haar handen. Ze leest geconcentreerd de voorpagina terwijl ze verder wandelt. Haar zo te zien brengt me in contact met het gevoel gegrepen te kunnen zijn door iets. Op de voorpagina staat zeer terecht steeds weer een artikel over onze planeet, onze aarde en dus ook òns klimaat. Een gevoel van hoop grijpt mij. De voorbije nachten sliepen verschillende verbonden harten in tenten op het Troonplein tijdens Occupy for Climate. Het gegeven dat er ‘voor’ iets een actie plaatsvindt en al zeker als het de grond die ons draagt betreft, de natuur in ons, de natuur waarin wij zijn, raakt mij. Ik voel me vanochtend door de medemensenzee gegrepen en ik heb het grijpende een hand gegeven. We vloeien samen.
De glazen deur die tot de grote stationshal leidt, is gesloten. Ergens vangt een sensor mijn vorm op. De twee glazen waaruit de deur bestaat, openen zich langzaam. Ze vertrekken vanuit het midden en schuiven elk naar een kant.
Nog twee minuten.
Zodra ik voldoende centimeters deuropening detecteer, stuw ik mijn voorband en mijn stuur vooruit. Te snel. De sensor is in de war door mijn verschijning en de glazen blijven steken. Te veel prikkels. Een prikkel is nochtans een veranderende omstandigheid in de omgeving van de sensor en
dat was ik, maar ik gaf te veel impulsen. Sensorgevoelig.
Nog één minuut. Ik glip toch gauw door de deur. Meteen ben ik me breekbaar bewust van het feit dat ik als ik van glas ben, transparant ben. Dat het meisje dat mij zonder het te weten hoop had gegeven, mij ziet. Ik draai me om, zoek haar. Ik had een beter voorbeeld willen zijn. Ik zie haar midden in de deuropening staan. Met haar rechterhand duwt ze rustig de glazen deur verder open. Ze houdt de krant op dat moment in haar linkerhand. Vervolgens wisselt ze van hand, houdt rechts de krant,
duwt de glazen deur open aan de linkerkant.
Wanneer de deur helemaal open staat, wandelt ze er beheerst door. Ook zij kijkt nog eens achterom, glimlacht tevreden om haar werk, knikt, wrijft haar handen in elkaar – nog zo’n gebaar van kracht. Ze is transparant, sensorgevoelig, een voorbeeld.
Zij zal de toekomst hoeden.
Wij samen.
We vloeien samen.
De trein vertrekt.
Ik reis in de tijd, door de medemensenzee gegrepen.
Het maakt mij intrinsiek blij wanneer we iets voelen als we elkaar iets geven.
met mijn ogen toe luister ik naar zijn ademhaling en ik denk aan al mijn liefdes in deze stad zwoel zwelt de nachtlucht
(c) DR – La Capitale
met zijn ogen toe speelt hij met zijn gevoel bij een adempauze kijkt hij naar de volle maan – naar meer kijkt dan vanop de berg naar de kunst achter zijn rug: Brussel dan naar de oprijzende moerasoevers voor zich trappen waar passanten arm in arm, hand in hand, hand in haar op Mont des Arts op dat moment – een hoogtepunt hun blik nog even laten zweven over de benedenstad
een zilveren gloed vloeit over het gouden midden van het panorama van koper is de soundtrack die hij met zijn ademtochten speelt voor vele levens vanavond of we nu klimmen of dalen
ik ben de avond daarop rond hetzelfde tijdstip teruggegaan om hem meer te geven dan de munten die ik de avond voordien in mijn portefeuille vond we herkenden elkaar ‘je suis revenue pour vous remercier’ ‘merci’ we glimlachten magnetisch een jongeman danste naar ons toe hij bonsde met zijn rechterhand op zijn hart, mouvement du respect en legde tien euro in de instrumentenkoffer, geste doré wij drie met onze handen op onze harten op de trappen waar passanten arm in arm genoten van dat moment des arts onder de volle maan
van zijn mond gleed naar zijn hals een tedere trilling – zo ontstaat het geluid van saxofoon – de muzikant blies sterren de stad in ze stijgen verder naar het bovenmaanse
ik heb het hem gevraagd zijn naam en waar en wat hij het liefst hij zei ‘op deze helling met de lucht tussen ons als ik ze tussen mijn lippen pers kan ik mijn onderdak betalen’
in Brussel zwelt zwoel de nachtlucht vol sax
Jill Marchant is een Brusselse dichter-woordkunstenaar. Ze heeft een eigen blog: Verhaalgemaak.
‘Kijk goed als we afstappen, deze tramhalte lijkt op jouw sjaal.’ Een roodharig meisje van een jaar of tien zegt het tegen haar kleine zus. De kleine zus staat met de rug naar me toe, de sjaal kan ik niet zien. Ik ben benieuwd.
Op de muren van halte Lemonnier staan grote handen getekend in fijne blauwe lijnen. Op de handen zijn sierlijke patronen aangebracht, zoals de fijne hennatekeningen die Marokkaanse vrouwen op hun handen maken. Maar dan in Delfts blauw. ‘Les mains de l’Espoir’ heet dit werk van de Algerijnse kunstenaar Hamsi Boubeker – de handen van de hoop. Bij het afstappen zie ik de sjaal van het kleine meisje. Hij is wit, met hetzelfde blauwe lijnenpatroon als de muurtekening. Een klein wonder, zo scherp opgemerkt door de zus.
Ik kom boven in het felle licht van de te vroege eerste lentezon. Ook ik neem vandaag alles verhevigd waar: een man die rechtstaand tegen een gevel staat te slapen, planten op een vensterbank, zonlicht op kinderkopjes, twee kleurige handdoeken over een balkonrand. Ik ben blij vroeg op pad te zijn gegaan.
Ik heb zin in koffie. Ik herinner me dat ik een tijd geleden vroeg naar een fijn adres om koffie te drinken bij het Vossenplein, in de Facebookgroep ‘Durf te vragen in Brussel’. Iemand tipte me een café dat ik niet kende. Wandelend langs de Zuidlaan zoek ik het op op mijn telefoon. Ik vind het snel, hoewel mijn vraag van een half jaar geleden dateert. ‘Wij zijn vaste klant van ‘Le Père Tranquille’ in de Vossenstraat,’ schreef iemand. Dan zie ik wie me het café aanraadde. Een rilling gaat door me heen. Omdat ik weet dat ze intussen is overleden. Ze was iets jonger dan ik. Ik kende haar alleen uit de digitale wereld, we hadden veel gemeenschappelijke vrienden.
Alles in haar ene zin raakt me plots diep. De tegenwoordige tijd. Dat zij, vanuit haar eeuwige rust, ‘Le Père Tranquille’ aanraadt. De ‘wij’ in haar zin. Wie en waar zijn zij nog zonder haar? ‘De Vossenstraat’ – ik hou van de vossen, die ’s nachts door de straten van Brussel wandelen en het bos naar de stad brengen. En de uitdrukking ‘vaste klant’. Niets in dit leven is vast, denk ik.
Droefenis overvalt me en tegelijk geniet ik nog intenser van deze mooie dag. Het eerste wat ik zie op het Vossenplein, is een kraam met Nederlandstalige boeken. Ze liggen door elkaar in dozen. Veel politieke boeken, maar ook romans en essays. Het is duidelijk de collectie van één persoon, die grotendeels in de jaren 1980 werd opgebouwd. Het boek ‘Kernenergie? Nee bedankt, ja graag’ ligt er naast ‘Geen winnaars in de Wetstraat’. ‘De digitale toekomst’ vergezelt ‘The end of time’. De digitale toekomst is intussen allang aangebroken en het einde der tijden lijkt steeds dichterbij. En toch is er niet echt iets nieuws onder de zon, denk ik. Even overweeg ik het boekje ‘Oude mensen’ van Simon Carmiggelt te kopen, maar leg het toch terug.
‘A un certain age, on marche en arrière,’ hoor ik een man tegen een marktkramer zeggen, waarna hij lachend verder wandelt. Voorwaarts, uiteraard. Ik geniet van de zinnen die ik hier opvang. ‘Dat zijn allemaal zo van die verloren cadeaus,’ zegt een vrouw tegen haar man, een blik werpend op de rommel die hier kriskras door elkaar in dozen te koop wordt aangeboden.
Toch vind ik tussen de verloren cadeaus een nog bijna intacte terrinevorm van Le Creuset, voor twee euro. Mooie Tupperwarepotjes voor een prikje. Een kitscherig blik met dahlia’s erop – de lievelingsbloemen van mijn moeder. En een prachtige glazen tafellamp met een vorm die zo sensueel is dat je hem zou willen strelen.
Het Vossenplein is een openluchtmuseum van afgedankte alledaagse
voorwerpen. Soms ook van uitzonderlijke dingen en uitvindingen, die geen
lang leven beschoren waren. Zoals de ‘Swing-o-graaf’. Wie weet nog wat
dat is, vraag ik me af. ‘Draws pictures of breath-taking beauty with
fantastic ease,’ lees ik. Het blijkt een soort tekentoestel waarbij een
pen aan een draad slingert, die aan een zware metalen constructie hangt.
Ik geniet van de vormgeving van een oud hamertje tik-spel. Gezelschapsspelletjes waren vroeger veel mooier. Alleen voor de doos zou ik het willen kopen.
Zoals steeds grijpen de postkaarten en de foto’s me het meest aan. Groeten van vervlogen vakanties, huwelijksfoto’s waarop stralende koppels hun inmiddels verleden toekomst hoopvol tegemoet zien. Hun liefde en ook hun latere ruzies, die er ongetwijfeld waren, zijn inmiddels lang begraven. Dan moet ik altijd even slikken. Net als bij het afgeleefde hobbelpaard dat hoopt op een nieuwe eigenaar.
Ik wandel naar de Vossenstraat. ‘Le Père Tranquille’ ligt aan de rechterkant, dicht tegen het plein. Het interieur is sympathiek, een beetje gezellig rommelig. Het is er rustig. Vier vrienden zitten met hun rommelmarktbuit voor zich uitgestald te eten en te drinken. Ik bestel een cappuccino bij de hartelijke bazin. Ik heb zicht op de keuken. Daar staan drie pains de veau in de oven, voor bij de stoemp. Dit is een plek waar je je meteen op je gemak voelt, vriendelijk, eenvoudig en warm, zonder chichi.
In gedachten dank ik de lieve vrouw die hier vaste klant was voor haar fijne tip. ‘Le Père Tranquille’ is een Franse film van René Clément uit 1946. Hij vertelt het verhaal van een 50-jarige man die een rustig leventje leidt maar in feite een verzetsstrijder is. Ook zij die me dit café tipte, zette zich in voor een betere wereld. Ze hielp kinderen met verdriet.
Dan wandel ik naar de hoogstad. Op de Gulden Vlieslaan sla ik links af naar de Grote Hertstraat. Nog zo’n straatnaam. Ik hou van de grote herten die ’s nachts door de straten van Brussel lopen. Lang geleden woonde mijn meter hier. Vanuit haar appartement keek je uit op het Egmontparkje, dat toen nog een geheime plek was. In de Grote Hertstraat is er een poort naar dat park. Mijn geheime plek van vroeger met het mooie beeldje van Peter Pan is intussen niet meer de oase van rust in de stad. Veel mensen genieten er van de eerste lentezon.
Via de Wolstraat en de Zavel daal ik af. Ik ben in Parijs. Even ga ik binnen bij Wittamer om pateekes te eten met mijn ogen. Snel loop ik voorbij Manneken Pis en de talloze toeristen. Bij De Brouckère neem ik de ondergrondse. Ik verheug me erop om mijn Vossenpleinvondsten een plekje te geven in ons kleine huis.
Ik moest me gaan inschrijven bij de werkloosheid. Dat was vijftien jaar geleden. De nacht voordien sliep ik slecht. Ik bewaarde nare herinneringen aan de tijd waarin ik interimjobs deed en me heel geregeld opnieuw moest gaan inschrijven bij de Brusselse Hulpkas voor Werkloosheid, beter bekend als de CAPAC. Hoewel ‘werklozen’ tegenwoordig met het meer positieve ‘werkzoekenden’ worden omschreven en de BGDA (de Brusselse VDAB) intussen de dynamische naam Actiris heeft gekregen, heeft de Brusselse uitbetalingsinstelling van de RVA in al die jaren geen naamsverandering ondergaan. Het blijft een hulpkas voor werklozen – een naam die je instant een gevoel van hulpeloosheid en hopeloosheid bezorgt.
Dit gevoel wordt versterkt door de buurt waar de HVW zich bevindt. In de Plantenstraat, waar alles grijs en niets groen is. Achter de Aarschotstraat, waar vrouwen hun lichaam moeten verkopen om aan de kost te komen. In de groezelige Noordwijk, waar vuile, verkommerde straten sterk contrasteren met steriele, anonieme, hypermoderne buildings. Wat zal het worden? De grens tussen een job als topmanager en een leven in de goot is hier bijzonder klein.
Vijftien jaar geleden kwam je de CAPAC binnen en moest je met trappen naar boven. In de trappenhal had iemand graffiti op een deur gespoten: ‘FUCK CAPAC’. Hij was er al jaren, niemand leek er aanstoot aan te nemen. Dan kwam je in een kleine ruimte met een zestal loketten. Je moest een nummertje trekken. Soms had je 96, terwijl ze nog maar aan 9 waren. Het wachten op de harde banken kon beginnen. Er stonden harde banken die voor een park bestemd waren, banken met een gietijzeren onderstel en een zitting van houten latjes die een sierlijke achterwaartse boog maakten zo net onder je schouderbladen. Je rug hield het er hooguit een half uurtje op uit.
Het wachten duurde makkelijk twee tot drie uur. Soms had je pech, en werd je niet meer voor de middagpauze behandeld. Die middagpauze duurde een uur of twee. Er zat niets op dan even de stad in te gaan en in de namiddag terug te keren. Of de volgende ochtend, want de HVW was op sommige dagen niet in de namiddag open – dat is nog steeds zo.
Als het dan eindelijk jouw beurt was, kon het zijn dat je weer pech had en een Nederlands onkundige bediende voor je kreeg. Dan kon je wachten tot er iemand vrij was die Nederlands sprak, of je beste Frans bovenhalen. Het was koud bij de CAPAC en het tochtte er erg. De bedienden zaten achter een glasplaat waar gaatjes in zaten om het geluid door te laten. Ze plaatsen voor deze gaatjes echter een stuk bruin karton omdat er anders te veel tocht door kwam. Daardoor moest je altijd roepen aan het loket, anders verstonden ze je niet. Zo kreeg je tijdens het wachten altijd delicate verhalen over ontslagen en moeilijke privé-situaties te horen. Privacy bestond er niet.
Deze herinneringen zorgden ervoor dat ik er niet echt naar uitkeek om me nog eens te gaan inschrijven bij de HVW. De reviews op het internet – want niet alleen restaurants en reisbestemmingen worden daar tegenwoordig gerecenseerd – beloofden alvast niet veel goeds. Incompetent, lange wachttijden, telefonisch onbereikbaar. Ik zag dat je tegenwoordig online een afspraak kon maken, dit leek me een goede service. Maar toen ik het probeerde, bleek de eerste vrije plaats pas over drie weken te zijn.
Mijn bezoek aan de werkloosheid zou misschien een stukje opleveren, troostte ik me. Vol goede moed vertrok ik maandagochtend. Ik stapte uit bij Rogier. De deprimerende tunnel van het Rogierplein naar de Plantenstraat was intussen een beetje gerenoveerd zonder echt een vrolijker aanblik te bieden. Een kleine Brico rechts en enkele troosteloze winkels links zorgden er voor wat licht.
Aan het eind van de tunnel zag ik een sluikstort en daarachter een rij wachtenden die tot bij de hoek van de Plantenstraat kwam. Het was kwart na acht. Om half negen zou de dienst openen. De wachtrij viel nog mee, een tiental meter lang was hij. Voor me in de rij wachtte ook een werkloos droogrek op zijn beurt.
Ik was nog net op tijd, want na mij werd de rij al snel langer en langer. De eerste mensen werden binnengelaten. Het ging traag. Ik wist niet hoe het kwam. Pas toen ik zelf naar binnen mocht, begreep ik het: meteen bij het binnenkomen gebeurde een triage. Er vormden zich twee rijen voor twee loketten. Ze vroegen waarvoor je kwam. Dan kreeg je een nummertje.
Er hing een hippe neonlamp met HVW-CAPAC in gele en groene letters. Je moest geen trappen meer op. ‘FUCK CAPAC’ was na vijftien jaar verdwenen, al had het me niet verbaasd als het er nog steeds gestaan had. De sloophamer had het weggehaald. Er was op het gelijkvloers een grote hal met daarin een soort voetbaltribune van waaruit je zicht had op de tafeltjes beneden. Daar werden de werklozen geholpen.
Ik had nummer N005 en hoopte vurig dat de N voor Nederlands stond. Hoewel: waar stonden A, B, C en D dan voor? Het was best mogelijk dat ik de vijfde Nederlandstalige vandaag was. Ik nam plaats op de betonnen tribune. Witte en groene plastic stoelen wisselden elkaar af. Ergonomisch leken ze niet, maar toch beter dan de banken van vroeger. Ik ging op een groene zitten.
De meeste mensen zaten op hun smartphone te staren en keken niet naar de match die de werklozen beneden aan de tafels met hun dossierbeheerders speelden. Twee mensen waren aan het lezen. Eén man las een boek van Michel Tournier over Robinson Crusoe. Nummer N002 werd behandeld, ik dacht dat het wel snel aan mij zou zijn. Maar het vorderde traag. Het duurde bijna een half uur eer het volgende nummer aan de beurt was.
Intussen kreeg ik per mail een jobaanbod. Dat beurde me op. Hopeloos was mijn situatie niet. Meteen nadat ik me had ingeschreven kon ik gaan solliciteren. De tribune was intussen goed volgelopen. Er zaten meer dan honderd mensen, mannen waren duidelijk in de meerderheid. Er was weinig contact tussen de mensen. Dit was een omgeving vol rijen met geduldig wachtende ruggen.
Ik zag N005 op het scherm verschijnen, daalde de tribune af en nam plaats aan de juiste tafel. Een vriendelijke jonge vrouw hielp me in het Nederlands. Ze nam haar tijd om me alles goed uit te leggen en gaf me nuttig advies. Ze zei dat ik me bij Actiris moest inschrijven binnen de acht dagen, en raadde me aan dat online te doen. Ik vroeg haar hoeveel tijd je had om je in te schrijven bij de HVW. ‘Twee maanden,’ zei ze tot mijn verbazing. Ik antwoordde dat op hun site stond dat je je onmiddellijk moest inschrijven. ‘Ja, ik weet het,’ zei ze. ‘Die info is niet juist. Je had gerust die afspraak over drie weken kunnen nemen.’ Mijn werkloosheidsvergoeding zou dan wel wat langer op zich laten wachten hebben. Maar toch goed om te weten.
Bij het verlaten van het gebouw stonden er lange rijen. Vroeg komen is de boodschap. Ik voelde dat mijn bezoek aan de CAPAC de pijnlijke herinneringen van vroeger een beetje verzachtte. Ik verliet het kantoor en vertrok naar mijn sollicitatiegesprek.
Alles moet tegenwoordig opgeleukt worden. Je kan niet gewoon meer door de stad wandelen en zien wat je zou willen zien: een rustig, groen park waar je doorheen kan slenteren, met enkele banken en een fontein. Een plein waar je even kan vertoeven om vogels te observeren, met een kiosk en een stuk of wat standbeelden. Een straat die naar de kerk leidt met hier en daar een winkel: de bakker, de beenhouwer en een apotheek.
Winterpret
Een park wordt dezer dagen gepimpt met kilometers lampenlinten, schijnwerpers die de bomen afwisselend in geel, rood, paars en blauw uitlichten en van spuitende fonteinen een nog unieker spektakel moeten maken. De meeste keren is er ‘iets’ te doen, de plaatselijke jeugd is neergestreken om er luidkeels zijn stripverhalen en andere rommel te slijten, er moet keihard popmuziek knallen uit de grote boxen van een stereoketen op jaren die ook te koop wordt aangeboden.
In een ander park wordt de nieuwe “fit-o-meter” of hoe dat ding ook mag heten ingehuldigd en honderden mensen, begeleid door boem-kadzjiing-iiiep-iiiep-‘muziek’, rennen joelend tientallen rondjes en draaien, hangen en springen in het rond op de nieuw geplaatste toestellen. Of een of andere gemeenschap – de Portugezen, de noeste Noren, de Friuliërs, Canadese jagers of Hasseltse houthakkers – houdt haar jaarlijkse volksfeest en rookt de ganse buurt uit met haar gegrilde vis, gebraden rendier, gevulde lebmaag, gestookte jenever of whatever.
Ieder stadsplein wordt voortdurend ingenomen door hetzij een ijsbaan, hetzij honderden kerstkramen, een reuzenzandbak, een springkasteel zo groot als een half voetbalveld, een bloementapijt, een crossparcours, een kermis. Afwisselend wordt het plein bezet door de jeugdbeweging, de kinderopvang (het speelplein wordt dan letterlijk een pleingebeuren!), voetbalsupporters, de atletiekclub, de plaatselijke neringdoeners, de marktkramers.
Voor deze laatsten is het oorspronkelijk bedoeld, peins ik, pleinen waren een plaats waar het volk enkele keren per week samenkwam om te ruilen, te onderhandelen, te babbelen. In een verder verleden werden er ook al eens zaken beslecht en vonnissen uitgevoerd. In de middeleeuwen kwamen bij hangen, trekken en vierendelen kijklustigen elkaar verdringen op het dorpsplein.
Nu zijn er dus andere brood en spelen! Bij ieder pleinevenement klinkt steeds de obligate niet te negeren muziek, en wordt de locatie zodanig versierd dat er vooral niets oorspronkelijks meer te zien is. Daarbij al dan niet aangename geuren, verspreid door eetstallen die hamburgers, frieten, dürüms, pizza’s en oliebollen aan de man brengen. Wil je toevallig aan de andere kant van het plein zijn, moet je overal tussendoor laveren. Laatst vond ik als voetganger de entree van de parkeergarage niet terug omdat ik letterlijk doorheen alle (kerst)kramen de weg niet meer zag, er was geen doorkomen aan. Iemand van het parkeerbedrijf wist ook niet waar ik doorgang kon vinden. Uiteindelijk werd ik ter plaatse gebracht door een ‘geel hesje’ dat het gemotoriseerd verkeer omheen het drukke plein stond te regelen.
Winkelstraten zijn wat ze zijn, één aan elkaar geregen reeks van winkels die overal ter wereld dezelfde zijn. Ook hier word je meegezogen in een kolk van muzak en blazend lawaai. Grote kledingzaken hebben zelfs bij vrieskou de deuren wijd open om je naar binnen te lokken met een warmwindmachine. Voor mij is winkelen een noodzakelijk kwaad om een voorraad voeding in te doen, het is zeulen met zakken vol dagelijkse benodigdheden. Shoppen daarentegen, dat schijnt je van het te zijn. Winkel in winkel uit en alle pashokjes verkennen, mee neuriënd met de onontkoombare kwelerige hits. Neon- en ander licht verblindt je. Gegarandeerd krijg ik hiervan schele hoofdpijn binnen het kwartier.
Je kan je voorstellen dat de kerstperiode niet erg aan mij besteed is. Ik leg dan op voorhand nog grotere voorraden voedsel aan en kom zo weinig mogelijk buiten. Het dagelijks brood gaan halen is bijna een kwelling. Liefst zou ik twee weken onder mijn dekbed willen liggen slapen, lezen, eten. Pas na de jaarwisseling kom ik mijn hol weer uit.
Op de eerste dag van het jaar komen we gewoonlijk samen met de familie. Wat vroeger een gezellige, rustige uitwisseling van de beste wensen was met een hapje en een drankje (type ‘potluck’) is ondertussen echter een beetje ontspoord in de richting van de ‘opleuking’. Het feestje in iemands living moet zo nodig opgeluisterd worden met tv-beelden van open haard, plaatjes van besneeuwde bergen, watervallen, eindeloos machtig ogende bossen waar roofvogels van reuzenformaat over cirkelen. Het is onschuldig hoor, niemand heeft er iets kwaad mee in de zin. Maar helaas, mensen kunnen op die manier niet normaal meer praten met elkaar. De aandacht wordt weggezogen naar het bewegende licht op tv, de bijhorende natuurgeluiden en muziekjes op de achtergrond (in stereo- en soms zelfs quadrofonie) overklinken en verstrooien de stemmen, de gespreksonderwerpen worden voornamelijk bepaald door de wisselende zaken die je op dat grote, gebogen scherm ziet. Je wordt nauwelijks of niet gehoord door deze bijkomende pregnante informatiebronnen.
Na enkele uren stap je geheel verzadigd – want heus veel lekkers! – en toch een beetje gefrustreerd in de auto om de lange rit naar huis aan te vatten met op de achtergrond … the sound of silence!
Mattie Billen schreef deze tekst voor de blog Pierewit.
Ik stond er nog maar net of daar kwam de bus naar Brussel Noord al aan. “Ben jij niet veel te vroeg?” vroeg ik. “Te laat ben ik, bijna tien minuten te laat!” reageerde de bestuurder onmiddellijk. Ik fronste allicht, want hij toonde zijn papieren met de doorkomsturen. “Ik geloof je wel, hoor. Ik zal verkeerd gekeken hebben. Ik dacht dat hij om 12.22 uur kwam.” “Dit is de 231 hè, niet de 260!” Er stootte even een paniekstroompje door me (waar ging dit heen?), maar deze bus reed finaal ook richting Noordstation, zo stond het toch aangegeven aan de buitenkant.
Koopdrukte in de Nieuwstraat
Ik kon vanzelfsprekend een halte verder terug uitstappen om daar te wachten op de 260, maar het regende, er woei een snerpend koude wind en de chauffeur beweerde dat ik met deze bus sneller op mijn bestemming zou zijn. Ik maakte mijn ticket aan op mijn smartphone.
“Erg hè, wat hier gebeurd is”. We reden voorbij de plaats waar er een berg bloemboeketten lag en talloze gedoofde kaarsen stonden. Veertien dagen eerder werd hier een jonge fietser vlak na schooltijd doodgereden door een lijnbus die rechtsaf reed. Op die bus zaten klasgenoten en andere schoolgangers die het zagen gebeuren. Wat kan je daarover zeggen? Zo verschrikkelijk afgrijselijk onomkeerbaar waanzinnig erg. Ook voor de busbestuurder die dit nooit te boven komt. De chauffeur vertelde me dat hij er zeker van was dat zijn collega nooit meer opnieuw zou komen werken. De man bleek al ‘geen sterke figuur’ en nu was hij volkomen gebroken. Het zou hem niet verbazen als die over een poos op zolder een dik touw zou gaan zoeken en …
Ik maakte me los van deze praatgrage man. “Ik ga je met rust laten. Jij mag eigenlijk niet babbelen met passagiers! Concentratie is nodig, hè?”
Ik ging vooraan zitten lezen. Ik werd echter al gauw afgeleid toen een pronte oudere dame opstapte die door de chauffeur met “Ah mijne sjoe” werd begroet, waarna zich een geanimeerd gesprek tussen de twee ontspon. Gelukkig stapte ze enkele haltes verder weer uit, zodat ik me kon concentreren op mijn boek.
Tot aan de stelplaats in Grimbergen. Daar was er een chauffeurswissel. Beide chauffeurs zegden slechts enkele woorden tegen elkaar. Ondertussen stapte een bejaard koppel op. Zij waggelde aarzelend naar het ene scanapparaat, dan naar een andere stempelautomaat, zocht naarstig in haar tas. Hij grommelde iets naar haar, zij beet bitsig terug. Ze kreeg de deur van het bestuurderscompartiment dat de kruisende chauffeurs openzwaaiden ei zo na met een smak tegen haar rug. Net op tijd deed ze een stapje opzij. Als slingerapen op rust sukkelden ze naar achteren, waar er nog plaatsen vrij waren, zich onderweg vastklampend aan de stangen terwijl de bus alweer driftig optrok.
Na enige tijd kwam de mevrouw naar voren om iets te vragen. Daarbij haakte ze met haar regenmantel achter een zetelleuning. Krrrrrr. Een grote scheur. “Mo kik nowa! Allè nowa!” Het leek wel Limburgs. Ik keek inderdaad en probeerde haar gerust te stellen dat ze dit gemakkelijk kon repareren, want het was op de naad. Ze keek erg ongelukkig naar me. Misschien kon ze niet naaien? Bij de chauffeur kreeg ze de nodige inlichting en ging vlug terug om haastig aan de volgende halte met haar man van de bus af te gaan waar ze op een andere moesten overstappen.
Zou ik nog wat verder lezen. Was het de moeite? Of was er nog verdere afleiding op komst? We waren nog maar goed halverwege de rit maar het tijdstip dat ik op mijn gewoonlijke halte in Brussel zou arriveren was wel reeds over tien minuten. Ik stuurde een bericht naar mijn vriend dat ik maar nipt tijdig op de afspraak zou zijn.
Aan het Rogierplein sprong ik eruit en besloot niet ondergronds te gaan voor een metro. Ik zou tijd winnen met een stevig stukje stappen, het regende niet meer en misschien was er nog wel iets leuk te bekijken onderweg. Ik had niet gerekend op de drukte van de Nieuwstraat in pre-eindejaarsperiode en bovendien in delen opgebroken en afgezet voor werken aan een nieuw wegdek. Behalve over rondslingerende klinkers struikelde je ook haast over tegen de grond zittende bedelaars, eentje zelfs met tussen zijn knieën een hond met kerstmuts op z’n kop. Zou dat meer opbrengst genereren?
Zo goed als mogelijk beende ik me een weg tussen de koopdronken mensenmassa en de andere obstakels. Ik kwam een ietsiepietsie te laat in het café. Niet erg. Wat is er erg als je al met het allerergste geconfronteerd bent? Opnieuw – net als vorig jaar – nam ik me voor al de kleine en iets grotere tegenslagen of ergernissen en zelfs redelijk grote problemen van het komende jaar werkelijk als pietluttigheden te beschouwen.
Mattie Billen schreef deze tekst voor de blog Pierewit.
“Ben ik hier in Anderlecht?” vraagt iemand me op amper 100 meter van het Centraal Station. “Nee, u bent hier in het centrum van Brussel”, zeg ik. “Anderlecht is op zo’n 3 km van hier”, voeg ik eraan toe.
“Ik zoek de Place de Justice in Anderlecht”, gaat ze voort. Ik haal m’n smartphone boven en begin te zoeken. “Misschien bedoelt u de Rue de la Justice? Dat is in Anderlecht”, antwoord ik al na een paar seconden. “Ja, dat zal het zijn”, zegt ze.
Ze voert een telefoongesprekje en ik hoor nog een “Dan heb je je van adres vergist.” Ze zoekt de Gerechtsstraat nu met haar eigen smartphone op. Ze zucht. “Bent u te voet?”, vraag ik. “Nee, met de auto… 13 minuutjes”, zegt ze.
Mijn opa en oma woonden in een bos. Vanuit haar keuken zag mijn oma haar grote composthoop, waarin de kippen van een nabije boerderij pikten. Er stond een vogelhuisje naast waaraan mijn oma halve kokosnoten hing, die ze vulde met frietvet en een zadenmengeling. ‘Daar is het winterkoninkje,’ of de bonte specht – ik hoor het haar nog zeggen. Elke dag zag ze dezelfde eekhoorn in dezelfde hoge boom.
Mijn opa was een dromer. Sommige dromen realiseerde hij, zoals in een bos gaan wonen. Wanneer je tegen hem praatte, staarde hij vaak door het raam. Je wist dan niet zeker of hij wel luisterde. Zoals nu bij mensen die op hun smartphone kijken terwijl je hen iets vertelt. In het midden van een gesprek zei mijn opa soms plots: ‘Wat zijn de bomen toch mooi.’ Dan wist je dat hij niet geluisterd had.
We wonen al jaren in deze stad, mijn man en ik. Maar altijd hebben we gewoond in een huis waarin we naar bomen konden kijken. Ons eerste adres was in de Léon Lepagestraat, een van de weinige straten in Brussel centrum die aan weerszijden hoge bomen heeft. Toen het centrum ons te druk werd, verhuisden we naar de Richard Neyberghlaan in Laken, een heerlijk groene laan die je vanop het nabije grijze Bockstaelplein niet kan vermoeden. We woonden er op de eerste verdieping, te midden van de kruinen. ’s Zomers ruisten de fijnbladige bomen er als de zee.
Twaalf jaar geleden verhuisden we naar het Jetse Brusselaarsplein. Het huis was klein, het uitzicht groots. Een pleintje met een tiental kleine platanen lag voor onze deur. Daarachter nog de dubbele rij platanen van de Jetselaan. Hoge, oude bomen, die veel wind vingen. Inkijk kenden we niet, in de zomer konden we de overkant niet eens zien. Twaalf jaar lang heeft dit uitzicht ons geluk en rust gegeven.
Tot de tram kwam. En alle bomen voor onze deur genadeloos tegen de grond gingen. Een van de ergste dagen van ons leven. De Ster van het Noordstation heb ik kunnen redden, de bomen voor mijn deur niet. Waarom niet? Ik heb nooit geweten dat ze omgehakt zouden worden. Op de plannen stond dat ze bewaard zouden blijven. Pas later is beslist ze te kappen. Dan sta je als burger machteloos. De plannen voor ons plein waren onduidelijk. Zelfs de ombudsman van de tramwerken kon, toen ik hem raadpleegde, er niet meteen uitleg bij geven. Ook hij geloofde niet dat een kale vlakte met nauwelijks banken en één boom ons pleintje zou vervangen.
‘Het pleintje voor je deur gaat heel mooi worden. Vroeger was het wat sinister,’ zei de Ecolo-schepen me toen ik bezorgd informeerde naar de toekomst.
Alsof iemand zei dat mijn kind lelijk was. Het deed pijn hem op deze manier over ons plein te horen praten. Een plein waar oude mannen in de zomer triktrak speelden. Een plein waar oude dames elkaar in vertrouwen namen over hun kwalen en medicijnen, terwijl ze op de bus wachtten. Waar een koorddanseres tussen de bomen moeizaam haar evenwicht zocht. Waar honden elkaar besnuffelden terwijl hun baasjes aan de praat geraakten. Een plein waaronder het zonlicht zo mooi viel, dat zelfs een achtergelaten stoel of sofa een bijzondere glans kreeg.
Het plein waar ooit de rode valies stond waarnaar ik mijn blog heb vernoemd. Waar je het gevoel had in de Provence te zijn, wanneer de zondagse markt op een zomerse dag voor de deur stond. Ja, soms zat er een clochard, maar hij deed geen vlieg kwaad. Hij leek zelfs over het plein te waken. Hier, aan de kop van de Vlamingen- en de Walenstraat, kwamen Brusselaars samen. Het Brusselaarsplein droeg zijn naam goed.
Wij, de bewoners, wisten dat het hier niet sinister was. Niemand heeft ons iets gevraagd. De bomen werd ook niets gevraagd. Nochtans weten we dat bomen kunnen spreken. Ondergronds, via hun wortelstelsel, communiceren ze met elkaar. Wij kunnen dat niet horen. Daarvoor zijn wij bovengronds veel te lawaaierig.
Er komt een tijd waarin we zullen beseffen dat bomen levende wezens zijn. Die zoveel ouder en wijzer zijn dan wij. Die ons zoveel geven. Ons beschermen voor onze domheden. Met schaamte zullen we terugkijken op onze barbaarse daden jegens deze weldoeners. “We zijn niet geïnteresseerd in de redding van de aarde, maar wel in de redding van onze eigen arrogantie,” stelde schrijver Richard Powers onlangs in De Morgen. In zijn laatste roman spelen bomen de hoofdrol.
De tram waarmee we tien minuten sneller in het centrum zijn zouden we meteen inruilen voor ons vroegere groen.
‘Heb je gezien dat ze onze nieuwe boom eindelijk hebben geplant?’ vroeg mijn man gisteren. Nee. Ik had hem niet gezien. Een smalle spriet. Dat het herfst is en hij maar enkele bladeren heeft, helpt natuurlijk niet. Ik heb medelijden met hem.
Ik kijk naar de lege vlakte met één boom en betonnen banken zonder leuning. Veel kouder kan het komende winter niet meer worden. Vroeger hingen er Kerstlichtjes in de bomen. We zullen ze nu aan ons balkon hangen. In de zomer zullen we wat bloempotten buitenzetten. En een bankje. Zodat we een beetje kunnen praten met de voorbijgangers. Over vroeger.
Ik voel mijn grootvader, dertig jaar na zijn dood, zo dichtbij de laatste tijd. In mijn herinnering zit ik niet tegenover hem te praten, maar naast hem. Samen kijken we door het raam. De bomen waren zo mooi. Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.
vorige keer zei de bediende in het postkantoor dat de zon te veel straalde
de keer daarvoor te weinig, nu dat er regen in de lucht hangt
dat het ook altijd iets is en wij pechvogels zijn
dat het ’s nachts mag doen wat het wil,
maar nu nog niet want ze moet nog naar huis
ze vraagt of ik het begrijp
ik zeg dat ik nog naar huis moet,
vraag wat zij zou schrijven in een gedicht over de zomer
ze antwoordt dat ze me wisselvallig vindt
ik schrijf op een postkaart dat zomernachten mogen doen wat ze willen Jill Marchant is een Brusselse dichter en woordkunstenaar. Ze heeft een eigen blog: Verhaalgemaak.