Author: Pierewit

Het jaar van de kroon

Het was het jaar van de kroon. De kroon op het harde werk. Want werken in coronatijden is extra hard werken, of het nu thuis is met kwetterend spelende, jengelende en/of ruziemakende kinderen in de buurt, of op verplaatsing in een setting waar corona ook voortdurend op de loer ligt. Het was vooral het jaar van de kroon op het geduld.

Nooit werd er zoveel gevraagd van een gemeenschap. En deze gemeenschap was er een van wereldgrootte. We moesten op afstand van elkaar blijven, we mochten bijna niet buitenkomen, we moesten onze gewoontes achterwege laten, onze aandrang bevechten om elkaar een hand te geven, elkaar op te zoeken, elkaar te knuffelen. We leerden onze handen veelvuldig te wassen, te ontsmetten.

Allemaal werden we alcoholverslaafden, om de zoveel meter prijkte er een flesje waar je het goedje uit mocht pompen. Allemaal werden we kampioen in het alléén winkelen en onze kar in een recordtempo vol gooien voor minstens een week overleven. Als we al het geluk hadden voldoende geld op onze rekening te hebben…

Bij het verlaten van onze woning moesten we een masker achter onze oren spannen, onze bril dampte dan direct aan en we kregen het benauwd. Maar dat verbeterde gaandeweg. We leerden hoe we deze zaken konden vermijden. Op den duur wende het om mensen met een mondmasker te zien. Het werden eerder uitzonderingen die er géén op hadden en die wezen we terecht want we wilden deze miserie zo spoedig mogelijk achter de rug hebben.

Het duurt nu al zolang. Gisteren heb ik voor het eerst gezoomd. Ik ben overstag gegaan. Tot hiertoe had ik het afgehouden want ik had er geen tijd voor en nog minder goesting. Maar ik miste mijn koorgenoten en blijkbaar genoten zij af en toe ervan elkaar als minimensjes op een scherm te zien. Enkel hoofdjes die babbelden.

Ik heb het al moeilijk om in een café in groep te zitten en een gesprek te volgen, laat staan te voeren. Ik ben meer een persoon van één-op-één-contact. Niet dat ik exclusieve aandacht wil (hoewel…) maar het begint vaak te rommelen in mijn hoofd als verschillende mensen door elkaar praten. Ik kan den draad dan niet vinden en weet niet waar ik geacht word op in te gaan, wat te kiezen. Bon, ik heb er grotendeels het zwijgen toe gedaan, de commentaren op mijn hoofddeksel -mijn oude paarse baret kwam me goed van pas om mijn coronatooi te verbergen- met een veelzeggende smile gecapteerd en af en toe geknikt.

Toen na een half uur de laatste 10 minuten van de ‘conferentie’ ingingen kon ik er niet aan weerstaan mijn ondertussen zwaarwegende hoofd te ondersteunen met een hand, hetgeen overkwam als een zeer verveelde pose (je ziet jezelf ook in de mozaïek van deelnemers). Sorry, zanggenootjes, ik zie jullie graag maar geef mij maar de liveversie na het zingen met een goed biertje in de hand aan den toog van onze repetitieruimte!

We gaan nog wat geduld hebben en weldra staan we weer vierstemmig mooie klanken voort te brengen in ons aller Leirekencafé, op maandagavond als het enkel voor ons koor open is. We zullen glazen heffend en klinkend ons drinklied zingen, dat nu meer dan ooit toepasselijk is: “Le bon vin nous a rendu gais, chantons, oublions nos peines, chantons!” Weldra, als we weer onbekommerd samen mogen zijn en vrij dicht bij elkaar samen mogen zingen! Want er komen betere tijden.

Mattie Billen schreef deze tekst voor de blog Pierewit.

Littekens van huizen en bouwwerken

Er lopen vandaag in Brussel twee tentoonstellingen over het werk van fotograaf Paul D’Haese. Mattie Billen van de blog Pierewit ging kijken in Contretype en Hangar en was onder de indruk. “Hoe lelijk, oud en vervallen de huizen, koterijen, muren, asfaltstroken of parkeerplaatsen ook zijn, het levert schitterende, soms zelfs ontroerende, beelden op.”

© Paul D’Haese, série Belgopolis, VI2013, 90 x 106 cm 2016

Ik hou veel van fotografie. Ik kijk graag in fotoboeken. De mijne hebben voornamelijk de mens als centraal onderwerp. Portretfotografie, boeken als ‘Brussel intiem’ (mensen die zich met al hun huisgenoten in hun interieur in een Brusselse woning lieten vereeuwigen), de stad met haar bewoners (Amsterdam en Parijs van Ed Van der Elsken), de mooie thematische boeken van Lieve Blancquaert, de erg geënsceneerde producties van Leni Riefenstahl, de estethisch uitgepuurde foto’s van Robert Mapplethorpe, zelfs Leopold III kan me als fotograaf charmeren en ook wel foto’s van concerten – bijvoorbeeld in Paradiso – of van mensen met hun huisdier. Eerder anekdotische foto’s, beelden waar je een verhaaltje rond kan brouwen door de situatie die je afleest.

Uitzonderlijk heb ik enkele boeken over interieurs waar geen mensen in te zien zijn, maar waar je vanzelfsprekend de mensen in kan waarnemen via hun creaties, hun inrichting, de sporen van maaltijden of rommel en vuiligheid, zichtbare armoede, de lompe tv in het midden van de kamer, het met een morsige sprei gedekte bed. Boeken of tijdschriften over (binnenhuis)architectuur waar alles onder controle is en proper en netjes gepresenteerd omdat de nadruk ligt op het concept van de architect die zich wil verkopen kunnen me eveneens bekoren.

© Paul D’Haese

Gisteren bezocht ik twee tentoonstellingen met foto’s van Paul D’Haese (1958°). Ik kende het werk van deze fotograaf niet. Maar wat een ontdekking! Ik raakte niet uitgekeken op de haarscherpe beelden van desolate landschappen en/of afgeleefde gebouwen, braakliggende terreinen of bruggen. Ik denk dat de fotograaf urenlang op zoek gaat naar de locaties en ernaar terugkeert om een juiste lichtinval en toevallige ‘passanten’ (een kat, een vrachtwagen, een caravan) in de cadrage te krijgen, met behulp van een technische camera waarmee hij alles uitgemeten vat. De compositie lijkt wiskundig berekend, soms is er net geen symmetrie en àltijd is er een prachtig spel van lijnen en vlakken en terugkerende vormen in sombere doch meestal warme kleuren. Vaak in combinatie met bomen, struiken, pilaren, kabels.

Hoe lelijk, oud en vervallen de huizen, koterijen, muren, asfaltstroken of parkeerplaatsen ook zijn en hoe ‘bric-à-brac’ de voorwerpen die zich erbij bevinden – schotelantennes, keien, dranghekken, kasseien, balkjes, afdekmatten, verkeersborden, elektriciteitskasten, vuilbakken – het levert schitterende, soms zelfs ontroerende, beelden op. De tijd laat zich lezen in de letterlijke littekens van huizen en bouwwerken die in diverse perioden bij elkaar gebracht werden. Het zijn tekens van afbraak en restauratie, leegtes die een verleden suggereren, vlekken die wijzen op herstel en slijtage en opnieuw herstel.

© Paul D’Haese

Bouwsels leunen tegen elkaar aan, ze staan vloekend en onlosmakelijk van elkaar in wat een eeuwigheid lijkt. Diverse grijzen in een strak lijnenspel van fabrieksmuren met schaduwpartijen vormen een contrast met een crème-fraîchelucht van witte wolken die uit de trapeziumvormige uitsnijding op de foto van deze hal opstijgen; op de binnenplaats liggen grote bij elkaar gebonden buizen en twee enorme industriële voorwerpen die ik niet kan duiden.

Sowieso zijn de foto’s heel fascinerend en opwindend doordat ze je fantasie prikkelen. Een reeks bleke garagepoorten staan repetitief te wezen met het accent op één donkerbruine poort. Elders staan betonnen wanden afgebiesd met prikkeldraad dominant in het beeld, op de hoeken enkele staalharde metalen muurankers. Op een verlaten binnenkoertje omzoomd door hoge witte muren staat het karkas van wat ooit een schommel was; op de wand achter dit staketsel zie je de schaduw van een reeks kale boomkruinen waarvan de (schaduw)stammen over de grond naar je toe kruipen. Op de dwarse witte wand is er een schuinaflopende schaduw van een leuning die zich boven op het dak bevindt van het gebouw dat je slechts héél fragmentarisch ziet. Op een andere foto met enkele kleine arbeidershuisjes die solidair driehoekig omhoog pieken in diverse kleuren en materialen, prijken scheuren in de muren haast vertederend naast ronde raampjes van hoop.

Industriële rommel krijgt op de foto’s van Paul D’Haese een dimensie van schoonheid door het haast abstracte ervan: een toren van autobanden, een stapel houtwerk met ergens bovenop een oude boot. Ik zou eindeloos kunnen doorgaan met het trachten te beschrijven van wat ik zag. Ik zag twee tentoonstellingen achtereen, ze zijn heel verschillend maar ik beschouw ze hier als één geheel van zeer herkenbaar werk van een interessante fotograaf. Ik ben enthousiast. Paul D’Haese heeft een nieuwe volger.

© Paul D’Haese

Paul D’Haese

Winks of Tangency (Contretype, Fontainashof 4, 1060 Brussel)
16/9 – 8/11/2020

Borderline (Hangar, Photo Art Center, Kasteleinsplein 18, 1050 Brussel)
5/9 – 24/10/2020

Mattie Billen schreef deze tekst voor de blog Pierewit.

Het verborgen leven van René Magritte

Dat het nooit goed zou komen tussen René Magritte en mij, wist ik al heel lang. Ik heb namelijk altijd moeite gehad met het imago van brave burgerman dat hij meedroeg. Geef toe: een schilder wiens beroemdste schilderij-met-de-pijp ‘La trahison des images’ heet (Het verraad der beelden), verdient toch enig gezond wantrouwen?

Ooit sprak ik met Georgette Berger, weduwe Magritte. Of liever: ooit was ik aanwezig bij een gesprek tussen haar en wijlen mijn vriend, de discrete kunsthandelaar en galeriehouder Louis Hutse uit Jette, die de schilder goed had gekend en nog regelmatig met zijn weduwe contact had. De Magrittes hadden een kwarteeuw op een paar honderd meter van hem gewoond, vandaar.

Plaats van het gebeuren was de hal van het Congressenpaleis onder de trappen van de Kunstberg in Brussel. Ik weet niet meer welke tentoonstelling er geopend werd, maar Georgette en Louis raakten in gesprek over schilderspraktijk van haar man.

Nu moet u weten dat Georgette Berger, hoewel ze vijfenveertig jaar met de kunstenaar getrouwd was geweest – van 1922 tot zijn dood in 1967- zeker geen al te betrouwbare bron is (was) als het om zijn oeuvre gaat! Zo schreef zij, uiteraard tegen fikse vergoeding, nogal wat certificaten uit wanneer haar een werk ter authentificatie werd getoond. Haar gevleugelde woorden “C’est sans aucun doute de René: j’étais là quand il l’a peint!” werd bijna een running joke in Brusselse kunstmiddens. Zelf heb ik een aantal tekeningen gezien waarop zij zijn handtekening in balpen had gezet “omdat het potlood erg vervaagd was”. In die tijd waren de schilderijen van haar man misschien wel al veel geld waard, maar de meesten waren reeds lang in het bezit van galeristen en verzamelaars. Zijzelf bezat amper nog werk van haar overleden echtgenoot. En ze had geld nodig. Georgette was ongetwijfeld een zeer aantrekkelijke vrouw geweest, maar op het einde van haar leven (ze werd vijfentachtig) werd het steeds moeilijker om de jonge mannen met wie zij graag omging te motiveren om haar te vergezellen in de duurste restaurants.

Enfin, in die hal probeerde Louis, die welopgevoed was, met veel tact haar te laten toegeven dat de grote kunstenaar die – volgens zijn legende althans – eenzaam in zijn eetkamer of keuken aan zijn omvangrijk oeuvre werkte, af en toe ‘wat hulp van assistenten had gekregen’. Ik herinner mij zijn woorden nog letterlijk: “Mais enfin, Georgette, vous devez quand même avouer que René s’est parfois fait aider!” (Komaan, Georgette, u moet toch toegeven dat René soms wat hulp gekregen heeft!) Waarna de hoogbejaarde weduwe bits repliceerde: “Mais c’est un mensonge! Où allez-vous chercher cela? Il a toujours tout peint tout seul. J’étais là!” (Maar dat is een leugen! Waar haalt u dat vandaan? Hij heeft altijd alles alleen geschilderd. Ik was erbij!)

“Mais enfin, Georgette, regardez!” vervolgde Louis, We stonden voor een fresco van haar man. “Regardez, c’est écrit là!”, zei Louis Hutse wat misnoegd over zoveel duidelijke kwade wil. En inderdaad, onder de handtekening van Magritte stond geschreven: ‘Exécutant: P.W. De Muylder’ (Uitvoerder: P.W. De Muylder). Dezelfde De Muylder, leraar schilderkunst aan en later directeur van de academie van Sint-Jans-Molenbeek, die trouwens de grote werken van Magritte in het casino van Knokke uitvoerde. Zonder een woord keerde zij ons de rug toe en verdween, champagneglas in de hand, tussen het volk.

Later zou diezelfde galeriehouder voor mijn ogen een brief uit zijn kluis halen en liet mij lezen: “Mon cher … tu es le seul qui arrive à peindre comme je le veux. Je te joins les … francs (ik herinner mij de som niet meer precies) promis et encore quelques croquis.” (Mijn beste… je bent de enige die kan schilderen zoals ik het wil. Hierbij de beloofde … franken en nog wat schetsen.) Ik had maar wat graag de brief meegekregen, of een kopie ervan, want daar zat een smeuïg artikel in, maar mijn goede vriend zei mij dat daar geen sprake van kon zijn; hij bezat zélf nog een aantal schilderijen van de Meester en wou de waarde van zijn kapitaal niet kelderen. Zonder de schriftelijke bewijzen kon ik er natuurlijk niets over schrijven. Daar ging mijn primeur. Maar dit terzijde.

Monsieur Tout-le-monde

Ik heb dus nooit veel waarde gehecht aan het beeld van een ‘monsieur-Tout-le-monde’ die in de beslotenheid van zijn bescheiden huisje een teruggetrokken leventje leidde, samen met zijn vrouw Georgette. Het dagelijks uitlaten van de keeshond Loulou kon toch moeilijk zijn enig vertier zijn? Er moest toch iets anders zijn? Iets wat meer in de lijn lag van de verwachtingen als het ging om een kunstenaar die in zijn jonge jaren revolutionaire manifesten opstelde of ondertekende. Was het jeugdige provocatie? Misschien, maar feit is dat achter de man met de eeuwige bolhoed een andere René Magritte schuilging. Eentje die hij op latere leeftijd blijkbaar het liefst wou vergeten of in elk geval doodzwijgen. Zelfs met zijn trouwste vrienden of biografen sprak Magritte nooit of slechts in vage termen over zijn wilde jaren. Hij stelde onomwonden: “Je hais mon passé et celui des autres!” (Ik haat mijn verleden en dat van de anderen!) Misschien was er wel een goede reden om niet meer achterom te kijken?

Eén man heeft dertien jaar van zijn leven gewijd aan het ontrafelen van dit mysterie. Tussen 1985 en 1998 ondernam de Belgische psychoanalyticus Jacques Roisin een speurtocht naar ‘René avant Magritte’ en publiceerde de schokkende resultaten van zijn onderzoek in ‘René Magritte, la première vie de l’homme au chapeau melon’. Het boek van zo’n 250 pagina’s leest als een roman, hoewel de auteur er een erezaak van gemaakt heeft zijn weergave van de feiten uiterst grondig te documenteren. Vijfendertig pagina’s bibliografie en voetnoten staan garant voor accurate citaten. Wanneer zijn bronnen wat twijfelachtig zijn, durft Roisin te vermelden dat de getuige bijvoorbeeld door zijn of haar hoge leeftijd wat verward overkomt of geheugenproblemen heeft. Ook confronteert hij regelmatig tegenstrijdige bronnen, de lezer kan dan wel de conclusie trekken.

Een voorliefde voor excrementen

René Magritte was in zijn jeugdjaren een regelrecht crapuul dat, samen met zijn twee broers Paul en Raymond, zijn omgeving het leven zuur maakte. Hij hield van practical jokes waarbij zijn voorliefde voor excrementen opvalt. Drollen werden op deurklinken gesmeerd, of in kranten gewikkeld aan voordeuren gelegd en dan in brand gestoken. De organist van de kerk kreeg zelfs een volle emmer stront vanop een brug over het hoofd gekieperd.

Ook was René op zeer jonge leeftijd al een regelmatige bezoeker van de hoerenbuurt van Charleroi. Op vijftienjarige leeftijd moest hij samen met zijn oudste broer, behandeld worden voor syfilis!

Natuurlijk waren er verzachtende omstandigheden. Zo was Léopold Magritte verre van een voorbeeldige vaderfiguur. Half zakenman half oplichter, slaagde hij erin tweemaal een groot fortuin te vergaren om dat dan te verspelen in wilde braspartijen en op de paardenrenbanen van Brussel. De hautaine man werd gehaat in zijn opeenvolgende woonplaatsen, niet het minst omdat hij zijn echtgenote op schandalige wijze behandelde. De moeder van Magritte pleegde trouwens zelfmoord door in de Samber te springen toen René veertien was. In hun woonplaats Châtelet werd onomwonden de schuld van het drama bij vader Magritte gelegd.

Allesbehalve een vlijtige student

René Magritte ontmoet Georgette Berger wanneer zij amper twaalf jaar oud is. Eerder had hij al een ‘affaire’ gehad met de even jonge dochter van de conciërge van het oude kerkhof van Soignies (Zinnik) – het dorpje waar hij de vakanties bij zijn grootmoeder doorbracht; ze ‘speelden’ er vaak samen in opengebroken graftombes. Zijn eerste schilderijen maakte de jongeling trouwens in datzelfde kerkhof waar hij de schilder Léon Huygens aan het werk had gezien.

Wanneer Magritte vanaf oktober 1915 naar de Brusselse Koninklijke Academie voor Schone Kunsten trekt, is hij allesbehalve een vlijtige student. In het verlengde van zijn eerdere strapatsen blinkt hij vooral uit als het om drinkgelagen en studentikoze grappen gaat. Hij volgt er wel onregelmatig les bij Montald en Combas, maar neemt meer niet dan wél deel aan de eindproeven. Uiteindelijk houdt hij het daar in 1919 voor bekeken.

De Eerste Wereldoorlog belette René niet om zijn liederlijk leven in Brussel voort te zetten. Hij aarzelde daarvoor zelfs niet opdrachten voor affiches van de Duitse bezetter te aanvaarden (Magritte had zich in 1915 ook als vrijwilliger aangeboden om in Duitsland te gaan werken, maar dat plan werd op het nippertje verijdeld door zijn vader die hem van de trein kwam plukken). Hij liet die affiches trouwens voor een habbekrats uitvoeren door berooide medestudenten en stak het ruime verschil in zijn zak.

Naar Parijs en terug

In Brussel ontmoette hij weer Georgette, die verkoopster was in een winkel van schilder- en tekengerief. Ze werden een koppel en zij poseerde vaak voor hem. Magritte behandelde haar echter slecht: tegen haar levenslange vriendin Jacqueline Nonkels, bekende zij later dat hij haar regelmatig opsloot terwijl hij nachtenlang op stap ging met zijn vrienden. Georgette bleef ook na hun huwelijk in 1922 in de ‘Cooperative Artistique’ werken en haar loon was lang het enige regelmatig inkomen van het koppel tot Magritte in 1926 een contract kreeg bij P.G. Van Hecke, die hem in ruil voor schilderijen een bescheiden maandloon uitkeerde. Van Hecke, die het contract deelde met galerie ‘Le Centaure’, hield een tweehonderdvijftigtal doeken over aan de deal, zowat een kwart van het totale oeuvre van de schilder! Met dat maandgeld kunnen de Magrittes zich nabij Parijs vestigen en kan René zich volledig aan de schilderkunst wijden. Ze vertoeven er in de kringen rond de ‘Paus’ van het surrealisme, André Breton.

Een vreemd voorval ligt aan de basis van hun terugkeer naar België en de jarenlange ruzie tussen Magritte en Breton. Deze laatste dreef op een avond de spot met het kruisje dat Georgette om de hals droeg en eiste dat ze het zou afleggen. Magritte stond op met de woorden: “Viens, Georgette. On s’en va!” Het zou twintig jaar duren vóór hij naar Parijs terugkeerde.

Het vreemde is dat René, in zijn academietijd, er zélf een duivels genoegen in schiep om de draak te steken met de godsdienst. Het leidde zelfs tot een hevige ruzie met zijn vriend en medestudent Pierre-Louis Flouquet die erg gelovig was en die door de constante aanvallen van René in een depressie geraakte.

Tijdens zijn kinderjaren in Châtelet dreef de kleine René (misschien onder invloed van zijn hevig antiklerikale vader?) regelmatig de spot met de pastoor door op de dorpel van het huis van zijn ouders de mis op te dragen, gehuld in zelfgemaakte papieren kazuifels. Hij maakte ook tientallen keren achter elkaar het kruisteken vóór het eten, tot wanhoop van de meid die onomwonden tegen zijn moeder zei: “Madame, votre fils est complètement fou!”. Misschien was er dus wel een andere reden om Parijs te verlaten en was het incident met het kruisje een voorwendsel?

‘Gene gewone’

Dat Magritte in zijn jeugd ‘gene gewone’ was, blijkt ook uit de tientallen getuigenissen over die jaren die Jacques Roisin verzamelde. Zo vertelden gewezen klasgenoten dat de jonge René door seks bezeten was en tijdens de studie zijn schriften voltekende met gewaagde tekeningen. Zijn vader bezat trouwens een grote verzameling ‘pornografische’ bladen. Die vader liet zijn gezin regelmatig achter om ‘op zakenreis’ te gaan. Hij liet daarbij zijn zenuwzieke vrouw vaak zonder geld achter, maar zijn drie zoons kregen van hem dan weer grote sommen geld toegestopt. René en zijn broers Raymond en Paul waren dus volledig op zichzelf aangewezen.

Uiteraard bleef dat niet zonder gevolgen: hun kattenkwaad werd alsmaar driester en hun gedrag losbandiger. René werd al zeer jong een bordeelbezoeker en pochte tegen zijn kameraden dat hij het ook met de minnares van zijn vader deed. Dat kan natuurlijk stoerdoenerij geweest zijn, maar feit is dat hij al voor zijn vijftiende voor een venerische ziekte moest behandeld worden, net als zijn oudere broer.

Later zou Magritte over zijn kunst verklaren; “L’art n’a pas besoin d’analyse ou d’interprétation, mais de commentaire.” Als een van de weinige surrealisten zag hij niets in de theorieën van Freud en verzette zich tegen interpretatie van zijn werken vanuit het onderbewuste. Het siert Roisin, die zelf psychoanalyticus is, dat hij die invalshoek voor het grootste deel achterwege laat. Zijn onderzoek baseert zich op honderden interviews en ontmoetingen met protagonisten en getuigen.

Oedipiaanse, dieptepsychologische of Freudiaanse analyse laat hij voor rekening van de lezer. De feiten spreken ruimschoots voor zich, zal hij gedacht hebben. We kunnen hem geen ongelijk geven.

René Magritte. La première vie de l’homme au chapeau melon verscheen in 2014 bij uitgeverij Les Impressions Nouvelles.

Yves de Vresse schreef deze bijdrage voor de blog Pierewit.

Opgehokt

Rare tijden, heel de wereld geteisterd door een onzichtbare vijand die ongeveer alles lamlegt. Je wil het ‘monster’ een gezicht geven of op zijn minst een ander beeld voor ogen hebben dan het groen snotterig bolletje met buisachtige uitstulpingen dat in een twisted brein als het mijne aan een latex seksspeeltje doet denken (my dirty mind that on this very moment is no joy anymore).

Vandaag voel ik me voor het eerst een beetje moedeloos en claustrofobisch. Mag ik het wat van me af schrijven? Ik ben namelijk geen beller, nooit geweest. En de zaken die ik nu zie passeren, zijn al helemaal niet aan mij besteed: Zoom, Praatbox, Jitsi, Skype, Microsoft Teams, Houseparty, Google Meet, Whatsapp-videocall, enz. Noch in koorverband, noch voor onlinevergaderingen in werkcontext en eigenlijk ook niet voor familiezaken – al wil ik me voor dit laatste forceren indien nodig. Ik beklaag de mensen die plots gedwongen worden om via deze tools thuis te moeten functioneren, terwijl ze gelijktijdig een stel peuters, kleuters en/of tieners in toom moeten houden en schoolwerk dirigeren via nog andere elektronische platformen! En daarbovenop nog een huishouden moeten runnen…

Tot ik ziek werd verliep mijn coronamatisch leven nog vrij normaal. Ik ging alle dagen de deur uit naar mijn werk. Ik realiseerde me dat ik tot de happy few behoorde die nog gewoon naar buiten mochten als voorheen. Alleen, het was allesbehalve als voorheen. Onderweg werd het alsmaar wezenlozer omdat er haast geen ander levend wezen te bespeuren viel. Niet op de bus noch op de trein, maar ook niet wanneer ik me met de wagen verplaatste wegens ontoereikend openbaar vervoer. ‘s Avonds laat reed ik met de auto over lege rijvakken, ik wachtte als enige automobilist een kwartier tot een ellenlange goederentrein voorbijgesjoekt was maar er stond ondertussen niet één voertuig méér voor de barelen. Ook geen voetganger of fietser.

Overal werd er alleen nog maar gecommuniceerd over vorona si en corona là. De briefings op het werk waren verre van ‘brief’ en ze gingen vooral over de in het coronaverhaal passende voortdurend wijzigende afspraken, maatregelen, voorwaarden, veiligheidsvoorschriften en penaliseringen bij overtredingen daarvan binnen ons opvangcentrum. Het coronahandboek. De coronalijst (van mogelijk besmette bewoners die in quarantaine gezet werden). De corona-wiki, enz.

Door de nieuwsbulletins en de duidingsprogramma’s die je overal om de oren slaan, ja die zich ronduit aan je opdringen en die alléén maar over het virus gaan, ging ik angstig worden. Hulp, ik kom alle dagen buiten! Hulp, ik begeef me dagelijks tussen honderden mensen die de afstandsregels (althans de eerste weken) niet zo nauw nemen. Ook niet altijd nauw kúnnen nemen want verzoekers om internationale bescherming in een opvangcentrum leven noodgedwongen enorm dicht op elkaar. Ze slapen met 4 tot 7 op één kamer, ze eten in een refter die sowieso al te klein is, ze maken gebruik van gemeenschappelijk sanitair, van gemeenschappelijke tv-ruimten, van een gemeenschappelijke fitnessruimte, van gemeenschappelijke laptops, van gemeenschappelijke strijkijzers en -planken, spelmateriaal, poetsgerief; materiaal dat ik en mijn collega’s beheren, hanteren. Bovendien is het niet eenvoudig om al die ingewikkelde – en vaak veranderende – informatie aan anderstaligen uit te leggen!

In het begin mochten wij, werknemers, geen mondmasker dragen (de bewoners zouden kunnen denken dat we ziek waren en ook allemaal mondmaskers eisen, en… er waren onvoldoende mondmaskers). Dan mochten we enkel onder strikte voorwaarden in bepaalde situaties chirurgische mondmaskers voorbinden. Nu moéten we mondmaskers (gaan) dragen!

De vraag was op den duur niet meer of ik ziek zou worden, dan wel wanneer. Het onvermijdelijke gebeurde. Ik werd ziek. En ook mijn partner werd ziek en dat was erger. Want hij behoort tot een risicogroep of twee, drie.

Reeds bijna drie volle weken ben ik nu arbeidsongeschikt verklaard en mag ik het huis niet verlaten. Nog eens zovele dagen en het is letterlijk een ‘quarantaine’. Nooit eerder voelde ik me zo volkomen arbeidsongeschikt. Van week tot week moest ik mijn huisdokter bellen voor een evaluatie van de symptomen en telkens schreef ze een verlenging van het attest want ik was overduidelijk niet in staat om mijn werk te verrichten. Ik was “geen sjiek waard”. In het begin waren er koorts, hoofdpijn, spierpijn en stijve gewrichten, hoesten, geen stem meer hebben en vooral: moe zijn, altijd moe zijn, enkel willen slapen en in de zetel hangen. Ook de hele vreemde gewaarwording dat je je reukzin volledig kwijt bent, en niets meer proeft.

Daarna leek het te verbeteren maar het hoesten blijft en zeker het vermoeid zijn doorkruist je plannen om weer aan de slag te kunnen. Het gaat veel op en af, het lijkt beter en dan gaat het toch weer in neerwaartse spiraal. Je wil op een dag eens proberen om al die vuile was te doen want het wordt zo’n enorme stapel. Oké, daar is een apparaat voor, maar je moet ervoor naar beneden, je moet de was sorteren en daadwerkelijk in de machine steken en er product bijvoegen, na het wasprogramma de kledingstukken aan het rek te drogen hangen enz. Aan het eind van de rit ben je uitgeput en laat je die was maar wapperen want je kan amper uit de zetel.

Wat een geluk dat er lieve vrienden zijn die boodschappen aan huis brengen. Maar zelfs het bedenken en doorzenden van een boodschappenlijst vraagt soms te veel energie.

En wat een geluk dat mijn liefste meestal kookt en de heerlijkste maaltijden op tafel tovert. Tot hij (te) ziek werd en zelfs opgenomen moest worden in het ziekenhuis.

Dat is het allerergste, je wil niet weten hoe het voelt om je geliefde in een ambulance te zien verdwijnen en hoe een slap zwaaiend handje als een mogelijk lang of in het ergste geval zelfs definitief afscheid aanvoelt. Want deze onzichtbare vijand heeft al veel mensen weggerukt. Pijnlijk.

Y. wordt snel beter. Momenteel bevindt hij zich in die akelige omgeving waar verplegenden en dokters er eerder als brandweerlui uitzien met hun bevreemdende uitrusting. Er wordt keigoed voor de patiënten gezorgd, maar er mag helemaal geen bezoek komen en de organisatie loopt soms spaak omdat er een hele reorganisatie gebeurde waarbij vaak minder mensen het hele logistieke en verzorgende gebeuren op een andere afdeling op een heel andere wijze moeten bolwerken. Chapeau voor hen allen!

Ik ben blij dat mijn partner niet op intensive care ligt, hij is bij de ‘gelukkigen’ voor wie er vrijwel zeker een gunstige prognose is.

Een nieuw tijdperk lijkt aangebroken. Vroeger toen de dieren nog spraken wordt nu vroeger toen we elkaars grimassen en glimlachen nog konden onderscheiden, toen we elkaar nog een welgemeend schouderklopje konden geven, elkaar tijdens het groeten nog over de rug konden wrijven of in elkaars armen konden vliegen nadat we elkaar een poosje niet gezien hadden. Toen kinderen nog onbezorgd mochten ravotten en op elkaar springen, proeven van elkaars lolly, elkaar kopje onder duwen in het zwembad. Toen leerlingen bij een toets nog een poging konden doen af te kijken van hun ijverige buur. Toen we onze ouders nog onbeperkt mochten knuffelen, ook al waren ze reeds 80 en ouder, al dan niet in een rust- en verzorgingstehuis. Toen we in trein of bus nog rustig een praatje konden slaan met wie naast of tegenover ons zat. Toen mensen niet hoefden te aarzelen om een beetje te flirten op een bank in het park. Toen we nog lekker konden wegzakken in een cinemastoel en geïrriteerd een boze blik konden werpen op een luidruchtig chipsetende cultuurbarbaar vlak naast ons.

Nu zal een (denkbeeldige?) meetstok deel gaan uitmaken van het dagelijks leven.

Maar. Alles wordt beter. Als we ooit de maskers mogen afzetten.

Mattie Billen schreef deze tekst voor de blog Pierewit.

Hoe zelfoverschatting en intellectuele leegte tot (slechte) kunst te verheffen

Een kunstminnende mens moet bij de tijd blijven. Dat je daarvoor een zakenkrant moet lezen, zegt veel over de kwaliteit van de Vlaamse media, maar kom…

Aangetrokken door het perspectief van het gratis Kaaiman-boekje met de gebundelde columns van Koen Meulenaere kwam het er weer eens van: de ‘Tijd’ aan de zaterdagse ontbijttafel. De roze krant (de Financial Times achterna) gaat op zaterdag vergezeld van een reclamevehikel genaamd Sabato (יום שבת, in het Hebreeuws). Het type magazine dat vroeger ‘glossy’ werd genoemd, zij het dat het tegenwoordig op lekker zacht aanvoelend mat papier wordt gedrukt. Het voelt aan als drielagig toiletpapier. Het bevat trouwens ook heel wat shit. Over de nieuwste trends in binnen- en buitenhuisdecoratie, parfumerie en cosmetica, damesmode en dus ook Kunst. Of wat daarvoor moet doorgaan.

Deze week ging het, in een rijkelijk geïllustreerd artikel, over Jan De Cock (Nomen est omen). Ik vermoed dat de zelfverklaarde Meester Beeldhouwer in alle bescheidenheid heeft gemeend dat het tijd werd om de goegemeente kond te maken van zijn nieuwe inzichten. Het is waar: we waren hem bijna vergeten. Dat lag natuurlijk volledig aan ons. We hebben nu eenmaal niet de gewoonte zélf op zoek te gaan naar nieuws over Meester Oplichters in de Kunsten. Daar heb je gespecialiseerde critici, riooljournalisten, broodschrijvers of copywriters voor.

Jan De Cock voor een recent schilderij, (c) Alexander D.Hiet

Hoe verder ik las, hoe meer ik de indruk kreeg dat de laatste Vlaamse primitief (his words) het slachtoffer was geworden van een practical joke. Nietsvermoedend werd hij voor zijn doelgroep (de welstellende, West-Vlaamse neringdoener) te kakken gezet als de zelfingenomen beotiër die hij is. Het is altijd leuker en efficiënter als zulke blaaskaken de poten van hun zelfgetimmerde troon dóórzagen. Tenslotte is Jan Frederik De Cock (zijn nieuwe merknaam, werd ons minzaam medegedeeld) ook een Meester Schrijnwerker, dus van poten doorzagen heeft hij wel kennis.

Hij heeft dat trouwens ten overvloede bewezen toen hij in Brussel op een niet te evenaren wijze een samenwerking met de Sint Lukaskunsthumaniora opzette. Wat aanvankelijk een grootmoedig, altruïstisch project leek, draaide binnen de kortste keren uit op een fiasco, waarbij de kunstschool en de gemeenschap voor nogal wat onvoorziene kosten opdraaiden. De boel (het Brussels Art Institute) werd uiteindelijk opgedoekt, waarna de Meester een ‘burgermanifest’ van zeven pagina’s publiceerde, waarin hij iedereen – zonder enige uitzondering behalve zichzelf – tot achterlijke debielen uitriep, om vervolgens een klacht mét burgerlijke partijstelling tegen vier mediagroepen neer te leggen wegens “het doodzwijgen van de inlandse culturele elite (…), wij vreemden”. De tekst en de klacht werden op hoongelach onthaald, niet het minst door de woordenbrij en de wartaal waarin De Cock zijn ideeën probeerde te formuleren. De Cock leek alle krediet verloren te hebben, letterlijk en figuurlijk. Hij diende gebouw en inboedel te laten veilen.

Enfin, zoals men in Brussel pleegt te zeggen, blijkbaar had hij toch nog wat centen over om een voormalige Olivetti-fabriek en een Palladiaans huis in de buurt van Turijn te kunnen kopen om daar een gelijkaardig project op te zetten. Hoe het daar verder mee zit, komen we in het artikel niet te weten.

Wél worden we ten overvloede rondgeleid in zijn nieuwste stek in Brugge. Een huurhuis ditmaal, we komen zelfs de naam van de Knokse immomakelaar te weten – voor wat hoort wat, in die middens. In zijn oneindige goedheid heeft de “grootste beeldhouwer van zijn generatie” (sic) besloten het provinciestadje te vereren met zijn aanwezigheid en er een culturele Renaissance op gang te brengen. Helemaal in zijn eentje. En belangeloos, dat spreekt.

Oké, zijn huis en kelder zijn volgestouwd met onverkochte rommel, maar die mag nu weg voor een zacht(er) prijsje. De Cock werkt nu namelijk zonder galerie, dus dat scheelt algauw een stevige slok op de borrel. Zijn doelgroep zal het graag horen! Of zijn eerdere kopers de solden evenzeer zullen smaken, is nog maar de vraag! Zijne Strapatsende Hoogheid had al de waarde van hun aankopen gekelderd, en nu dít…

“Ik wil weg uit het verstikkende kapitalistische systeem van galeries en veilingen dat de kunstwereld verziekt heeft,” verzucht de man die inderdaad geen galerie meer bereid vindt hem te vertegenwoordigen. Hij heeft er over de jaren wel een paar tientallen versleten, en niet de minsten, die in zijn peptalk en talrijke Manifesten geloofden. Of deden alsof.

Maar vrees niets: ondertussen houdt zijn bevriende immobiliënmakelaar de zaken draaiende en heeft de Meester een eerste leerling toegelaten die hij het vak zal leren. “Voorlopig gratis,” verduidelijkt de Cock. Op termijn moeten het er twaalf worden.

Een messias heeft nood aan volgelingen, maar of de blijde boodschap zal blijven aanslaan?

Yves de Vresse schreef deze bijdrage voor de blog Pierewit. Hij reageert daarmee op een reportage over Jan De Cock van Sabato, het lifestylemagazine van De Tijd.

Waar is de eenvoud?

Alles moet tegenwoordig opgeleukt worden. Je kan niet gewoon meer door de stad wandelen en zien wat je zou willen zien: een rustig, groen park waar je doorheen kan slenteren, met enkele banken en een fontein. Een plein waar je even kan vertoeven om vogels te observeren, met een kiosk en een stuk of wat standbeelden. Een straat die naar de kerk leidt met hier en daar een winkel: de bakker, de beenhouwer en een apotheek.

Winterpret

Een park wordt dezer dagen gepimpt met kilometers lampenlinten, schijnwerpers die de bomen afwisselend in geel, rood, paars en blauw uitlichten en van spuitende fonteinen een nog unieker spektakel moeten maken. De meeste keren is er ‘iets’ te doen, de plaatselijke jeugd is neergestreken om er luidkeels zijn stripverhalen en andere rommel te slijten, er moet keihard popmuziek knallen uit de grote boxen van een stereoketen op jaren die ook te koop wordt aangeboden.

In een ander park wordt de nieuwe “fit-o-meter” of hoe dat ding ook mag heten ingehuldigd en honderden mensen, begeleid door boem-kadzjiing-iiiep-iiiep-‘muziek’, rennen joelend tientallen rondjes en draaien, hangen en springen in het rond op de nieuw geplaatste toestellen. Of een of andere gemeenschap – de Portugezen, de noeste Noren, de Friuliërs, Canadese jagers of Hasseltse houthakkers – houdt haar jaarlijkse volksfeest en rookt de ganse buurt uit met haar gegrilde vis, gebraden rendier, gevulde lebmaag, gestookte jenever of whatever.

Ieder stadsplein wordt voortdurend ingenomen door hetzij een ijsbaan, hetzij honderden kerstkramen, een reuzenzandbak, een springkasteel zo groot als een half voetbalveld, een bloementapijt, een crossparcours, een kermis. Afwisselend wordt het plein bezet door de jeugdbeweging, de kinderopvang (het speelplein wordt dan letterlijk een pleingebeuren!), voetbalsupporters, de atletiekclub, de plaatselijke neringdoeners, de marktkramers.

Voor deze laatsten is het oorspronkelijk bedoeld, peins ik, pleinen waren een plaats waar het volk enkele keren per week samenkwam om te ruilen, te onderhandelen, te babbelen. In een verder verleden werden er ook al eens zaken beslecht en vonnissen uitgevoerd. In de middeleeuwen kwamen bij hangen, trekken en vierendelen kijklustigen elkaar verdringen op het dorpsplein.

Nu zijn er dus andere brood en spelen! Bij ieder pleinevenement klinkt steeds de obligate niet te negeren muziek, en wordt de locatie zodanig versierd dat er vooral niets oorspronkelijks meer te zien is. Daarbij al dan niet aangename geuren, verspreid door eetstallen die hamburgers, frieten, dürüms, pizza’s en oliebollen aan de man brengen. Wil je toevallig aan de andere kant van het plein zijn, moet je overal tussendoor laveren. Laatst vond ik als voetganger de entree van de parkeergarage niet terug omdat ik letterlijk doorheen alle (kerst)kramen de weg niet meer zag, er was geen doorkomen aan. Iemand van het parkeerbedrijf wist ook niet waar ik doorgang kon vinden. Uiteindelijk werd ik ter plaatse gebracht door een ‘geel hesje’ dat het gemotoriseerd verkeer omheen het drukke plein stond te regelen.

Winkelstraten zijn wat ze zijn, één aan elkaar geregen reeks van winkels die overal ter wereld dezelfde zijn. Ook hier word je meegezogen in een kolk van muzak en blazend lawaai. Grote kledingzaken hebben zelfs bij vrieskou de deuren wijd open om je naar binnen te lokken met een warmwindmachine. Voor mij is winkelen een noodzakelijk kwaad om een voorraad voeding in te doen, het is zeulen met zakken vol dagelijkse benodigdheden. Shoppen daarentegen, dat schijnt je van het te zijn. Winkel in winkel uit en alle pashokjes verkennen, mee neuriënd met de onontkoombare kwelerige hits. Neon- en ander licht verblindt je. Gegarandeerd krijg ik hiervan schele hoofdpijn binnen het kwartier.

Je kan je voorstellen dat de kerstperiode niet erg aan mij besteed is. Ik leg dan op voorhand nog grotere voorraden voedsel aan en kom zo weinig mogelijk buiten. Het dagelijks brood gaan halen is bijna een kwelling. Liefst zou ik twee weken onder mijn dekbed willen liggen slapen, lezen, eten. Pas na de jaarwisseling kom ik mijn hol weer uit.

Op de eerste dag van het jaar komen we gewoonlijk samen met de familie. Wat vroeger een gezellige, rustige uitwisseling van de beste wensen was met een hapje en een drankje (type ‘potluck’) is ondertussen echter een beetje ontspoord in de richting van de ‘opleuking’. Het feestje in iemands living moet zo nodig opgeluisterd worden met tv-beelden van open haard, plaatjes van besneeuwde bergen, watervallen, eindeloos machtig ogende bossen waar roofvogels van reuzenformaat over cirkelen. Het is onschuldig hoor, niemand heeft er iets kwaad mee in de zin. Maar helaas, mensen kunnen op die manier niet normaal meer praten met elkaar. De aandacht wordt weggezogen naar het bewegende licht op tv, de bijhorende natuurgeluiden en muziekjes op de achtergrond (in stereo- en soms zelfs quadrofonie) overklinken en verstrooien de stemmen, de gespreksonderwerpen worden voornamelijk bepaald door de wisselende zaken die je op dat grote, gebogen scherm ziet. Je wordt nauwelijks of niet gehoord door deze bijkomende pregnante informatiebronnen.

Na enkele uren stap je geheel verzadigd – want heus veel lekkers! – en toch een beetje gefrustreerd in de auto om de lange rit naar huis aan te vatten met op de achtergrond … the sound of silence!

Mattie Billen schreef deze tekst voor de blog Pierewit.

Eindejaarssomberte

Ik stond er nog maar net of daar kwam de bus naar Brussel Noord al aan. “Ben jij niet veel te vroeg?” vroeg ik. “Te laat ben ik, bijna tien minuten te laat!” reageerde de bestuurder onmiddellijk. Ik fronste allicht, want hij toonde zijn papieren met de doorkomsturen. “Ik geloof je wel, hoor. Ik zal verkeerd gekeken hebben. Ik dacht dat hij om 12.22 uur kwam.” “Dit is de 231 hè, niet de 260!” Er stootte even een paniekstroompje door me (waar ging dit heen?), maar deze bus reed finaal ook richting Noordstation, zo stond het toch aangegeven aan de buitenkant.

Koopdrukte in de Nieuwstraat

Ik kon vanzelfsprekend een halte verder terug uitstappen om daar te wachten op de 260, maar het regende, er woei een snerpend koude wind en de chauffeur beweerde dat ik met deze bus sneller op mijn bestemming zou zijn. Ik maakte mijn ticket aan op mijn smartphone.

“Erg hè, wat hier gebeurd is”. We reden voorbij de plaats waar er een berg bloemboeketten lag en talloze gedoofde kaarsen stonden. Veertien dagen eerder werd hier een jonge fietser vlak na schooltijd doodgereden door een lijnbus die rechtsaf reed. Op die bus zaten klasgenoten en andere schoolgangers die het zagen gebeuren. Wat kan je daarover zeggen? Zo verschrikkelijk afgrijselijk onomkeerbaar waanzinnig erg. Ook voor de busbestuurder die dit nooit te boven komt. De chauffeur vertelde me dat hij er zeker van was dat zijn collega nooit meer opnieuw zou komen werken. De man bleek al ‘geen sterke figuur’ en nu was hij volkomen gebroken. Het zou hem niet verbazen als die over een poos op zolder een dik touw zou gaan zoeken en …

Ik maakte me los van deze praatgrage man. “Ik ga je met rust laten. Jij mag eigenlijk niet babbelen met passagiers! Concentratie is nodig, hè?”

Ik ging vooraan zitten lezen. Ik werd echter al gauw afgeleid toen een pronte oudere dame opstapte die door de chauffeur met “Ah mijne sjoe” werd begroet, waarna zich een geanimeerd gesprek tussen de twee ontspon. Gelukkig stapte ze enkele haltes verder weer uit, zodat ik me kon concentreren op mijn boek.

Tot aan de stelplaats in Grimbergen. Daar was er een chauffeurswissel. Beide chauffeurs zegden slechts enkele woorden tegen elkaar. Ondertussen stapte een bejaard koppel op. Zij waggelde aarzelend naar het ene scanapparaat, dan naar een andere stempelautomaat, zocht naarstig in haar tas. Hij grommelde iets naar haar, zij beet bitsig terug. Ze kreeg de deur van het bestuurderscompartiment dat de kruisende chauffeurs openzwaaiden ei zo na met een smak tegen haar rug. Net op tijd deed ze een stapje opzij. Als slingerapen op rust sukkelden ze naar achteren, waar er nog plaatsen vrij waren, zich onderweg vastklampend aan de stangen terwijl de bus alweer driftig optrok.

Na enige tijd kwam de mevrouw naar voren om iets te vragen. Daarbij haakte ze met haar regenmantel achter een zetelleuning. Krrrrrr. Een grote scheur. “Mo kik nowa! Allè nowa!” Het leek wel Limburgs. Ik keek inderdaad en probeerde haar gerust te stellen dat ze dit gemakkelijk kon repareren, want het was op de naad. Ze keek erg ongelukkig naar me. Misschien kon ze niet naaien? Bij de chauffeur kreeg ze de nodige inlichting en ging vlug terug om haastig aan de volgende halte met haar man van de bus af te gaan waar ze op een andere moesten overstappen.

Zou ik nog wat verder lezen. Was het de moeite? Of was er nog verdere afleiding op komst? We waren nog maar goed halverwege de rit maar het tijdstip dat ik op mijn gewoonlijke halte in Brussel zou arriveren was wel reeds over tien minuten. Ik stuurde een bericht naar mijn vriend dat ik maar nipt tijdig op de afspraak zou zijn.

Aan het Rogierplein sprong ik eruit en besloot niet ondergronds te gaan voor een metro. Ik zou tijd winnen met een stevig stukje stappen, het regende niet meer en misschien was er nog wel iets leuk te bekijken onderweg. Ik had niet gerekend op de drukte van de Nieuwstraat in pre-eindejaarsperiode en bovendien in delen opgebroken en afgezet voor werken aan een nieuw wegdek. Behalve over rondslingerende klinkers struikelde je ook haast over tegen de grond zittende bedelaars, eentje zelfs met tussen zijn knieën een hond met kerstmuts op z’n kop. Zou dat meer opbrengst genereren?

Zo goed als mogelijk beende ik me een weg tussen de koopdronken mensenmassa en de andere obstakels. Ik kwam een ietsiepietsie te laat in het café. Niet erg. Wat is er erg als je al met het allerergste geconfronteerd bent? Opnieuw – net als vorig jaar – nam ik me voor al de kleine en iets grotere tegenslagen of ergernissen en zelfs redelijk grote problemen van het komende jaar werkelijk als pietluttigheden te beschouwen.

Mattie Billen schreef deze tekst voor de blog Pierewit.

Het MIM, muzikaal rariteitenkabinet van wereldklasse

Een bezoek aan het Muziekinstrumentenmuseum (het MIM, volgens de huidige afkortingswoede) is op vele vlakken een must.

Het museum vindt zijn oorsprong in de collectie oude instrumenten van het ‘instrumentenmuseum’ van het Koninklijk Conservatorium. De eerste conservator ervan, een zekere Victor-Charles Mahillon (1841-1924), bouwde over de jaren de verzameling uit tot een van de belangrijkste ter wereld, zowel in kwantiteit als in kwaliteit. Dat is zo gebleven. Dankzij aankopen, giften en legaten, herbergt het museum duizenden instrumenten uit alle periodes en windstreken. Een slordige 1.100 daarvan worden permanent tentoongesteld in een gebouw dat op zich al het bezoek waard is.
Het oude art-nouveaugrootwarenhuis ‘Old England’ aan de Hofberg werd grondig gerestaureerd en aangepast aan zijn nieuwe functie door het te koppelen aan een classicistisch pand dat op het Koningsplein uitziet. Zo konden er, rond een centrale vide, de administratie, een bibliotheek, een concertzaal, restauratieateliers en een museumshop een plaats krijgen in het indrukwekkende pand.
Ook een ruime picknickruimte biedt de bezoekers een plek om een meegebrachte lunch te genieten. Niet iedereen wil naar de hoogste verdieping om uitgebreid in het restaurant te tafelen. Toch is een van de niet te missen attracties van het MIM net dáár te vinden: het groot dakterras biedt er een panoramisch zicht over de stad. Er kan uiteraard ook een simpel drankje genuttigd worden. De obers zijn niet van de vriendelijksten, maar kom, het prachtig uitzicht maakt veel goed.
Naar een muziekinstrumentenmuseum gaat men uiteraard in de eerste plaats voor de muziekinstrumenten. En zoals eerder gezegd, dit is fenomenaal! De meest onwaarschijnlijke instrumenten worden in vier overzichtelijke zalen gepresenteerd. Er is soms veel fantasie nodig om te achterhalen hoe wat werkt. Sommige half-mechanische piano’s, bijvoorbeeld, getuigen van het technisch vernuft en de ongebreidelde fantasie van de fabrikant ervan. Ook bij de blaasinstrumenten is enige hilariteit nooit veraf. De meest bizarre vormen zullen wel een akoestische verantwoording hebben, feit blijft dat sommige instrumenten nogal surrealistisch overkomen. Of wat dacht u van een twee meters hoge houten hoorn (?) waarvan de zesvoudige krulvorm de muzikant verplicht het monster vanop een trapladder te bespelen ?
Prachtig om te zien ook hoe de decoratieve aspecten van een instrument de tijdsgeest mooi weergeven:  zestiende-eeuwse virginalen, versierd met een pseudo-niëllotechniek, herinneren aan de Italiaanse renaissance, terwijl schitterend beschilderde −overigens pas gerestaureerde− klavecimbels ons heerlijk romantische taferelen tonen.
Latere stukken moeten hier, op een andere manier, niet voor onderdoen! Zo zijn er een paar art-deco-buffetpiano’s in exotisch hout, sober versierd met stalen kaarsenhouders. Mooi.
Meestal trek ik niet meer dan een paar uur uit voor een museumbezoek. Een teveel aan prikkels en impressies maakt dat ik daar moe word. Ik kom liever nog eens terug om mij in bepaalde stukken te verdiepen. Dat is hier niet anders, integendeel.
MIM (Muziekinstrumentenmuseum), Hofberg 2, 1000 Brussel, open van dinsdag tot zondag.

Yves de Vresse schreef deze tekst voor de blog Pierewit.

Wat een zak!

Het promomeisje zat er zelf mee verveeld, gaf ze toe. Welke wereldvreemde oen haalt het anno nu in zijn hoofd om de bezoekers van een voor het overige vreedzaam stadsfestival als Boterhammen in het Park een grote papieren zak aan te smeren, waarin een gratis (!) exemplaar van de Standaard zit.

Oké, de krant is medesponsor van de gratis boterhammen met kaas in de Brusselse Warande en voor wat hoort wat, maar een kingsize draagtas uit luxueus gebleekt machinegestreken papier? In tijden van ecologisch en ander burgerbewustzijn had een béétje marketing manager toch kunnen vermoeden dat dat wrevel zou opwekken? Wat een zak!
Voor mij had het alleszins wat bescheidener gemogen.Waarom niet voor een servetje gekozen? Altijd handig in de blakende augustuszon, wanneer de kaas van tussen je boterham wilt weglopen. Camembert for Président, of is het omgekeerd?
Yves de Vresse schreef deze tekst voor de blog Pierewit.

Pleinvrees

Ik hou van pleinen. Of liever: ik hou van pleintjes.
Wat is er gezelliger dan zonder plan of doel door de stad te slenteren en, verscholen om een anonieme straathoek, een pleintje met een boompje, een bankje, een klein cafeetje misschien, te ontdekken. Overal waar ik geregeld kom loop ik graag verloren. Ik hou er favoriete plekjes aan over. Niet altijd makkelijk om terug te vinden, trouwens.
In Brussel bijvoorbeeld is dat het Vrijheidsplein met het monument ter ere van Charles Rogier. Niet écht een zakdoek groot, dit plein, maar het grasperk met de bomen en de terrasjes errond, geven het een je-ne-sais-quoi dat mij zeer aanspreekt. Een ideale plek om even te verpozen tussen Madou en Congres.

Helaas houden Brusselse beleidsverantwoordelijken er duidelijk een andere visie op na. Ze hebben meer oog voor grote pleinen en gigantische esplanades dan voor de discrete charme van eenvoudige rustplekjes in de stad. Eerder dan deze in ere te houden, kiezen ze voor het grof geweld van het megalomaan heraanleggen. En daarbij worden telkens weer dezelfde nepargumenten bovengehaald van het ‘heroveren van de openbare ruimte’ of het ‘creëren van levendige publieke ontmoetingsplekken’. De plannen worden steevast goedgekeurd ‘na een uitgebreide consultatieronde’, heet het dan. Alsof er iemand zou wonen aan het Rogierplein, in de Madoutoren of op het Poelaertplein voor het Justitiepaleis!
Heel af en toe loopt het verkeerd af, met die consultatieronde. Dan verzetten bewoners zich tegen plannen die zonder pardon hun leefomgeving voor jaren naar de kl..en willen helpen. De dagelijkse voddenmarkt op het Vossenplein (d’aa Mèt, zoals we hier zeggen) wordt dan, zeer tegen de zin van de initiatiefnemende schepen, gered. Tot een volgende megalomane stadsbestuurder weer op de proppen komt met hetzelfde plan voor een ondergrondse parking. Hopende op het korte geheugen van de bewoners.
De eerste Brusselaar die onder de glazen luifel van het Rogierplein een ‘levendige ontmoetingsplek’ gaat zoeken, moet ik nog tegenkomen. Daarvoor is, na zonsondergang de vlakbijgelegen beeldentuin van de Botanique meer geschikt, als u begrijpt wat ik bedoel? In het beste geval biedt zo’n fraaie overkapping van het grote Niets even beschutting tegen de regen voor wie van punt A (het Noordstation) naar punt B (de Primark in de Nieuwstraat) wil stappen, wanneer de metro weer eens staakt. In de zomer wil ik er zelfs niet aan denken welke temperaturen daar genoteerd zullen worden. Een microklimaat in wording!

De verkozenen des volks moeten natuurlijk sporen nalaten voor het nageslacht. Dat is een vorm van uitgestelde verloning bovenop hun schamele emolumenten (extralegale voordelen, red.). Zoals krolse katers vlaggen, laten zij bronzen inhuldigingsplaten achter. Stel je voor dat volgende generaties Brusselaars niet zouden weten dat Pascal Smet of Els Ampe het initiatief namen ter verfraaiing van hun stad!
Met het budget voor de glazen parasol aan Rogier of voor de blauwe stenen van het de Brouckèreplein kan je ongetwijfeld een halve eeuw lang een legertje stadsarbeiders in dienst nemen om uitpuilende vuilnisbakken regelmatig te legen of de eenvoudige houten zitbanken een likje verf te geven. Er hoeft zelfs geen plaatje bij dat mij uitlegt wie daar het initiatief voor nam!
 Yves de Vresse schreef deze bijdrage voor de blog Pierewit.