De kleine prinses

Er zit een geheimzinnig meisje recht tegenover mij in metro 5 – richting Erasmus.
Ze heeft een paraplu op haar schoot liggen en ze houdt hem stevig vast. Ze kijkt door het raam.
Haar opa staat naast haar. Zijn arm rust beschermend op de leuning van haar zitplaats.
We staan stil in Beekkant. De metro naast ons komt ook tot stilstand.

(c) All Creative Commons Ingolf|
“Een slang! Die mevrouw houdt een slang vast!”, roept ze luid.
Ze wijst naar de metro naast de onze. Verschillende mensen uit onze wagon kijken benieuwd rond.
Haar opa fronst.
Metro 5 naast ons vertrekt in de andere richting, naar Herrmann Debroux.
Zien speelt zich niet af in dezelfde hersendelen als weten
en er volgt zo’n moment waarbij je je afvraagt of wij nu bewegen, of zij.
Het is een optische illusie, een waarneming van onze ogen die onze hersenen anders interpreteren.
Ik denk aan ‘De Kleine Prins’. Hij tekende een boa die een olifant had ingeslikt en grote mensen zagen er een hoed in.
Ik zie nog hoe de vrouw aan de andere kant van het raam haar sjaal op haar schoot legt,
terwijl de metro vertrekt.
Het kleine meisje friemelt aan haar paraplu.
Ze kijkt me guitig aan en ik fluister ‘kapoen’ langs mijn glimlach weg.
Opa Frons haalt zijn arm van de rugleuning, legt zijn hand op de paraplu en houdt haar tegen.
“Niet opendoen”, zegt hij kort “We zijn er bijna. Nog één halte.”
Het kleine meisje kijkt heel even erg beteuterd.
Daarna kijkt ze me opnieuw met speelse ogen aan.
Ze plooit haar dichtgeklapte paraplu voorzichtig een stukje open.
En ze toont me – alsof ze me een geheim laat zien – voorzichtig de prent van een prinses.
Ik denk opnieuw aan de kleine prins.
Opa Frons zag een hoed.
Hij zag een sjaal en een paraplu.
Het kleine meisje zag een boa en verbergt in haar regenscherm geheimen.
Zij wilde mij per se, met een zekere urgentie zelfs, nog voor ze uit moesten stappen,
de verborgen prinses tonen.
Dat had haar opa misschien nog niet goed begrepen.
Zien speelt zich immers niet af in dezelfde hersendelen als weten.
Jill Marchant is een Brusselse dichter en woordkunstenaar. Ze heeft een eigen blog: Verhaalgemaak. 

Wat zwemt er door het Zuidstation?

Reizigers in het Zuidstation hebben het misschien al opgemerkt: er zijn mysterieuze maar vrolijke koi’s opgedoken. De kleurrijke vissen flankeren de trappen en zijn op de vloer op een tussenverdieping aangebracht. Over de artiest is er geen nieuws bekend. Foto’s: Bastien De Zutter.

Ik woon niet in het Brusselse, ik woon in Brussel

Is het je ook al opgevallen dat Vlaamse kranten schrijven dat iemand ‘in het Brusselse’ woont als die persoon in Schaarbeek, Sint-Gillis, Evere of Jette woont?

VRT Taal noemt de wending ‘in het Brusselse’ nogal ouderwets en stelt als mogelijk alternatief  ‘in de buurt van Brussel’ voor.
Ik heb geen taalkundig probleem met de uitdrukking, maar een inhoudelijk probleem. Voor mij is Brussel in de eerste plaats de naam van het hoofdstedelijk gewest. Dat gebied bestaat uit negentien gemeenten, waaronder Brussel-stad.
Ik denk dat dit ook overeenkomst met hoe de meeste Brusselaars hun stad ervaren. ‘In het Brusselse’ suggereert dat het gebied buiten Brussel ligt. Naar mijn aanvoelen gaat het dan om gemeenten in de Brusselse – of Vlaamse – rand zoals Wemmel, Kraainem, Sint-Genesius-Rode of Zellik.
Als ik bijvoorbeeld de vraag krijg waar ik woon, antwoord ik ‘Brussel’. Pas als ik de buurt omschrijf, valt de gemeente ‘Vorst’. ‘In het Brusselse’ kom ik eerlijk gezegd niet zo vaak, maar ik doorkruis bijna elke dag ‘Brussel’.
Want, om Arno te parafraseren, van Neder-Over-Heembeek tot Ukkel en van Anderlecht tot Oudergem, “tu vois, tu vois, on est quand-même tous des Bruxellois”.

Pleinvrees

Ik hou van pleinen. Of liever: ik hou van pleintjes.
Wat is er gezelliger dan zonder plan of doel door de stad te slenteren en, verscholen om een anonieme straathoek, een pleintje met een boompje, een bankje, een klein cafeetje misschien, te ontdekken. Overal waar ik geregeld kom loop ik graag verloren. Ik hou er favoriete plekjes aan over. Niet altijd makkelijk om terug te vinden, trouwens.
In Brussel bijvoorbeeld is dat het Vrijheidsplein met het monument ter ere van Charles Rogier. Niet écht een zakdoek groot, dit plein, maar het grasperk met de bomen en de terrasjes errond, geven het een je-ne-sais-quoi dat mij zeer aanspreekt. Een ideale plek om even te verpozen tussen Madou en Congres.

Helaas houden Brusselse beleidsverantwoordelijken er duidelijk een andere visie op na. Ze hebben meer oog voor grote pleinen en gigantische esplanades dan voor de discrete charme van eenvoudige rustplekjes in de stad. Eerder dan deze in ere te houden, kiezen ze voor het grof geweld van het megalomaan heraanleggen. En daarbij worden telkens weer dezelfde nepargumenten bovengehaald van het ‘heroveren van de openbare ruimte’ of het ‘creëren van levendige publieke ontmoetingsplekken’. De plannen worden steevast goedgekeurd ‘na een uitgebreide consultatieronde’, heet het dan. Alsof er iemand zou wonen aan het Rogierplein, in de Madoutoren of op het Poelaertplein voor het Justitiepaleis!
Heel af en toe loopt het verkeerd af, met die consultatieronde. Dan verzetten bewoners zich tegen plannen die zonder pardon hun leefomgeving voor jaren naar de kl..en willen helpen. De dagelijkse voddenmarkt op het Vossenplein (d’aa Mèt, zoals we hier zeggen) wordt dan, zeer tegen de zin van de initiatiefnemende schepen, gered. Tot een volgende megalomane stadsbestuurder weer op de proppen komt met hetzelfde plan voor een ondergrondse parking. Hopende op het korte geheugen van de bewoners.
De eerste Brusselaar die onder de glazen luifel van het Rogierplein een ‘levendige ontmoetingsplek’ gaat zoeken, moet ik nog tegenkomen. Daarvoor is, na zonsondergang de vlakbijgelegen beeldentuin van de Botanique meer geschikt, als u begrijpt wat ik bedoel? In het beste geval biedt zo’n fraaie overkapping van het grote Niets even beschutting tegen de regen voor wie van punt A (het Noordstation) naar punt B (de Primark in de Nieuwstraat) wil stappen, wanneer de metro weer eens staakt. In de zomer wil ik er zelfs niet aan denken welke temperaturen daar genoteerd zullen worden. Een microklimaat in wording!

De verkozenen des volks moeten natuurlijk sporen nalaten voor het nageslacht. Dat is een vorm van uitgestelde verloning bovenop hun schamele emolumenten (extralegale voordelen, red.). Zoals krolse katers vlaggen, laten zij bronzen inhuldigingsplaten achter. Stel je voor dat volgende generaties Brusselaars niet zouden weten dat Pascal Smet of Els Ampe het initiatief namen ter verfraaiing van hun stad!
Met het budget voor de glazen parasol aan Rogier of voor de blauwe stenen van het de Brouckèreplein kan je ongetwijfeld een halve eeuw lang een legertje stadsarbeiders in dienst nemen om uitpuilende vuilnisbakken regelmatig te legen of de eenvoudige houten zitbanken een likje verf te geven. Er hoeft zelfs geen plaatje bij dat mij uitlegt wie daar het initiatief voor nam!
 Yves de Vresse schreef deze bijdrage voor de blog Pierewit.

Gekapt

Ik loop door de lange straat die van het Jetse station naar het Spiegelplein gaat. Bij het Garcetpark wacht ik op de hoek om over te steken. Aan de overkant staat een man met kortgeschoren haar. In zijn rechterhand houdt hij een sigaret, in zijn linkerhand zijn smartphone.

Hij steekt de straat over, lezend op zijn smartphone. Dan pas herken ik hem. We kruisen elkaar, ik besluit hem niet te storen. Het is nog maar tien dagen geleden dat ik hem toevallig tegenkwam, in de koelafdeling van de Colruyt. Toen vroeg hij meteen hoe het met me ging.
Intussen heb ik weinig nieuws te melden, behalve dat ik een week geleden in de smalste, rustigste straat van onze gemeente ben aangereden. En dat ik ongelooflijk veel geluk heb dat ik nog in leven ben.
Van dat geluk geniet ik in stilte – en in pijn. Ik loop hem dus voorbij, begroet hem niet.
Wanneer ik thuiskom, stuur ik hem een berichtje: ‘Ik ben je zonet gekruist in de Leon Theodorstraat maar je was druk aan het roken en op je smartphone aan het lezen. Ik heb je maar niet gestoord. Ik had je ook wat te laat herkend met je nieuwe frisse coupe!’
Hij antwoordt: “Aha 🙂 Ja, ik ben ‘gekapt’, liever dat dan de bomen.”
Wij kennen elkaar niet goed. Maar hij weet van mijn verdriet om de gekapte bomen voor mijn huis.
Ik lach.
Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.

Il fait chaud


‘Il fait chaud!’, zeg ik spontaan tegen de vrouw naast me in de snikhete tram. En ik schaam me plots, want ik klaag in mijn T-shirt en zij gaat gehuld in een lang kleed en ze draagt een hoofddoek. Ik kijk haar aan. Ze lacht lief terug.
‘Ah oui!’, lucht ze op. ’Et il faut voir ce que je porte!’ Ze wijst naar een grote groene draagtas.
‘Je peux?’, vraag ik. Ik mag. Ik hef de zak en krijg hem geen millimeter de lucht in. Sterke vrouw, bedenk ik me. Ik krijg plots de drang om haar te leren kennen. Wie schuilt er achter deze vriendelijke verschijning op mijn pad? Wat sleurt ze met zich mee? ‘Vous cuisinez?’, vraag ik geboeid.
‘Oui, oui!’, ze begint te stralen. ‘Je cuisine beaucoup. Et je fais mon propre pain!’
We babbelen over eten maken alsof we elkaar al heel lang kennen. Ze is geen vreemde voor mij, deze vrouw. ‘Mais tu sais’, zegt ze plots, ‘les hommes n’apprécient pas ça!’. Ik kijk even verbaasd. Die openhartigheid had ik niet verwacht.
‘C’est vrai’, zeg ik samenzweerderig, ‘Ce sont tous les mêmes!’
We lachen samen om ons klein geheim.
‘On peut faire ce qu’on veut, ce n’est jamais assez. Juste un merci de temps en temps, ce serait déjà bien. En fait, moi, je ne crois plus en amour!’ Ze klinkt niet verbitterd of triestig. Maar wel beslist. Voor haar is het een uitgemaakte zaak.
‘Moi j’y crois!’, biecht ik op. ‘Enfin, il y a des moments.’ Ik lach.
‘Je ne veux pas te désillusioner’, zegt ze minzaam. Ik praat nog even met deze warme vrouw vooraleer mijn halte tevoorschijn komt. ‘On a la force en soi, la force de base.’, zeg ik nog.
Ze knikt. We snappen elkaar. Mijn hart wordt warm. Dank u, lieve dame op de tram. Om mijn wereld in vijf minuten tijd alweer volledig op zijn kop te zetten.

Na de regen

Het is avond.
Het heeft geregend.
Het heeft heel hard geregend na een warme dag.
Nu is het gestopt.
Ik ga naar buiten.
Naar het park.
Elke avond wandel ik in het park.
In het park is er goede lucht.
Er is vandaag niemand in het park.
Ik ben alleen.


Ik herken het park niet.
Het is anders.
Zo heb ik het park nog nooit gezien.
Er hangt mist.
Maar het is geen mist.
Het zijn geen wolken die naar beneden zijn gekomen.
Het is de regen die als rook uit de warme grond komt.
Zo mooi.
Net een sprookje. Of een film.
Ik ben in een andere wereld. Of is dit de hemel?
Het ruikt heel lekker.
Naar gras en naar daslook.
Fris en pittig.


Een wandelaar komt voorbij.
‘Bonjour,’ zegt hij.
Hij zegt dag omdat er niemand anders is.
Ik loop verder.
Ik maak veel foto’s.
Ik hou veel van bomen.
Al van toen ik kind was.
Ik ben graag dicht bij bomen.
Nu zijn de bomen dicht bij mij.

Ze komen naar mij toe.
Alsof ze tegen mij spreken.
Mij troosten.
Mij alleen.
Waar zijn alle mensen?
Denken ze dat het nog regent?
Zitten ze binnen voor de tv?
Zo spijtig.

Ik kom bij de vijver.
Nog nooit was het hier zo stil.
Ineens ben ik bang.
Ik zit in een griezelfilm.
Straks komt er een monster. Of een zombie.
Maar het is ook romantisch.


Ik wil hier niet weg.
Dit zou ik willen tonen.
Aan mijn vrienden, aan mijn familie.
Ik loop naar de overkant van het park.
Naar de andere vijver, bij de speeltuin.
Ik denk aan een schilderij.
Er zijn geen kinderen in de speeltuin.
Zo stil is het hier nog nooit geweest.


In de rubriek Met minder woorden schrijven we teksten in een duidelijke taal. Voor mensen die Nederlands leren en alle anderen. We werken samen met het Huis van het Nederlands en de website Nederlands Oefenen in Brussel (website, Facebook-pagina).
Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.

Snoeilingen

In de Vanderborghtstraat valt altijd iets te beleven. Misschien omdat het er zo rustig is. Bijna geen verkeer, weinig voetgangers. Of omdat ze zo lang is en zo breed. Of omdat ze door twee gemeenten loopt – Koekelberg en Ganshoren. In plaats van bus 13 of 14 te nemen, loop ik heel graag van Simonis tot aan mijn huis via de Vanderborghtstraat. Die wandeling duurt ongeveer een kwartier.

De ene keer vind ik er in een doos met afgedankte boeken de sprookjes van Godfried Bomans. De andere keer een ronde rode poef of een grote bruine fluwelen sofa. Of kamerplanten in kleurige cache-pots die worden uitgelaten op een vensterbank. In de zomer bloeien er de prachtigste clematissen en stokrozen. Eén keer vond ik er een mooi oud nachtkastje. Het staat nu, glanzend wit geschilderd, naast het bed van mijn dochter.
In de Vanderborghtstraat is het goed wonen. Ik ken een man en een vrouw die een huis wilden kopen en zeiden: ‘Het maakt niet uit wat voor huis het is, als het maar in de Vanderborghtstraat ligt.’ Dat vertelden ze me op de jaarlijkse rommelmarkt in september, waar de bewoners hun overbodige spullen voor de deur uitstallen. Het buurtcomité van de Vanderborghtstraat is erg actief. In de straat wonen ook twee gedreven politici. Burgemeester van Jette Hervé Doyen en Brussels parlementslid voor Groen Annemie Maes. Ongetwijfeld leveren ook zij een bijdrage aan het aangename karakter van deze straat.

Vanmiddag liep ik dus nog eens door de Vanderborghtstraat. Ik zag dat er hier en daar mozaïektegels zijn gelegd. Vast en zeker het werk van Jean-Christophe Duperron of zijn cursisten. Deze mozaïekmaker en -restaurateur heeft in de Vanderborghtstraat zijn eigen privé-school Art Mosaico, die zeer het bezoeken waard is.
Meer dan de mozaïektegels, wekte iets anders mijn aandacht. Het groenafval in de Vanderborghtstraat zou worden opgehaald. Snoeisel weet mij altijd te boeien – net als op straat achtergelaten schoeisel trouwens, dat ik steeds fotografeer. Ik kijk er graag naar, het tijdelijke, afgedankte groen op de grijze stoeptegels. De kronkelende samengebonden takken. Het groen is grillig en gaat nooit gewillig in de voorbestemde groene zakken. Het vergt enige creativiteit om het bijeen te houden. Er komt stapeltalent en vlechtwerk aan te pas, touw of wol of zelfs een paar versleten panties. Vol verbazing kan ik ernaar staren.

Een openluchttentoonstelling van sprietjes, blaadjes, struiken, takken, twijgen, stammen en stronken. Afgemaaid, afgeknipt, afgezaagd of omgehakt. Soms zou ik die snoeilingen willen meenemen en me er in mijn kleine stadstuin mee omringen.

Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.

Het park

Het park is niet groot. Maar het is ons park. Hoewel. Het park is van iedereen. Brussel is een stad van tuinen. Maar die zijn privé. Voor de groen minnende meerderheid die zich eigenaar noemt van koer of balkon is een tuin een onbetaalbare, ongenaakbare, jaloersmakende luxe. Het park niet. Dat is van iedereen. Dat maakt het soms best hevig. Het is een beetje zoals met lucht of het strand. Als iets van iedereen is, heb je er altijd wel die … nu ja. We mogen niet mopperen.

Ook mijn buurman – een brocanteur met ambtsrust, een gigantische geel gerookte snor en onuitputtelijke bron van zwanze – verkiest het park vooraan boven een tuintje vanachter, omdat ‘ik dat gras niet zelf moet afdoen.’ Een niet gering voordeel, waar ik, eerlijkheidshalve en tot zijn grote gniffelende vreugde, nog niet aan had gedacht.
Er gebeurt ook altijd wat in het park. Zo gooide laatst een kind een stok. U zal zeggen, een kind dat een stok gooit in een park is geen opmerkelijk feit. Toch ontspon zich door de magische setting van het park een Brusselse saga vol herkenbare heroïek. De stok lag voor de voeten van de dame met het hondje.
Vooraleer u spontaan ‘De dame met het hondje’ van Tsjechov begint te reciteren en het parkje beam-me-up-Scotty-gewijs weg straalt van Kuregem anno 2018 naar Jalta anno 1899 moet u weten dat de dame in kwestie niets had van de elegante Anna Sergejevna en de hond niets van een dwergkeesje. Het beest in het park was een uit de kluiten gewassen spring-in-‘t-veld beauceron en de dame een gebocheld oudje.
De beauceron – een ras dat wolven van schapenkuddes verjaagt – leefde zich uit, bij ontstentenis van Iezegrim of kleinvee, met het onophoudelijk apporteren van een vermolmde tak. Ook het bazinnetje kweet zich moedig en volhardend van haar taak. De wormstekige stok werd telkens weer opgepikt en daarop wierp ze het ding, naar godsvrucht en welvermogen, een paar schamele meters ver. Haar actieradius verminderde zo gestaag dat haar wolfeter de stok vaak al te pakken had voor hout grond raakte. Een kind, niet ouder dan acht, dat met een platte bal tegen het ecologisch en ergonomisch verantwoord klimrek stond te trappen, bemerkte de zielennood van mens en dier. De donkere jongen trapte zijn bal weg en schoot spontaan te hulp. Fluks bukte hij de jonge rug, pikte met een glimlach de terugkerende stok van tussen grootmoedertjes laarzen en lanceerde het ding als een volleerde hamerslingeraar tot groot jolijt van dame en hond.
Bij de derde slingerbeurt ging het mis. De stok brak. Het voortijdig losgekomen stuk raakte het besje vol in het gelaat. Het projectiel was nog in volle vlucht als de knaap zijn gemeende en ongemeen groot gebaar betreurde daar het belabberde bazinnetje niet kon reageren op enige ander wijze dan door laattijdig één oog te bedekken en haar beschadigde bril te examineren met het andere – het bloedde een beetje – terwijl de Marokkaanse buurvrouwen toeschoten met zakdoeken die het vrouwtje goedmoedig bleef weigeren.
De hond apporteerde trots een halve stok en keek met melancholische hondenblik de wegrennende jongen achterna.
Hans Lucien Roosen woont in Anderlecht, is vader van vier ketjes en geeft uit bij de Brusselse uitgever Bitbook. Zijn nieuwste boek, La Fenouillette, wordt eind mei gelanceerd.

Het was een eeuwigheid geleden

We gingen nog eens naar de film. Mijn man, mijn oudste dochter en ik. We hadden geluk: de film die we wilden zien, speelde in zeven zalen, waarvan twee in de bovenstad en drie in het centrum. In de Brouckère draaide de film om 17:40. Hij zou dan rond 19:30 gedaan zijn, een prima uur om nog rustig ergens te gaan eten.

(c) Best of Brussels
Toen ik rond 17:25 bij de bioscoop aankwam, waren mijn man en dochter er al. Dat verheugde me. Na jaren ben ik erin geslaagd mijn huisgenoten duidelijk te maken dat op tijd komen belangrijk voor mij is. ‘Ik heb de tickets al,’ zei mijn man. ‘De film speelt in een zaaltje met maar 89 plaatsen. Het is ook écht geen film voor de Brouckère. Meer voor de Galeries.’ Ik hield mijn hart al vast, zag ons in gedachten veel te dicht bij het scherm zitten met ons hoofd in onze nek.
Gelukkig viel het reuze mee. Zaal 1 was een brede zaal, en er waren maar weinig plaatsen bezet. We gingen op de voorlaatste rij zitten en waren tevreden, tot mijn man zei dat hij het toch iets te dichtbij vond. We verhuisden naar de laatste rij, hoewel we reeds opgemerkt hadden dat daar een zwaarlijvige, licht marginale man met enig kabaal koekjes zat te eten.
Mijn man was zo attent het dichtst bij deze knabbelende creatuur te gaan zitten, met een drietal stoelen tussen hen in. Ik mocht in het midden, met mijn dochter rechts van mij. ‘Ik hoop dat zijn koekjes op zijn als de film begint,’ zei mijn man. En gelukkig, toen de reclame en de trailers voorbij waren, gooide de man de lawaaierige verpakking op de grond.
Hij leek zich wel verslikt te hebben in enkele koekkruimels, want hij ontwikkelde nu een onsmakelijk klinkende kuch. ‘Tja, zei ik, in de Galeries zou er ook zo iemand gezeten hebben. Wij kunnen gewoon nergens komen zonder dat er mensen ons storen.’ ‘Als het te erg wordt, kunnen we altijd nog naar 3003 sms’en. Dan komen ze hem uit de zaal verwijderen. Ze zullen wel met twee moeten zijn,’ grapte mijn man. We vroegen ons af waarom de man voor onze film gekozen had. Hij leek een beetje met zijn zetel vergroeid. ‘Waarschijnlijk komt hij hier naar alle films kijken,’ besloten we. Een vermoeden dat bevestigd werd toen we na afloop van de film zagen hoe close hij was met de toiletdame.
De film begon. De film was zo goed dat we het gekuch naast ons meteen vergaten. De film katapulteerde ons terug naar onze jeugd, de tienerkamer, onze eerste liefdes, de verveling op de schoolbanken, de jaren waarin alle mogelijkheden nog open lagen, zoals nu voor onze dochter. De film toonde ook een kwetsbare moeder, die goed probeert te doen, maar dat lukt niet altijd. Ze is te bezorgd en een beetje verbitterd geraakt. De soms complexe moeder-dochterrelatie werd mooi gevat. Tegen het eind van de film pakte mijn dochter me even vast, toen ze zag dat ik met de mouw van mijn wollen trui over mijn wangen veegde.
Na de film liepen we naar de Mirante, al jaren ons vaste pizza-adres. Hier ben ik al een dertigtal jaar klant, als kind kwam ik hier al met mijn ouders. De Mirante zat vol. Een wat norse nonna zei dat we over een kwartier mochten terugkomen. We gingen intussen iets drinken in de Plattesteen. Waar was de tijd dat we hier elke zaterdagnamiddag kwamen lezen en koffie drinken, vroegen mijn man en ik ons af. Nu waren we hier in geen eeuwigheid nog geweest. Het blijft toch een gezellig en authentiek café. We keerden terug naar de Mirante. De nonna wees onze tafel aan, helemaal achteraan, bij de toiletten. Het rook er wat naar de toiletten. Maar mijn man ruikt sinds een recente neusoperatie bijna niets meer. Mijn man heeft een allergie voor de slechte stadslucht. Uitlaatgassen kunnen bij hem een hevige niesbui uitlokken. De operatie was nodig om weer beter te kunnen ademen.

(c) traveladdict5609, Trip Advisor
Mijn man nam dus liefdevol het dichtst bij de toiletten plaats, mijn dochter en ik gingen aan de andere kant van de tafel zitten. Even later smulden we van onze heerlijke pizza’s, terwijl onze dochter herinneringen aan haar middelbare schooltijd ophaalde.
Lang geleden dat we nog zo’n mooie avond hadden.
Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.