Author: Gast

Moliterno al Tartufo

Het was een treurig zicht.

Ik zat in het centrum van de stad voor het raam van een aftands fastfoodrestaurant te kauwen op een frietje dat heimwee had naar zijn natuurlijke staat – diepgevroren. Uit een grote coca cola-beker zoog ik een slok kraantjeswater met belletjes naar binnen, om een en ander door te spoelen.

De mensen buiten – ik keek naar hen, zij niet naar mij – zagen er gelukkig uit, op deze eerste koopjesdag. Het miezerde wat, maar dat leek hen niet te deren. Er waren moeders en dochters, adolescenten met een verzorgd baardje, gezinnen met een ouderwetse papieren kaart van Brussel in de hand, en niemand had echt haast.

Kwaliteit. Zonder meer, maar ook zonder toegevingen. Dat was mijn nieuwjaarsresolutie voor dit jaar. Kwaliteit, zoals in leven in de diepte, ten volle, traag, genieten, intens, voelen, alle poriën open. Niets had het te maken met duur leven, met welgesteldheid – nee, dat woord klinkt vandaag nog meer dan in mijn arme studententijd als verwerpelijk bourgeois.

De kwaliteit in het fastfoodrestaurant was onmiskenbaar top. Elke friet, elke hamburger, elke beker water was tot in het kleinste detail een voorspelbaar eindproduct van een gestroomlijnd proces, de ingrediënten volstrekt gestandaardiseerd, enkel de mensen op het einde van de ketting, met moeite bijeengehouden door hun teamleiders, maakten een verschil. Hun glimlach. De sluwheid waarmee ze in sneltempo jouw bestelling bij elkaar harkten.

Het was mijn opdracht van de dag. In elk doodgewoon detail de kwaliteit ervaren. De papieren zak met een nieuwe broek en een vers hemd stond naast me. Daar werd ik al niet bepaald vrolijk van, ook niet mistevreden, begrijpt u het niet verkeerd, de kleren staan me. Maar deze middag, kauwend op mijn friet, gezeten op een kruk waarvan de voetsteun ontbrak, was ik zonder enig verweer een niet te onderscheiden onderdeel van de massa.

Ik dacht aan de kaaswinkel waar ik straks nog naartoe zou gaan, daar hebben ze Moliterno al Tartufo op voorraad, van de Sardijnse kaasmaker Central. Een pecorino (schapenkaas dus), die na twee maanden rijping verse zwarte truffel geïnjecteerd krijgt, en dan nog een aantal maanden mag rusten. Echt een heerlijke kaas – u kan hem zelfs op Amazon bestellen, als u in Amerika zou wonen, wat u niet doet uiteraard, ik vermeld het enkel als teken dat ze er ook in Sardinië in slagen om consistente kwaliteit te produceren, met rieten mandjes en handwerk en al.

Proeven van die kaas zou me redden, ik was er zeker van, de smaak zou me verheffen boven de massa, die willoze kudde schapen die dagelijks misleid werd tot een leven vol voorspelbaarheid en gehoorzaamheid, gemanipuleerd door een stroom van valse informatie en de hogere machten van het kapitalisme – kortom, slachtoffers van het systeem.

Het moet een treurig zicht zijn geweest, een hovaardige man voor het raam van een aftands fastfoodrestaurant, alweer mislukt in zijn poging om in de diepte gaan, om schoonheid te vinden in het alledaagse, terwijl die toch voorhanden was, in de smileys en hartjes die de conversatie sierden op de telefoon van de jongen naast hem, in de gedachten van het meisje dat hem bediend had en achter haar toog in stilte danspassen oefende. Zie je het? Niets om hovaardig over te zijn.

Behalve dan, toch telkens weer, Moliterno al Tartufo.

Dirk Van Boxem schreef deze tekst voor zijn persoonlijke blog Bijgekleurd. In 2019 publiceerde hij de roman Morgenster.

Een kerst als geen ander

Kerstavond 2019 in de Singelijnschool in Sint-Lambrechts-Woluwe. Het kerstmaal is meestal een bijzonder moment voor gezinnen. Het gezin krijgt ditmaal een veel bredere betekenis. Onder impuls van de directeur verwelkomen leerlingen, ouders en leraren vluchtelingen voor een gezamenlijke maaltijd en een warm bed achteraf. Het aantal gasten is met 60 à 80 indrukwekkend. Het is een primeur voor de school.

De directeur denkt al aan volgend jaar. Hij is bereid om het initiatief te herhalen, al koestert hij de gekke hoop dat de staat eindelijk zijn verantwoordelijkheid opneemt en er in 2020 geen noodzaak meer is om de school te openen voor deze jonge reizigers.

De tekst en de foto’s zijn van straat- en documentairefotograaf Frédéric Moreau de Bellaing. Meer info over zijn werk vind je op zijn website, Facebook-pagina en Instagram en in een interview met Bruzz.

Vijftien jaar onderwijsbesparingen eisen hun tol

Om de vier jaar wordt de Pisa-enquête afgenomen en gepubliceerd. In alle Oeso-landen worden bij 15-jarigen standaardtesten afgenomen voor begrijpend lezen, wiskunde en wetenschappen. Dat is een belangrijk moment voor onderwijsinstellingen en regeringen. Steeds opnieuw stellen we vast dat de kinderen in het Nederlandstalige onderwijs minder scoren op deze testen. Als het gaat over taal-, reken- en wetenschapsonderwijs, daalt het niveau van onze kinderen al meer dan twaalf jaar. Voor wie met beide voeten in het werkveld staat, is dat geen verrassing.

Men zou dat allemaal weg kunnen relativeren met de idee “dat het maar een Oeso-studie is die enkel meet wat economisch interessant is en bijgevolg met een korrel zout moet worden genomen” of dat “deze enquête te veel focust op kennis en te weinig op vaardigheden” of nog “dat er weinig rekening gehouden wordt met de specifieke Brusselse meertalige context”

Maar deze daling moet zeer serieus worden genomen. Pisa is immers één van de weinige internationale genormeerde testen waaruit we dingen kunnen afleiden. Vijftien jaar besparingen in het onderwijs laten hun sporen na: het steunpunt Gelijke Onderwijskansen (GOK) en de mentoruren werden afgeschaft. Er wordt al vijf jaar op een rij drastisch geknipt in de werkingsmiddelen. De klassen worden alsmaar groter. De ondersteuning voor kinderen met extra noden werd meer dan gehalveerd. Leerkrachten roepen al meer dan tien jaar dat de toestand op het terrein niet meer houdbaar is. Al tien jaar luisteren de opeenvolgende kabinetten niet.

In Brussel moet ongeveer dertig percent van de inwoners rondkomen met een inkomen onder de armoedegrens. Kansarmoede heeft een directe invloed op leerkansen. Een op de twee van de armste kinderen zit in het beroepsonderwijs versus een op de dertig van de rijkste kinderen. Een kind uit een arm gezin heeft zeven keer meer kans om een C-attest te krijgen dan een kind uit een rijk gezin. De uitdagingen in Brussel liggen op vlak van onderwijs hoger dan elders in Vlaanderen. De sociale lift die ons onderwijs zou moeten zijn, moet het beste kunnen werken in Brussel. Onze beste, meest geëngageerde leerkrachten moeten hier  lesgeven, onder de beste omstandigheden.

Maar wat zien we? Uitgerekend in onze hoofdstad stopt één leerkracht op de vier voor zijn vijfde lesjaar. Uitgerekend in onze hoofdstad storten de plafonds van scholen in. Uitgerekend in onze hoofdstad raken honderden vacatures niet ingevuld. Mensen zien het niet zitten om alleen voor een klas te staan, met zeer veel leerlingen die extra aandacht nodig hebben. Iets wat twee handen alleen niet kunnen geven. Het is de wereld op zijn kop.

Nu haalt Vlaams minister van Onderwijs Weyts nog eens honderd miljoen weg uit het secundair onderwijs. Daarnaast neemt de armoede in de samenleving toe. Rijken worden rijker, armer armer. Dat wil zeggen dat de kansen om tot duurzaam leren te komen, nog zullen afnemen. Toch wordt er niet gekeken of geluisterd. Het onderwijs wordt al vijftien jaar ondergefinancierd. De leerlingenpopulatie nam met tien percent toe. De investeringen in onderwijs namen met zeven percent af. Gepeld, zoals een ajuin.

Eens om de vier jaar schieten de beleidsmakers wel in een kramp: bij de publicatie van de Pisa-resultaten. Dan is het plots de schuld van de migranten “die het niveau naar beneden halen”, of de leerkrachten “die hun job niet goed doen”. Paniekvoetbal om het verband niet onder ogen te moeten zien. Het verband tussen deze resultaten en hun besparingen. Maar zoals struisvogels steken onderwijsministers en hun kabinetten hun kop liever in het zand. Zoals Weyts in Terzake: liegen over de besparingen en beweren dat het met meer taaltesten wel opgelost geraakt.

We moeten de dingen over een andere boeg gooien. Er moet dringend werk gemaakt worden van kleinere klassen, meer leerkrachten en een inschrijvingsbeleid dat een betere sociale mix genereert. Leerkrachten, vakbonden en onderzoekers hameren hier al lang op.

Gaetan Carlier

Leerkracht basisonderwijs Brussel

2,5 hectare natuur dreigt verloren te gaan in Brussel

Een natuurgebied in hartje Brussel moet plaatsmaken voor een nieuwbouwproject van appartementen en een school. Terwijl bewoners en politici strijden voor een groenere stad, verdwijnt alweer 2,5 hectare natuur onder het beton.

(c) Lies Engelen

De Donderberg is een verwilderd stuk natuur van 2,5 hectare grenzend aan de Sint-Albaansbergstraat en de Tuinbouwersstraat in Laken. Ooit behoorde het, samen met de Tuinen van de Bloemist, tot het koninklijk domein. Nu is het eigendom van Brussel-Stad en wil ze er het project HoP (Horticulteurs-Perruches) verwezenlijken, een basisschool voor 672 leerlingen en 75 woningen. “Dat zijn 2,5 voetbalvelden natuur die alweer moeten wijken. Nochtans heeft Brussel baat bij meer groene ruimte.”

Beton boven natuur

“Op het terrein staan meer dan 180 volgroeide bomen, honderden struiken en zelfs zeldzame planten als daslook”, vertelt Ben Brumagne van Forest To Plate. “Het is absurd dat particulieren, bedrijven en gemeenten ijveren voor meer groen, maar dat tegelijk bestaande, waardevolle stukken natuur moeten verdwijnen.” 

Het natuurgebied is afgesloten voor het publiek, waardoor de natuur er zijn gang kan gaan. Dat heeft voor verschillende dieren en insecten een grote meerwaarde, maar ook voor de mens want er wordt heel wat CO₂. opgevangen. Bovendien is het gebied een van de koelte-eilanden in de stad, waardoor hete zomers dragelijker worden en zorgt het voor wateropslag bij hevige regenval. Overstromingen zijn nu al een driejaarlijks fenomeen geworden in de buurt, de betonnering van de site zal dit enkel versterken.

Bezwaren van de buurt

De buurt diende meermaals klacht in en startte in de jaren negentig al een wijkcomité om de site te beschermen. Buurtbewoners wijzen op verschillende problemen die het project met zich mee zou brengen. Zo zal het verkeer in de omliggende straten toenemen, parkeerplaatsen zullen verdwijnen en de bewoners krijgen de hoge muren van het schoolgebouw in hun achtertuin. De stad heeft nauwelijks met hen overlegd.

Stad Brussel, laat ons de natuur

Het lijkt erop dat niemand nood heeft aan een dergelijk project. De bezwarennota van het comité Donderberg wijst erop dat er genoeg scholen en woongelegenheden zijn in de buurt, dat een groot bouwproject achteruitgang voor de wijk betekent en dat er nood is aan meer en niet minder natuur in Brussel. 

Ondanks de inspanningen van de stad om te vergroenen, blijft het een dubieuze beslissing om 2,5 hectare bestaande natuur te kappen.

Roxane Hoedemakers scheef deze bijdrage voor Forest To Plate.

Rigide austeriteitspolitiek

De opgelegde besparing komt voor WIELS neer op een vermindering van het budget met 50.000 euro op jaarbasis, het equivalent van twee personeelsleden of een expo. Het is de derde besparingsronde op rij, maar zo brutaal gecommuniceerd als nu hadden we het nog niet gezien.

Dit past ook binnen het schema van rigide austeriteitspolitiek. Besparen als doctrine, met als resultaat dat elk toekomstplan weggenomen wordt. Niet alleen de cultuur, ook de sociale en andere sectoren worden voluit getroffen. Net als de VRT. In Brussel is de toestand dubbel zo zwaar met de bijkomende uitholling van het Brusselfonds. Voor vele initiatieven zal dat dramatische gevolgen hebben.

De groep die getroffen wordt is ook veel groter dan degenen die we horen protesteren in de media. En het gaat niet alleen om kunstenaars en kleine instellingen – het zal ook uitbreiden tot in de amateursector, het deeltijds kunstonderwijs en de sociale sector. Die zijn minder luidruchtig maar veel fragieler. Allen zullen direct en indirect getroffen worden, want actoren en kunstenaars doen deeltijdse jobs om hun brood te winnen en zo hun praktijk mogelijk te maken. Die zullen nu een ‘productievere’ en voltijdse job moeten zoeken en zo hun kennis en kunde niet meer kunnen delen.

Er wordt een cultuur van angst en onzekerheid geïnstalleerd en men rekent erop dat er uiteindelijk gekozen wordt voor het verbannen van elk risico. Men heeft het over de culturele elite, maar hier worden ook de populaire en amateurkunsten geviseerd. De elite die een Vlaamse identiteit promoot ontvangt wel bijkomende middelen.

Normaal gezien zegt men dat de minister keuzes maakt in zijn politiek, en het aan ons is om daar vragen bij te stellen. Hier is echter geen politieke keuze gemaakt. Men heeft enkel de toekomstdromen weggenomen van een opkomende generatie.

Dirk Snauwaert, artistiek directeur van het Centrum voor Hedendaagse Kunst WIELS, reageert in het tijdschrift voor hedendaagse kunst H ART op de aangekondigde besparingen op cultuur van Vlaams minister-president Jan Jambon.

20 hectare extra bos rond Brussel

Langs de Brusselse autosnelwegen liggen vele hectares grasbermen. Daarop kunnen we makkelijk honderdduizend bomen aanplanten. Ruim twintig hectare extra bos, dat betekent een groene buffer voor Brussel, minder fijn stof, minder geluidsoverlast voor omwonenden én het is een topkans voor het klimaat. Burgers kunnen het project met donaties meefinancieren. Dat zegt kruiden- en plantendeskundige Ben Brumagne van Forest To Plate.

Tussen Wemmel, Strombeek-Bever en Laken rijden dagelijks tienduizenden auto’s Brussel binnen en buiten. Op de grasbermen langs weerskanten van de autosnelweg kunnen honderdduizend bomen worden aangeplant. “Een nieuwe groene buffer is een meerwaarde voor onze hoofdstad en voor alle omwonenden,” zegt Ben Brumagne van Forest To Plate. “Als we dat doortrekken naar de rest van België, waar we langs bestaande bermen nog plek hebben voor miljoenen bomen, kunnen we misschien wel de klimaatdoelstellingen halen”.

Meer natuur

De drukke Brusselse ring zorgt dagelijks voor veel fijn stof en een enorme CO₂-uitstoot. Minder met de auto rijden om onze globale uitstoot te verminderen is broodnodig, maar bomen kunnen ons al helpen om CO₂ om te zetten in zuurstof. Daarom is het een goed idee om overal waar we kunnen bomen te planten. Ze koelen de omgeving af en slaan meer CO₂ op dan de weides of bermen die nu langs onze wegen liggen. Ook voor vogels zouden extra bomen langs snelwegen welkom zijn. De kans op overreden vogels wordt kleiner als ze niet vanaf de grond moeten opstijgen, maar van op een tak kunnen uitvliegen.

Kans voor Vlaanderen

Ook omliggende bewoners genieten van extra bos. Het zorgt voor zuiverdere lucht, het dempt geluid van voorbijrijdende auto’s en het is aangenamer om naar te kijken. “Vlaanderen kan echt meer bos gebruiken. We hebben het dichtste wegennet van Europa, en langs al die wegen kunnen we bomen planten,” vertelt Ben. “Hier ligt de kans om met Vlaanderen en Brussel dichter bij onze klimaatdoelen te komen!”

Nederland achterna

Bij onze noorderburen ligt het plan al op tafel. In Nederland willen ze 100.000 hectare bos aanplanten langs autosnelwegen en parkeerterreinen. Op die manier proberen zij hun klimaatdoelen te halen. De aanplant zal zorgen voor meer wateropslag, minder geluidshinder, een aangenamer uitzicht voor de bevolking, zelfs een waardestijging van omliggende huizen en mogelijk een positieve invloed op de biodiversiteit.

Fondsen werven voor bomen

Dat de overheid niet meteen miljarden euro’s kan vrijmaken voor extra bos moet geen drempel zijn. Via fondsen zouden gewone burgers, omwonenden en filantropen geld kunnen doneren om de aanplant van miljoenen bomen in Vlaanderen, Brussel en Wallonië in een sneltempo mogelijk te maken. “Laat de bevolking meedoen in de strijd voor meer natuur. Zo kunnen we toch allemaal ons steentje bijdragen,” aldus Brumagne.

Tekst: Roxane Hoedemakers, communicatie Forest To Plate

Een jongensdroom in vervulling: werken in het Zoniënwoud

Begin juli, een grijze maar zomerse dag. Ik ben op bezoek bij Jan Gellynck, al twintig jaar bosarbeider in het Zoniënwoud. “Soms ben ik bezig met de tractor om een plantplaats vrij te maken. Maar als je dan ’s middags je machine afzet, kan het zijn dat er tien minuten later een ree voor je neus staat.”

(c) Guy Bourgeois

“Ik heb altijd in het bos willen werken, dat is een jongensdroom”, vertelt Jan in de tuin van zijn woning in Groenendaal, dichtbij de Brusselse ring die het Zoniënwoud doormidden snijdt. “Ik kom uit de bosarmste stad van Vlaanderen: Wervik”, lacht hij. “Daar was in mijn jeugd gewoon geen bos, nu wel een beetje. Ik heb metaalbewerking gestudeerd, dan twee jaar tuinbouw en een jaar bosbouw gedaan – in Vilvoorde. Daarna kon ik via de VDAB een opleiding boomverzorging volgen. Intussen solliciteerde ik bij alle provincies, het departement Water & Bossen was dat toen. Hier kreeg ik eerst ‘neen’ te horen, en twee weken later kreeg ik dan een brief dat ik toch mocht beginnen (lacht). Dat was in 1999. Het Zoniënwoud kende ik van de aardrijkskundeles. Als je hier dan arriveert, dat is … waaauw!”

Andere tijden

“Stadsmensen lopen hier grandioos verloren.”

“De eerste winter dat ik hier werkte, zat ik meteen al twee weken thuis, technisch werkloos door de sneeuw. Dat zie ik vandaag zo snel niet meer gebeuren. De bosarbeiders van het Vlaamse deel van het Zoniënwoud waren toen onderverdeeld in drie ploegen van vier man. Ik zat in de ploeg Groenendaal. De tijden waren anders toen, het beroep is intussen veel meer gemechaniseerd. Toen waren we bijna een week bezig om een stuk grond plantklaar te maken: afsteken, in brand steken … We hadden één bosmaaier, één tractor, en ons bureau was een kleine loods met betonplaten. Er was geen stopcontact, het regende binnen, we verwarmden ons met een houtstoof. Als we onze natte kleren wilden laten drogen, pakten we ze beter mee naar huis.”

Vandaag werken de arbeiders vanuit een grote, moderne loods in Groenendaal. Een dozijn sterke gasten, met een hart van goud. En allemaal een ongelooflijke liefde voor het bos.

“Een fijne ploeg, een goed team. Je leert elkaar kennen, dat kan eens botsen maar we komen goed overeen. Ik doe mijn werk nog altijd heel graag. Ik zeg altijd: ik sta soms wel eens tegen mijn goesting op, maar ik ga nooit tegen mijn goesting werken. In de winter bomen planten (zo’n 35.000 per jaar, nvdr.), nu snoeien en vrijmaken van braambessen, het klein onderhoud van de wegen, afsluitingen en banken maken … We vernieuwen momenteel ook de bordjes in de drie gewesten. We plaatsen nu houten palen met de straatnamen erin gegraveerd, die zullen twintig jaar meegaan.” Of die bordjes nodig zijn eigenlijk? “Toch wel. Stadsmensen, die lopen hier grandioos verloren. En wandelaars die iets willen vragen, zien geen boswachter meer.” Inderdaad: tijdens het weekend is er in het Vlaamse deel één boswachter van wacht. Voor 60% van het 4.400 hectare tellende Zoniënwoud … Misschien niet ideaal.

(c) Guy Bourgeois

Streven naar een ongelijkmatig bos

“De beukenkathedraal van weleer, is kapot aan het gaan. Je ziet de beuken wegkwijnen, afsterven. Ze hebben een beetje geleden onder stormschade, maar ik denk dat ze ook afzien van de droogte.”

Jan wijst naar de bosrand, achter zijn tuin. “Tamme kastanjes. Die zijn aangeplant om de bosrand te versterken: eiken en kastanjes zijn beter bestand tegen de wind. De beukenkathedraal van weleer, waaraan het Zoniënwoud zijn reputatie dankt, is kapot aan het gaan. Je ziet ze wegkwijnen, afsterven. Ze hebben een beetje geleden onder stormschade, vooral in de jaren 1990, maar ik denk dat ze ook afzien van de droogte. Ze zijn oud, ze zijn op. Er staat ook veel zaad op de bomen. Vroeger waren er om de zes à acht jaar mastjaren, nu gemiddeld om de twee jaar, soms zelfs jaarlijks. Bomen willen zich voortplanten als ze voelen dat er iets niet klopt, als ze stress hebben. Zelfs jonge bomen dragen nu zaad. Hoe dat komt? Het klimaat, luchtvervuiling, gevoeligheid voor ziektes en droogtes … Ik weet het niet, het is een mix.”

“Toen ik twintig jaar geleden begon was het bos meer gesloten. Gaandeweg hebben we meer open gaten gecreëerd, zodat zaailingen meer kansen krijgen en er een meer ongelijkmatig bos ontstaat. Vroeger was het helemaal open onderaan, je zag de dieren al van een kilometer lopen – nu is er meer beschutting, het is ook de reden dat er everzwijnen gekomen zijn, denk ik. Het Zoniënwoud is uniek omdat het altijd bos is geweest. Onder leiding van Joachim Zinner hebben de Oostenrijkers het gemengde loofwoud omgevormd tot een monotoon beukenbos, voor de houtproductie. Dat zijn dan de zogenoemde beukenkathedralen geworden. Ze legden ook stervormige kruispunten en lange dreven aan voor de drijfjacht.”

Wandelingetje

“Zullen we een wandelingetje maken?” vraagt mijn gastheer na een uurtje. Het wandelingetje zal uren duren. Fijne uren, want over bijna elke boom in dit stukje woud weet Jan iets te vertellen. Het microklimaat van zo’n typische ‘delle’. De letterzetter die de fijnspar aantast. Hier een stukje bos dat ze drie jaar geleden hebben aangeplant, ginds een berk die tegen alle verwachtingen in zijn plaats heeft kunnen opeisen. En ziedaar: staand dood hout waar enkele jaren eerder een nogal onorthodoxe techniek aan te pas kwam: explosieven. En dan belanden we in het natuurreservaat Joseph Zwaenepoel. “Hier doen we dus niks van beheer. Je ziet hier regelmatig biologen en wetenschappers aan het werk. Ze hebben hier recent een varensoort ontdekt. Zoiets ontdek je niet zomaar natuurlijk, dan moet je al met je neus tegen de grond lopen”, lacht hij.

(c) Guy Bourgeois

Klimaatverandering tegen een rotvaart

Hoe heeft hij het bos of de natuur zien veranderen de voorbije jaren? “Er is altijd klimaatverandering geweest, maar het gaat te snel tegenwoordig. De natuur is haar buffer kwijt. Je mag de natuur niet leegplunderen zoals we nu doen. Onze industrie gebruikt massaal veel water, de landbouw overleeft alleen via subsidies, heel Europa raakt intussen bijna volgebouwd, er komen almaar auto’s en wegen bij … In het bos merk ik dat het groeiseizoen, de periode dat de bomen in blad staan, in twintig jaar tijd met een maand verlengd is. Een week vroeger en enkele weken langer. Ik vind dat gigantisch. Alles blijft te lang doorgaan: we slaan de herfst bijna over. Vroeger had je teken tot eind oktober. Nu loop je ook in de winter kans op een tekenbeet. We kennen nu ook lange droge periodes: mijn eigen poel staat nu al twee jaar na elkaar droog. Periodes van twee, drie weken zonder regen: dat gebeurde vroeger veel minder.”

Verlangen en bewonderen

“Ik doe mijn job heel graag. Je ziet het bos dagelijks veranderen, en je werkt en leeft op het ritme van de natuur. En binnen honderd jaar staat mijn werk er misschien nog. ”

Jan is getrouwd en heeft drie kinderen. Dat hij tijdens de werkuren toch kan genieten van het bos, vindt hij prachtig. “Ik beleef nog zeer regelmatig wauw-momenten. Mijn job schenkt me veel voldoening, het is alsof je iets teruggeeft aan de maatschappij. Bomen planten is iets dat ik graag doe. Het is volgens wetenschappers ook de beste manier om de klimaatopwarming tegen te gaan. En binnen honderd jaar staat mijn werk er misschien nog. Je leeft en werkt ook op het ritme van de natuur. Soms ben ik bezig met de tractor om een plantplaats vrij te maken. Maar als je dan ’s middags je machine afzet, kan het zijn dat er tien minuten later een ree voor je neus staat. Of de vogeltjes beginnen te fluiten. De natuur zit vol verrassingen. Je ziet het bos bijna dagelijks veranderen, en het ene jaar is het andere niet. Je leeft en werkt met de seizoenen, met het hier en nu. En je leert ook om uit te kijken naar iets. De lente, de bloei van een bepaalde plant, het vallen van de bladeren. Je verlangt naar iets. En dat is een eigenschap die we in deze tijden misschien gaandeweg verleerd zijn.”

Guy Bourgeois publiceert zijn teksten en foto’s op zijn blog Een beetje Maguy.

Geen agressie meer in de Brusselse straten. Genoeg.

Beste,

Ik weet niet tot wie ik mij richt. Dus houd ik het bij het zeer vage ‘Beste’. Zeer onpersoonlijk ook, vind ik die aanspreking. Maar het is de enige haalbare aanhef van deze brief.

De aanzet voor deze brief is de verkeersagressie die in Brussel een dagelijks fenomeen is. Ik zou kunnen schrijven ‘waar je aan gewoon bent geraakt’, maar dat is niet zo. Als je tegenover mensen staat voor wie agressie een dagelijks gegeven is, slaat het in je maag. Dan ben je achteraf helemaal van je melk in het beste geval, in het slechtste geval ben je in shock, of als het helemaal uit de hand loopt, word je afgevoerd naar het ziekenhuis, nadat je in elkaar bent geslagen of geschopt.

De agressie komt vooral van een deel van de autobestuurders. De grootste agressie is de manier waarop met die – vaak helemaal niet in een stad thuishorende – auto’s wordt gereden in Brussel. Voor een groot aantal van die autobestuurders is Brussel een racecircuit. Mensen met kinderen, fietsers, voetgangers, andere autobestuurders zijn vervelende hindernissen die pas echt een probleem vormen, als ze effectief worden geraakt. Anders moeten ze hun bek houden.

En dat doen mensen niet (altijd). Dat gaat niet. Je reageert primair. Vanuit een schrikreflex. Omdat je de extreme dreiging voor lijf en leden voelt, als er een auto met veel te hoge snelheid op je afkomt. Als er een auto door het rood rijdt op het moment dat jij met je kinderen een zebrapad wilt oversteken bij groen licht. Als je ergens rustig zit, wandelt, fietst en ineens wordt die harmonieuze situatie compleet uit elkaar gerukt door de waanzin in autovorm. Als je door een autobestuurder wordt opgejaagd op je fiets om opzij te gaan…

Ik kan voorbeelden blijven opsommen. Dat is echter niet nodig om de situatie te begrijpen. Het volstaat eenvoudigweg om de Brusselse straten op te gaan. Uw Brusselse straten. Het is letterlijk levensgevaarlijk. Het is de omgekeerde wereld. Fietsers worden uitgescholden dat ze zo zot zijn om met de fiets te rijden. Als je met je kinderen door Brussel fietst, word je als
onverantwoordelijke ouder weggezet door een groot deel van de mensen die zich op HUN Brusselse straten begeven.

Auto’s parkeren zich op voet- en fietspaden. Als je daar een opmerking over maakt, riskeer je letterlijk in het hospitaal te belanden. Verbale agressie is bijna een banaliteit geworden die door de groep die ‘je m’en fous de tout le monde’ als motto hanteert, als enige mogelijke communicatie wordt beschouwd.

Wij wonen hier graag. Wij houden van Brussel. Wij zijn Brusselaars. Wij komen van overal. Wij spreken alle mogelijke talen. Wij zijn het met zijn allen beu. Wij zijn bang. Bang dat we ons op een dag niet gaan kunnen inhouden tegen beter weten in wanneer we weer eens net aan de dood zijn ontsnapt. Wij zijn moe. Moe van de risico’s die we elke dag moeten nemen. Kwaad omdat we niks anders doen dan proberen in onze stad te bewegen, en als we dat doen de huid vol gescholden worden.

Wat kunnen we doen? Zeg het ons. Hebt u hulp nodig? Moeten we u helpen om uw communicatie met elkaar te verbeteren? Juist ja, deze brief is wel degelijk aan u gericht. Bestuurders van Brussel en uw uitvoerders, de politiediensten.

Brussel is een stad. Geen racecircuit, noch een boksring. Het terroriseren van de straten moet stoppen. U dwingt ons bijna tot burgerlijke ongehoorzaamheid. Met zijn allen op straat gaan liggen of zo. Een rechtszaak ‘schuldig verzuim’ beginnen tegen de gemeentebesturen van Schaarbeek, Molenbeek, Brussel-stad (dat is dan ook Laken), Anderlecht, Sint-Gillis, Jette, Koekelberg, Elsene, Vorst, Sint-Joost-ten-Node en ga zo maar door. Alleen de opsomming al doet inzien hoe zinloos dit zou zijn.

Het is tijd voor actie. Voor er meer slachtoffers vallen. Als we zijn telefoonnummer hadden, belden we nu Harvey Keitel, in zijn rol van Wolf (Pulp Fiction). Een film waar het geweld zo uit de hand loopt dat er nood is aan een expert in extreme situaties. Misschien is dat een idee. Laat u omringen door experts. Uw straten lopen er vol van.

getekend:

Jan Ducheyne 

Jan Ducheyne, dichter-performer en vader van drie kinderen, schreef deze brief aan de Brusselse bestuurders naar aanleiding van het zoveelste geval van verkeersagressie. Kunstenaar Felix uit Molenbeek wilde afgelopen weekend snelheidsduivels een halt toeroepen op het Bloemenhofplein. Vijf mannen stapten uit de wagen en sloegen hem in elkaar, zonder dat omstaanders ingrepen. Je kunt de petitie van Ducheyne tekenen op de website van Avaaz.

Road to nowhere

Ons appartement kijkt uit op de Reyerslaan. De heraanleg van het wegdek loopt er op zijn einde. Dat geeft aanleiding tot een ietwat surrealistisch beeld: een net geschilderd zebrapad dat nergens naartoe leidt.

Foto en tekst: Robert Vandemeulebroucke


Brussel, voorbij het zwart-witverhaal

The supermarket is my frontline. Met deze snedige oneliner begon Martin Parr zijn sollicitatiegesprek bij het vooraanstaande, maar een beetje vastgeroeste fotoagentschap Magnum. Een van de stichters, Henri Cartier Bresson, kreeg bijna een hartinfarct, anderen liepen woedend de zaal uit.

De Britse fotograaf bedoelde dat je het niet altijd ver hoeft te zoeken. Door als fotograaf je eigen omgeving, stad, land te observeren ontstaan er nieuwe inzichten. De persoonlijke drijfveer om mijn biotoop in beeld te brengen is geïnspireerd door die ene uitspraak. Ik heb het me ook nog geen seconde beklaagd, want Brussel is, in positieve en negatieve zin, een dankbaar onderwerp.

(c) Bram Penninckx

Oogkleppen en vergrootglas

Ongeacht of een fotograaf vanop een afstand de situatie observeert of midden in de actie staat, het is onze verdomde plicht om het onderbelichte in het voetlicht te plaatsen. Men herleidt de complexe realiteit van deze stedelijke verzameling van negentien gemeentes weleens tot een zwart-witverhaal. De vele licht- en donkergrijze nuances worden uitgevlakt tot een hapklare brok met een om aandacht schreeuwende titel.

In mijn projecten is er ruimte en tijd voor alle tinten. Twee veelgebruikte hulpmiddelen weer ik doelbewust uit mijn fototas. Oogkleppen houden ons op koers, maar weren alles wat zich aan onze linker- en rechterkant afspeelt. Een vergrootglas focust op één specifiek element, zodat het buitenproportioneel wordt weergegeven. Een treffend voorbeeld is de hellhole-uitspraak van die blonde Amerikaan met het vreemde kapsel. Even ondoordacht als kort door de bocht, maar wel typerend.

(c) Bram Penninckx

Als reactie op de vele negatieve, soms zelfs stigmatiserende berichten over Brussel ontstond er een beweging met de hashtag #BxlMaBelle als motto. Ze zouden de wereld tonen hoe mooi deze stad wel is. De sociale media werden en worden overspoeld door mooie plaatjes, bij voorkeur tijdens zonsondergang. Twitter, het favoriete communicatiemiddel van die excentrieke president, verplicht hem om nog meer in te zoomen met zijn vergrootglas. De BXL ma belle-foto’s zijn echter in hetzelfde bedje ziek. Bovendien preken ze meestal voor eigen kerk. Geen enkel beeld ging viraal. Laat staan dat het op het bureau van het Oval Office belandde.

(c) Bram Penninckx

Clichés

Bij de beeldvorming van een grootstad spelen clichés, sterke verhalen en halve waarheden een voorname rol. Al zijn ze vaak gebaseerd op een feit, ze worden aangedikt en opgeleukt met een vette laag sensatie. Eenmaal de wijde wereld ingestuurd, gaan ze een eigen leven leiden. Het ontkrachten of nuanceren is een werk van lange adem. En net zoals Sisyphus moeten we net voor het bereiken van de top helemaal van nul herbeginnen.

(c) Bram Penninckx

Neem nu de zogenaamde probleemwijken. In de eerste plaats zijn ze de woonplaats van velen die onderaan onze maatschappelijke ladder staan. Vaak hebben ze een groot verloop. De bewoners die het zich kunnen permitteren, vluchten weg naar betere oorden. De wijken worstelen met een complexe combinatie van problemen, waarvan de veelbesproken criminaliteit er slechts één is. De laatste jaren zien er veel hoopvolle initiatieven het licht, zoals Molengeek en het Toekomstatelier (TADA). Deze wijken als no-gozones te bestempelen is daarom meer dan één brug te ver. Het versterkt de vicieuze cirkel alleen maar. Het overgrote deel van de bewoners voelt zich onterecht geviseerd.

(c) Bram Penninckx

Er is ook het huizenhoge immobilisme-cliché. Brussel geeft plankgas met de handrem op, want in deze stad draait niets of het is in een vierkant. Dat wordt ontkracht door vele stadsgenoten die verder dan hun trottoir kijken. Zo werd de roep om schone lucht op de politieke agenda geplaatst door de verontruste ouders van Filter Café Filtré. Ervaringsdeskundigen willen hun straat/wijk mee vormgeven. De kunst bestaat erin om deze drukkingsgroepen de hand te reiken. Door het gesprek aan te gaan en ze mee in bad te trekken. We mogen ze niet doodgemoedereerd afwimpelen omdat ze afwijken van de uitgestippelde weg. Ze denken al eens out of the box en hun frisse blik kan tot nieuwe inzichten leiden.

(c) Bram Penninckx

En route

Al was Brussel geen onbekende voor mij, ik heb de stad tijdens de vele reizen voor mijn jongste project ‘Brussels en route’ herontdekt. Hoe meer ik zie, hoor en lees, des te meer ik besef dat het bevatten van de stad een onmogelijke opdracht is. Een foto-encyclopedie is nooit het uiteindelijke doel, een rabiate Brussel-hater van mening doen veranderen evenmin.

(c) Bram Penninckx

Mijn beelden en verhalen willen een tegengewicht bieden voor het beeld van de stad dat wordt opgehangen. Nuancering én bevestiging. Brussel is een en-en-verhaal, overgoten door een ja-maarsaus op een bedje van een stedelijk labyrint en afgekruid met een snuifje ongezouten mening. Deze complexe smaak zal niet iedereen bekoren. Het is echter aangewezen dat je minstens zes keer proeft voordat je een oordeel velt.

(c) Bram Penninckx

Deze bruisende metropool is voortdurend in beweging, soms stuurloos of met volle kracht achteruit. Men verafschuwt deze wispelturige dynamiek weleens. Zeker als Kafka, Magritte en Godot afwisselend de hoofdrol spelen. Toch koester ik het eigenzinnige karakter van deze stad.

(c) Bram Penninckx

Bij gebrek aan een glazen bol waag ik me niet aan een toekomstvoorspelling. Er zijn veel onbekende factoren die de evolutie meebepalen. Zelfs een wantrouwige realist, zoals ik, neem al enige jaren een remonte waar die het spreekwoordelijke likje verf overstijgt. Het eindpunt is nog niet in zicht. De weg heeft een hellingsgraad die menige wielertoerist doet verbleken en is bezaaid met valkuilen. Maar we zijn en route.

(c) Bram Penninckx
(c) Bram Penninckx

Bram Penninckx maakt als Brusselse fotograaf sprekende beeldverhalen over zijn stad. In zijn jongste boek Brussels en route, uitgegeven bij Snoeck, brengt hij het openbaar vervoer in Brussel en de gebruikers ervan in beeld. Deze bijdrage is een ingekorte versie van de lezing ‘Brussel, voorbij het zwart-witverhaal’, die hij hield bij de finissage van zijn tentoonstelling in het Huis van de Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie.