Author: Gast

'Je wordt niet geboren als racist'

Beste lezer,

We lezen vandaag veel opinies over de Brusselse jongeren, maar we komen zelf amper aan het woord. Het lijkt wel alsof wij niet in staat zijn om na te denken. Daarom besloten we jullie een brief te schrijven.

GO! Atheneum Ukkel

We beleven al jaren en jaren een oorlog die nooit zou moeten bestaan. Iedereen is gelijk, maar dat voelt niet voor iedereen zo aan en eigenlijk doen we daar weinig aan.

We zijn opgegroeid in een buurt met veel nationaliteiten. Racisme hebben we op de televisie leren kennen.

Toch bestaat het niet in slechts één land of dorp, maar overal op de wereld. Ook bij ons. Als Mamadou iets steelt, zal zijn juridische straf groter zijn dan die van Paul en Rayan Ben Moussa zal moeilijker een job krijgen dan Stephane Vandenput. Mensen van buitenlandse afkomst hebben het nu eenmaal moeilijker om een appartement te vinden en wanneer we niet blij zijn met iets, moeten we terugkeren naar ons land van herkomst.

We zijn in Brussel geboren en hebben dus een Belgische nationaliteit. Velen van onze ouders zijn afkomstig van Turkije, Marokko, Italië of Pakistan, dus hebben we een andere achtergrond. We kunnen zowel Nederlands als Frans spreken en schrijven, wat betekent dat we de twee talen die in België gesproken worden beheersen. Wat kunnen we nog meer doen om overal als Belg gezien te worden?

Brussel is de hoofdstad van België, maar ook de plaats waar wij wonen. Het is een multiculturele stad met verschillende nationaliteiten. We voelen ons hier thuis en iedereen is vriendelijk tegen elkaar. De stad geeft ons de mogelijkheid om andere nationaliteiten te leren kennen en te zien dat de wereld niet klein is, maar groot met een rijkdom aan culturen.

Vlaanderen is een gebied waar weinig allochtonen wonen. We krijgen vaak het gevoel dat we er niet welkom zijn. De mensen kijken ons vies aan of groeten ons niet als onze wegen kruisen. We weten dat niet alle Vlamingen zo zijn. Maar waarom kijken sommige mensen buiten de hoofdstad ons zo raar aan, terwijl de dochter van de buurman misschien in Brussel studeert en verliefd zal worden op iemand met een andere achtergrond?

Ook tijdens het gamen horen we vaak racistische uitspraken. Een gamer die niet tegen zijn verlies kan, scheldt andere gamers vaak uit voor ‘neger’, ook al zijn ze geen kleurlingen.

Er is geen mirakeloplossing, maar we moeten ervoor zorgen dat geen enkele medebewoner van deze planeet geïsoleerd geraakt. Je wordt niet geboren als racist, je leert het aan van je familie of de mensen rondom je. Ouders moeten hun kinderen van jongs af aan leren dat het normaal is dat iedereen anders is. Die kinderen kunnen dat dan aan hun eigen kinderen leren. Zo zal racisme hopelijk langzaamaan verdwijnen.

Blijf zelf leren en jezelf evalueren en doe iets wanneer je het ziet, of het nu op een feest, thuis of gewoon buiten met vrienden is. Wij hopen dat er iets verandert en dat er iets moois komt uit deze moeilijke tijd. De grootste oplossing ligt bij onszelf.

Hierbij nodigen we u uit om samen iets te gaan eten in het hartje van Brussel waar iedereen welkom is. We wensen u alvast veel geluk en moed in uw leven en misschien tot binnenkort.

We kijken ernaar uit om u te leren kennen.

Hartelijke groeten,

Yanis, Nora, Luca, Hamza, Dina, Madelyne, Arno en Ayoub

De leerlingen van het vijfde jaar van GO! Atheneum Ukkel schreven een open brief naar aanleiding van het huidige debat over racisme. Yanis (17) getuigde in de radiostudio van Bruzz.

De Vismet revisited

Beste vrienden bij het Brusselse stadsbestuur,

Hier ben ik weer! En: ik ben hier niet om te zagen.

Ten eerste wil ik toch even kwijt dat jullie goed werk leveren. Ik schrijf dit niet om eens een flink potje te janken en zagen. Dit stukje is maar een kleine suggestie, een bijdrage om een steentje te helpen verleggen in de grote, woelige, wereldbefaamde, BXL-rivier. Een steentje. Beetje bij beetje dragen jullie ook bij aan beter Brussel.

Hier en daar, en in de mate van het mogelijke, maken jullie werk van een Brussel 2020 – 2030 godbetert – een Brussel waar alsmaar meer Brusselaars zich in terug kunnen vinden. En dat is goed. Goed voor ons, Brusselaars. Goed voor de 181.726 inwoners, de mensen die het moeilijk en nodig hebben, de fietsers, de toeristen, de handelaars, de smartlappen, vaartkapoentjes en zievereirs, noem maar op. Het tijdperk-Mayeur-Problème begint achter ons te liggen. Fijn zo.

Foto: Sophie Nuytten, in opdracht van VGC

Ten tweede. Ik las daarnet op onze internationaal gerenommeerde stadsgazet BRUZZ dat de heer Mangain nadenkt (‘de optie bestuderen’, heet dat dan in bobotaal), om na — uiteraard- een duchtig rondje gepalaver, de Vlaamsesteenweg autovrij te maken. En ik dacht bij mezelf: “Wel, dat zou eens niet slecht zijn.” Daarom dat ik avec plaisir wil bijdragen aan het bestuderen van deze optie.

Want wat moet een Brusselaar anders in deze coronatijden?

Ten derde dan: doe niet te zot, he mannekes. Versta me niet verkeerd. In deze coronatijden is het normaal dat de ruimtelijke capaciteit wordt opgetrokken voor cafés en restaurants. Ze moeten kunnen overleven natuurlijk. En als je een terrasje hebt van 2 vierkante meter. Tja. Ik bedoel maar. Ik las anderzijds wel dat er terrasuitbreidingen worden uitgedeeld alsof het rollen toiletpapier waren in de begindagen van deze helse coronaperiode. Hoe meer, hoe beter. Jullie gaan toch moeten opletten niet te veel terrasjes te willen aanleggen. De Brusselaar moet zich ook nog wat kunnen manoeuvreren doorheen de jungle terrassende pendelaars, datende lovebirds en dinerende kameraden.

De publieke ruimte is er niet om alleen maar gecommercialiseerd te worden. Zie maar goed wat er zich op het Sint-Katelijneplein voltrok. Free 54 kan erover meespreken. In niet-coronatijden, en op zeer zomerse zonnige dagen, staan daar haast twee tot drie verdiepingen aan terrassen, mochten ze kunnen. En de Brusselaar, de voetganger, de flaneur? Tja, die moet er zich maar tussen wurmen. Neerzitten langs de kant voor een drankje of hapje? Forget it.

En al zeker wanneer de bloemenmarkt, of biomarkt, of boekenmarkt, of Brusselse-biermarkt, of babymarkt, of boemelmarkt staat opgesteld op het 54-plein. Die combinatie zorgt ervoor dat er niets, maar dan ook niets meer overblijft voor de inwoner. Casual dining-plekjes zoals Ellis, Bavet, Umamido zijn al dominant genoeg. Vraag maar na in Elsene, Leuven, Gent, Antwerpen of Brugge. Zulke zaken zijn commercieel vergif, maar soit, dat is een andere discussie (Disneyland aan de Zenne: de discussie in Bruzz).

De publieke ruimte is er niet om alleen maar een utilitair doel na te streven. Gebruiken groeien organisch, zeker in de stad. En al zeker in Brussel. Neem nu de Vismarkt, de place to be voor menigeen na een dagje hard werk, of gewoon voor Brusselaars die op zoek zijn naar sociaal contact. De Vismarkt is een ontmoetingsplek geworden. Dat was 3 jaar geleden al zo. En dat is, zeker tijdens deze warme coronadagen, alleen maar gegroeid. Als stad kun je het dan ook niet maken om daar plotsklaps terrassen neer te gaan poten.

Dan hou je absoluut geen rekening met de 1000–2000 man die daar soms verzamelen blaast. Daarom lijkt het me aangewezen om breder te denken dan enkel de Vlaamsesteenweg. Ik zou dit doortrekken naar de Baksteenkaai en Sint-Katelijneplein.

Check ⚫ ️op de kaart en zie wat ik juist bedoel.

Maak daar delen autovrij van, of anderen stukken dan toch autoluw. Waarom? Wel, enerzijds: hoe minder auto’s in Brussel, hoe beter. Door de coronacrisis merkte ik vooral hoe weinig buurtbewoners een auto hebben. Tijdens de lockdown bleek er dagenlang parkeerplaats overal. Echt. Overal lege, lege, lege plekken. Je gaat mij dus niet wijsmaken dat de mensen hier wakker zullen liggen van een parkeerplaats meer of minder. Je kan dus gerust stellen dat de buurtbewoners hier niet diegene zijn die urenlang liggen rond te toeren op zoek naar parkeerplaats.

Nee, nee. Ik merk nu, nu de scholen geleidelijk opengaan, de werkplekken, de cafés en restaurants, dat het weer aanschuiven is voor een parkeerplekje. Dat de files zich weer gezapig vormen en dat het weer vrolijk tuffen is richting BXL. Er komt weer meer volk naar Brussel. Dat betekent dus: meer auto’s. Daarom stel ik: als je enerzijds de terrasjes wil uitbreiden, dan zal je anderzijds parkeerplaatsen moeten schrappen en grote delen van de Vismet autovrij maken. Waarom de Vismet?

Die plek is eigendom geworden van de Brusselaar. Het is een dagelijkse ontmoetingsplek geworden voor heel wat mensen. Zeker op zonnige dagen. vergelijk het met de Graslei en Korenlei in Gent of Dageraadsplaats in Antwerpen. Dat zijn organisch gegroeide ontmoetingsplekken in de stad.

Hier aan de Vismarkt is de infrastructuur niet aangepast aan de capaciteit. Er staan ten eerste al te weinig vuilnisbakken. Er staan te weinig bankjes. Er rijden daar dus nog te veel auto’s. Ze rijden vaak ook veel te snel op de Baksteenkaai. Dit wordt vrij gevaarlijk aan het begin, waar het ijssalon en water veel spelende kinderen telt en aan het punt met het Sint-Katelijneplein, waar restaurantgangers en obers (in niet-coronatijden) heen en weer hossen. Of gaan we wachten op een eerste dodelijk ongeval?

Ik schreef het al in 2018, maar die plek moet eens een flinke update krijgen. Daarom, opnieuw, onderstaande suggestie.

Water is heel belangrijk in een stad. Hoe zou Brussel er hebben uitgezien als de Zenne niet overwelfd zou zijn geweest? Stel je dat eens voor. Move over Brugge en Gent, hier is Brussel. Het is een oude droom om die oude overwelfde Zenne weer bloot te leggen. Misschien moet daar ook maar eens werk van gemaakt worden. Ik suggereer dus eveneens: breek de hele bassin voor de Anspach-fontein open en leg daar een subtiele, frisse, waterpartij aan.

Eugène Boudin — Haven van Brussel (1871)

Ten eerste. Daar hoort water te zijn, als referentie naar de haven Brussel die ooit tot daar kwam. Bekijk hier maar eens hoe de Franse impressionist Eugène Boudin dit schilderde. Zonder water vervalt de Vismarkt tot een dorre kei-woestijn.

Ten tweede. Aan het water zitten is gezellig, maar je wilt na 2–3 weken je voeten echt niet in dat bassin, dat openbare riool, steken hoor. Ik zou er geen slokje water uit willen drinken.

Ten derde. Neem op dat vlak een voorbeeld aan Keulen (check bovenstaande foto). Aan de Rijn ligt de Rheingarten. Het is een plek waar de Rijn en de Hohenzollern-brug elkaar kruisen. Prachtig plaatsje in het coole Keulen. Tijdens de lente- en zomermaanden hangen hier ook heel wat Keulse gezinnen hier in het parkje, op de terrasjes verderop en kuieren en luieren ze tussen de stenen van deze waterpartij.

Laten jullie je daardoor inspireren? Combineer dat dan met de geplande heraanleg van het parkje op de Steenkoolkaai en de Schuitenkaai. Je kan dit gerust doortrekken. De wandelboulevard op de Handelskaai, een gezellig parkje op de Steenkoolkaai en de Schuitenkaai, een autovrije (of -luwe?) zone op de Baksteenkaai met waterpartij waar het heerlijk toeven is.

Ik zeg het nogmaals: jullie leveren goed en hard werk. Dit stukje is dan ook maar louter een suggestie, een ideetje, een voorstel.

Jurgen Masure schreef deze tekst voor het bloggersplatform Medium.

Maak Ter Kamerenbos permanent autovrij

In het zog van de coronacrisis werden in Brussel recent hoopgevende stappen gezet op het vlak van mobiliteit. We denken aan de eenmaking van Ossegempark en het Park van Laken, de aanleg van nieuwe fietspaden, autovrije straten, woonerven, en het voorstel van burgemeester Philippe Close om het Ter Kamerenbos ook na afloop van deze bijzondere periode op zaterdag en op vakantiedagen voor doorgaand verkeer af te sluiten.

Wat dit laatste betreft willen we de Brusselse politici graag een hart onder de riem steken en aanmoedigen verder te gaan. Sluit het Ter Kamerenbos voorgoed af voor alle autoverkeer en zet een onontbeerlijke stap om de stad leefbaarder te maken voor een zo groot mogelijke groep mensen.

Waarom?

Steeds minder mensen werken klassiek van maandag tot vrijdag. Om maar één beroepsgroep te noemen die ons in deze crisis uit de nood helpt: zorgverleners maken geen verschil tussen week of weekend. Voor vele anderen is een park dat van maandag tot vrijdag een racebaan is niet meer van deze tijd. Daarboven heeft de coronacrisis het telewerk bevorderd. Voor veel burgers wordt die verandering wellicht permanent. Hierdoor heeft een steeds grotere groep mensen ook op weekdagen nood aan grote, toegankelijke groene ruimtes om ‘s ochtends, ‘s middags, of ‘s avonds aan sport te doen, of gewoon even pauze te nemen tussen twee shiften.

Het Central Park in New York is sinds 2018 volledig autovrij. Ook daar bleven chaos en opstoppingen uit. In het veel kleinere Brussel, hoofdstad van Europa, moet dat zeker kunnen. De wegen die momenteel door het park snijden verdubbelen onnodig de capaciteit van de grote slagaders: de Waterloosesteenweg en de Franklin Rooseveltlaan, die er parallel aan lopen. Het afsluiten van de wegen die door het Terkamerenbos lopen, waar gewoon te snel gereden wordt, brengt de toegankelijkheid van Brussel geenszins in het gedrang.

Toenemend telewerk en dus algemeen minder verkeersdruk zal ervoor zorgen dat het naburige Ukkel leefbaar blijft. Van het groeiend publiek dat naar dit volwaardig park komt kan ook Ukkel profiteren. 

Schrijver Tom Kenis startte deze enquête op 22 mei. De tekst in in drie talen opgesteld. Intussen ondertekenden al bijna 7.000 mensen. De MR van Ukkel lanceerde prompt een tegenpetitie. Moge de beste idee winnen!

Red de Friche Josaphat

Het Josaphatpark (links op de foto), jaar na jaar uitgeroepen tot het lievelingspark van de Brusselaars, bewijst tijdens de lockdown opnieuw zijn grote nut. Wat weinigen weten is dat op een steenworp afstand een gebied van nagenoeg dezelfde omvang ligt: la Friche Josaphat, kortweg la Friche genoemd, wat zoveel als ‘ruigte’ betekent (rechts op de foto). Het gaat om een voormalig rangeerterrein van de NMBS van ongeveer 25 hectare dat al sinds de jaren negentig niet meer gebruikt wordt; er loopt nog steeds een spoorweg doorheen.

Doordat het gebied niet toegankelijk is voor het publiek heeft het zich de afgelopen jaren kunnen ontwikkelen tot een onwaarschijnlijk natuurgebied. Veldbiologen hebben er een fenomenaal aantal van 985 soorten vastgesteld: 110 vogelsoorten (wat extreem veel is in een stedelijke context), 150 soorten wilde bijen (een van de beste bijengebieden van België) en 29 soorten libellen (waarvan enkele zeer zeldzaam zijn). Daarmee is het een klassiek voorbeeld van wat ‘re-wilding’ heet: het broodnodige teruggeven aan de natuur van menselijke terreinen opdat de biodiversiteit zich er mag herstellen.

Vanuit de lucht gezien lijkt de Friche dan ook op een peervormig paradijs. Alleen: er is hommeles in dit paradijs. Zaterdag en maandag kwam een graafmachine meer dan 1000 vierkante meter afgraven en de poel verstoren waar vogels verzamelen en libellen broeden. Een bouwvergunning was er niet, die bleek ook niet nodig, het ging enkel om de voorbereidende werken voor grootschalig onderzoek naar eventuele bodemverontreiniging.

Hoe kan dit? Een tiental jaar geleden heeft het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tien zones aangemerkt voor uitbreiding van het hoofdstedelijke woningarsenaal. La Friche was er een van. De plannen waren ambitieus: er zouden ruim 1400 woningen komen, naast een RER-station, werkplekken, winkels…

In alle eerlijkheid: die plannen waren niet eens zo slecht. Ze streefden naar een goeie sociale mix van bewoners (niet enkel yuppen of hipsters), er zou een goede aansluiting op het openbaar vervoer verzekerd worden (het station Evere lag er al), er zou niet alleen gewoond maar ook gewerkt worden (de VRT hoopt er ooit haar nieuwe hoofdzetel te vestigen), etc.

Die plannen waren dus lang niet zo dwaas, maar wel héél erg… 2010.

Sindsdien is klimaatopwarming een realiteit en weten we dat steden enkel leefbaar blijven als ze voorzien in ‘ontharding’: gebieden waar de hitte overdag niet opgeslagen wordt in stoeptegels, bestrating of dakbedekking. Sindsdien weten we dat ruige gebieden essentieel zijn voor het herstellen van de biodiversiteit. Sindsdien weten we dat er zoiets als langdurige lockdown bestaat en dat groenvoorzieningen meer dan ooit noodzakelijk zijn in dichtbevolkte stadsbuurten, zeker wanneer corona of andere virussen onze levens blijven bepalen. Sindsdien weten we bovenal dat de bevolkingsgroei van Brussel trager verloopt dan verwacht en dat de woningnood kleiner is dan men tien jaar geleden dacht.

Nieuwe tijden, nieuwe inzichten. Geen wonder dus dat het onlangs bezwaarschriften regende tijdens het openbaar onderzoek tegen het Richtplan van Aanleg dat in december 2019 werd afgesloten. Officieel is er nog geen besluit genomen – het Gewest buigt er zich binnenkort over – maar het aanpassen van die gedateerde plannen is nu belangrijker dan ooit.

Het pleit er alvast voor dat het Gewest alvast nieuwe studies heeft besteld over de impact op natuur en milieu. Maar waarom dan per se afgelopen zaterdag zonder enige communicatie de graafmachines de Friche opsturen? In volle lockdown nog wel, in vol broedseizoen, op een zaterdagmorgen, en stoemelings? Geen idee, maar wansmakelijk was het wel. Het was een kaalslag en een kaakslag. Kaalslag voor een flink stuk Brusselse natuur, kaakslag voor alle vrijwilligers die al jaren de Friche bestuderen en ijveren voor een bescherming van de site.

Er loopt momenteel een petitie om het terrein te redden en het beton te stoppen. Op Facebook is er een openbare groep Sauvons la Friche Josaphat / Het wilde Josaphat beschermen.

Schrijver David Van Reybrouck schreef deze tekst op zijn Facebook-pagina.

Hoe ervaren anderstalige ouders het afstandsonderwijs?

Hoe beleef je afstandsonderwijs als je de taal en schoolcultuur net leert kennen? Klasse-redacteur Kyra belde met 5 anderstalige mama’s. Hun kinderen sporten met YouTube, maken taken op Bingel en oefenen hun Nederlands met Ketnet. Maar buiten komen ze niet. “In al die weken ging ik maar 1 keer de deur uit, voor de schoolboeken van mijn kind.”

Vorig jaar rond deze tijd maakte ik voor Klasse een reportage op basisschool Klavertje Vier, midden in het Brusselse Maximiliaanpark. Ik bezocht er een openklasmoment en sprak met ouders die onze taal en schoolcultuur net leerden kennen. De voorbije weken dacht ik vaak aan ze. Hoe zouden deze mensen afstandsonderwijs ervaren?

Ik stel de vraag aan Rein Callewaert, die vanuit het Centrum voor Basiseducatie Brusselleer oudergroepen in 2 Brusselse basisscholen begeleidt. “Waarom vraag je het niet aan de ouders zélf?” stelt ze voor.

In tijden van social distancing is het niet gemakkelijk om kwetsbare gezinnen te bereiken. Niet alle ouders stonden open voor een interview, maar Rein vond een 5-tal mama’s bereid om met Klasse te spreken.

En dus gingen we deze paasvakantie samen op virtuele ‘huisbezoeken’. Via videochat maakten we een tour langs Evere, Jette en Molenbeek. Waar het leven zich terugplooit op enkele vierkante meters, terwijl buiten de zon schijnt en sirenes loeien.

5 Brusselse mama’s

Khadija zit tot in de puntjes verzorgd klaar. “We hebben net ontbeten en nu werken mijn 3 dochters voor school. Mijn tweeling zit in het derde leerjaar, mijn jongste in de tweede kleuterklas. Gelukkig heb ik brave dochters die graag bezig zijn. Ze houden van lezen, tekenen en knutselen. En ze helpen me met kleine dingen: de tafel afruimen, hun speelgoed opruimen.”

Ook Nabila heeft 3 kinderen. Die zijn jonger en stuiteren regelmatig door het beeld. Thuis in quarantaine zitten met 2 peuterdochters en een erg actief zoontje van 5, omschrijft ze als ‘prison’. “Normaal helpen grootouders en tantes bij de opvoeding, maar tijdens corona valt dat allemaal weg.”

Zahra is blij dat we bellen. “Ciao! Wij vervelen ons nogal deze dagen.” Zoon Ryan, eerste leerjaar, zwaait van achter zijn tablet. “We zijn met z’n tweeën. Ryans vader zit in Italië, waar hij zorgt voor zijn ouders. Gelukkig is niemand ziek, maar ik volg het nieuws toch op de voet.”

Voor Meenakshi is het even wennen, zoveel thuis zitten. “Mijn man is software engineer bij een Amerikaans bedrijf. Ik volg 4 dagen Nederlandse les. Nu draait alles om de zorg voor ons 3-jarige zoontje. Mijn huiswerk voor het CVO en zoektocht naar werk staan op een laag pitje.”

Ayşenur is juist druk bezig om het Nederlands te onderhouden. “Voor mijn 2 kinderen (tweede kleuterklas en derde leerjaar), maar ook voor mezelf. Mijn NT2-cursus was al afgerond en het is maar de vraag of het vervolgtraject in mei kan starten. Daarom leer ik samen met mijn kinderen. Ik kijk mee over hun schouder en probeer zo goed mogelijk te volgen. De mails van de juf haal ik door een vertaalmachine.”

Geen financieel en sociaal vangnet

Sinds België in ‘lockdown’ ging, waagden Khadija en haar dochters zich slechts eenmaal op straat, om schoolboeken en werkbundels op te pikken. “Ik heb echt schrik om naar buiten te gaan. Op de tram zitten mensen zo dicht op elkaar. Gelukkig kregen we de correctiesleutel via de post.”

Ook de andere moeders zitten al weken binnen. Ze zien de zon door het raam of op hun balkon. De kinderen krijgen hun dagelijkse portie beweging via YouTube. En de vaders brengen letterlijk het brood op de plank: zij gaan naar de winkel en uit werken.

De mannen van Khadija en Ayşenur hebben een essentieel beroep: als vrachtwagenchauffeurs staan ze in voor onze bevoorrading. Ook Nabila’s man maakt lange dagen: “Hij is zelfstandige in de bouw. Het werk neerleggen vanwege corona, dat kan hij zich niet veroorloven.”

Meenakshi maakt zich zorgen over werkzekerheid. “De situatie in de Verenigde Staten ziet er niet goed uit. Wat als mijn man zijn job verliest? Mij lukt het maar niet om werk te vinden. Ik heb een marketingdiploma, maar mijn Nederlands en Frans zijn nog niet vloeiend genoeg. Kunnen we wel in België blijven als de kosten te hoog oplopen?”

Zahra staat er alleen voor, maar ook zij waagt zich niet buiten. “De huisbaas doet onze boodschappen. Ik kan het echt niet riskeren. Wie zorgt er voor mijn zoon als ik ziek word? Mijn zus woont in Parijs. Zij is zwanger, haar man heeft kanker. Het zijn moeilijke tijden.”

Financiële zorgen heeft Zahra niet. Wel mist ze een uitgebreid sociaal netwerk, aangezien haar dichte familie in het buitenland woont. “Mijn zoon en ik zijn op elkaar aangewezen. Als hij in bed ligt, bel ik met familie in het buitenland. Ook Ryan mist zijn leeftijdsgenoten. Via filmpjes in de oudergroep kon hij toch zijn klasgenootjes even zien.”

Liever digitaal onderwijs dan naar school

Ook al komen ze niet buiten, afgesloten van de buitenwereld zijn deze moeders allerminst. Ze hebben familie in verschillende landen, ze spreken meerdere talen en volgen internationale nieuwswebsites. Dat lockdowns in Italië, Spanje en India een pak verder gaan dan bij ons, beïnvloedt wellicht ook hun keuze om binnen te blijven.

“Voor mij verandert zo’n ‘lockdown’ niet veel,” lacht Ayşenur. “Ik kwam naar Brussel toen ik met een Turkse Belg trouwde. Al mijn familie en vrienden zitten in Turkije. Mijn sociaal contact verliep voor corona al via videochat.”

Wat digitaal afstandsonderwijs betreft, zijn deze tech savvy moeders niet de meest kwetsbare groep. Computers en een internetverbinding zijn voor deze 5 geen probleem. Toegegeven, zelf helpen bij nieuwe leerstof zien ze echt niet zitten. Maar hun kind naar school sturen terwijl het virus rondwaart, nog veel minder.

“Huiswerk begeleiden is moeilijk,” vertellen Khadija en Nabila. “Gelukkig hebben we via Facebook en Whatsapp een goed contact met de juffen. Ze geven veel video-opdrachten, dat helpt. Dan zie je wat de bedoeling is van bijvoorbeeld een knutselopdracht. En als we iets niet begrijpen, sturen we de juf een voicebericht.”

Zahra’s zoon Ryan leert vlot. “Hij maakt al zijn opdrachten op de tablet. Zijn huiswerk voor de hele week had hij in een dag af. Voor extra taken verwees de juf ons naar Bingel.” Om toch een beetje afwisseling te hebben, zijn Zahra en Ryan aan het koken geslagen. “We maken pasta, couscous en taarten. Koken is ook leren: nieuwe woordenschat, verhoudingen berekenen …”

Als extra zorg wegvalt

Maar wat als je kind een leerprobleem heeft? Of als de school weinig ondersteuning biedt? De zoons van Nabila en Ayşenur gaan volgend jaar naar het eerste leerjaar. Zij zijn absoluut gebaat bij extra zorg.

“Op school stoomde de logo hem klaar voor de overstap, nu doe ik dat zelf,” zegt Nabila. “Elke dag oefenen we een uurtje de basics: het alfabet, de kleuren, tellen. Maar sommige zaken vind ik moeilijk. Voorzetsels bijvoorbeeld, die ken ik niet allemaal in het Nederlands. Het doet me verdriet dat ik mijn zoontje niet optimaal kan ondersteunen. Hij heeft het al zo moeilijk op school. Met nieuwe leerstof wordt het helemaal een uitdaging.”

Ayşenur vreest dat haar zoontje straks ook bij de logo terechtkomt. “Ik hoor van andere Turkse mama’s dat dit gebeurt, omdat de zinsconstructie in onze taal omgekeerd is. Maar daarom heb je nog geen spraakprobleem.” Dat haar zoon van de juf enkel bewegingstussendoortjes krijgt, maakt het er niet gemakkelijker op.

Maar Ayşenur trekt haar plan. “We gebruiken oude werkboeken van mijn dochter, van het eerste leerjaar, om letters te leren. Via YouTube oefenen we het Nederlandse alfabet. En dankzij de oudergroep van Rein hebben we Ketnet ontdekt. Nu kijken we elke dag naar Karrewiet en Nachtwacht. Ik zet ondertitels op en leer zelf ook bij!”

Thuis een taalbad

Ook Meenakshi doet haar best om haar zoontje thuis een taalbad te geven. “We luisteren veel fundels, Dikkie Dik is favoriet. Zelf spreken we Tamil en Engels. Maar als mijn zoontje speelt, hoor ik soms Nederlandse woorden.” In de instapklas klinkt meer Nederlands. Toch blijft Meenakshi’s zoon, die nog niet leerplichtig is, thuis tot het virus volledig is uitgeroeid.

Andere moeders met jonge kleuters, zoals Khadija en Nabila, overwegen hetzelfde te doen. “Laat kleuterleraren de draad langzaam oppikken als we helemaal coronavrij zijn. Laat ze deze verwarrende periode uitleggen aan onze kinderen. En laat ons een feestje geven, omdat we het virus hebben overwonnen!”

Tot het zover is, zijn deze 5 moeders even ‘juf’. Ze slaan zich erdoor, elk op hun eigen manier. Dat ze polyglot zijn en vlot met een smartphone kunnen werken, is een groot voordeel. En geldt zeker niet voor alle ouders. Maar ook Rein, de brugfiguur van Brusselleer, maakt een groot verschil. Zonder haar had ik deze diepte-interviews niet kunnen voeren.

Om samen les te geven met anderstalige ouders, is een vertrouwensrelatie essentieel. Het helpt als de leraar meerdere talen spreekt. Geduld helpt ook: een interview duurde gemiddeld 3 kwartier. Maar ik zag de mens achter de maatschappelijke uitdaging. En dat was me elke minuut waard.

Kyra Fastenau schreef deze bijdrage voor het onderwijsmagazine Klasse.

De ontmoeting met het onbekende. Terugblik op het Bewogen Festival

Ik was meteen geïntrigeerd door het doel van het Bewogen Festival, een cultureel festival in Brussel dat streeft naar kleinschalige ontmoetingen tussen vluchtelingen, nieuwkomers en Brusselaars die al lang in de stad wonen. De vraag die me bezighoudt, ook in mijn eigen creatieve praktijk, is of we kunnen groeien naar een inclusieve samenleving door middel van culturele en artistieke activiteiten, gebaseerd op het stimuleren van dergelijke kleinschalige ontmoetingen, zoals het festival voor ogen heeft.

Bal Bougé, het grootschalige avondprogramma met diverse activiteiten op zaterdag 15 februari in De Markten, georganiseerd door verschillende partners van het festival, was het hoogtepunt van het festival dat plaatsvond tussen 12 en 16 februari. Dat evenement bood me een perspectief op de vraag of het mogelijk is sociale verandering teweeg te brengen door middel van culturele en artistieke activiteiten, dat is ‘crossing the arc’.

De Markten is een van de 22 gemeenschapscentra van de Vlaamse Gemeenschap in Brussel. Van de 22 centra is De Markten het meest centrale centrum van de stad. Tijdens enkele uitwisselingen met ‘oude’ Brusselaars stelde ik al vast dat dit gemeenschapscentrum vrij onbekend is bij hen. Hoewel het vrij groot is, veel uiteenlopende activiteiten aanbiedt én vlakbij het beroemde Sint-Katelijneplein ligt. Hoewel ze er duizenden keren langs liepen, hebben ze nog nooit een stap gezet in de overdekte doorgang naar De Markten.

De stap naar het onbekende

Toen ik op 15 februari met mijn dochter aankwam bij De Markten, iets na het startuur om 16 uur, werden voorbijgangers tot de ingang van de boog verleid door de slagwerkmuziek, gespeeld door enkele leden van de VSP (la Voix des Sans-Papiers, een collectief van inwoners zonder papieren die actief zijn in Brussel). Een jonge vrouw kwam naar me toe om me informatie te verstrekken over het evenement in drie talen: Engels, Nederlands en Frans.

Met een verlegen zonnestraal in de lucht – wat altijd als een zegen aanvoelt in Brussel – heb ik me met mijn dochter een weg gebaand door muzikanten, dansende kinderen en nieuwsgierige voorbijgangers die foto’s namen door de boog richting de binnenplaats van De Markten. Soms is enkel een verwelkomende glimlach en wat muziek nodig om een architectonische grens over te steken richting het onbekende.

© Ahmad Al Saadi

Nadat we de binnenplaats hadden overgestoken, gingen we het gebouw binnen. Op de benedenverdieping waren enkele exposities, een knusse hoek met kussens, een eetkraam, de mogelijkheid om te schilderen, om een aardappeldruk te maken en om geschminkt te worden. Er was ook een reuzenschaakspel, een filmprojectieruimte (die ik pas ontdekte vlak voor ik naar huis ging)… niets bijzonders, maar wel alles wat je nodig hebt om je comfortabel te voelen en uitnodigend om wat rond te hangen. Het zijn de details die het gevoel geven in een gastvrije omgeving te vertoeven. De foto’s tonen aan de ene kant het gezicht en aan de andere kant de achterkant van enkele individuen. Ze hangen op ooghoogte en geven de indruk in een tuin van vreemden te wandelen, met de mogelijkheid ze te ontmoeten, een blik te wisselen…

Net naast dit comfortabel hoekje vind je een moedige uitnodiging, voorgesteld op een zeer bescheiden manier: Wil je een minuutje in de ogen van een vreemde kijken? Geen regels, geen verplichtingen. We hebben misschien maar een eenvoudige uitnodiging nodig, een simpel excuus om die stap naar een ‘ander’ te zetten.

© Ahmad Al Saadi
© Ahmad Al Saadi

Laten we samen dansen

Toen ik naar boven liep, om mijn nieuwsgierige dochter te volgen, ontdekten we het podium dat klaar stond voor de concerten en een bar aan de zijkant. Om te beginnen waren er opnieuw muzikanten en dansers van VSP op het podium. Daarna was er een korte stand-upcomedyshow over de culturele schokken van de Syrische vluchteling Bazel Addoum, die de show bracht namens RANA (Refugees Are Not Alone). Dat werd gevolgd door een concert van Gueladio Ba, die aangesloten is bij open kunsthuis Globe Aroma. Zijn muziek kan beschreven worden als West-Afrikaanse blues, met veel traditionele invloeden.

Na het energieke spektakel van Watan Dabke, een internationale groep van folkloristische (Dabke) dansers uit het Midden-Oosten, begon ik na te denken over de afstand dat het toeschouwerschap opbouwt. Hoewel enkele minuten later de dansvloer, die tot dan toe vooral door kinderen werd bezet die zich minder van sociale grenzen aantrekken dan volwassenen, veranderde in een gemeenschappelijke plaats voor iedereen die aanwezig was en de ritmes van Dabke probeerde in te halen. Terwijl het ‘ergens naar kijken’ een vorm van ‘othering’ accentueert, brengt dansen en samen genieten ons echt samen.

Ik verliet het evenement met deze verheven stemming, die voortvloeide uit het gevoel van samenhorigheid, een beetje teleurgesteld door mijn ouderschapsbeperkingen en benieuwd naar wat Bal Bougé nog meer te bieden had. Ik ben er nog steeds niet van overtuigd dat ik een feestje van 182 nationaliteiten heb meegemaakt, noch geloof ik nu dat we de samenleving echt kunnen veranderen met culturele activiteiten.

Maar we kunnen wel een opening, een uitnodiging of een aanmoediging aanreiken om de boog over te steken en het andere te ontdekken. Het hangt van onszelf af of we de stap zetten of de tijd nemen om de grens over te steken, de grens die naar de ontmoeting met het onbekende leidt. Ik geloof in de aantrekking die we hebben voor het onbekende, het verlangen om te delen met de ander – of het nu vreugde of verdriet is – vooral als we de kans en een veilige ruimte hebben om dat te doen.

© Piet Deslé
© Luc Auwaerts
© Luc Auwaerts

Kunstenares Damla Ekin schreef deze tekst in het Engels. Stiene Prinsen nam de vertaling voor haar rekening. Deze tekst verscheen eerder op de blog van het Bewogen Festival.

De natuur is wel nog open

Het land is al weken in lockdown. Alle evenementen zijn afgelast, scholen, cafés, restaurants en culturele instellingen hebben de deuren gesloten, thuiswerk is het nieuwe normaal. Aan voedsel is er in België vandaag geen gebrek, maar stel dat de voedselvoorzieningsketen hapert? Ben Brumagne van Forest To Plate pleit als wildplukker voor een terugkeer naar de natuur, dicht bij huis.

Onze voedingssector staat paraat in moeilijke tijden. Land- en tuinbouwers en voedingsbedrijven houden de productie draaiende en via transport en distributie blijft de voedselbevoorrading gegarandeerd. Dat is goed nieuws, maar Ben Brumagne vindt dat het tijd is voor reflectie. “Stel dat we in een nieuwe economische crisis belanden. Misschien moeten we echt eens nadenken over hoe afhankelijk we allen zijn van de grote voedselketens. Mensen dichter bij de natuur brengen en hen leren waar je in het wild je voedsel vindt, was altijd onze missie en zeker in crisistijden zien we dat mensen hier naar teruggrijpen.”

Hamsteren

Er zijn meer dan 1000 wilde eetbare planten en meer dan 250 eetbare paddenstoelen bij ons terug te vinden in de natuur. Als je weet welke soorten eetbaar zijn en hoe je ze klaarmaakt, is hamsteren zeker niet nodig en moeten supermarkten ook niet worden leeggekocht. Hoe meer natuur er is, hoe meer mensen de mogelijkheid hebben om te wildplukken.

Hoewel een groot deel van het publieke leven wordt stopgezet, is het lenteleven in de natuur volop op gang. Ze biedt ons een ruime keuze aan eetbaar lekkers. Op dit moment vind je vooral jonge scheuten, knoppen en bladeren van onder meer zevenblad, wilde veldsla, wilde bieslook en berenklauw. Ook bloemen als madeliefjes en paardenbloemen beginnen te bloeien en later volgen vruchten en knollen.

Afhankelijk van voedselketen

Supermarkten benadrukken dat er nog genoeg voedsel en dus geen reden tot paniek is. Ook kan het coronavirus of COVID-19 in principe niet doorgegeven worden via voedsel of geïmporteerde goederen uit besmette gebieden. Maar het wordt wel duidelijk hoe afhankelijk we zijn van de wereldwijde voedselketen. “Er is zoveel in het wild te vinden om magen te vullen, maar toch blijven we vastzitten aan een voedselsysteem dat afhankelijk is van economische fluctuaties”, vertelt Ben Brumagne. 

Wat de natuur te bieden heeft

Verschillende studies wijzen erop dat regelmatig de natuur opzoeken een positief effect heeft op ons immuunsysteem. In coronatijden kunnen we dus zeker nog naar buiten om te genieten van de natuur en te leren wat ze ons allemaal te bieden heeft. Dat zijn lessen die je levenslang meedraagt en op elk moment goed van pas komen. 

Daarnaast kunnen ook voedselbossen een oplossing bieden. Het voedsel is vers, lokaal en niet afhankelijk van de economie, enkel van de seizoenen!

Iedereen naar buiten

Met deze lijst van wilde eetbare planten weet je ook wat je terug mee naar huis kan nemen voor het avondmaal.

1.Brandnetel

brandnetel.jpg

De brandnetel is misschien wel een van de bekendste en meest gebruikte wilde eetbare planten. Ze bevat veel vitaminen en mineralen en is zeer geschikt voor tal van bereidingen. Vroeger was het zelfs een vast een ingrediënt van onze paling in ‘t groen.

Het gedroogde blad kan je gebruiken voor thee en de verse bladeren passen in stoofpotjes of soep. Je kan er ook lekkere brandnetelchips van maken door ze in te strijken met olijfolie en kruiden. Vijf minuutjes de oven in en je hebt een gezonde snack.

2. Daslook

daslook.jpg

Deze plant verspreidt zich in de lente als een tapijt door het bos en je herkent haar tijdens wandelingen makkelijk aan de typische lookgeur. Ze is dan ook lid van de lookfamilie. De voorjaarsplant kent een lange geschiedenis op zowel medicinaal als culinair vlak en is heel leuk om te verwerken in verschillende gerechten. 

Maak bijvoorbeeld eens daslookpesto of meng de bladeren in een slaatje.

Let wel op dat je geen aronskelk of lelietje-van-dalen plukt, die groeien vaak tussen de daslookplanten en zijn erg giftig!

!! Daslook is een beschermde soort, pluk met mate en graaf zeker de wortel niet mee uit. De plant kan zich dan niet meer voortplanten of verspreiden. Elk jaar zijn er verhalen van mensen die massaal daslook gaan plukken en leeggeplukte plekken achterlaten in het bos. Dat kan niet de bedoeling zijn van wildpluk, we willen de natuur namelijk niet te veel verstoren. Tegenwoordig vind je ook vaak daslook bij mensen in de tuin.

3. Zevenblad

zevenblad.jpg

Ook zevenblad begint alweer te groeien. Deze eetbare plant herken je makkelijk aan haar zeven blaadjes. Ze bevat veel vitamine C en bètacaroteen of provitamine A, wat zich in het lichaam omzet naar vitamine A. De Engelse naam “Ground Elder”,  wijst op de bladeren die lijken op de bladeren van de vlier (elder in het Engels).

De jonge blaadjes gebruik je zoals spinazie en ook de jonge steeltjes zijn lekker en voedzaam.

4. Fluitenkruid

Foto: http://www.versvancees.nl/product/eetbare-bloemetjes/fluiten-kruid-eetbare-bloemetjes/
Foto: http://www.versvancees.nl/product/eetbare-bloemetjes/fluiten-kruid-eetbare-bloemetjes/

Als lid van de schermbloemigen met witte bloemetjes is ze soms makkelijk te verwarren met gelijkende oneetbare kruiden zoals waterscheerling en dolle kervel. Als je echter eenmaal weet hoe fluitenkruid eruit ziet is het een fijne plant om mee te werken in de keuken.

De bloemen gebruik je als garnituur, de bladeren zonder steel kan je verwerken in soep zoals kervel. Zorg er wel voor dat je de blaadjes pas op het einde toevoegt, want te lang koken kan je soep een bittere smaak geven.

5. Wilde bieslook

wilde bieslook.jpg

Bieslook is een kruid dat veel gebruikt wordt in de keuken. Maar de wilde variant, die een inheemse soort is, is even lekker in je gerechten. Het leukste is dat je ze in het wild kan gaan plukken.

In de lente zijn ook de typische paarse bloemetjes eetbaar. Je vindt wilde bieslook vooral terug langs rivieren, waterlopen en in grasweiden.

6. Veldkers

veldkers.jpg

Over de hele wereld zijn wel meer dan 150 soorten veldkers te vinden! Dit kleine, lekkere plantje dat ook bij ons groeit, kan je gebruiken in een slaatje of als garnituur op je boterham.

Ze wordt eigenlijk beschouwd als een wintergroente, maar nu vind je ze zeker ook nog in de natuur.

7. Wilde veldsla

wilde veldsla - wilde-planten.nl.jpg

Veldsla kennen we allemaal wel als gecultiveerde sla variant in de winter. Maar dit plantje vind je deze periode ook terug in het wild. Vroeger werd het ook wel korensla genoemd, omdat het vaak als onkruid op de akkers tussen het wintergraan groeide.

8. Paardenbloem

Foto: Flora van Nederland
Foto: Flora van Nederland

Deze herkenbare gele bloemetjes beginnen nu al hun groene bladrozet te vormen. Ook dit is een van de bekendste en meest gebruikte wilde eetbare planten. De volksnaam ‘pisbloem’ of het franse ‘pissenlit’ (pis en lit) wijst op de vochtafdrijvende werking, wat ervoor zorgt dat je veel moet plassen.

Alles van de paardenbloem is eetbaar, maar nu is het vooral het jonge blad dat je kan gebruiken in een salade. Je kan ze na blancheren in warm water ook gebruiken als spinazie, want dan zijn de bittere stoffen eruit.

9. Sleedoorn

Foto: Wikipedia
Foto: Wikipedia

In de herfst is deze voorloper van de ons bekende pruimen erg in trek voor haar bessen. Nu komt ze stilaan al in bloei en ook de bloemen zijn eetbaar!

De specifieke geur die de bloemen vrijgeven, doet denken aan bittere amandelen en is afkomstig van het blauwzuur. In grote hoeveelheden kan blauwzuur gevaarlijk zijn, maar in kleine hoeveelheden is er geen enkel probleem.

De bloemen kan je gebruiken als garnituur in salades of gerechten.

10. Echte kamille

Kamille is vooral bekend om zijn gebruik als kruid in infusies, maar meer en meer zijn er mensen die experimenteren met het gebruik ervan.

Heel aangenaam en verfrissend, zijn de jonge bladeren in het voorjaar, wanneer ze nog niet bitter zijn. Ze hebben een heel milde smaak die je rauw perfect kan verwerken.

11. Gewone berenklauw

Deze uiterst lekkere plant heeft veel van zijn imago verloren. Berenklauw wordt vaak onterecht beschouwd als een gevaarlijke of giftige plant. Dat is omdat ze vaak verward wordt met de grote berenklauw. Die is fototoxisch en kan onder invloed van zonlicht brandwonden veroorzaken. Dit effect is veel minder bij de gewone berenklauw, maar toch pluk je ze best niet op klaarlichte dag en doe je beter handschoenen aan.

Je kan de jonge scheuten en meristemen (de ongeopende knoppen in de oksels) gebruiken. De smaak is heel verrassend en erg lekker. 

Bak de scheutjes in wat olijfolie in de pan en gebruik de meristemen bijvoorbeeld in een wokschotel. Zodra de bladeren wat groter en ouder zijn worden ze hard en vezelig en verliezen ze veel van hun bijzondere smaak. Je kan ze dan wel nog steeds verwerken in een soep bijvoorbeeld.

Meer info vind je op de website van Forest to Plate. Tekst: Roxane Hoedemakers.

Oevers

Dag jongen,

Thuiskomen is een gevoel. Het brengt rust, zet de longen open. Cellen in het lichaam gaan dansen, schurken zich tegen elkaar aan, tintelen. Het gevoel was heel sterk toen ik het oude Jeruzalem bezocht. Alles was nieuw, maar toch leek het alsof ik de stad herkende, alsof de steen waaruit de omwalling gemaakt was altijd al in mij had gezeten. Hetzelfde had ik toen de cipressen langs de weg opdoken tijdens een roadtrip naar de Provence. Het is geen déjà-vu, geen herinnering, want op beide plaatsen was ik nog nooit geweest, wat is het dan? Wat zat er in het landschap dat voor herkenning zorgde?

Hoeveel van Brussel zal er in jou blijven wonen? De Sint-Katelijnekerk met haar propere voorgevel en zwarte flanken? De autovrije Anspachlaan? De art-deco van de oude Citroëngarage? La ferme Maximilien met zijn schapen, konijnen, paarden en lama’s?

Brussel was voor mij een stukje thuiskomen en lang heb ik niet geweten waarom. Het kan hier vuil zijn, of druk en lelijk, dat is wat dagjesmensen zien.

Het is ook de stad van het potentieel. Het is ons New York. Door een smeltkroes van indrukken, nationaliteiten, culturen en taal brengt het iedereen op eenzelfde niveau.

Er is de taal die gebrekkig in mijn mond huist. Spreek ik Frans, Nederlands, gebruik ik Engels, of gooi ik er Arabisch en Turks tussen? Buren leer je amper kennen, want alles beweegt en nooit weet je hoe lang iemand zal blijven. Het contact was altijd goed.

Belangrijker nog was de verbrusseling. Volgens wikipedia is het een bewuste strategie, eigen aan Brussel. Je laat een gebouw leeg staan, verkommeren tot het punt dat er niets anders rest dan het te ruimen en er iets nieuws te zetten. Dat is wat ik kwam doen. Ik kwam mezelf verbrusselen.

Ik kwam hier om alles te vergeten: wie ik was, waar ik vandaan kwam en hoe ik zou zijn, maar het heeft me alles gegeven wat ik nodig had: mezelf, je mama en jou. Brussel is de stad van het potentieel. Wie iets zoekt, kan het hier vinden.

Het is eigen aan de mens om te dwalen, steeds opnieuw vooruit te kijken, op zoek naar iets nieuws. Van oorsprong zijn we jagers, maar de geschiedenisboeken zullen je leren dat nomaden zich vestigden, eerst in de Vruchtbare Sikkel, daarna aan elke oever van een rivier. Vanaf dan is het de mens pas écht goed beginnen gaan.

Niet lang geleden hadden je mama en ik dat ene gevoel. We herkenden de bakstenen, het parket en gras, al hadden we het nooit eerder gezien. Alles in ons zei Ja.

We kochten het huis, een stukje land aan de oever van de Dijle. Hier begint onze neolithische revolutie.

Liefs,

je papa

je toekomstige uitzicht

Deze tekst verscheen eerder op de blog Brieven aan mijn zoon.

Ode aan de jarretelle

Station Brussel-Centraal. Het is een weerkerend nulpunt in mijn persoonlijke geschiedenis. Hier verloor ik immers vaak de strijd tegen koppige nylonkousen.

Meestal voelde ik het al bij het uitstappen van de trein. De panty krulde over mijn zachte onderbuik tot aan de waterlijn van ultieme schaamte. Dan voerde ik een raar manoeuvre uit: mijn hand schoot razendsnel naar een jaszak en graaide naar de rand van de panty die net niet de benen nam. Zo strompelde ik naar het kantoor, rand in de hand, en vluchtte ik als de bliksem naar het toilet waar ik het onding tot onder mijn oksels trok. Soms haalde ik het kantoor niet, en leverde dat weerbarstig stukje stof me ook een staalkaart op van de verborgen hoekjes die Brussel-Centraal kent. Ik besloot dat ik er genoeg van had op de dag dat de rand me ontsnapte, en ik met de panty’s tot op de knieën in zo’n vergeten hoekje vluchtte. Natuurlijk gebeurde zoiets midden in de volle ochtendspits. Vive le porte-jarretelle!

Ik wil hier graag Emmanuel Kant bedanken. Deze verlichte geest hield ervan te flaneren door de straten van Königsberg, maar vond het best sneu dat z’n kostbare zijden kousen naar de verdoemenis gingen. Dus daar was ‘ie dan: de jarretellengordel! Het was in die tijd een antwoord op de kousenband, een band in stof met een gesp. Niet meteen handig want het zijde kousje slipte er al eens onderdoor. Te straks aangespannen had deze de slechte gewoonte om de bloedsomloop af te snijden waardoor dames, en zeker ook nobele heren, spontaan door de knieën gingen.

Maar terug naar het eureka-moment in de ochtendspits. Daar begon de zoektocht naar het gepaste exemplaar. Want de éne gordel is de andere niet. Soms moest ik het stellen met vier armtierige haakjes waarbij het heus wat friemelen vroeg om de kous er vast in te krijgen. Om nog maar te zwijgen van de terugslag tegen mijn zachte huid wanneer de kous los glipte. Tsjak. Een mens kan blauwe plekken krijgen op de meest vreemde plekken. Ik koos dus voor de stevigere versie, met acht haakjes. Zeg maar gerust de bomma-versie der jarretellengordels. Maar god, wat heerlijk. Geen geschuifel meer door het station. Geen pantystress. En het voelde best wel sensueel aan. Ik voelde hoe mijn lijf zich een andere houding gaf. Rug recht, een lichtere tred, heldere ogen.

Ooit was de jarretellengordel het symbool der vrouwelijke bevrijding! Ik hoor het de flappergirls uit die andere jaren twintig nog zingen: ‘Shimmy and shake until your garters break’. Ik vraag het me trouwens vaak af of het kan. Zo hard dansen dat de jarretelles gewoon in flarden scheuren. Ik besefte ook dat ik me met dat kleine miskende kledingstuk zomaar even kon meten aan Marlène Dietrich als ‘Der blaue Engel’, of Sophia Loren. Maar de prachtigste jarretelles zitten rond de benen van diva Liza Minnelli. Oh, wat benijd ik haar voor de rol in ‘Cabaret’. Alle vrouwelijke sensualiteit samengebald in één nummer: Mein Herr. Wie zou nu niet met plezier een afwijzing aanvaarden als deze zo heerlijk scherpzinnig verpakt zit?

Misschien wordt het tijd voor een nieuwe bevrijding. Weg met de status van heimelijke lustopwekker in de besloten slaapkamer! Want wat smacht ik naar wat meer frivoliteit in dit grijze bestaan. Glitter verpakt onder kantoorrokken. De bandjes die in de huid snijden, de zachte rondingen benadrukken. Heel persoonlijk. Iets waar niemand zaken mee heeft, behalve je eigen lijf. Weg met de zweem van feministisch wantrouwen tegenover dit stukje stof. Maak er een statement van. Een duidelijk teken dat er met deze vrouw niet te sollen valt. Niet van haar stuk te brengen door wat jij nu wel of niet denkt van haar lijf. Comfortabele zelfzekerheid, in een ragfijn harnasje. Enkel te ontbloten aan wie zij wil.

De tijden veranderen. Met de jaren slopen er meer broeken naar mijn kleerkast. Ik liet rokken en jurkjes links liggen. Maar ik ben dat kleinood nooit uit het oog verloren. Ik koop er nog steeds. Voor de simpele schoonheid van het stuk. Voor de nostalgie. Omdat je er nooit gewoon genoeg van krijgt.

Jolien Van de Velde schreef deze tekst voor Azertyfactor, de website van Creatief Schrijven vzw.

En route met tram 9

Wij kennen hen niet, zij ons ook niet. Alleen nemen wij tweewekelijks tram 9, of nemen zij de auto met als bestemming het UZ van Jette.

(c) Eole99, Wikipedia

In het begin is het nog wat afwachten. Na een tijd zie je vertrouwde gezichten en begroet je elkaar met goeiendag of bonjour. Nooit meer, maar wat wil je dat we tegen elkaar zeggen? We zijn er allemaal voor hetzelfde en hopen allemaal hetzelfde.

Maar geloof me. Ook al verlaat het Verenigd Koninkrijk de EU, lijkt ons land maar geen regering te kunnen vormen, regent het buiten pijpenstelen – in die kleine cocon waar we samen vele uren geduld oefenen en wachten op het verdict of verdere chemo al dan niet kan, vinden wij samen de rust, het geduld, de liefde om te vechten voor… Iets waar de buitenwereld moeilijk in slaagt.

Maar dat geeft niet. Binnen twee weken zien we elkaar terug. Opnieuw hoofdknikkend.

Nog vier maanden. Hopelijk gaat het hen ondertussen goed.