Op het Belgische onderonsje op de Grote Markt, Belgian Beer Weekend, is het nog wat langer wachten, maar binnen een goede twee weken is het de beurt aan dat ander hoogtepunt voor bier in de hoofdstad: BXL Beerfest.
Het evenement is ondertussen aan zijn derde editie toe en belooft weer een selectie te bieden van ‘s werelds mooiste artisanale bieren. Onder het motto “Geen roze olifanten, geen kabouters of paters. Enkel heerlijk en echt bier!” werden brouwerijen uitgenodigd die elk minstens vier van hun topproducten zullen aanbieden. Brouwers die hart en ziel in hun brouwerij steken en ook zelf aanwezig zullen zijn om de bezoekers te laten delen in hun grenzeloze passie.
“The crossroad of beers & friends” luidt de ondertitel en dat kun je vrij letterlijk nemen. Met meer dan 400 bieren zal het aan bier zeker niet ontbreken en aangezien er vorig jaar al meer dan 5.000 bezoekers present tekenden, moet dat qua volk en vrienden ook wel goed komen. De leuze slaat echter ook op de vriendschap die heerst tussen vele van de aanwezige brouwerijen die het festival niet enkel zien als een manier om hun bier aan een ruim publiek voor te stellen, maar tevens als een platform om ideeën en ervaringen uit te wisselen, plannen te smeden voor ‘collabs’, bezoeken aan elkaar te regelen, kameraden terug te zien. Een goede ‘potgrond’ om de artisanale bierscene nog meer te laten groeien in een soms onverwachte en nieuwe richting. Kruisbestuiving is altijd goed en de bezoeker kan er maar iets interessants uit halen.
Verwacht dus zowel zotte brouwsels die eerder uit ‘didactisch’ oogpunt het degusteren waard zijn als echte pareltjes waarvan dat proefglaasje toch erg klein zal blijken en de smaakpapillen om meer zullen vragen. Plezier verzekerd voor zowel de doorgewinterde ‘geek’ als de toevallige passant met wat interesse in bier.
De grote hal van Thurn & Taxis achter het centrale gebouw zal gewijd zijn aan de standen voor de brouwerijen, zodanig geplaatst dat de doorgang vlotjes kan verlopen. Achteraan zal er zich een kleine ruimte bevinden met zitplaatsen, een aparte bar, een ruimte met Brusselse ambachten (koffie, chocolade, kaas, gefermenteerde producten). Het grote, hopelijk zonovergoten, buitenterras zorgt voor een rustmoment terwijl de foodtrucks de hele dag door eten voorzien, want uiteraard geen natje zonder een deftig droogje. Vooraan in de grote zaal zal er zich een bottle shop bevinden met een ruime keuze aan festivalbieren, om de proefervaring thuis te kunnen voortzetten of de nadorst te stillen.
Naast de eigen rondgang zullen ook enkele gerichte sessies worden ingericht, waarbij brouwers dieper ingaan op de bieren die ze maken en hun verhaal. Een uniek moment voor een tête-à-tête met de brouwer van je favoriete bier. De editie 2019 wenst ook weer en ruimere plek te geven aan de plaats van bier in de gastronomie, dus kun je ook zeker een reeks ‘kookdemonstraties’ verwachten van chefs die hun strepen verdiend hebben in de bierwereld. Al deze sessies zullen heel binnenkort worden aangekondigd via website en Facebook. Voor sommige zal je toch best niet al te lang wachten om ze dan ook effectief te reserveren.
Kortom, een perfect weekend om in Brussel enkele van de beste bieren wereldwijd te proeven. Koop je ticket al online, dat levert je nog een flink voordeel op ook.
BXL Beerfest vindt plaats op zaterdag 24 en zondag 25 augustus op de site van Thurn & Taxis. Meer info vind je op de website, Facebook– en Twitterpagina.
Deze bijdrage verscheen op de tweetalige bierwebsite Bier Grand Cru.
De kamerplant is weer helemaal in, zo blijkt uit het hernieuwde succes van plantenwinkels en -markten in Brussel. In het verlengde weekend van Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaart kun je meer dan 160 verschillende soorten planten kopen, vers van de kwekers. De verkoop vindt plaats in See U, de vroegere rijkswachtschool van Elsene.
PUP (Plezante & Uitzonderlijke Planten – Plantes Uniques et Palpitantes) is een reizend pop-upconcept dat eerder al zijn tenten opsloeg in Gent, Kortrijk en Ronse. Het concept wil meer groen in huis promoten en richt zich vooral op jongeren en jonge gezinnen.
De organisatie gaat prat op de rechtstreekse band met de kwekers. 65% van de aangeboden planten komt van Belgische telers. “We weten waar onze plantjes vandaan komen. Op die manier kennen we het verhaal en helpen we de plantenliefhebbers de juiste verzorging te geven”, klinkt het.
Het evenement pakt ook uit met workshops in samenwerking met lokale talenten. ‘t Buurmeisje geeft tips hoe je het best je planten onderhoudt. Urban Jungle Flagey komt alle geheimen toelichten van kokedama, de Japanse kunst van hangende of staande mosballen waarin planten groeien. Gemsy Terrarium wijdt je in de wondere wereld van terrariums en natuurstenen in. Foodtrucks en muzikale omkadering vervolledigen het programma.
PUP benadrukt dat groen in huis de lucht zuivert. Met de verkoop in Gent zou een oppervlakte van 73.797 m2 lucht in huiskamers gezuiverd zijn. “We willen absoluut dat Elsene het record breekt. Het is immers onze thuishaven en die heeft altijd een streepje voor”, zegt organisatrice Roxanne Naessens.
Waar is de tijd dat er maar één brouwerij in Brussel overbleef? Cantillon heeft sinds de internationale opgang van ‘craft beer’ gezelschap gekregen. Nu loopt er een crowdfundingcampagne voor La Source in Be-Here, het vroegere Byrrh-gebouw in Laken.
Ere wie ere toekomt: Brasserie de la Senne opende de dans. Bernard Lebucq pakte uit met Zinnebir voor de Zinnekeparade in 2002. Na een bohemienbestaan vestigde de brouwerij zich in 2010 in een vroegere industriële bakkerij in Molenbeek. De nieuwe productiesite op Thurn & Taxis is in volle opbouw.
Andere microbrouwerijen volgden al snel. Brussels Beer Project zette vanaf 2013, in navolging van het Schotse BrewDog, sterk in op marketing en klantenparticipatie. De wisselende bieren worden in de eigen bar in de Dansaertstraat gebrouwen. De brouwerij meert in 2020 aan het Anderlechtse Biestebroekdok aan. En Stoemelings ging van start in 2015 in de Marollen en verhuisde erna naar de groene incubator Greenbizz in Laken, waar sinds 2016 ook No Science is gevestigd. Nanobrasserie L’Ermitage zag in 2017 het licht in Anderlecht. Ons lijstje toont nog andere veelbelovende initiatieven.
Enter La Source. De ‘brewpub’ wil vijf bieren vers van het vat aanbieden. De tanks van 600 liter worden direct achter de bar geïnstalleerd. Directe verkoop van bij de brouwerij, korter kan de keten niet zijn. Wie bier wil meenemen, kan ter plaatse blikjes laten vullen. De eersteling Epervier (‘Sperwer’), een IPA, is al in flesjes verkrijgbaar in gespecialiseerde bierwinkels. Tot het vaste assortiment behoren ook een stout, een session IPA, een blond en een bitter bier. Er komen ook creatieve tijdelijke variëteiten, zoals een zuur bier met wilde kruiden, bier met rode bessen of imperial stout met speculaas. La Source deelt haar locatie met het atelier van Fermenthings, dat gefermenteerde drankjes en hapjes – kombucha, kimchi, zuurdesembrood, pickles en co – serveert.
Wie La Source wil steunen, kan een milde bijdrage doen via de site Miimosa.
Berichtjes die bij de ingang van de supermarkt hangen.
Mensen bieden iets aan, of ze zoeken iets.
Ze bieden iets aan dat ze goed kunnen. Ze kunnen goed klussen, babysitten of strijken.
Ze willen graag bij jou komen klussen, babysitten of strijken.
Als jij iemand zoekt die kan klussen, babysitten of strijken, mag je hen bellen.
Er hangen in de supermarkt ook berichtjes van mensen die iets zoeken.
Ze zoeken iemand die bijles wil geven aan hun kind. Of iemand die hun
tuin wil onderhouden. Sommige mensen zoeken een vriend of vriendin om
Nederlands mee te praten.
In hun berichtje schrijven ze bijvoorbeeld:
‘Babysit gezocht voor mijn zoontje van twee jaar. Elke donderdagavond van 18-22 uur.’
Of: ‘Wil jij onze Belgische vriend(in) worden en met ons naar de markt gaan, koffie drinken, koken?’
In het handboek stonden veel verschillende berichtjes.
Mijn studenten zeiden dat ze die berichtjes nog nooit hadden gezien in de supermarkt.
‘Niet iedereen post een zoekertje op tweedehands.be,’ zei ik. Sommige mensen hebben geen internet. Zij schrijven nog een ouderwets briefje. Ze hangen het aan de muur in de supermarkt.
’s Avonds ging ik boodschappen doen in de Colruyt. Toen ik naar buiten ging, zag ik de berichtjes hangen. In Brussel zijn ze bijna allemaal in het Frans. Maar er was één berichtje in het Nederlands.
Dit was het:
Tomaten, pepertjes & paprika’s en andere planten
Ik heb een passie voor het kweken van groenten en andere plantjes in mijn moestuin in Brussel. Dit jaar heb ik een 40-tal variëteiten gezaaid, maar ik zal ze niet allemaal in mijn tuin kunnen planten. Ik bied jullie een zeer ruime keus aan planten van zeer speciale, kleurige en lekkere soorten tomaten en pepertjes. De planten stammen af van pure, niet genetisch gemanipuleerde zaadjes. Bovendien werden ze nooit chemisch behandeld!!!
De aanbieder had er de soorten groenten bijgeschreven: tomaten (geel-groen-rood-blauw), pepertjes, paprika’s, komkommers, erwtjes, aubergines, … en ook nog bloemen!
Ze had zelfs een tekening en foto’s van de groenten gemaakt.
Ik heb zin om deze mevrouw te bellen. Ik wil graag een paar plantjes gaan halen voor mijn tuin. Ik weet niet of ze gratis zijn. Misschien moet ik betalen. Dat staat er niet bij.
Ge kunt dô vanalles vinne, Russe macreaux en sardinne, fritten en moules parquées, slôge dei Brusseleirs in uile gilei, in de rue des Bouchers.
Die oorwurm geraakt u vandaag niet meer kwijt. Maar waarom zingt Johan Verminnen sinds 1979 over fritten en moules parquées? Een lied tot trouwens uit de koker komt van de Brusselse volkszanger Jan De Baets (1866-1953).
Je hebt geschiedenis en geschiedenis. Geschiedenis zoals in de boekjes. De middeleeuwen. De moderne tijd. Politieke geschiedenis, cultuurgeschiedenis, krijgsgeschiedenis.
Maar er is ook de ‘kleine geschiedenis’. Bijeengesprokkeld door ‘historici van vergeten zaken’, zoals schrijver Lucas Catherine. Het leven van de kleine man. Per definitie samengesteld op basis van verhalen, liedjes, foto’s, sporen in de stad en orale geschiedenis.
In het geval van Lucas Catherine niet over de Rue de Bouchers, maar over de wijk van de Vismet, ‘de buik van Brussel’. Die term voor de markten van Sint-Katelijne en de Vismet is ooit gelanceerd door architect en socialistisch volksvertegenwoordiger Fernand Brunfaut: “(…) de slagerwinkels waar het verse vlees en de vleeswaren verleidelijk liggen uitgestald … de staminees die uitpuilen van het volk omdat het bier er zo goed is … deze levendige buurt kan je bijna de buik van Brussel noemen” (1950) … Daarbij refererend aan Emile Zola’s roman Le Ventre de Paris (1873), die rond de Hallen van Parijs speelt en de sociale strijd beschrijft.
Catherines raamvertelling begint ergens in 1551-1561 met de aanleg van het Kanaal van Willebroek en een haven in het centrum. Een haven waarvan later de dokken worden gedempt en die dienst zal doen als marktplaats. Een centrum van aanvoer en verkoop van allerlei vis, gevogelte, groente, ander voedsel en andere waren. Een centrum met veel bedrijvigheid en het bijhorende werkvolk, ook in de “staminees”.
Waarom dit boek?
Over de Grote Markt en de Marollen is al veel geschreven, maar over dit – ook zeer authentieke en belangrijke – deel van de stad niet. Het is nochtans speciaal, want dit stuk is door Leopold II niet aangeraakt om er boulevards aan te leggen. En Paul Vanden Boeynants en Charlie De Pauw hebben dan wel het De Brouckèreplein en de Noordwijk afgebroken, maar hier zijn ze weggebleven.
Ik wilde eigenlijk gewoon een foldertje over deze wijk publiceren. Om te beschrijven hoe fel de wijk is veranderd, alleen al in de vijftien jaar dat ik hier woon.
Toen ik hier kwam wonen, waren er nog tien visboeren, nu is er maar één meer. Er zijn de ingeweken Vlamingen die rond de Oude Graanmarkt hun officieuze dorpsplein hebben, met de gekende cafés in hun circuit. Er zijn ook onvoorstelbaar veel Fransen ingeweken. Daarnaast zijn er ook de expats.
Bijna alle restaurants op de Vismarkt zijn overgenomen door Assyriërs. De kwaliteit is fel verminderd. Daarvoor komen mensen van de hoogstad echt niet meer naar hier. Ik pleit zeker niet voor enkel chique zaken, maar wel voor wat diversiteit en afwisseling: voor elk wat wils, voor rijk en arm. Ook historisch: de eerste chocolade van Leonidas, maar ook de karaboe(z)ja. Tot in de jaren zestig werd in de Brusselse staminees karaboezja erkocht, zwarte brokkelsnoep op basis van restjes suikersnoep en zoethout die gemaakt werd op de Vlaamsesteenweg en per schep werd verkocht. Volgens de overlevering op basis van een Congolees recept.
Er was het wild en gevogelte van de bekendste handelaars van heel Brussel: Matthys & Van Gaever in de Melsensstraat, maar mensen zonder geld konden ook merels en lijsters kopen en eten. De diversiteit is weg. Er zijn nog wel enkele goede restaurants, met dank aan La Belle Maraîchère, waar de liberalen komen, maar er zijn er veel verdwenen.
Daarbovenop heeft ook le piétonnier, de verkeersvrij gemaakte centrale laan, de breuk tussen de hoogstad en de laagstad versterkt, net toen die stilaan weg was. Mensen weten niet goed meer hoe ze met de auto hier moeten komen en hoe ze de piétonnier moeten oversteken. En een bepaald publiek uit de hoogstad komt vooral met de auto. Vergeet niet dat ook de helft van de bussen werd afgeschaft.
De handelaars zijn er in elk geval niet over te spreken. Het oudere publiek vindt nog moeilijk de weg naar hier, en het jongere publiek heeft daar zijn eigen buurten. Mensen uit Sint-Gillis, Elsene, zelfs Vorst komen niet meer naar hier, omdat de buurten en pleinen zoals Flagey en het Sint-Gillis-voorplein zich daar ontwikkelen. De leemte wordt helaas opgevuld door horeca voor toeristen. Het wordt hier een pretpark. Maar de sfeer verdwijnt stilaan en dat gebrek aan authenticiteit beginnen ook de toeristen op te merken. Er is dus veel veranderd, en daarom wilde ik beschrijven hoe het vroeger was in de tijd die ik heb gekend en lang daarvoor.
Het centrum van Brussel als toeristisch vermaak. Het is niet de eerste keer dat we het horen.
Inderdaad, denk aan het lichtfestival Bright Brussels – afgekeken van Gent – met dezelfde hokjes die ze gebruiken voor Winterpret en Brussel Bad. Zoveel maanden per jaar haast dezelfde banaliteiten, zij het in een andere setting. Leuk is zo’n Winterpret niet voor de handelaars, want de kraampjes vormen een muur waardoor de handelaars niet meer zichtbaar zijn. En geen enkele politicus neemt zijn verantwoordelijkheid, want daarvoor hebben ze natuurlijk een ontoegankelijk en ontransparant vehikel opgericht zoals Brussels Major Events.
Er moet ook altijd en overal muziek en rumoer zijn. Ik at vroeger graag bij de Indiër aan de Beurs, maar nu is er altijd muziek. De bewoners tellen niet meer, enkel nog de toeristen … en zo heel af en toe denkt men eens aan de handelaars. Je moet van de stad geen museum maken, maar toch ook geen pretpark.
Het is hier ook zeer duur geworden, mede door de expats. Huurprijzen gaan tot 1.600 euro, veel mensen verdienen dat niet. Daarnaast is er de opkomst van Airbnb. In Amsterdam is dat ook een probleem. Maar daar beseffen ze dat en proberen ze het terug te dringen.
Mensen verhuizen vaak naar de Rand. Ook Franstaligen die wel Nederlands-Brussels spreken, maar het niet schrijven of lezen – dat is zeer typisch voor de mensen in de cafés waar ik kom – kunnen in de Rand nog wel terecht.
Welke cafés zijn dat?
Dat ga ik u niet zeggen (lacht). Wij hebben daar geen nood aan ‘vremde’ (’vrumde’) – ik zeg het bewust op zijn Brabants, met een Brabantse mentaliteit: geen nood aan mensen van over het water in die cafés. De cafés waar ik ga, zijn op zaterdag en zondag dicht. Die hebben geen ander publiek nodig.
Zijn er auteurs die u geïnspireerd hebben, bijvoorbeeld omdat ze ook over de volkse geschiedenis van Brussel hebben geschreven?
Gustave Abeels (1928-2014) schreef over de geschiedenis en het werkvolk van de haven. In zijn boek stonden tenminste de oorspronkelijke Nederlandse bronnen. Ik ben geen nationalist, maar sta wel op mijn taal. Ik ben flamingant zoals mijn grootvader. In de Franstalige bronnen vertalen ze alles maar zonder te melden dat de oorspronkelijke bron in het Nederlands is. Jean D’Osta (1909-1993) was ook een inspiratiebron.
Dat waren inspiratiebronnen qua stijl, maar inhoudelijk baseerde ik me meer op verhalen. Je hoorde bijvoorbeeld wel verhalen over gevonden lijkjes van foetussen en je denkt: horror en urban legends. Tot ik stootte op een Oostenrijkse verordening uit 1738 die duidelijk maakte dat ontuchtige (buitenechtelijk zwangere) meisjes en vrouwen van deftige komaf opgesloten werden in een soort klooster-gevangenis, het Maison de la Sainte-Croix. Dan kan het wel eens kloppen: de nonnetjes als aborteurs. Dat soort verhalen vond ik belangrijk.
Ik ontdekte onlangs ook nog enkele 17de en 18de-eeuwse poorten en achter elke poort zit wel een verhaal. Er waren ook nog vele andere verhalen die ik links en rechts hoorde van oudere mensen uit de buurt. Ik wilde daar iets mee doen en zo werd de brochure een boek.
Ik ben blij dat ik het bestaan ontdekte van de Brusselse kalksteengroeven. De Brusselse steen kwam uit de groeven in Elsene, Etterbeek, Oudergem, Obbrussel (nu Sint-Gillis). Met deze steen werd de eerste omwalling gebouwd, waaronder de bekende Zwarte Toren in onze wijk.
De Brusselse steen daarvan werd uitgevoerd. Die gingen dan naar Zeeland en er kwamen boten terug met mosselen en paling. Dat is ook een belangrijk element om onze Brusselse geschiedenis en realiteit te begrijpen, bijvoorbeeld de aanwezigheid van vis en zeevruchten in onze streekkeuken.
Naast de verhalen zijn er ook de liedjes. De liedjes van de Folies Bergèrebijvoorbeeld, het grootste muziektheater in Brussel, dat floreerde in de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw. Mijn vader zong die liederen en ik vond dat fantastisch. Maar die zijn nooit neergeschreven en dus zijn die gedoemd om te verdwijnen.H
Die vorm van geschiedschrijving hangt samen met de taal van het volk natuurlijk, het Brussels. Maar het Brussels is ongeveer uitgestorven, hé. Je moet al zeventig jaar zijn om het te kunnen spreken. En zeggen dat ze vroeger het verschil konden horen tussen iemand van centrum-Brussel zelf, echt het centrum, de Marollen, de wijk van de Lakensestraat en de Antwerpsesteenweg (de kassa), en de wijk van de Congreskolom (de bafon).
Het Brabants rond Brussels is dezelfde taal. Bepaalde woorden worden hier niet meer gebruikt, maar in bepaalde dorpen rond Brussel wel nog.
Het Brussels is niet, zoals velen denken, een folkloristische mengeling van Frans en Nederlands. Er zit geen woord Frans in. Wij zeggen niet chicon, maar witluuf, niet cendrier maar asjepot. Maar ook het Brussels werd geleidelijk verfranst. Door de TV ontstond er ook een karikatuur van het Brussels als was het een mengtaal. Denk aan types zoals Hilaire Baconfoy in de tv-reeks De Collega’s.
U citeert een gezegde uit Baasrode, bekend voor de kweek van palingen voor de Brusselse afzetmarkt: “Als ze in Baasrode niet scheten, hadden ze in Brussel geen eten.” Welk beeld had de ‘plattelander’ van die ‘stedeling’ aan wie hij zijn waren verkocht?
Eerst wilde de uitgever dat citaat er niet in, maar ik wilde dat wel (lacht). Baasrode was de grootste binnenhaven van de Nederlanden, en daar kwam de paling aan tot de Eerste Wereldoorlog. Met de kruiwagen kwam men dan naar Brussel, 6 à 7 uur stappen. Mijn grootmoeder Lise Dubois woonde halverwege en kwam hier met melk en eieren. Ik heb het boekje aan haar opgedragen.
De stedelingen spraken natuurlijk over de ‘boeren’ als ze het hadden over de mensen die toeleverden, de mensen van ‘den buiten’. In Antwerpen kijken ze ook zo naar die van Linkeroever, vermoed ik. Dat heb je overal een beetje in de steden. Ze voelen zich wat beter, hé.
Die van de buiten kijken dan weer op naar de stad en de Brusselaars. Vandaar de sterke verfransing – men dacht dat men Frans moest spreken om hogerop te komen. Ze weten dat het goed is om hier een business te beginnen. Kijk naar de toevloed in de jaren zestig. Alle bakkers waren West-Vlamingen toen.
Het boek gaat in essentie over wat deze buurt betekende voor de import en export van de stad, zeker voor voedsel: groente, vis, gevogelte. Wat waren de andere aanvoerlijnen naar het centrum?
Vooral uit Obbrussel, nu Sint-Gillis, en Schaarbeek werden allerlei fruit en groenten hier aangeleverd. Molenbeek niet. Molenbeek was altijd al industrieel, zeker nadat alle werkvolk daar moest gaan wonen toen Leopold II zijn lanen maakte rond 1900 en de Zenne overwelfd werd. Pas op, hier was ook wel wat industrie en bedrijvigheid. Die fabrieksbazen hadden geld. De baas van L’Oréal had om 11 uur gedaan met werken en deed de ronde van de cafés om champagne te gaan drinken. Vandaar de mythe in deze wijk over de golden sixties en ‘de tijd van toen’.
En hoe zit dat met de huidige – ook internationale – import-export?
Die internationale trafiek heb je natuurlijk aan het Zuidstation en de Stalingradlaan, waar de Marokkaanse grossisten zitten en de autobussen uit Marokko aankomen. Je hebt ook de Brabantstraat in Schaarbeek. Mensen komen daar van ver, tot Nederland toe, producten kopen. Al die winkels doen dienst als kleinhandel en groothandel tegelijk. Die waren uit Marokko of Turkije worden dan van hier verder verdeeld.
Heeft migratie de buurt ook veranderd?
Heel Brussel verandert, dat is het probleem niet. Mij enerveert niet dat de buurt hier verandert en verkleurt. Wel dat de diversiteit – met cafés voor arm en rijk – vermindert, waardoor het monotoon wordt.
Migratie was niet doorslaggevend in mijn verhaal. Mensen schatten deze buurt wel vaak verkeerd in. 50% van dit deel heeft Marokkaanse origine, denk ik. Aan de andere kant wonen dan weer zeer veel Congolezen. Congo is een thema dat me ook boeit, zoals je weet.
De Afrikanen komen hier desalniettemin niet zo vaak. De concurrentie van Matonge is te groot. Al wonen ze daar niet, ze gaan er wel op café, restaurant, bij de kapper. Die Afrikanen gaan nu trouwens ook steeds vaker buiten de stad wonen. Denk aan Ninove, Aalst, Denderleeuw. We denken trouwens te vaak dat die Franstalig zijn. Maar velen hebben in Nederland gewoond. Of de kinderen zijn hier naar een Nederlandstalige school geweest. Waarom gaan ze daar wonen? Die steden en gemeenten hebben een prima treinverbinding met Brussel, en voor de helft van de prijs in Brussel koop of huur je er een woning. “En onze vent kan niet de hele dag op café in Matonge”, voegen de vrouwen er fijntjes aan toe.
Roaring twenties, golden sixties, de bloeitijd van de haven. Wanneer had u willen leven?
Ik leef graag nù (lacht). Ik houd van geschiedenis en van wat nostalgie, maar ik wil zeker niet terug in de tijd. De wijk is nu anders – internationaler – en dat heeft ook zijn voordelen. Dankzij de mensen hier in de wijk weet ik vaak meer dan door het VRT-journaal.
Denk aan de eerste protesten tegen Bouteflika – dat wist ik voor de media er hier over berichtten – , de boycot van bepaalde producten in Marokko, de verkiezingen in Congo, de verzoening tussen Ethiopië en Eritrea. Zeker als buren weten dat je in bepaalde zaken geïnteresseerd bent, spreken ze je daar over aan.
Zou u zelf ooit verhuizen?
We denken daar wel eens over na. Mijn vrouw suggereert soms om terug in Schaarbeek te gaan wonen. Maar meestal besluiten we dat we hier graag wonen, net omdat het een dorp is en we iedereen wel kennen, oud of nieuw in de buurt.
Lieven De Rouck schrijft op zijn blog Lieven Brusselt over steden, stedelijkheid en Brussel. Zijn interview met Lucas Catherine verscheen eerder in het aprilnummer (nr. 246) van het maandblad Meervoud.
‘bonjour et bonsoir’ zegt hij
terwijl hij de blauwe bakken binnenhaalt
on prépare la journée de demain
we weten verder niets van elkaars dag en of de avond al begonnen is behalve dat de laatste zon uit de Rue Vanderstichelen vertrekt dat ik er graag ben en in gesprek geraak met een oude man die vertelt dat hij hier normaal nooit komt alleen vandaag dezelfde man die bij het buitengaan met zijn zak olijven ‘à la prochaine’ zwaait dat hij dus op een dag terugkomt ‘parce que c’est un magasin gentil’
que c’est vrai
de commerçanten zeggen dat ze buiten over mijn fiets zullen waken
dat ik op hen kan rekenen
dat ze kleingeld zullen bijpassen mocht ik ooit tekort komen
voor mijn kilo en half cacahuètes
dat dat veel is
‘we weten ook dat je ze uitdeelt, viens, schep nog een handvol bij’
en elke keer vragen ze wie deze keer de gelukkigen zijn
ze doen me twijfelen, terloops in de magasin du coin over mijn voorliefde voor onuitgesproken woorden aan het genoeg aan bonjour of bonsoir aan wie de gelukkigen zijn
er circuleren cacahuètes door de stad we stapelen blauwe bakken voorliefdes en à la prochaines op elkaar ‘ce que t’as eu, t’as eu et ce que t’as eu, tu as pour toujours’ genoegens sur des coins préparations pour demain
Jill Marchant is een Brusselse dichter-woordkunstenaar. Ze heeft een eigen blog: Verhaalgemaak.
Een tip voor wie een zwak heeft voor kamerplanten en op zoek is naar de passende interieurartikelen. Botawall is een stijlvolle en charmante pop-upwinkel bij het Jourdanplein.
“Think outside the plant pot,” staat er op een met de hand geschreven brief in de winkel. Botawall herinnert je eraan dat je je muren en het plafond van je appartement kunt gebruiken om meer groen in huis te halen. Decoratie hoeft niet altijd een fotolijst of een poster te zijn, maar kan ook een sierlijke plantenstaander of -hanger in staal zijn. Er zijn ook constructies voor klimplanten aan de gevel. De productie gebeurt in een atelier in Anderlecht.
Bloempotten in jute behoren ook tot het uitgelezen gamma, net als tafellakens en kussenslopen die gekleurd zijn met natuurverf op basis van plantaardige ingrediënten.
De in Bangladesh geboren Nasima Amin opende vorig jaar een webwinkel in plantenaccessoires. “Groen in huis geeft mij rust en een thuisgevoel. Ik ben ook graag creatief bezig met design en interieur”, zei ze aan Bruzz.
De pop-upwinkel van Botawall in L’Auberge Espagnole (Waversesteenweg 331, 1040 Etterbeek) is nog open tot 25 april, van dinsdag tot zaterdag, van 11 tot 19 uur.
Een maand lang heb ik geen druppel alcohol gedronken. Ik deed in februari voor het eerst mee aan Tournée Minérale. Een verfrissende, maar ook confronterende ervaring. Om de clou meteen weg te geven: gisteren heb ik al bier gedronken en vanavond staat er wellicht wijn op het menu.
Een maand zonder alcohol was niet de zwaarste beproeving die ik al gekend heb. Het concept heeft het voordeel van de duidelijkheid. Je legt jezelf iets op en je houdt je eraan. Ik drink door de band weinig alcohol thuis, maar wel graag en veel bij sociale gelegenheden. Als ik tegen mijn gezelschap ‘Tournée Minérale’ mompelde, kreeg ik een begrijpende blik, soms ook een reactie vol medelijden. Eerlijk gezegd: niet drinken is voor mij gemakkelijker dan het bij een of twee houden op een hele avond.
Het voordeel van Tournée Minérale is dat je ontdekt dat er meer en meer lekkere alcoholvrije alternatieven bestaan. Ik heb genoten van chose (pompelmoessap met tonic), de non-alcoholische Italiaanse aperitief Crodino, ginger beer, vlierbloesemlimonade en munt- of gemberthee. De alcoholvrije bieren stelden meestal teleur, maar Sportzot van de Brugse brouwerij Halve Maan is een uitzondering op de regel. Het sprankelende drankje heeft de volle smaak van mout en hop, aangevuld met citroentoetsen.
Ik kreeg ook meer begrip voor mensen die geen alcohol drinken. Ze hebben daarvoor verschillende redenen. Ze lusten het niet, moeten nog autorijden of werken, kunnen er slecht tegen, zijn zwanger of geven borstvoeding, houden zich aan religieuze voorschriften, voelen zich te moe, hebben een alcoholprobleem gehad. Het is ook om het even! Het is een vreemde omkering dat je je als volwassene moet verantwoorden omdat je geen alcohol drinkt. Terwijl alcohol een gif is dat de lever moet afbreken en dat schade kan aanrichten aan mens en maatschappij.
Niet drinken was een vaste gewoonte doorbreken bij etentjes, café-, concert- en theaterbezoeken en recepties. Had ik het soms moeilijk? Ik heb weleens geklaagd, ja. Ik miste het genot van een goed glas, de energie die alcohol opwekt, het spraakwater bij geanimeerde cafégesprekken, de lichte roes, de ontspanning die over je komt. Of klink ik nu als een hopeloze verslaafde?
Je hoort vaak dat je beter slaapt en meer energie hebt als je stopt met drinken. Dat kan ik niet echt beamen. Ik kon er evengoed geregeld ‘s morgens niet uit. Er zijn namelijk andere boosdoeners: te laat in bed, te lang doorwerken, te veel op de computer of de smartphone, te laat en te veel eten, te veel nadenken. Ook op financieel vlak heb ik weinig verschil gevoeld, omdat ik vaak voor duurdere niet-alcoholische alternatieven koos. Een enkele keer ben ik wellicht vroeger naar huis gegaan of ben ik ergens niet naartoe gegaan. Maar daar werd ik niet meteen een gelukkigere mens van.
Wat ik eruit haal, is dat ik bewuster wil drinken. Een geheelonthouder schuilt er niet in mij, maar ik wil wel slechte receptiewijn of doorsnee pils laten staan. Een avondje uitgaan, hoeft ook niet uit te draaien op bingedrinken. Bij drie zware bieren (en twee als vrouw) in twee uur tijd is dat al het geval. Maar wie zonder zonde is, werpe de eerste steen. Geniet van je drankje met of zonder alcohol. Proost!
The Barn heeft, na zijn eerste succesvolle biowinkel in Etterbeek, nu ook een filiaal in de Charleroisesteenweg in Sint-Gillis geopend. Op de openingsdag vrijdag heerste er een gezellige drukte en kon je proeven van een aantal producten.
De nieuwe winkel, 400 vierkante meter groot, heeft een uitnodigend etalageraam, waardoor je meteen een divers aanbod van bulkproducten ziet: peulvruchten, noten, gedroogde vruchten, rijst. Ook wijn, olijfolie en honing kun je in je eigen fles of potje meenemen. De koekjes zijn van het Brusselse merk Generous. De kaasstand is bemand en er is ook een selectie van broden. In de koelkast staan enkele slaatjes klaar voor wie op zoek is naar een gezonde lunch. En dan bots je op de ware sterren van de winkel: de smakelijk uitziende groenten en fruit. Alles is zonder fout in twee talen aangeduid.
Betalen doe je aan een van de zes kassa’s. De bediening bleek heel vriendelijk, maar nog niet gerodeerd. ‘Welke groente is dat,” kreeg ik horen, toen ik de knolselder gaf. De juiste Franse of Engelse naam wilde me niet te binnen schieten (“céleri euh”), maar de caissière ernaast wist gelukkig raad.
Wie alle producten wel kent, is Julien De Brouwer, die samen met Quentin Labrique de zaak runt. We spraken met hem.
Wat is het geheim achter het succes van The Barn?
We brengen een coherent verhaal. We bieden een kwalitatieve selectie aan van een 300-tal producten tegen een betaalbare prijs. We gaan voor de essentie, ook in de presentatie, en vermijden overbodige verpakkingen. We hebben een warm, direct contact met onze leveranciers. We geven de voorkeur aan lokaal, en als dat niet mogelijk is, Europees aanbod.
Er zijn heel wat biowinkels in Brussel. In deze straat heb je de Franse keten Bio c’Bon, maar je hebt ook de biomarkt Les Tanneurs, Färm, Origin’O, The Food Hub. Hoe onderscheid je je van de concurrentie?
We zien dat niet als concurrenten, maar als bondgenoten, die de mensen, net zoals wij, aanzetten om kwalitatief en duurzaam te eten.
Onze filosofie is simpel en bruut. We bieden maar één product per categorie aan. Eén witte en één rode wijn bijvoorbeeld. We hebben weinig stock en we draaien vrij grote volumes. Zo kunnen we het ook voordelig voor de klanten houden.
Het aanbod aan Belgische groenten en fruit is vandaag vrij beperkt.
Ja, het is helaas nog niet het seizoen. Maar vanaf april zal je veel meer blauwe bakken zien met lokale producten. Voor deze winkel werken we samen met Hilde De Boeck, een jonge boerin die op de educatieve boerderij Het Neerhof in Dilbeek op één hectare biogroenten teelt.
Waar ben je trots op?
Het is fantastisch dat we de voorbije twintig maanden zo goed onthaald zijn en dat we impact hebben op hoe Brusselaars zich voeden.
We doen geen concessies als het om onze waarden gaat. Onze meubels zijn van recuperatiemateriaal. Dat is het werk van de broers Gerard, onze schrijnwerkers. Niet verkochte voeding geven we weg aan sociale verenigingen. We willen de winkel ook CO₂-neutraal houden.
The Barn Sint-Gillis (Charleroisesteenweg 92) is elke weekdag, behalve dinsdag, open, van 10 uur tot 20 uur. Zaterdag sluit de winkel om 18 uur, zondag om 16 uur. Meer info op de website en Facebook-pagina.
Alles moet tegenwoordig opgeleukt worden. Je kan niet gewoon meer door de stad wandelen en zien wat je zou willen zien: een rustig, groen park waar je doorheen kan slenteren, met enkele banken en een fontein. Een plein waar je even kan vertoeven om vogels te observeren, met een kiosk en een stuk of wat standbeelden. Een straat die naar de kerk leidt met hier en daar een winkel: de bakker, de beenhouwer en een apotheek.
Winterpret
Een park wordt dezer dagen gepimpt met kilometers lampenlinten, schijnwerpers die de bomen afwisselend in geel, rood, paars en blauw uitlichten en van spuitende fonteinen een nog unieker spektakel moeten maken. De meeste keren is er ‘iets’ te doen, de plaatselijke jeugd is neergestreken om er luidkeels zijn stripverhalen en andere rommel te slijten, er moet keihard popmuziek knallen uit de grote boxen van een stereoketen op jaren die ook te koop wordt aangeboden.
In een ander park wordt de nieuwe “fit-o-meter” of hoe dat ding ook mag heten ingehuldigd en honderden mensen, begeleid door boem-kadzjiing-iiiep-iiiep-‘muziek’, rennen joelend tientallen rondjes en draaien, hangen en springen in het rond op de nieuw geplaatste toestellen. Of een of andere gemeenschap – de Portugezen, de noeste Noren, de Friuliërs, Canadese jagers of Hasseltse houthakkers – houdt haar jaarlijkse volksfeest en rookt de ganse buurt uit met haar gegrilde vis, gebraden rendier, gevulde lebmaag, gestookte jenever of whatever.
Ieder stadsplein wordt voortdurend ingenomen door hetzij een ijsbaan, hetzij honderden kerstkramen, een reuzenzandbak, een springkasteel zo groot als een half voetbalveld, een bloementapijt, een crossparcours, een kermis. Afwisselend wordt het plein bezet door de jeugdbeweging, de kinderopvang (het speelplein wordt dan letterlijk een pleingebeuren!), voetbalsupporters, de atletiekclub, de plaatselijke neringdoeners, de marktkramers.
Voor deze laatsten is het oorspronkelijk bedoeld, peins ik, pleinen waren een plaats waar het volk enkele keren per week samenkwam om te ruilen, te onderhandelen, te babbelen. In een verder verleden werden er ook al eens zaken beslecht en vonnissen uitgevoerd. In de middeleeuwen kwamen bij hangen, trekken en vierendelen kijklustigen elkaar verdringen op het dorpsplein.
Nu zijn er dus andere brood en spelen! Bij ieder pleinevenement klinkt steeds de obligate niet te negeren muziek, en wordt de locatie zodanig versierd dat er vooral niets oorspronkelijks meer te zien is. Daarbij al dan niet aangename geuren, verspreid door eetstallen die hamburgers, frieten, dürüms, pizza’s en oliebollen aan de man brengen. Wil je toevallig aan de andere kant van het plein zijn, moet je overal tussendoor laveren. Laatst vond ik als voetganger de entree van de parkeergarage niet terug omdat ik letterlijk doorheen alle (kerst)kramen de weg niet meer zag, er was geen doorkomen aan. Iemand van het parkeerbedrijf wist ook niet waar ik doorgang kon vinden. Uiteindelijk werd ik ter plaatse gebracht door een ‘geel hesje’ dat het gemotoriseerd verkeer omheen het drukke plein stond te regelen.
Winkelstraten zijn wat ze zijn, één aan elkaar geregen reeks van winkels die overal ter wereld dezelfde zijn. Ook hier word je meegezogen in een kolk van muzak en blazend lawaai. Grote kledingzaken hebben zelfs bij vrieskou de deuren wijd open om je naar binnen te lokken met een warmwindmachine. Voor mij is winkelen een noodzakelijk kwaad om een voorraad voeding in te doen, het is zeulen met zakken vol dagelijkse benodigdheden. Shoppen daarentegen, dat schijnt je van het te zijn. Winkel in winkel uit en alle pashokjes verkennen, mee neuriënd met de onontkoombare kwelerige hits. Neon- en ander licht verblindt je. Gegarandeerd krijg ik hiervan schele hoofdpijn binnen het kwartier.
Je kan je voorstellen dat de kerstperiode niet erg aan mij besteed is. Ik leg dan op voorhand nog grotere voorraden voedsel aan en kom zo weinig mogelijk buiten. Het dagelijks brood gaan halen is bijna een kwelling. Liefst zou ik twee weken onder mijn dekbed willen liggen slapen, lezen, eten. Pas na de jaarwisseling kom ik mijn hol weer uit.
Op de eerste dag van het jaar komen we gewoonlijk samen met de familie. Wat vroeger een gezellige, rustige uitwisseling van de beste wensen was met een hapje en een drankje (type ‘potluck’) is ondertussen echter een beetje ontspoord in de richting van de ‘opleuking’. Het feestje in iemands living moet zo nodig opgeluisterd worden met tv-beelden van open haard, plaatjes van besneeuwde bergen, watervallen, eindeloos machtig ogende bossen waar roofvogels van reuzenformaat over cirkelen. Het is onschuldig hoor, niemand heeft er iets kwaad mee in de zin. Maar helaas, mensen kunnen op die manier niet normaal meer praten met elkaar. De aandacht wordt weggezogen naar het bewegende licht op tv, de bijhorende natuurgeluiden en muziekjes op de achtergrond (in stereo- en soms zelfs quadrofonie) overklinken en verstrooien de stemmen, de gespreksonderwerpen worden voornamelijk bepaald door de wisselende zaken die je op dat grote, gebogen scherm ziet. Je wordt nauwelijks of niet gehoord door deze bijkomende pregnante informatiebronnen.
Na enkele uren stap je geheel verzadigd – want heus veel lekkers! – en toch een beetje gefrustreerd in de auto om de lange rit naar huis aan te vatten met op de achtergrond … the sound of silence!
Mattie Billen schreef deze tekst voor de blog Pierewit.