Een glimp van het geloof op Valentijn

Het vierde nummer van het Brusselse interreligieuze magazine Glimp is uit. Het thema van de valentijnseditie is de liefde. Koppels met een andere levensbeschouwelijke achtergrond gingen met elkaar in gesprek tijdens double dates.

“Brussel is een betere matchmaker dan Tinder. Er zijn in de stad zo veel activiteiten en kansen om fijne mensen te ontmoeten”. Dat zei Bianca Debaets, Brussels staatssecretaris voor Gelijke Kansen, bij de voorstelling van het magazine. Koppels delen vaak eenzelfde levensbeschouwing, maar niet altijd. Brussel is volgens Debaets “een stadsmozaïek van religies”.

De geselecteerde koppels in het nummer zijn inderdaad divers. Rahel en Sebastian zijn een Zwitsers-Belgisch echtpaar met een protestants-evangelische overtuiging. Jeremy en Natalie zijn ingeweken uit de Verenigde Staten en belijden het anglicisme. Theodora en haar man Georges zijn orthodox. Miłka, een Poolse atheïste, is samen met Roger, een niet praktiserende Argentijnse jood. François en Baptiste zijn een protestants homopaar. Mathias en Elisabeth zijn allebei vrijzinnig, David en Shelly joods en Ihsane en Youssef moslim.

Het blad wil de interreligieuze dialoog op gang brengen en legt de focus op de vele gelijkenissen, en niet op de verschillen. Koppels vinden elkaar in de eerste plaats in gedeelde interesses en waarden. De religieuze overtuiging van de partner speelt een rol, maar ook de culturele achtergrond en uiteraard de persoonlijkheid. Elk stel heeft zijn rituelen. Kinderen opvoeden, betekent waarden doorgeven. Vrienden met een andere levensbeschouwing openen je geest voor de wereld, zegt Ihsane.

In onze geseculariseerde samenleving wordt religie meer en meer als een privézaak gezien. Ikzelf kom als katholiek opgevoede atheïst, buiten de zondagsmis op radio en tv, nog weinig in contact met het geloof. Glimp geeft een boeiende inkijk in de wereld van diepgelovige mensen. Rahel: “Ik zie God aan het werk in wat Sebastian doet en dat maakt me zo verliefd op hem.” Sebastian: “Ons huwelijk was al lang vastgelopen zonder ons geloof.” Nathalie: “Het doopsel van onze dochter wilde zeggen ‘Jij behoort tot deze familie.'” Ihsane: “We bidden vijfmaal per dag. Het zijn belangrijke rustpunten tijdens de dag, ogenblikken waarop je even ophoudt om je te bezinnen.” David: “De sabbat staat voor delen, het openstellen van de tafel.”

Blijft de vraag of het blad religie en kerklidmaatschap niet eenzijdig beschouwt als een positieve kracht. Godsdiensten en mensenrechten, het blijft immers vaak een moeilijk huwelijk. Zie de gelijkstelling van mannen en vrouwen en de aanvaarding van andere geaardheden dan de heteroseksuele. Ook wetenschappelijke inzichten zoals de evolutieleer botsen op tegenstand. Veel bloedige conflicten wereldwijd hangen samen met godsdienst en religieus fundamentalisme is een bedreiging voor vrijheid en democratie. Maar net daarom is dialoog tussen mensen die in dezelfde stad wonen ook van cruciaal belang.

Glimp is online beschikbaar op de website en ligt in gedrukte vorm ook in openbare plaatsen, zoals bibliotheken, scholen en jeugdverenigingen.

“Steden groeien te snel.” Filip Canfyn over de inclusieve stad

De meeste stadsonderzoekers en -auteurs schrijven doorwrochte studies, boeken en essays. Sommigen wagen zich aan een opiniestuk voor een breder publiek. Filip Canfyn doet die zaken ook, maar hij schrijft ook columns. Zijn spitse columns ‘Steen en Been’, geschreven met kennis van zaken en ook nog eens ad rem, zijn wekelijks te lezen op architectura.be. Even recht voor de raap is zijn boek ‘Het syndroom van Verkavelingsvlaanderen, een radicaal pleidooi voor stedelijk wonen’.

Canfyn is burgerlijk ingenieur-architect en was directeur bij projectontwikkelaars, directeur stadsplanning en -ontwikkeling van Stad Kortrijk en gastdocent aan Sint-Lucas. Hij heeft aandacht voor de problemen van de suburbanisatie en voor de voordelen van de stedelijke creativiteit, maar bouwt zijn discours vooral op expliciet klassiek-linkse thema’s zoals diversiteit en inclusie, recht op wonen, gelijkheid en ongelijkheid.
Na vier andere publicaties schreef hij recent zijn eerste roman. ‘Lysboa (Lyssabon)’ vertelt het vergeten verhaal van Portugese soldaten aan de oevers van de Leie tijdens de Eerste Wereldoorlog. We zouden elkaar treffen met diezelfde Portugese vibes in Cantinho da Cidade in de Argonnestraat nabij het Zuidstation. Dat lukt niet, dus wordt het Eetcafé De 7 Zonden in die andere thuishaven, Kortrijk. Canfyn nipt van een blauwe Bockor, de lokale arbeiderspils en zijn lievelingsbier, voor hij aan zijn exposé begint.
Een boek over Lissabon. Mogen we daaruit afleiden dat Lissabon uw lievelingsstad is?
Dat weet ik niet. Parijs en Rome horen ook bij mijn favorieten. Parijs ken ik door en door binnen de ‘péripherique’ (de Boulevard Périphérique, de ringweg rond Parijs, red.). Vroeger verbleven we er tot drie keer per jaar, elke keer in een andere buurt, waar we dan echt enkele dagen ‘woonden’. Met andere woorden, we verlieten die buurt zelfs niet en zo leerden we die beter kennen. Van Rome ben ik ook fan. Ik ga er elk jaar zeker een keer heen. Ik ga er ook rugby kijken in het Olympisch stadion.
New York is voor mij mythisch. De ongelijkheid is er wel zeer aanwezig en zeer stuitend. Wat je daar betaalt om een dag te parkeren, is een veelvoud van wat de parkeerwachter, meestal een zwarte, daar op die dag verdient – terwijl er tientallen of honderden auto’s staan.
Lissabon ken ik inderdaad goed en ik zou er kunnen wonen, maar ik word, zoals de inwoners zelf, het slachtoffer van het succes van de stad. Ik erger me aan de aanwezigheid van toerisme en meer bepaald Airbnb. Ik vind Lissabon zeer boeiend, omdat de stad mediterraan en zelfs zeer Afrikaans is. Bovendien boeit de specifieke politieke geschiedenis met staatshoofd António de Oliveira Salazar (1889-1970) me enorm – een politieke geschiedenis met een wrede kolonisatiesmaak en uitlopers tot de Eerste Wereldoorlog in Vlaanderen, zoals ik beschrijf in het boek. Salazar regeerde liefst tot 1968, en ik voel me verwant met de verknechte Portugezen. Dat werkt door tot in de fado. Ik kan huilen als ik fado hoor. Ik ben zeven jaar op rij naar Lissabon geweest om die stad te leren kennen en wandel dan vaak rond.

Bent u enkel onderzoeker of ook stadsobservator? Hoe belangrijk is rondlopen in de stad?
Zeer belangrijk. Je kan niet beweren bezig te zijn met stedelijkheid zonder er interesse van binnenuit voor te tonen. Door rond te lopen heb ik steden als Brussel, Antwerpen en Gent goed leren kennen.
Ik fotografeer veel, met veel aandacht voor kleuren en patronen. Ik observeer hoe mensen wonen en leven. Welke cafés en restaurants zijn er? Waar wonen welke mensen? Hoe verhouden wijken zich tot elkaar? Dat zijn boeiende vragen.


(c) Filip Canfyn

Ik ga ook langer dan de meeste mensen. Ik verkies geen citytrip van 3 dagen, maar 5 of 6 dagen om een stad of stadsdeel echt te leren kennen.
U hebt veel kritiek op het beleid in onze steden. Welke steden binnen of buiten België doen het goed?
Ik heb bewondering voor Mechelen. Vergeet niet dat Mechelen op een bepaald moment echt verloederd en vuil was en qua bevolking zowel ‘zwarter’ was als ‘bruiner’ stemde dan Antwerpen. Een échte clash behoorde tot de mogelijkheden, maar men heeft dat kunnen afwenden en een positieve dynamiek in de stad kunnen brengen. Burgemeester Bart Somers heeft daar zeker zijn verdienste in. Natuurlijk is hij een echte marketeer en heeft hij dat niet alleen gedaan, en als ik zijn boeken lees, vind ik het vaak onzin. Maar hij heeft zeker gezorgd voor een positieve vibe voor die stad en die negatieve spiraal keren is wel een prestatie. Ook nu zoekt Somers niet de communicatieve tegenstellingen om zich te profileren. Hij voert beleid – een lik-op-stukbeleid én een inclusief beleid – en voert het debat niet alsof het of/of is, want dat is het ook niet.
Ik ben op mijn hoede om buitenlandse steden te noemen. Over Vlaanderen en Vlaamse steden spreek ik met kennis van zaken. Over buitenlandse steden ken ik veel, maar te weinig om zo’n vraag gedegen te beantwoorden.
Barcelona vind ik wel fascinerend. Ik was aangenaam verrast door een model van reconversie van begin deze eeuw. Toen hebben ze in een gebied met voormalige stedelijke nijverheid – in de buurt van Torre Agbar van Jean Nouvel – twee zaken gedaan. Ten eerste kwam er overal internet. En ten tweede kwam er een stedenbouwkundige norm die een vloeroppervlakte van maximum de grondoppervlakte voorschreef. Met andere woorden, je mag evenveel oppervlakte bebouwen als de bouwgrond zelf. Als je veel oppervlakte inneemt, bijvoorbeeld voor een atelier, mag je niet hoog bouwen. En omgekeerd: als je in de hoogte bouwt, moet je ook meer ruimte open en groen laten. Niet minder en niet meer. Die maatregel was zeer succesvol in het heractiveren van de stad. Daar kwamen IT-start ups, artiesten, enz.
Ik zie nu ook wel de overkolonisatie door het toerisme in Barcelona. Door Airbnb en dergelijke worden de locals verdreven, maar dat is in vele steden zo. Anderzijds is de evolutie in steden als Londen ook niet goed, waar – bij wijze van spreken – enkel rijke Russen komen wonen.
Steden groeien te spontaan. Verstedelijking zien we als een natuurlijke proces en van bidonvilles schrikken we niet meer. Ik geloof daar niet in. Plannen is altijd essentieel. Natuurlijk kan je niet alles plannen. Het probleem is alleen dat we vaak te laat ingrijpen, wanneer de problemen zich al scherp stellen. Als we wachten tot we het probleem zien en dan pas nadenken over een oplossing, kost het nog tijd en geld om het uit te voeren. En hebben we dus veel tijd verloren. En dan blijkt dat de overheid op het einde van de rit niet zo veel kan oplossen, als ze niet mee stuurt van in het begin. En eigenlijk houden we niet van dat vooraf plannen. Het model ‘we doen maar, de overheid moet zich niet moeien, de gevolgen of problemen zijn voor een ander en desnoods moet diezelfde overheid het maar oplossen’ krijgt de voorkeur. Omdat we zo – op het protectionistische en repressieve af – kunnen beschermen wat we hebben.
Maakt u dat eens concreet.
In Vlaanderen loopt alles door elkaar: stad, platteland, suburbaan Vlaanderen. Dat zorgt voor drie even concrete als reeds bekende zorgenkindjes: ruimte, energie en mobiliteit. We wonen met steeds meer in een sowieso dichtbevolkte regio. Als we zo verder gaan, bouwen we Vlaanderen helemaal vol en vernietigen we alle open ruimte. En doordat we niet nadenken over wonen in relatie tot werken pendelen veel mensen met de auto, met immense files tot gevolg. Ooit zal het helemaal stilstaan.
Ten slotte verspillen we veel energie en blijven we CO2 en fijn stof uitstoten als we slecht gelokaliseerd blijven wonen en bouwen én alles met de auto doen. We willen allemaal behouden wat we hebben en blijven leven, bouwen, pendelen, zoals we nu doen. Dat heeft te maken met een aantal zogenaamde vrijheden: ik kies waar ik woon, hoe ik woon, en neem mij dat en mijn auto niet af. Dat is wat Hugo Matthijsen de buxusgordel en het buxusdenken noemt. Maar die drie uitdagingen zullen we allemaal als problematisch ervaren als we niks doen en het helemaal fout loopt. Je kan de fles niet blijven vullen. Ooit loopt ze over. En we zitten vlakbij rampscenario’s. Vroeger was er ruimte zat, energie zat, mobiliteit was geen probleem: the sky is the limit. Maar dat is toen en we zitten niet meer in die situatie.
Als je dieper gaat kijken, gaat het ook over meer dan dat. Het betreft eveneens andere thema’s zoals gelijkheid en ongelijkheid, diversiteit. Willen we gelijkheid of willen ‘we’ houden wat we hebben, zelfs als maatschappelijke ongelijkheid daarvan de consequentie is? Ik ben daarover erg pessimistisch.
Hoe moeten we de link zien tussen ongelijkheid en stedelijkheid?
Ik heb zes jaar gewerkt voor de Stad Kortrijk. Elk jaar hebben we gemeten wie de stad verlaten heeft en wie erbij gekomen is. In Kortrijk verlaten nagenoeg evenveel mensen de stad als er mensen komen wonen. De vertrekkers zijn dertigers, vaak met een beginnend gezin, die een huis willen kopen. De mensen die aankomen zijn de eenoudergezinnen, alleenstaanden en grote gezinnen die een huis moeten huren. Die beweging is in alle steden gelijkaardig en bevestigt de stadsvlucht door de middenklasse. Een stadsvlucht die we trouwens subsidiëren, denk aan de woonbonus en de salariswagen.
Gentrificatie is in die context eigenlijk niet significant: er zijn toch te weinig hoge inkomens die in die wijken met lagere inkomens komen wonen. Daarom ben ik ook eerder mild voor gentrificatie, in tegenstelling tot vele critici. Alleen is er overdreven veel aandacht voor de jonge, hippe, goed verdienende stedeling. In de realiteit buiten de media is die nog steeds helemaal niet de norm. Dat zie je ook in Brussel, waar kansarmoede in het centrum manifest aanwezig is. In alle grote steden in het buitenland worden de armen buiten de stad geduwd, naar de banlieues.
Er is een fantastisch boek van Dyab Abou Jahjah, “De stad is van ons“. Hij schuift drie scenario’s naar voren. Die zijn al overgenomen in urbanistische, academische literatuur. Optie één: we laten de steden helemaal verpauperen en sluiten ze af van het hinterland. Isolatie en repressie dus. Een soort ‘gated community’ van buitenuit. Tweede mogelijkheid: we evolueren naar middenklassegetto’s in de stad, met de verpaupering weggestopt van de feeststad. Camouflage en decoratie. De derde en laatste optie is de echt inclusieve stad.
Optie 1 vinden we meestal toch wel een brug te ver. Dus verkiezen we impliciet de tweede optie, aangezien optie 3 niet realistisch is. Je voelt dat we nu in het tweede model zitten. Maar we evolueren niet in de goede richting: we verminderen en beperken de mogelijkheden tot inclusie. Bijsturen richting meer inclusie gebeurt meestal traag en tegen de zin van velen, enkel omdat de alternatieven nog erger zijn.

Wat betekent inclusief voor u?
Het tegengestelde van exclusief. Ik wil geen stad enkel met en voor rijken. Of enkel met en voor armen en gekleurden. Ik heb het niet over ‘de middenklasse terug naar de stad’, want dat is een nietszeggende oneliner. De middenklasse is zo breed en 80% van de bevolking valt eronder. Alle partijen, ook de linkse, mikken op die 80%. De rest zijn 5% rijken en 15% armen. Die 15% is wel oververtegenwoordigd in de stad, maar politiek nauwelijks vertegenwoordigd.
Als die grote groep ‘middenklasse’ de stad helemaal verlaat en de anti-sfeer rond de stad voedt, evolueren we naar het eerste model van Abou Jahjah en dat is gevaarlijk. Als je almaar zegt dat iets een vuilnisbak is, is dat een self fulfilling prophecy.
Moeten we meer en sneller bijbouwen?
Er is nood aan grootschalige renovatie van onze steden. Je zou hele buurten moeten aanpakken. Maar dat is moeilijk in ons model van versnippering van eigendom. Er is ook veel te weinig sociale huisvesting – en dat is een fundamentele onrechtvaardigheid. Dat is historisch zo gegroeid, vanuit het ideologische beleidsverleden met de christendemocratische partijpolitiek die prioritair andere vormen van wonen wilde subsidiëren.
Ons sociaal model is zeker niet slecht. Kijk naar gezondheidszorg, dat zit snor. Idem voor ons onderwijs. De grootste lacune zit in het derde grondrecht, het huisvestingsbeleid. Is dat rechtvaardig? Woont iedereen in waardige omstandigheden? Het baart me evenwel zorgen dat we dat niet kunnen oplossen, dat het beleid de verkeerde maatregelen neemt. We hebben evenwel geen tijd meer, als je kijkt naar het demografische spook. Kijk gewoon naar de Brusselse demografie, dat is een bom die tikt; gelet op de bevolkingsgroei tussen nu en 2020, 2021, 2022.
Ik heb niks tegen appartementen maar pleit er ook niet voor. Hetzelfde met hoogbouw. Alleen weiger ik verdichting exclusief te koppelen aan het bouwen van appartementen. Dat laatste is een misvatting, die past in het kraam van de bouwlobby die private winstmaximalisatie wil per vierkante meter.
Verdichting is perfect te realiseren met rijwoningen. Dat heeft te maken met architecturale, stedenbouwkundige logica’s en berekeningen. Vergeet niet dat als je in de hoogte gaat, er andere regels spelen waardoor het resultaat niet per se denser of intelligenter is.
In Brugge heb ik ‘t Pandreitje gerealiseerd. We realiseerden daar 100 woningen per hectare. Dat ga je niet snel halen met appartementen, tenzij met zeer kleine flatjes.Een appartement als woonvorm hoeft niet de norm te zijn. Een grondgebonden woning, dus rijhuis, blijft voor mij de norm. Ik normeer dat vanuit sociaal oogpunt: wie hoger woont kan bij de andere binnenkijken en grijpt dus in op diens privacy, wat voor spanning zorgt. Daarom prefereer ik de rijwoning, de woning op de grond, waarbij iedereen op dezelfde hoogte woont en niet bij de andere binnenkijkt.

Dat pleidooi voor het rijhuis hoor je weinig. De Vlaamse bouwmeester pleit voor kernversterking en daarbij ook voor appartementen en hoogbouw.
Ik heb de indruk dat hij stilaan terugkeert op die visie. Of tenminste, op die communicatie. Omdat hij beseft dat zijn beeld van ‘iedereen naar de stad’ of ‘de woontoren in het dorp’ niet het juiste signaal was en is.
Wij pleiten wel beide voor herdorping. Dat is ook kernversterking. Nog steeds lopen de dorpen leeg terwijl de lintbebouwing op de verbindingswegen of de verkavelingsblokken tussen de dorpen blijven toenemen. Het municipalisme versterkt dat: elke gemeente heeft een extreme autonomie inzake ruimtelijke ordening en wil groeien qua inwoners. Uit prestige of omdat er financiële voordelen zijn voor de gemeente en haar bestuurders. Maar men groeit niet in de kernen – want daar denkt men niet over na – en intussen lopen die leeg en vertrekken de bakker en de slager. De dorpen hebben wel een B&B voor de toeristen die rust zoeken, maar geen café meer voor de eigen dorpsbewoners. Net zoals het dorpsschooltje dat niet meer leefbaar is. Ouders sturen hun kinderen niet meer naar een school waar ze wonen, maar op de weg tussen woon- en werkplaats. Ik zie dat met lede ogen aan.
Moet de overheid een groter aandeel van de woningmarkt beheren?
Ik heb niet de illusie dat we de huidige tendens kunnen omkeren. Ik probeer realistisch te zijn. ‘Boven’ het segment van de sociale woningen, met name huurprijzen van 600-700 euro, kunnen de overheden wel veel meer doen. Op de private huurmarkt moet je al hard zoeken om iets te vinden voor die prijs. Op de private koopmarkt kunnen die mensen uit de lagere middenklasse sowieso al niet terecht. Die ‘dalen af’ tot de huurmarkt. Let op de uitdrukking die men daar in Vlaanderen aan geeft: ‘afdalen’.
Daarom pleit ik ervoor – voorlopig zonder succes – dat de lokale besturen, de steden zelf veel actiever worden en zelf haalbare woningen bouwen met een hoge densiteit om op de koopmarkt te plaatsen. Zij hebben vaak nu al veel gronden en gebouwen in hun bezit. Is dat communisme? Tja, dan zijn ons onderwijs en onze gezondheidszorg ook communistisch. Of gaan we die ook privatiseren. Als een stad zoals Gent per jaar een 1000-tal betaalbare woningen zelf op de markt zou zetten, zouden de markt en het concurrentiemodel in een stad helemaal veranderen en zouden de prijsstijgingen niet leiden tot onbetaalbare woningen.
Er zijn ook andere modellen denkbaar. Op dit moment is er een zeer persoonlijke verhouding tussen de verhuurder-eigenaar en de eigendom. We zouden beter eigendom en bezit losmaken van het product. Je koopt dan bijvoorbeeld een aandeel in een appartement en je krijgt de garantie dat het verhuurd wordt, met andere woorden dat er inkomsten zijn. Zoals met de SVK’s nu, maar dan in een iets hogere prijsklasse. Na negen jaar wordt het aandeel verkocht tegen een prijs die op voorhand afgesproken is – met een bepaald rendement dus -, en de huurder heeft een voorkooprecht. Dus de privémarkt bouwt en investeert, de particulier betaalt, en de overheid legt de regels vast. Zo kan een contingent woningen op de markt komen in een rollend fonds, gestuurd naargelang de noden.
Maar in Vlaanderen is dat blijkbaar onbespreekbaar. Het andere uiterste is de totale vrije markt, qua financiering, en de totale deregulering qua voorschriften. Maar dat model is zeker gedoemd om te mislukken.
Als het over inclusiviteit gaat, is er ook een ander item. Zijn er nog zogenaamde aankomstbuurten?
Die zullen altijd nodig zijn. Dat heeft vooral met netwerken te maken. Ik heb lang een Somaliër als buur gehad. Die was eerst ingenieur bij Barco en had daarna een belwinkel. Er is in Kortrijk een significante Somalische aanwezigheid, en dat is wellicht volledig op zijn conto te schrijven. Dat heeft niks te maken met zwarte circuits en schimmige zaakjes. Mensen zoeken wie hen kan helpen. Vaak mensen die de taal spreken en toch de nieuwe leefomgeving ook al kennen. Denk ook aan de Turken in Gent.
Dat betekent niet dat ze daar blijven wonen. De aantrekking en de groei van pakweg Brussel zijn er niet door de nieuwe rijke stedelingen, maar omdat het de ‘aankomststad’ bij uitstek is. De stad of buurt blijft wel statistisch arm, maar daardoor heb je – onterecht – de indruk dat de inwoners arm blijven. Wat we niet zien in de statistieken, is dat een arme migrant sociaal mobiel is, zijn positie verbetert, verhuist en vervangen wordt door een nieuwe arme migrant. Die realiteit is genuanceerder, en positiever.
Ik neem elke morgen de trein Kortrijk-Oudenaarde-Zottegem-Denderleeuw-Brussel. Tijdens de spits zie ik dan zo vanaf Zottegem de depressieve pendelaars opstappen. Het gezin woont in een verkaveling op het zogenaamde platteland en de moeder des huizes moet in Brussel ergens op een computer gaan tokkelen om dat huis af te betalen. Maar als ik dezelfde trein twee uur later neem, zie ik Afrika op die trein. De hele regio Aalst-Ninove-Denderleeuw weet dat al te goed: de Afrikanen uit Brussel komen naar daar. Zij vormen een nieuw deel van de middenklasse. Zij komen daar bewust wonen omdat ze het beter, misschien veiliger, vinden dan in Brussel, het woonaanbod in Brussel beu zijn en omdat ze er mensen kennen.
Een inclusieve stad, is dat ook een stad met sociaal ‘gemengde’ buurten ?
Ik ben voor inclusiviteit, en dat impliceert ook: voor sociale mix. Ik had het reeds over het verlies van de (jonge en nieuwe) middenklasse. Maar het mag zich niet beperken tot inzetten op die groep. Ik erger me eraan dat zogenaamde sociale mix altijd eenrichtingsverkeer is: de injectie van rijken en middenklasse in armere buurten. Ik heb nog nooit iemand horen pleiten voor sociale woningen in een rijkere buurt of villawijk onder het motto van sociale mix, terwijl dat ook nodig is. Vandaar mijn wat cynische houding als ik politici hoor pleiten voor sociale mix. Wellicht vrezen ze scenario’s zoals de familie Flodder.
Wat exclusief is, in de objectieve betekenis van dat woord, is nooit gezond. Noch in Molenbeek noch in de villawijken. Er is natuurlijk wel mix, zelfs in Molenbeek. Maar te weinig, lijkt me. Een believer als Eric Coryn blijft wel geloven in de stad met haar superdiversiteit, zonder meerderheid maar met meerdere minderheden die kunnen samenleven. Dat siert hem.
Gelooft u er in?
Ik geloof niet in die homogene buurten, dus ook niet in Molenbeek. Er zijn natuurlijk wel enkele aantal merkwaardige shifts in ons denken en spreken. Twintig jaar geleden was onze maatschappij overal homogeen, namelijk het autochtone blanke Vlaanderen. Later spreekt men over diversiteit. Nog recenter spreken academici over superdiversiteit. Intussen vinden wij de homogeniteit van vroeger vies in de stad, en zoeken we homogeniteit – onze homogeniteit – buiten de stad.
U beschrijft hoe culturen en gemeenschappen kunnen ‘botsen’ : “die moleculaire botsing tussen mensen leidt tot maatschappelijke vernieuwing in de meest brede zin. Een stad gaat ontegensprekelijk over energie en daarom ook over creativiteit.” Is die botsing altijd positief?
Ik zei dat op een lezing bij de opening van een cultureel centrum, en dat leek mij de plaats en het moment voor zo’n uitspraak. Ik wilde met name de volgorde en hiërarchie van de vier kenmerken van de stad duidelijk maken. Tegenwoordig denkt men enkel nog aan het vierde en laatste kenmerk, de creatieve stad, terwijl men de drie andere negeert: om te beginnen dichtheid en ruimtelijke concentratie; daarna functionele concentratie van activiteiten; en ten derde diversiteit. Die drie vormen de voorwaarde voor stedelijke creativiteit, niet omgekeerd, dus moeten die drie ook beheerd worden. In een stad wonen mensen vooral.
Maar inderdaad, uiteraard zijn er conflicten en gaan andere culturen soms anders om met de openbare ruimte. Dat verloopt niet vlekkeloos. Ik was onlangs in het terecht bejubelde Park Spoor Noord in Antwerpen. Zoveel jaar na de opening in 2008 zie je dat de zogenaamde ‘baarden’, de hipsters, aan de ene kant op het terras zitten met hun gin tonic of kruidenthee en dat de zogenaamde ‘kopvodden’, de niet-blanken, aan de andere kant zitten. Ik kreeg tranen over mijn wangen van blijdschap, toen het park net open ging en er wel nog mix van mensen en activiteiten was. En nu is het al om zeep.
Hoe ziet u het dan concreet in de steden? Hoe realiseren we die inclusiviteit en mix?
Daar schrijf ik uitgebreid over in mijn nieuwe, nog te verschijnen boek. Ik pleit voor het steunen van de zittende bewoners. Ik ben zeer trots op wat we in Kortrijk gedaan hebben qua bouwblokrenovatie in de Pluimstraat. Die mensen betaalden meer elektriciteit dan huur. Dat zegt genoeg over de staat van de woningen. 70 van de 150 woningen in die straat werden aangepakt. Revolutionair! We zijn begonnen met micro-renovaties, waarbij zelfs eigenaars-verhuurders renovatiepremies aanvroegen, wat zelden gebeurt want vaak is er voor hen geen voordeel. Vele huurders hadden voor het eerst centrale verwarming in plaats van elektrische vuurtjes, en voor het eerst stromend water, en ramen die een beetje deftig geïsoleerd werden. De politici waren niet echt overtuigd. Zij hebben liever grote, zichtbare projecten waar ze kunnen mee uitpakken. Dit was hen te kleinschalig.
Een aansluitende vraag: bestaan buurten trouwens nog? De buurten zijn verdwenen, net zoals het volkscafé. Er komen wel inkomensbuurten, maar dat is iets anders. Dat is een criterium voor vastgoed-makelaars. Het valt me helaas wel op dat er meer financiële homogeniteit is binnen wijken dan vroeger, maar die homogeniteit zegt niet per se iets over sociale samenhang.
U hebt het vaak over de oneerlijke concurrentie tussen tussen stad en platteland.
De perceptie zit niet goed. Al jaar en dag is de woningprijs binnen en buiten de stad objectief en typologisch zeer gelijkaardig. En toch horen we dat de stad veel te duur is. Maar het aanbod in de stad is kwalitatief zwak in vergelijking met het aanbod buiten de stad. Wij vullen ons woonpatrimonium aan met slechts 1% per jaar. Die 1% nieuwe woningen komt in alle boekjes en is zeer visibel, maar is niet representatief voor de stad. Vandaar mijn pleidooi voor ambitie op de stedelijke woningmarkt. Slimme huisvesting is prioritair om meer mensen naar de stad te lokken. Met aandacht voor de kwaliteit en bereikbaarheid. Omwille van de beeldvorming rond de kwaliteit ook.
Bovendien blijft de Vlaming de rust van het platteland bewieroken. Mijn dochter heeft haar derde kindje. Hun leven staat in het teken van verplaatsingen met de wagen naar het werk, naar de crèche, naar de school. Wat een organisatie. Rust? Welke rust? Ik zie enkel hectiek.
U zegt dat we de stad moeten promoten door middel van de “drie-eenheid van kern, rand en land”.
In Antwerpen is alles buiten de singel rand. En Ekeren is bijna ‘land’ hé. Net zoals de Woluwes in Brussel. Dat bedoel ik met die termen. Maar die gebieden bevinden zich wel allemaal in de administratieve stad. Met andere woorden : in de stad heb je ook suburbia, ook buurten met een ander leefcomfort dan het historische centrum of de uitgaansbuurt. Daar kan ook verdicht worden zonder aan de leefkwaliteit te raken.
Die buurten zouden steden meer moeten uitspelen: woonbuurten die mensen aanspreken, en niet enkel hippe promotie van de dure binnenstad voor een eerder select publiek. Ik ga de stad niet ontheerlijken, maar ook niet verheerlijken.
Anderzijds beweert u te gruwen van – nogmaals een citaat “het introduceren van suburbane waarden in de stad, veiligheid, kindvriendelijkheid, groene ruimte, selectiviteit, zuiverheid”. Mogen steden dan niet kindvriendelijk en groen en veilig zijn?
Natuurlijk is dat zo. Maar het gaat er mij vooral om dat men blijkbaar niet wil gezegd hebben dat het in de stad soms anders is dan erbuiten. Dat de stad geen verzameling van verkavelingswijken is. Die suburbane waarden te beklemtonen in de brochures en foldertjes, ergert mij, want men suggereert dat dit de toekomst van de stad is. Men paait daarmee de huishoudens die niet alleen een kindvriendelijke, veilige stad willen, maar ook denken dat ze het hele suburbane model kunnen overplaatsen op de stad. Het zijn in vastgoedfolders ook altijd een vader en moeder met twee kindjes of een paar grijzende ‘actieve senioren’.
Ik erger mij ook aan de pop-upcultuur, aan alle nietszeggende trends en promotie rond ‘urban’, aan de instagramisering van de stad. Te veel steden profileren zich als feest- en pretstad of als verlengde van de voorstad. Dan wordt geen enkele zogenaamde overlast getolereerd. Alsof de stad zich aanpast. Denk aan de discussie bij de Foor op de dokken in Antwerpen. Daar is natuurlijk overlast, maar dat hoort er op die plaats al decennia bij. En opeens gaan drie bewoners hun ervaringen, waardepatroon, verwachtingen opdringen. Je moet de nadelen van de stad niet overdrijven, niet maskeren, maar gewoon eerlijk en realistisch zijn. De stad is niet de vijand, maar ook niet het paradijs en vast ook niet zoals de suburbia waar je vandaan komt. Je zal je wellicht wat moeten aanpassen.
Kindvriendelijkheid zou inderdaad evident moeten zijn, ook in een stad. Ik woon in een woonerf, maximum toegelaten snelheid: 20 km/u. Volgt iemand die regels? Nougatbollen! Parkeerhygiëne? Noppes. Zelfs in een woonstraat parkeert iedereen maar overal. Dat is ook een suburbane attitude als je het mij vraagt.
Wat is de ideale grootte van een stad?
Ik redeneer anders. Ik kijk niet naar grootte van steden, want er is – wat Vlaanderen betreft – veel verschil tussen Antwerpen of Gent en vele kleinere steden. Ik kijk vooral naar de spreiding en naar wat Vlaanderen nodig heeft. Wat zijn de prognoses, hoeveel extra woningen zijn nodig, hoe kunnen we die kernversterkend inplannen, in de buurt van verkeersknooppunten, in de buurt van werkgelegenheid. Ik pleit voor een Vlaanderen dat inzet op maximaal een twintigtal steden. De centrumsteden, en de steden die duidelijke groeipolen zijn in termen van werkgelegenheid – Halle, Vilvoorde, Ieper. Het probleem is dat zeer veel steden groter willen worden. Elke kleinstad wil centrumstad worden om meer middelen krijgen van hogere overheden.
De Westhoek is de enige plaats waar nog een zekere hiërarchie is tussen Ieper als centrumstad en het platteland. Zoals het hoort. Waar de omliggende plattelands- en verkavelingsgemeenten geen grotere, stedelijke ambities hebben.
Een laatste boodschap voor de lezer?
Een stad is “samenleven”. De stad is een micro-samenleving, een thermometer voor het samenleven in de maatschappij in zijn geheel. Net zoals artistieke en politieke evoluties beginnen demografische evoluties altijd in de stad. Met die evoluties is samenleven is voor mij wel een streefdoel. Het lukt niet altijd, maar kunnen, moeten, willen samenleven moet toch een ambitie blijven. Het zal in de stad werken, of in de stad ontploffen.

Het Syndroom van Verkavelingsvlaanderen. Een radicaal pleidooi voor stedelijk wonen verscheen in 2014 bij ASP Editions in de reeks Stadsschriften. De brievenroman Lysboa (Lyssabon) verscheen in 2018 bij de Brusselse uitgeverij Bitbook. De column Steen & Been is te volgen op Architectura.be.

Lieven De Rouck schrijft op zijn blog Lieven Brusselt over steden, stedelijkheid en Brussel. Zijn interview met Filip Canfyn verscheen eerder in het decembernummer (nr. 241) van het maandblad Meervoud.

Is there an alternative?

 

 
2018 loopt af, we gaan naar 2019. Nieuwe bestuursmeerderheden bevolken de Brusselse gemeenten voor de komende zes jaar, en daarmee lijkt er een verandering van klimaat op komst die beantwoordt aan de verandering van Het klimaat.
Blij tot euforisch klimmen groene partijen en participatief links in de zetels van de raadzalen. “Eindelijk!”, zeggen ze, de conservatieve regeringen die simpelweg met het kapitaal meeheulen zijn verslagen. Wij gaan de noodzakelijke groene omslag kunnen maken en de burger vooropstellen met een sociaal rechtvaardig beleid!
De efficiëntie van het ‘oude’ systeem is inderdaad ver te zoeken, overal botst het op grenzen. De kloof die groeit tussen rijk en arm, en de voor de democratie noodzakelijke middenklasse die uitgeperst wordt. De gewone arbeiders en werknemers die steeds meer in de schaduw van de aanzwellende robotisering – die hun werk uit handen neemt – komen te staan. De nefaste deals van bestuursmeerderheden van eender welke kleur met het grootkapitaal van immobiliën en aandeelhouders om de woningnood of het scholenpark mee uit te bouwen. Het blinde besturen ver weg van de wijkbewoner, de verstrikking in politieke berekeningen in een gewestelijk kluwen van rivaliserende strekkingen, die Brussel in haar middeleeuwse ommegang vasthouden, met brood en spelen als afleidingsmanoeuvre.
En dan het probleem van de klimaatdwang, dat ons bekende gekrakeel overstijgt, met haar duidelijke tekenen die ons erop wijzen dat we ons gedrag op vele manieren moeten veranderen, willen we nog kans maken om in een leefbare wereld tout court te kunnen blijven rondlopen.
Misschien is de komende tijd, en zeker de eerste maanden, cruciaal om te zien of we regeringen zullen krijgen die de steun van de bevolking wegdragen. Een bevolking die enthousiast voor vernieuwing stemde, maar pas het echte humeur op haar gezicht zal laten zien bij de eerstvolgende nieuwe maatregelen of net bij het gebrek aan zichtbare vooruitgang. Er wacht de nieuwe bestuurders een heel moeilijke taak.
Hoe laat je ingrijpende  gedragsveranderingen ingang vinden bij verwende gebruikers van het dagelijkse leven, die passief voor schone lucht zijn maar ook actief uit hun pijp zullen moeten komen, door bijvoorbeeld anders te gaan consumeren? De gewenste verandering moet immers niet enkel van de zijde van de autoriteiten komen, ook al kunnen die scoren door van hun kant het goede voorbeeld te tonen, bijvoorbeeld wat betreft transparantie in beleidsvoering, van de volksraadpleging tot de gezamenlijk doorvoelde eindbeslissing.
Hoe snel kan een nieuw bestuursteam werken gelet op de inherente traagheid van het systeem waar het in moet opereren, en heeft de burger daar begrip en geduld voor? Want het aanhoudende gehuil vanop oppositiebanken wordt nu verruild voor constructieve beleidsdaden, die verdedigd zullen moeten worden in plaats van bekritiseerd. ‘t Is daar dat het schoentje ‘t nauwste past. Met name de groene partijen hebben zich gesterkt in een solied discours dat overloopt van ontgoocheling, verontwaardiging en cynisme. Zij staan nu voor de slimme taak om de naar eigen zeggen zoveel zachtere visie op de maatschappij geduldig over te brengen zonder op de revolte te stuiten van diezelfde gewone man en vrouw die hen zo na aan het hart ligt.
Want de schijnbaar gemakkelijke oplossingen liggen voor het grijpen, voor de grijpgrage handen van personen, groepen, bewegingen en partijen die ons zullen willen doen geloven dat alles sneller en beter kan zonder opgave van comfort, zonder moeilijke persoonlijke veranderingen.
Bewuster consumeren, minder autorijden? ‘t Is snel gezegd maar het is niet niks. Ik wacht met spanning op de communicatiestijl van de nieuwe ploegen en de individuele politici. Een stad die meer op mensenmaat gaat draaien, zoals in de beleidsnota’s staat, moet ook door mensen geleid worden die hun voorstellen op mensenmaat kunnen overbrengen. Ondogmatisch, luisterend en subtiel. Ondanks de urgentie. Want hoe dringend sommige dingen ook mogen lijken of zijn, snel of ruw opgelegde oplossingen dreigen op fataal verzet te stuiten (zo gaat dat ook in dictaturen). De nieuwe lichting weze gewaarschuwd: vervang het verfoeide TINA (“There is no alternative”)-beleid niet door een ander.

Bouwvallen en paleizen

Meer dan vijf jaar duurt het nooit om ze recht te zetten: blinkende kantoorgebouwen, kant-en-klaar, alles erop en eraan. Tot en met het lakje verf. De hoofdzetel van KBC in Molenbeek of de bedrijven op de Woluwelaan. Het Brusselse Sillicon Valley wordt het genoemd. Ingewikkelde constructies van staal en glas waar de fantasie van menig architect op bot is gevierd. Echte weelde is het. Paleizen voor IT-bedrijven, bankenconcerns en andere holdings. Gebouwd voor de nieuwe keizers van onze tijd. Net zoals in de middeleeuwen.

Anneessens Funck, een middelbare beroepsschool in hartje Brussel. Vele ketjes uit de volkswijken leren er een beroep. Niet makkelijk. Leerkrachten vechten er dag in dag uit om kansarme pubers de nodige bagage te geven om verder te kunnen. Zestien- en zeventienjarige ketjes die vele politici al sinds lang gebrandmerkt hebben. Enkele maanden geleden is er een deel van het plafond naar beneden gevallen. Een barst in de waterleiding, waardoor de bepleistering het gewicht niet kon houden. Symbolischer kan haast niet. Die ketjes krijgen dan ook alles op hun dak. Het gemeen van de 21ste eeuw. Pek en veren. Net zoals in de middeleeuwen.
Vorig weekend stortte een pareltje Brussels materieel erfgoed in op een speelplaats van een kleuterschool. “Niet zo héél erg” en “potje breken potje betalen” waren de eerste spontane opwellingen van de bevoegde schepen. Het spreekt boekdelen dat een politieke verantwoordelijke zo laconiek omgaat met zijn erfgoed. Enige fierheid voor onze monumenten is immers nooit een karaktereigenschap van Brusselse politici geweest. Maar dat die eerste opwellingen niet eens betrekking hadden op hoe dit überhaupt kon gebeuren, -terwijl die muur met bijhorende toren, de grens vormt van een speelplaats met honderdvijftig huppelende kleuters- spreekt nog dikkere boekdelen. Als dit had plaatsgevonden in het stadhuis, werd dreigingsniveau 4 afgekondigd en cirkelden de helikopters dag en nacht boven onze hoofden. Maar geen stadhuis, en dus een ‘fait divers’ in de media. Nu moeten honderdvijftig kinderen en hun ouders uitkijken naar een andere plaats. Benieuwd of ze een tijdje in de paleizen van die nieuwe keizers terechtkunnen. Beschutting bieden aan de mensen rondom je heir is een feodale plicht. Tenminste, toch in de middeleeuwen.
Achthonderd meter verder kreunt er een lagere school onder de verbouwingswerken. Ook een wijkschooltje, in hartje Marollen. Een bonte mengeling van ketjes tussen zes en twaalf jaar. Bijna tien jaar heeft het geduurd eer er de eerste steen werd verlegd. Hier geen fantasierijke constructies van glas en staal. Wel tijd genoeg voor de bevoegde instanties om een uitwijkalternatief te bieden voor de leerlingen en het lerarenkorps. Maar het gebeurde niet. Tussen het gedril en geboor door, leren de kinderen er de letters lezen en schrijven. De lokalen worden ondersteund door ijzeren stutpalen. Voor het geval dat er een plafond instort. Je weet maar nooit.
Ons samenlevingsmodel kiest om de mooiste, de stevigste en de meest creatieve gebouwen in een een mum van tijd op te zetten ten behoeve van een dunne laag superrijken. De enige maatschappelijke functie van die toplaag bestaat erin om meer winst te maken. Niet voor de gemeenschap, maar voor zichzelf. Tegelijk werken tienduizenden leerkrachten met hun kinderen in overvolle en vervallen gebouwen aan de toekomst van onze samenleving. There is something rotten in the kingdom of Danmark.
Gaetan Carlier schreef deze bijdrage voor zijn persoonlijke blog Images of sound.

Bla Bla Bla


13 oktober 2018
Ik schrijf niet meer. Of toch niet veel meer. Dat is geen goed teken. Het leven raast voorbij en voor ik het weet zijn de letters in mijn hoofd vergaan nog voor ze de weg naar het blad vonden. Het blad papier, het bierkaartje, een stuk serviette of een misplaatste nota in de verkeerde app. Anything goes.

Continue reading

Vinger in de lucht, handen in de aarde: Brussel installeert Klasbakken


 
De Brusselse schoolkinderen van het Nederlandstalig onderwijs gaan massaal hun handen in de aarde vuilmaken. 214 van de 250 scholen vroegen gratis ‘Klasbakken’ aan, uit gerecycleerd en duurzaam hout, gemaakt bij twee vzw’s actief in de sociale economie, Atelier Groot Eiland en Fix. De VGC en Leefmilieu Brussel bekostigen het project.

Continue reading

Zwemmen aan het Weststation?

Op vrijdag 26 oktober namen we deel aan een collectief bezoek aan de ongebruikte ruimte rond het Weststation en het metrostation Beekkant. Het gebied wacht op een grondige ontwikkeling in de toekomst met nieuwe appartementen, productieve en commerciële functies, maar ook grote groene ruimten. Voordat de definitieve werken beginnen, zal een tijdelijk en participatief gebruik worden georganiseerd.

We denken dat een zo bereikbare plaats waar alle metrolijnen van Brussel langskomen, en met veel gezinnen in de buurt, een geweldige locatie zou zijn voor een openluchtzwembad. Het kan starten als een tijdelijke installatie die in de toekomst uitgroeit tot een permanent zwembad. Wat denk jij?

Een ambitieus voorbeeld zou de Astoria Park Pool in New York kunnen zijn. Gebouwd in de jaren 1930 in een park langs de East River, is het vandaag nog steeds een bestemming voor mensen uit de hele metropool.

Burgerbeweging Pool is Cool ijvert voor de herintroductie van openluchtzwemmen in Brussel en heeft daarvoor een petitie gelanceerd. 

Rewind: president voor een dag

Vier jaar geleden, bij de federale, regionale en Europese verkiezingen, mocht onze blogger opdraven als voorzitter van een stembureau. Hij vond het een verrijkende ervaring, maar is ook wel blij dat hij morgen niet opgeroepen is als voorzitter of bijzitter, maar enkel zijn stem moet uitbrengen.
Je moet er iets voor over hebben om een dag als ‘monsieur le président’ door het leven te gaan. Als voorzitter van het stembureau 63 in Vorst werd ik zondag om 7 uur stipt in het kieslokaal verwacht. De werkdag duurde door de traagheid van de administratieve controles uiteindelijk tot 9 uur ’s avonds. Ter voorbereiding had ik al een infovergadering bijgewoond en de instructies en documenten grondig doorgenomen. Ik vond dat ik mijn snipperdag de dag erna wel verdiend had.

Verkiezingen zijn het feest van de democratie. Elke burger mag naar eer en geweten zijn stem uitbrengen en kiest de volksvertegenwoordigers die de politieke arena betreden en de komende jaren belangrijke maatschappelijke keuzes maken.
Als voorzitter van het stembureau beleefde ik het schouwspel vanop de eerste rij. Ik zag buurtbewoners van allerlei pluimage naar de stembus gaan. Ik mocht zelfs sommige mensen, vooral ouderen en mensen met migratieachtergrond, in het stemhokje begeleiden. Vragen om stemadvies wimpelde ik beleefd af (“je suis neutre”), maar als ze erom vroegen, gaf ik wel toelichting en leidde ik ze door de elektronische stemprocedure. Sommige kiezers hadden alvast een briefje bij zich waarop de naam van hun kandidaat prijkte.

Continue reading

Waarom het stadsbestuur van Brussel uw stem niet verdient

Het stadsbestuur heeft in vele opzichten teleurgesteld de voorbije jaren. Samusocial, het Eurostadion, het optrekken van onnodige bouwwerken zoals NEO en Parking 58, de onprofessionele communicatie rond de voetgangerszone, het nattevingerwerk qua mobiliteit, de netheid: het is een enorme waslijst waarvoor het hele college verantwoordelijk is en moet worden afgestraft.

Heet hangijzer: Mobiliteit

Mobiliteit wordt hét topic in de komende jaren. Mobiliteit as such, namelijk het bewegen in de stad, maar ook de effecten van mobiliteit zijn niet te overzien. Iedere dag vallen er doden of gewonden (zelfs op het zebrapad, zie ook destroybxl.tumblr.com), krijgen we te maken met geluidsoverlast én heeft ‘mobiliteit’ nefaste gevolgen voor onze longcapaciteit.
Els Ampe, die verantwoordelijk is voor het en-en beleid en dus eigenlijk niet durft te kiezen voor de stad van de toekomst, is de laatste jaren meer dan een wolf in schapenvacht geweest. Ze heeft onderzoeken naast zich neergelegd (in verband met het circulatieplan), wist de Handelskaai om te dopen in de Doodskaai, ging vier parkings graven, had zogezegd voor alles vergunningen op zak en tekende op kleuterlijke wijze fietspadenplannen uit die steeds terug naar de tekentafel bij de grote jongens en meisjes moesten. Het is een brokkenparcours geweest en toch blijkt alles zo goed te gaan. Zo hebben we er blijkbaar meer dan 70 km fietspaden bijgekregen, tonnen fietsnietjes en fietsboxen en vooral verf, veel verf.

Anderlechtsestraat

Over verf gesproken. Het voorbeeld dat ik hieronder uit de doeken wil doen is illustratief voor de oogkleppenpolitiek van het hele stadsbestuur, mevrouw Ampe incluis.
Het moet ergens in 2016 geweest zijn. De Anderlechtsestraat rook nog naar de verse verf van het mooie fietspad richting de ring. Bewoners krijgen plots een briefje in de bus waarin wordt gevraagd of ze deze situatie willen behouden of de tweerichtingsstraat terug willen. De uitslag spreekt boekdelen: bewoners willen het fietspad behouden. Een tijdje later wordt de straat terug opgengemaakt in twee richtingen. Er worden gele lijnen getrokken en het fietspad blijft er verbazingwekkend genoeg liggen. Auto’s rijden dus over het fietspad: van sensibilisering en educatie gesproken naar chauffeurs toe.

Wanneer een bewoner vraagt waarom de situatie plots veranderde, ook na het zogezegde participatiemoment, krijgt die een mail van Ampe’s medewerker:
De situatie zou hersteld worden na de werken aan de Ninoofsepoort. Die werken zijn al maanden gedaan en guess what: auto’s rijden nog steeds in twee richtingen, de straat ligt er belabberd bij en na verschillende vragen antwoordt de schepen nog steeds niet. Tot daar de participatie.
Burgers met een hart voor hun buurt, die de dingen in vraag durven te stellen worden gewoon genegeerd en met de vinger gewezen als linkse rakkers. Ondertussen gaat de good news show verder, worden échte mobiliteitsoplossingen weggelachen en hameren Ampe en haar collega’s op het belang van de metro. Correct, maar een metro graaf je niet zomaar uit in het moerassige Brussel. Quick wins? No way. Quick politics? Al veel te lang.
Dit college verdient ons niet. Peace.
Deze tekst verscheen eerder op de blog Lambyk. Kwinten Lambrecht schrijft er over Brussel, communicatie, duurzaamheid, mobiliteit en een vleugje politiek.