Me too?
iemand hakt hout op de vierde verdieping
in de rue des Chartreux
het is de Afro Bruxellois
op het derde overigens
woont het mooie meisje met de blauwe ogen, mag dat even?
de Maroxelloise in de Pletinckx belt lomp en luid
alsof de Exki haar podium is
en de kleine Tunesienne, is ze gehandicapt
of, hoe zeg je dat, minder mobiel?
het Romameisje is te knap om te bedelen
en het Mabomeisje ziet ze scheel
of zeg ik beter wazig?
is haar haar vet of sluik?
het homokoppeltje uit de Kogel
wat is erover, homo of tje? Of beide?
het zijn barre tijden voor de blanke hetero
from hero to zero
mag ik meedoen? please
Me too? William hetrijkderzinnekes.blogspot.com
Maandagavond 20 januari 2020 vertrekt om 18.04 uur in het station van Brussel-Zuid voor het eerst sinds vele jaren weer een nachttrein naar Wenen. De ÖBB Nightjet van de Oostenrijkse Staatsspoorwegen verbindt tweemaal per week Brussel en Luik rechtstreeks met Wenen en Innsbruck.
Onder het motto “More night trains for Belgium: let’s celebrate” zal een groep enthousiaste treingebruikers deze trein maandag feestelijk uitwuiven.
De uitwuifactie is een initiatief van Gentenaar en trein-aficionado Winfried Huba in samenwerking met een aantal organisaties. Met deze actie willen de betrokkenen aandacht vragen voor een duurzame mobiliteit, waarin de uitbouw van fijnmazig, comfortabel en betaalbaar openbaar vervoer de eerste prioriteit is.
Wil jij maandag a.s. om 18.04 uur mee de eerste nachttrein Brussel-Wenen feestelijk uitzwaaien? Kom dan naar treinstation Brussel-Zuid. Het perron van vertrek is momenteel nog niet bekend.
De ÖBB Nightjet vertrekt vanuit België op maandag- en donderdagavond. In Oostenrijk kun je vertrekken op zondag- en woensdagavond. De rit duurt 14 uur en 23 minuten. Een zitplaats enkele rit heb je vanaf 29,90 euro, een ligplaats vanaf 49,90 euro. De ÖBB Nightjet rijdt niet in België in juli en augustus.
Nog op zoek naar een ideaal muzieklijstje om 2020 in te zetten? Géén nood, de redactie van BrusselBlogt heeft een Brussels geïnspireerd Spotify-lijstje samengesteld. Een mix van klassiekers, nieuw talent en glorieuze toppers! Alle 20 hebben ze op één of andere manier een link met Brussel.
Kerstavond 2019 in de Singelijnschool in Sint-Lambrechts-Woluwe. Het kerstmaal is meestal een bijzonder moment voor gezinnen. Het gezin krijgt ditmaal een veel bredere betekenis. Onder impuls van de directeur verwelkomen leerlingen, ouders en leraren vluchtelingen voor een gezamenlijke maaltijd en een warm bed achteraf. Het aantal gasten is met 60 à 80 indrukwekkend. Het is een primeur voor de school.
De directeur denkt al aan volgend jaar. Hij is bereid om het initiatief te herhalen, al koestert hij de gekke hoop dat de staat eindelijk zijn verantwoordelijkheid opneemt en er in 2020 geen noodzaak meer is om de school te openen voor deze jonge reizigers.
De tekst en de foto’s zijn van straat- en documentairefotograaf Frédéric Moreau de Bellaing. Meer info over zijn werk vind je op zijn website, Facebook-pagina en Instagram en in een interview met Bruzz.
Twee weken geleden was er op vrijdag een feestje voor de vrijwilligers van het Klein Kasteeltje / Petit Chateau. Deze instelling van Fedasil (het Federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers) zorgt voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming en coördineert ook de organisatie van de vrijwillige terugkeer naar de herkomstlanden.
Fedasil heeft heel wat opvangcentra, maar het Klein Kasteeltje is het enige aanmeldcentrum van België. Hier moeten alle mensen zich aanmelden die in België een verzoek om internationale bescherming willen indienen. Die mensen verblijven in de regel slechts enkele dagen in het aanmeldcentrum. Vrijwilligers van allerlei slag
Als nieuwe vrijwilliger kon je deelnemen aan een korte rondleiding in het centrum. Gemiddeld komen er dagelijks zo’n 130 asielzoekers aan, maar na een (lang) weekend kan dat aantal oplopen tot 250 à 300 personen. Omdat de wachtrijen voor het aanmelden soms lang zijn, wordt voorrang gegeven aan de zwaksten: gehandicapten, zieken, ouderen, onbegeleide minderjarigen, zwangere vrouwen… Een 100-tal personeelsleden staat in voor de werking.
Bij de aanmelding gebeuren er verschillende zaken. De identiteit van de mensen wordt vastgesteld (door de Dienst Vreemdelingenzaken) en er gebeurt een controle op de veiligheidsrisico’s. Er wordt geëvalueerd of iemand recht heeft op materiële hulp en eerste opvang. In een gesprek wordt de situatie van de asielzoekers onderzocht met het oog op de toewijzing naar een aangepaste opvangstructuur. Soms moet (op basis van objectieve criteria) aan de mensen worden meegedeeld dat ze geen recht hebben op opvang (wat losstaat van hun eigenlijke aanvraag tot asiel).
De directrice van het aanmeldpunt drukte haar waardering uit voor het werk van de vrijwilligers. Het personeel van het centrum is immers bezig met de registratie en de opvang, en er zijn wel twee personen die de animatie coördineren, maar de animatie zelf, dat gebeurt door vrijwilligers van allerlei slag. Toevallig en onbedoeld
Zelf kwam ik eerder toevallig en onbedoeld met dit vrijwilligerswerk in contact. Ik was voor mezelf op zoek naar oefenkansen Spaans en wilde in ruil graag anderen oefenkansen Nederlands bieden. Zo maakte ik kennis met het project Café Lingua van Welcome Home International waar ze een tekort hadden aan mensen met moedertaal Nederlands.
Na een korte briefing nam ik deel aan de eerste conversatietafel die toen nog niet in het Klein Kasteeltje zelf plaatsvond. Op die avond bood er zich plots een groep van een 30-tal vluchtelingen aan, samen met een coördinator van het Klein Kasteeltje. Een stuk of zeven onder hen wilden graag Nederlands leren. Die mensen waren enkele dagen tot weken in ons land en hadden zich pas bij Fedasil aangemeld, dus ze kenden nog geen woord Nederlands.
Later leerde ik dat de vluchtelingen maar enkele dagen (heel uitzonderlijk een week of langer) in het aanmeldpunt blijven, tot ze elders in een opvangcentrum terecht kunnen. De meeste mensen zie je na één ontmoeting dus niet terug. En die eerste woordjes Nederlands zijn dus meer een manier om het zelfvertrouwen wat op te krikken en te socialiseren. Een echte taalcursus is voor later.
We waren blij met de grote opkomst, maar we begrepen ook dat we dit niet aankonden. Als enige Nederlandstalige moest ik die avond quasi onvoorbereid zeven mensen van heel diverse afkomst de beginselen van het Nederlands bijbrengen. De eerste minuten was ik niet op mijn gemak. Maar dat gevoel verdween snel. Mijn naam is…
We begonnen met onszelf voor te stellen, te zeggen hoe we heetten, waar we geboren waren. We leerden tot twaalf tellen. We leerden de namen van de dagen van de week en van de maanden van het jaar. Voor sommigen was het moeilijk omdat ze behalve hun moedertaal geen andere taal spraken. Zelfs de klanken van het Nederlands waren voor velen niet eenvoudig. Anderen spraken al drie of vier andere talen en maakten sneller vordering. Ze hielpen elkaar via de talen die ze gemeenschappelijk hadden. Ik schreef wat woorden op een blad. Het was vermoeiend. Voor hen, maar ook voor mij. Maar we lachten ook veel (ook met elkaars grappige fouten) en op het einde van de avond namen we hartelijk afscheid.
De week erop besloot de coördinator van Welcome Home International in samenspraak met de coördinator van Fedasil dat Café Lingua beter in het Klein Kasteeltje zelf kon plaatsvinden. In het lokaal van Buro Bizzi is er meer plaats en de mensen voelen er zich meer op hun gemak. Deze keer had ik me voorbereid en de basisbegrippen uitgetypt op een paar bladen papier die ik kon uitdelen. De groep mensen die Nederlands wilde leren was groter geworden. Gelukkig waren we ondertussen met drie Nederlandstaligen. Ik ontfermde me over een groepje van vier mensen uit El Salvador en Venezuela die Spaans spraken (een taal die ik leer), en vier mensen die naast Arabisch ook Engels spraken. Een vader en zijn dochter kwamen uit Jemen.
Over persoonlijke omstandigheden bleven we tijdens de gesprekjes meestal op de vlakte. Het werd wel duidelijk dat het de sterksten zijn die aan de activiteiten deelnemen, degenen die het lachen nog niet is vergaan. Ik hoorde dat sommige vluchtelingen hun kamer amper verlaten omdat ze met posttraumatische stress kampen door wat ze allemaal hebben meegemaakt. Zij hebben andere noden. Together
Terug naar die vrijdagavond midden in december. Na de rondleiding gingen we naar de grote animatiezaal. In de aanpalende keuken hadden een aantal vluchtelingen een feestmaal voor ons klaargemaakt. Allerlei kleine, typische gerechtjes uit hun land van herkomst of uit naburige landen. El Salvador, Mexico, Cuba, Brazilië, Syrië… Trots stelden ze zichzelf en de door hen bereide gerechten voor. Wij applaudiseerden uitgebreid voor al dat lekkers.
Toen gingen we aan tafel. Ik maakte kennis met een aantal andere vrijwilligers die geen deel uitmaken van het groepje van Welcome Home International. Een aantal mensen is niet georganiseerd en doet op individuele basis vrijwilligerswerk. Onder elkaar spraken we allerlei talen: Nederlands, Frans, Engels, Spaans… Talen scheiden als je ze niet kent. Maar ze verbinden als je ze ook maar een beetje spreekt. Dat geldt voor vluchtelingen én voor vrijwilligers.
Na het dessert werden er nog cadeautjes uitgedeeld. Sleutelhangers die de kinderen voor ons hadden gemaakt. Elk met een boodschap erop. Ik koos voor “Together”. Samen. Samen sterk. Together we’re strong. En ook al lijken of zijn we heel verschillend, uiteindelijk is het zoals in het liedje dat we eerder op de avond zongen: “I could be the King of Belgium, he could be a refugee. I could be you, you could be me.”
De opgelegde besparing komt voor WIELS neer op een vermindering van het budget met 50.000 euro op jaarbasis, het equivalent van twee personeelsleden of een expo. Het is de derde besparingsronde op rij, maar zo brutaal gecommuniceerd als nu hadden we het nog niet gezien.
Dit past ook binnen het schema van rigide austeriteitspolitiek. Besparen als doctrine, met als resultaat dat elk toekomstplan weggenomen wordt. Niet alleen de cultuur, ook de sociale en andere sectoren worden voluit getroffen. Net als de VRT. In Brussel is de toestand dubbel zo zwaar met de bijkomende uitholling van het Brusselfonds. Voor vele initiatieven zal dat dramatische gevolgen hebben.
De groep die getroffen wordt is ook veel groter dan degenen die we horen protesteren in de media. En het gaat niet alleen om kunstenaars en kleine instellingen – het zal ook uitbreiden tot in de amateursector, het deeltijds kunstonderwijs en de sociale sector. Die zijn minder luidruchtig maar veel fragieler. Allen zullen direct en indirect getroffen worden, want actoren en kunstenaars doen deeltijdse jobs om hun brood te winnen en zo hun praktijk mogelijk te maken. Die zullen nu een ‘productievere’ en voltijdse job moeten zoeken en zo hun kennis en kunde niet meer kunnen delen.
Er wordt een cultuur van angst en onzekerheid geïnstalleerd en men rekent erop dat er uiteindelijk gekozen wordt voor het verbannen van elk risico. Men heeft het over de culturele elite, maar hier worden ook de populaire en amateurkunsten geviseerd. De elite die een Vlaamse identiteit promoot ontvangt wel bijkomende middelen.
Normaal gezien zegt men dat de minister keuzes maakt in zijn politiek, en het aan ons is om daar vragen bij te stellen. Hier is echter geen politieke keuze gemaakt. Men heeft enkel de toekomstdromen weggenomen van een opkomende generatie.
Dirk Snauwaert, artistiek directeur van het Centrum voor Hedendaagse Kunst WIELS, reageert in het tijdschrift voor hedendaagse kunst H ART op de aangekondigde besparingen op cultuur van Vlaams minister-president Jan Jambon.
Je vraagt je heimelijk af of kunst toch niet overbodig
is, gedreven door moeilijke kunstervaringen en recente sociale-media-posts (in
het zog van de omstreden besparingen op cultuur).
De oplossing
Ga naar Roger Ballens werk kijken in de Centrale
(Sint-Katelijneplein). Deze fotograaf, die volgens zichzelf de sociale,
politieke en culturele vraagstellingen reeds lange tijd achter zich heeft
gelaten, tovert een “absurdistisch theater” op het fotopapier. Hij
zal je overtuigen, voorgoed, dat dat soort kunst niet deugt. Moeten ze nu
eeuwig de mens als een debiel voorstellen? Ofwel zal je hartig geraakt worden,
door de nieuwe emoties die verschijnen, de aanvaardbare zwaarte, de vervagende
schoonheid, de ontluikende onaanvaardbaarheid.
Algemene tip: benader een tentoonstelling als iets achter
een gordijn, met nieuwsgierigheid en onrustige kalmte. Wil bloot zijn en
beginnen.
En daarna: sterf of leef op.
Bij het buitenkomen en de stad inwandelen, troffen mij hangende dode vogels in uitstalramen, een man met zijn zoontje die poseerde naast het grote koehoofd van restaurant Amadeo in de Sint-Katelijnestraat (hij streek, nog snel overbodig naar schoonheid en harmonie hengelend, zijn haar goed), en tenslotte een groepje zittende en liggende huislozen, eentje geeuwend naar me opkijkend, nota bene pal voor het uitstalraam waar de tentoonstelling een extensie heeft, die me dadelijk uit mijn droom hielpen. Wat ik gezien had in de Centrale, werd weggeveegd. En kunst leek me plots toch weer flauw, in vergelijking.
Roger Ballen is geboren in 1950 in New York en woont en werkt in Johannesburg.
Roger Ballen Expo 14.11.19 ——–14.03.20 Ronny Delrue – Correspondances
Concert Die Antwoord 25.11 in AB
Centrale for contemporary art www.centrale.brussels
Langs de Brusselse autosnelwegen liggen vele hectares grasbermen. Daarop kunnen we makkelijk honderdduizend bomen aanplanten. Ruim twintig hectare extra bos, dat betekent een groene buffer voor Brussel, minder fijn stof, minder geluidsoverlast voor omwonenden én het is een topkans voor het klimaat. Burgers kunnen het project met donaties meefinancieren. Dat zegt kruiden- en plantendeskundige Ben Brumagne van Forest To Plate.
Tussen Wemmel, Strombeek-Bever en Laken rijden dagelijks tienduizenden auto’s Brussel binnen en buiten. Op de grasbermen langs weerskanten van de autosnelweg kunnen honderdduizend bomen worden aangeplant. “Een nieuwe groene buffer is een meerwaarde voor onze hoofdstad en voor alle omwonenden,” zegt Ben Brumagne van Forest To Plate. “Als we dat doortrekken naar de rest van België, waar we langs bestaande bermen nog plek hebben voor miljoenen bomen, kunnen we misschien wel de klimaatdoelstellingen halen”.
Meer natuur
De drukke Brusselse ring zorgt dagelijks voor veel fijn stof en een enorme CO₂-uitstoot. Minder met de auto rijden om onze globale uitstoot te verminderen is broodnodig, maar bomen kunnen ons al helpen om CO₂ om te zetten in zuurstof. Daarom is het een goed idee om overal waar we kunnen bomen te planten. Ze koelen de omgeving af en slaan meer CO₂ op dan de weides of bermen die nu langs onze wegen liggen. Ook voor vogels zouden extra bomen langs snelwegen welkom zijn. De kans op overreden vogels wordt kleiner als ze niet vanaf de grond moeten opstijgen, maar van op een tak kunnen uitvliegen.
Kans voor Vlaanderen
Ook omliggende bewoners genieten van extra bos. Het zorgt voor zuiverdere lucht, het dempt geluid van voorbijrijdende auto’s en het is aangenamer om naar te kijken. “Vlaanderen kan echt meer bos gebruiken. We hebben het dichtste wegennet van Europa, en langs al die wegen kunnen we bomen planten,” vertelt Ben. “Hier ligt de kans om met Vlaanderen en Brussel dichter bij onze klimaatdoelen te komen!”
Nederland achterna
Bij onze noorderburen ligt het plan al op tafel. In Nederland willen ze 100.000 hectare bos aanplanten langs autosnelwegen en parkeerterreinen. Op die manier proberen zij hun klimaatdoelen te halen. De aanplant zal zorgen voor meer wateropslag, minder geluidshinder, een aangenamer uitzicht voor de bevolking, zelfs een waardestijging van omliggende huizen en mogelijk een positieve invloed op de biodiversiteit.
Fondsen werven voor bomen
Dat de overheid niet meteen miljarden euro’s kan vrijmaken voor extra bos moet geen drempel zijn. Via fondsen zouden gewone burgers, omwonenden en filantropen geld kunnen doneren om de aanplant van miljoenen bomen in Vlaanderen, Brussel en Wallonië in een sneltempo mogelijk te maken. “Laat de bevolking meedoen in de strijd voor meer natuur. Zo kunnen we toch allemaal ons steentje bijdragen,” aldus Brumagne.
Het is vandaag #dagtegenkanker, de dag waarop we kankerpatiënten en hun naasten een hart onder de riem steken. Een ervaringsdeskundige spreekt over de ziekte.
Al voor de vijfentwintigste keer organiseert Kom op tegen Kanker een Plantjesweekend. Honderdduizenden azalea’s vinden hun weg naar mensen die de strijd tegen kanker een warm hart toedragen. Ook in Brussel kun je zaterdag voor zeven euro het goede doel steunen. Filip Monté, Els Lenaerts en Carolien Steens staan paraat aan Muntpunt, op zaterdag 14 september van 10 tot 18 uur.
Filip vertelt waarom hij zich engageert: “Sinds mijn schoonzus in 2012 overleed aan borstkanker, werd ik actief vrijwilliger voor Kom op tegen Kanker. Ik loop al twee jaar de 100 km-run. Het is mijn eerste plantjesverkoop, maar gelukkig kan ik me perfect in de geest van de koper verplaatsen. Elke cent die ik inzamel, is een cent meer voor onderzoek. Kanker treft iedereen, jong en oud. Ik verwacht zaterdag bij de verkoop zeker enkele verhalen te horen.”
Carolien vult aan: “In 2015 hebben Els en ik, samen met vrienden en vriendinnen, Kom op tegen Kanker gecontacteerd om plantjes te mogen verkopen in Brussel. Mijn mama had toen net lymfeklierkanker overwonnen. De plantjes verkopen voelde aan als het minste wat we konden terugdoen. Jaarlijks staan we ook wel ergens op een rommelmarkt ten voordele van het Plantjesweekend.”