“Dat zou ik nu eens het liefst met jou doen.” Nee, het was geen indecent proposal dat ik een jaar geleden kreeg van de man van een vriendin. Hij wilde met mij naar de opera. Tegen dat soort voorstellen zeg ik niet snel nee, of mijn date nu getrouwd is of niet.
(c) B. Uhlig
Wel was het even wachten op de heropening van De Munt en een voorstelling die ons beiden kon bekoren. En toen viel ons oog op de wereldcreatie van Frankenstein, een technologisch hoogstaande productie van de Amerikaanse componist en sound engineer Mark Grey, gebaseerd op de wereldberoemde roman van Mary Shelley. Voor een rondje ‘de film-/theaterbewerking of het boek’ ben ik altijd wel te vinden, dus waarom geen ‘de opera of het boek’? Intrigerend klonk het wel. Een voorstelling vol geavanceerde hi-tech die waarschuwt voor de gevaren van de vooruitgang.
In de aanloop naar de voorstelling las ik de klassieker over Victor Frankenstein opnieuw. De 200 jaar oude roman bleek niet alleen verrassend leesbaar, het verhaal is in tijden van genetische manipulatie ook bijzonder actueel. Vanwaar die vooruitziendheid?
Met de roman nog vers in het hoofd vallen enkele verhaalkeuzes uit het libretto meteen op. In de eerste plaats is de raamvertelling anders. Die van Mary Shelley is maar flauw in vergelijking met de futuristische toekomst waarin we hier belanden.
Creature is na een ijstijd (ja, Frankenstein wordt niet voor niets een klimaatopera genoemd) gevonden door een team wetenschappers onder leiding van Dr. Walton. Die brengen Creature tot leven en visualiseren zijn herinneringen met behulp van moderne technieken. In hun witte steriele pakken zien de onderzoekers hoe Creature zijn vreselijke verleden herbeleeft.
In een mix van geacteerde flashbacks en videobeelden wordt Creature afgewezen door het gezin dat hij maanden liefdevol heeft geobserveerd, vermoordt hij Frankensteins kleine broertje en slaan zijn stoppen door als Frankenstein weigert om een vrouw voor hem te scheppen. Creature beleeft de horror all over again, het team vraagt dan ook aan Dr. Walton om de behandeling te beëindigen, maar Dr. Walton zet voort. De parallellen met de door de wetenschap geobsedeerde dokter Frankenstein zijn nooit veraf.
(c) B. Uhlig
Tijdens de flashbacks blijft de opera dicht bij het oorspronkelijke verhaal van Mary Shelley. Wel krijg je als publiek – doordat je dit keer niet kijkt door Frankensteins bril én omdat er gewoon ook meer vrouwenstemmen nodig waren om het operatechnisch interessant te houden – extra dialogen en daardoor nieuwe perspectieven. Zo gaan de ogen van Frankensteins geliefde Elisabeth open tijdens haar fatale slotconfrontatie met Creature en dat is best ontluisterend. Zoals in veel postmoderne bewerkingen van literaire klassiekers krijgen de ‘onderdrukte’ personages uit het boek dankzij deze polyfonie toch een stem. Op mij had deze veelheid aan stemmen het effect dat ik nog meer ging sympathiseren met Creature dan ik in de roman had gedaan.
Hoe afschrikwekkend hij er ook uitziet in zijn ‘naaktkostuum’ van silicone en hoeveel gruwelmoorden hij ook op zijn palmares heeft staan, toch is hij in deze opera vooral een kind, verworpen door zijn vader, een gedoemde outcast die er wanhopig graag bij wil horen en tegelijkertijd zijn schepper op zijn verantwoordelijkheden blijft wijzen.
(c) B. Uhlig
Naar de opera ga je natuurlijk niet alleen voor het verhaal. Ronduit indrukwekkend in deze voorstelling is het decor. De setting is een kopie van het ruimteschipachtige Boezloedzja-monument in Bulgarije. Tijdens de toekomstscènes lijkt het wel alsof je naar een gestileerde scifi-film kijkt. De filmbeelden met de herinneringen van Creature liggen dan weer letterlijk als een extra laag op de voorstelling. Beklemmend! De kale koppen van de personages verhogen het gevoel van bevreemding. Frankenstein is hier niet de horror van één monster. Het monsterlijke is gewoon overal aanwezig.
De compositie zelf is hedendaags klassiek, zonder onderscheid voor scènes uit verleden of toekomst. Flarden elektronische muziek kunnen de klassieke partituur niet verstoren. De soundscape klinkt daardoor toch eerder virtuoos en melodieus dan minimaal. Meezingbaar is het niet, lichtvoetige riedeltjes ontbreken, drama overheerst, altijd! En dat is behoorlijk heftig.
(c) B. Uhlig
Een avondje opera, dat is the full package. Prosecco en pasta vongole vooraf, onze ogen laten genieten van het stijlvol uitgedoste publiek, de marmeren traphal en de pompeuze grote zaal én natuurlijk even nakaarten in Café de l’opéra. We roepen de avond meteen uit tot een nieuwe vaste traditie. Dit soort decent proposals mogen ze me nog doen!
Katrien Elen schreef deze bespreking voor This is how we read, een literatuur- en lifestyleblog voor ondernemende lezers.Benieuwd? Op Opera Vision kan je tot 15 september 2019 de hele voorstelling online bekijken.
Hugo en ik, we go way back. Er was natuurlijk de obligate kennismaking met De metsiers in de eerste kandidatuur Germaanse talen, toen de debuutroman van Hugo in het rijtje van Louis Paul Boons Menuet, Willem Elsschots Kaas en Leo Pleysiers Wit is altijd schoon belandde. In diezelfde periode schonk mijn grootmoeder mij – als germanist van de familie – enkele klassiekers uit haar boekencollectie: een Artis Historia-versie van Van de vos Reynaerde, het überromantische Gejaagd door de wind en het euhm nogal erotische Het jaar van de kreeft van Claus. Het was even later dat ik Claus voor het eerst op een podium zag. Dat het ook de laatste keer zou zijn, kon ik toen nog niet vermoeden. Het was immers die legendarische Saint Amour in Leuven in 2003 waarop Hugo zijn woorden niet meer vond en hij het podium al strompelend moest verlaten. Vijf jaar later, vandaag exact tien jaar geleden, zou de alzheimerpatiënt kiezen voor euthanasie.
In 2018 is het dus 10 jaar geleden dat we afscheid namen van Claus. Genoeg reden voor een kalender vol Claus mania. Zo is er Con amore in Bozar, een intimistische tentoonstelling, samengesteld door – de niet in één woord te vatten – Marc Didden. Con amore – Claus’ afsluiting van zijn brieven – is geen grote overzichtstentoonstelling, wel een fragmentarische selectie in acht bedrijven.
Con amore is immers “geen tentoonstelling óver Claus, maar vóór Claus”.
Didden adoreert Claus, hij heeft letterlijk alles van hem verslonden. Didden heeft Claus ook goed gekend, maar zijn bewondering heeft vriendschap in de weg gestaan. “Hij deed veel normaler tegen mij dan ik tegen hem. Ik ben daar niet voorbij geraakt. Ik heb nooit “meneer” gezegd, maar ik vond het wel altijd straf dat hij antwoordde. En als ik bij hem op bezoek ging, begon ik al afscheid te nemen bij het begroeten,” zegt hij daarover in De Standaard.
De kabinetten zijn thematisch ingedeeld. Con amore opent met Claus’ geïllustreerde natuurlyriek voor Ellie Overzier, zijn eerste grote liefde. Meteen leren we de schrijver ook kennen als kunstenaar. Verderop worden Claus’ schilderijen strategisch tussen de werken van tijdgenoten geplaatst. Zo zijn er wel opvallend veel gelijkenissen tussen onderstaand werk van Raveel en dat van Claus. En dan heb je dit nog niet gezien!
Treffend is ook het portret van Claus als Romeins keizer van Ever Meulen. Met zijn opvallende neus kon Claus zo doorgaan als keizer, maar het zijn vooral de details uit de cartoon die helemaal juist zitten en doen speuren naar subtiele (en minder subtiele) romanverwijzingen.
Tussen de brieven, manuscripten en schilderijen zie je ook enkele lidkaarten. Parafernalia die Claus volgens Marc Didden (De Standaard) had bijgehouden
“alsof hij wist dat hij beroemd en bekeken zou worden. Alsof hij op de wereld is gekomen met een voltrokken zelfbewustzijn.”
Uiteraard zoomt Didden ook in op Claus als filmmaker (zo zag hij zichzelf het liefst) en op de revolutionaire en scabreuze Claus die in 1968 voor het gerecht werd gedaagd wegens openbare zedenschennis toen hij drie naakte mannen op het podium liet aantreden voor Masscheroen, zijn bewerking van ‘Mariken van Nieumeghen’. Afsluiten doet Didden doelbewust met een boekenkamer, gevuld met Claus’ literair werk. Want in eerste instantie blijft Claus voor de curator toch vooral een groot auteur. Con amore is een persoonlijke ode aan Hugo die zich laat bezoeken als een aperitief. Wat mijn beste vriendin en ik ook meteen letterlijk namen, door achteraf in de wijn en pizza’s te duiken. Minder letterlijk is het een tentoonstelling die je nieuwsgierig maakt naar meer, wat in dit Claus-jaar absoluut geen probleem hoeft te zijn.
Hugo Claus. Con amore loopt nog tot 27 mei in Bozar, telkens van dinsdag tot zondag. Lees ook de bespreking van onze blogger Thomas.
Kunnen we ooit ontsnappen aan onszelf en de doden uit ons leven? De debuutroman van recensent en schrijfdocent Kathy Mathys gaat over obsessies, relaties en verdwalen en meandert door Brussel en Californië naar een mysterieuze ontknoping. Met veel naturel raakt Mathys filosofische thema’s aan in een eigentijdse setting. Blogster Katrien Elen van ‘This is how we read’ sprak met de schrijfster in Brussel.
De gelaagde en raadselachtige polyfone roman doet verlangen naar desolate landschappen, maar ik spreek met Kathy af op de Zavel, een buurt die uitvoerig aan bod komt in Verdwaaltijd. Tussen ons ligt een exemplaar van haar debuut met die mooie Beverly Hills-cover van Carmen De Vos. Bij een jasmijnthee delen we de boeken die ons dit jaar hebben geraakt, nieuw werk van Julian Barnes en Dani Shapiro, mijmeren we of kunnen verdwalen geen illusie is en hebben we het natuurlijk uitgebreid over Verdwaaltijd en haar leven als recensent. In Verdwaaltijd lopen vier verhaallijnen door elkaar. Hoe zijn die samengekomen?
“In 2011 ben ik aan deze roman begonnen. Ik wilde al langer fictie schrijven maar toen ik de opleiding tot docent creatief schrijven volgde, kwam alles in een stroomversnelling. In die periode schreef ik over Emma, Marcia en Ben. Het verhaal speelde zich volledig af in Brussel en David was nog niet in zicht. Mijn non-fictieboek Smaak heeft het schrijfproces dan even stilgelegd. Toen ik het verhaal achteraf opnieuw oppakte, vond ik het te verkennend. Inmiddels woonde ik in Breda en ervoer ik hoe anders ik bewoog in die stad. Ik kwam van Brussel, waar je altijd nog kan verdwalen. Breda was veel behapbaarder. Terwijl ik nadacht over landschappen en hoe we ons verplaatsen in de stad, bedacht ik een nieuw personage: een Amerikaanse nature writer. Zodra ik David had, was het verhaal vertrokken. In diezelfde periode herlas ik ook The blue of distance van Rebecca Solnit over hoe het verre blauw aan de horizon ons aantrekt en verdwijnt als je er naartoe loopt. Die essays brachten me op het spoor van Kay, de eeuwige dwaalster. Non-fictie triggert wel vaker fictie in mij.
De rest van het verhaal is op een heel naturelle manier tot stand gekomen. Ik wist niet hoe het zou aflopen. Tijdens het schrijven heb ik mijn intuïtie gevolgd en heb ik mijn ideeën vaak bijgesteld. Zo had ik heel lang een veel vrolijker einde in gedachten.” Je bent een bijzonder belezen schrijver en dat blijkt ook uit je roman. Hoe bewaarde je het evenwicht tussen toegankelijk schrijven en gelaagdheid?
“Ik was daar tijdens het schrijven niet mee bezig. Er zijn nog meer auteurs met verschillende verhaallijnen en laagjes die een groot publiek bereiken. Stel dat lezers Virginia Woolf niet kennen, dan geeft dat niet. Zelf vind ik het heel fijn om iets bij te leren in een boek. Als ik iets tegenkom dat ik niet ken, ga ik het opzoeken. Maar je kan mijn boek gerust lezen zonder elke film die er in vermeld staat te kennen. Ik vind Verdwaaltijd dan ook geen hermetisch boek.” Verdwaaltijd speelt zich zowel in Brussel als in de Californische Redwoods af. In Brussel heb je lang gewoond maar hoe ken je de Redwoods?
“In 2010 was ik met mijn man op huwelijksreis in Californië. Het plan voor dit boek bestond nog niet maar ik heb daar wel veel dagboeknotities genomen. Tijdens die reis zijn we op bijna alle plekken uit het boek geweest zoals de woestijn, het Humboldt Redwood Forest maar daarin het dorpje Weott waar David woont. Ik vond die wouden heel bijzonder. De hoge bomen met de dichte kruinen maken dat de plek los van de wereld staat, als een soort veilige cocon.
Ik ervoer het landschap als heel erg troostend en ik hoop dat lezers het spannend en aantrekkelijk zullen vinden om meegenomen te worden naar een onbekende wereld. Dat is de kracht van fictie: een verhaal kan je transporteren naar plekken waar je nooit zal komen. Ik hou dan ook van auteurs die een grote rol toekennen aan het landschap.” Moest je weggaan van Brussel om erover te kunnen schrijven?
“Schrijvers zeggen me vaak in een interview dat ze dat moeten doen. Zelf ben ik niet meer naar Brussel gegaan voor research. Ik had een databank aan herinneringen in mijn hoofd. Ik heb het Brussel gebruikt dat ik heb gekend. Het verhaal speelt zich daarom af in 2010. Het is het Brussel van voor de aanslagen. In het huis van Marcia in de Lebeaustraat heb ik trouwens zelf nog gewoond.” Verdwalen is een belangrijk thema uit je boek. Geef jij jezelf verdwaaltijd?
“Ik hou ervan om zonder gps door grote steden als Brussel of New York te wandelen. Op die manier in de ruimte bewegen, doet iets met je hoofd. Het maakt iets los.
Ik wandel bovendien elke dag. Ik denk dan na over een volgend stuk in mijn boek. Wandelen zwengelt mijn creativiteit aan.
In Nederland volg ik wel altijd dezelfde route, ik verdwaal er niet. Ik ben geen roekeloze en destructieve dwaalster zoals Kay. Ik ben een veel banger persoon en heb de Amerikaanse wildernis het liefst via film en literatuur.” Het verhaal gaat niet alleen over fysiek verdwalen?
“Nee, het gaat ook over de liefde en verdwalen in het leven en in de kunst. De vraag ‘Kan je het leven laten verwilderen zonder dat het zijn vorm verliest?’ heeft mij door het hele boek richting gegeven.” De personages in je boek zijn niet mild over autobiografische kunst. Ze willen liever niet in een verhaal worden verwerkt. Hoe ben jij hiermee omgegaan?
“Ik heb weinig materiaal van mijn vrienden gebruikt, niemand zal zich kunnen herkennen. Wel heb ik inspiratie uit boeken gehaald en komt er heel veel uit mezelf. Marcia ligt het dichtst bij mij. Net als ik is ze eerder angstig en nerveus. We delen een liefde voor koken en houden van dezelfde films. Met Emma heb ik enerzijds gemeen dat we graag grip op het leven hebben. We hebben het er beiden moeilijk mee dat we niet over alles controle hebben. Mijn angsten komen vaak voort uit de gedachte aan dingen die zouden kunnen gebeuren. Misschien heeft het te maken met het feit dat ik ernstig ziek ben geweest. Anderzijds verlangen we beiden naar een soort van wildheid. Zij vindt die in een affaire, ik zoek het avontuur op in het schrijven. Dan kan ik de controle opgeven. Net als veel schrijvers ben ik veel banger in het echte leven dan in mijn verhalen.
In David zit weinig van mij. Wel hebben we allebei een voorliefde voor geïsoleerde plekken. Het personage van David kwam heel makkelijk tot stand, ik moest als het ware gewoon maar opschrijven wat hij in mijn hoofd zei. Het was bijna een mystieke ervaring.” Zijn er al plannen voor een volgend boek?
“Ja, in mijn volgende roman wil ik het hebben over de vorm van mensenlevens. Ik ben geboeid door autobiografieën en hoe wij naar ons leven kijken. Zijn de grote momenten in ons leven waarvan we denken dat ze essentieel zijn ook echte kantelmomenten?” Wat vind jij als recensent het meest ‘foute’ en waardevolle dat er over je boek is geschreven?
“Ik vind het overdreven dat een van de recensies de tientallen bijpersonages bekritiseert. Toegegeven, er zijn vier verhaallijnen, maar er bestaan zo veel romans met een pak meer personages. Het meest gelukkig ben ik met de recensies die zowel de ideeën als de plot van mijn boek naar voren schuiven. Voor mij zijn die twee aspecten even belangrijk.” Vind je het belangrijk wat er over je boek gezegd wordt?
“Waarom denk je dat ik zo lang niet gepubliceerd heb? Ik had schrik voor wat die en die persoon ervan zouden vinden. Uiteindelijk was de drang om te schrijven groter dan de angst. Als ik nu negatieve recensies krijg, vind ik het vooral jammer voor het boek, want ik wil dat Verdwaaltijd lezers vind. En natuurlijk hoop ik ook op positieve recensies voor mijn zelfvertrouwen, want ik wil verder gaan met schrijven. Anderzijds vind ik ook dat slechte recensies weinig zin hebben bij een debuut. Ik ga zelf nooit een debuut recenseren dat ik niet goed vind. Laat het dan maar zo, denk ik, je helpt de schrijver er niet mee. Wanneer ga je wel een negatieve recensie schrijven? “Als een grote naam als Paul Auster een boek uitgeeft, verwachten de lezers een recensie. En als het dan niet goed is, schrijf ik een slechte recensie. Of, zoals onlangs over het tweede boek van Catherine Lacey. Ik had haar eerste roman lovend gerecenseerd en in Amerika werd De antwoorden echt gehypet. Ik was dus wel benieuwd naar haar nieuwe boek, maar vond het een pak minder sterk.
In het schrijven van negatieve recensies vind ik eigenlijk geen plezier. Ik zie mezelf eerder als iemand die de lezer tips geeft voor goede boeken. Net als de meeste recensenten heb ik bovendien een hekel aan het sterrensysteem. Naar mijn gevoel kopen lezers alleen maar boeken met vier sterren of meer, terwijl er veel goede driesterrenboeken zijn. Ik denk dat kranten de lezer onderschatten met die sterren. Lezers zijn paginavreters, waarom zouden ze dan geen hele recensie kunnen lezen?” Wat vind jij als recensent belangrijk in een goed boek?
“Ik hou van meeslepende verhalen die me doen nadenken over de wereld en die daarenboven in een interessante taal zijn geschreven. Als recensent moet je je echter bewust zijn van je eigen smaak en ook kunnen erkennen dat een boek goed geschreven is, al is het niet je ding.
Ik snap recensenten niet die gewaardeerde schrijvers telkens opnieuw negatief recenseren en daar plezier in vinden. Zo bespreek ik de boeken van Nell Zink liever niet meer, want iets in haar stem irriteert me enorm.” Als recensent moet je veel lezen. Stoort dat niet als je zelf bezig bent met een boek?
“Het voordeel is dat ik door veel te lezen een pak technische ideeën opdoe. Bovendien lees ik ook ter research. Boeken ontstaan bij mij niet alleen uit het leven, maar ook uit andere boeken. Maar sommige schrijfstemmen zijn inderdaad te dwingend. Daarom schrijf ik zelf het liefst ’s ochtends met een blanke geest en lees ik later op de dag. Of ik ga een week op schrijfretraite.” Verdwaaltijd, Kathy Mathys, Uitgeverij Polis Katrien Elen schrijft voor de boekenblog This is how we read.
Nog tot 25 juni kun je in de Beurs de fototentoonstelling The World of Steve McCurry bezoeken. Het is de meest volledige retrospectieve van de Amerikaanse Magnum-fotograaf tot nu toe. In 2013 sprak ik met McCurry naar aanleiding van zijn boek Voorbij de camera, waarin hij vertelt over z’n leven als fotojournalist. Dust Storm, Rajasthan, India, 1983
Steve McCurry is een kat met negen levens. Hij overleefde twee arrestaties in Afghanistan, viel bijna van het dak van een rijdende Indische trein, stond op een brug in Goa die instortte door de moessonregen, crashte met een vliegtuigje in het Sloveense meer van Bled, reed met z’n auto rakelings langs een landmijn in Koeweit en verdronk haast tijdens een hindoeïstisch festival voor de olifantengod Ganesh. De bekende Amerikaanse reportagefotograaf heeft in z’n 35-jarige carrière wel een en ander meegemaakt.
Zijn boek Voorbij de camera: Het verhaal achter de foto (Phaidon/Terra) bevat naast honderd twintig grote kleurafdrukken van McCurry’s beste werk ook pittoreske anekdotes over zijn werkomstandigheden en avonturen on the road. Bovenal biedt het boek echter inkijk in McCurry’s lievelingsthema’s en diepere drijfveren. En in zijn onwrikbare geloof in de kracht van fotografie.
Wij krijgen McCurry aan de lijn op een zonnige zaterdag in september, die hij doorbrengt in zijn New Yorkse studio. Hij lacht wanneer we hem omschrijven als moderne nomade: “Welnee, ik voel me een echte New Yorker. Of ik nu zes, negen of elf maanden per jaar in het buitenland zit: hier liggen mijn spullen, hier bewaar ik mijn werk. New York is mijn thuis. Ik ben geen ontheemde.” Was dit boek jouw idee? Wat motiveert je om het verhaal achter je foto’s te vertellen? Steve McCurry: Ik merk dat mensen daar nieuwsgierig naar zijn, of ze nu zelf fotograferen of niet. Ik werk in omstandigheden die vragen oproepen. Voor mijn project rond de moesson stond ik wekenlang kniediep in het water te fotograferen en moest ik ’s avonds letterlijk de bloedzuigers van me afbranden. Toen ik in 1997 voor het eerst naar Jemen trok, had dat land de hoogste kans ter wereld om als buitenlander gekidnapt te worden. Hoe zoek je dan toch een veilige route? Ik wou dat soort ervaringen graag delen, zolang ik ze maar niet zelf moest opschrijven (lacht). Ik heb een reeks interviews gegeven aan iemand van de uitgeverij. Daarom gaat het in het boek altijd over ‘McCurry’. Je hebt in je lange carrière de overstap moeten maken van analoog naar digitaal. Daarover rep je nergens. Ging het zo geruisloos? SMC: Ik herinner het me wel, het was tijdens een reportage in Afghanistan. Ik had naast mijn gewone spullen voor het eerst een digitale camera bij die ik eens wilde testen. Op dat moment was me al duidelijk dat digitaal de toekomst was. Vraag was alleen nog op welk moment ik zou overstappen. Ik schoot mijn eerste beelden analoog, maar heb de reportage op de digitale camera afgewerkt. Ik was meteen overtuigd. Het is zo’n immens voordeel om je beelden onmiddellijk te kunnen evalueren. Niet dat ik het vroeger vreemd vond dat zoiets niet kon, of dat mijn beeldredacteur – naar wie ik mijn onontwikkelde rolletjes opstuurde – mijn foto’s zag en publiceerde voor ik ze zelf had kunnen zien. Dat was toen gewoon de realiteit. Je duikt graag traag en diep in een onderwerp.Voor je reportage over Mumbai woonde je twee à drie maanden in de stad. Met hoeveel foto’s eindig je dan? SMC: Ik vind het totaal irrelevant hoeveel foto’s iemand op een dag maakt. Mij interesseren alleen de foto’s die uiteindelijk op tafel komen. Zijn die sterk genoeg? Spreken die aan? Ik druk niet in het wilde weg op de ontspanknop. Elke opname moet zinvol lijken. Maar je kunt het moment van je beste fotokans nooit voorspellen. Daarom is het absurd om maar één beeld te maken van een interessante situatie. Dat is zo bij portretten, want de persoon voor je lens kan plots bewegen of emotie tonen. Maar het geldt ook bij andere foto’s.
Ik bereid me voor: als ik een stadsbeeld wil fotograferen met een trein op een brug, dan check ik vooraf de dienstregeling. Maar dan nog blijft het afwachten of en wanneer alle elementen op hun plaats vallen. Een fotograaf moet altijd alert blijven.
Fishermen at Weligama, Sri Lanka, 1995. In Voorbij de camera staat een foto van een huilende Vietnamese vrouw. Je noemt dat een moeilijke opname waartoe je jezelf moest dwingen. Heb je regelmatig zo’n opgelaten gevoel? SMC: Eigenlijk niet. In beladen situaties vraag ik me altijd af: ‘Waarom ben ik hier?’ Ik respecteer de mensen die ik fotografeer en heb genoeg empathie om te beseffen dat er momenten zijn waarop je liever geen camera ziet. Die Vietnamese vrouw had net gehoord dat haar HIV-test positief was. Dan stort je wereld in. Toch heb ik de foto gemaakt, precies omdat die vrouw wist waarom ik er was. Ik volgde haar gezin meerdere weken in het kader van een boek voor The Global Fund, een organisatie die gratis medische zorgen verstrekt aan HIV- en aidspatiënten in arme gebieden. Zij had hulp nodig en mijn fotoverhaal was de manier om die te krijgen. Ik doe mijn werk omdat ik rotsvast geloof dat foto’s een verschil kunnen maken. Op jouw portretten kijken mensen altijd recht in de lens. Je mantra is dan ook: ‘Eerst contact leggen met de persoon, dan pas fotograferen’. Heb je nog zulke vuistregels? SMC: Zoek je eigen stijl en aanpak, maar behandel de mensen voor je lens met respect. Het is grappig dat we altijd hopen dat succesvolle mensen ons hun geheim kunnen verklappen, een simpele maar feilloze regel: ‘Doe dit of dat en je zult zonder grote inspanningen fantastisch werk maken.’ Zo gaat het natuurlijk niet. Je kunt de jaren van zoeken, proberen en ervaring opdoen niet zomaar overslaan. Ik geloof trouwens dat de meeste fotografen niet van te veel advies houden. Die doen gewoon hun eigen ding. Tijdens je hachelijke avonturen ben je al meerdere camera’s verloren. Zit je daar diep over in? Ben je gehecht aan je materiaal? SMC: Ik voel geen emotionele band met mijn camera’s. Voor mij tellen alleen de foto’s en het verhaal. Zo heb ik ook geen lenzen waarbij ik zweer, noch een uitverkoren type toestel. Mijn materiaal heeft het vaak hard te verduren. Tijdens de reportage over de milieuramp in Koeweit na de Golfoorlog reden we tussen de brandende olievelden. Zoveel stof en as in de lucht is nefast. Het moessonproject was ook een uitdaging. Toen huurde ik een lokale assistent in om een paraplu boven me open te houden. Ik probeer verstandig te werken, maar houdt het meestal op minimale bescherming. Als mijn materiaal het begeeft, dan is dat zo. Women shoppers dressed in the tradional burqa, Kabul, Afghanistan, 1992 In 2005 richtte je ImagineAsia op, een organisatie die onderwijs voor Afghaanse kinderen stimuleert. Word je als fotojournalist sneller filantroop dan iemand anders, omdat je zoveel ellende ziet? SMC: Ik hoop dat iedereen het verlangen voelt om iets bij te dragen, om van de wereld een betere plek te maken. Waarom zijn we anders hier? Als fotograaf heb ik in mijn ogen het voordeel dat ik met relatief weinig moeite veel kan doen. Soms doneer ik een afdruk om geld in te zamelen. Voor andere projecten maak ik foto’s uit overtuiging.
Het verlangen om iets terug te doen typeert Steve McCurry. Als er één foto is die zijn carrière heeft gemaakt, dan is het Afghan Girl, zijn portret van een 12-jarige Afghaanse vluchtelinge met groene ogen, een rode omslagdoek en een bijzonder indringende blik. Het portret stond in 1985 op de cover van National Geographic en groeide vervolgens uit tot een modern icoon, een van de best herkende foto’s van de afgelopen vijftig jaar.
In 2002 ging Steve McCurry met een cameraploeg van National Geographic Television op zoek naar ‘zijn’ onbekende Afghaanse meisje. Hij wilde kijken wat er van haar was geworden en of hij iets voor haar kon doen. Na lang en moeizaam speurwerk kwam de ploeg uit bij de enige echte Sharbat Gula – haar naam betekent ‘zoetwater bloemenmeisje’ in het Pasjtoe. Ze was intussen getrouwd en herinnerde zich McCurry. Hij mocht een tweede foto maken – een confronterend beeld dat is opgenomen in Voorbij de camera. En wat verlangde Sharbat Gula, toen ze – zoals in een sprookje – haar wensen mocht doen? Medische zorgen voor haar man en drie kinderen, een naaimachine en een bedevaart naar Mekka. The World Of Steve McCurry loopt nog tot 25 juni in de Beurs.
Barbara De Munnynck publiceerde deze bijdrage op de boekenblog This is how we read. Het interview verscheen eerder in het fotografiemagazine Shoot.
We waren uitstekend voorbereid. We hadden een schema, we waren tot op de tanden gewapend met zwerfboeken en we waren uiterst gemotiveerd. We gingen zaterdag het Passa Porta-festival uitpersen zoals een limoen voor onze mojito, geen minuut zouden we onbenut laten.
Dat kon alleen maar fout aflopen.
We begonnen nochtans stipt op tijd, met de performance The Quiet Volume in Muntpunt. Daar werden we in de leeszaal neergepoot, naast elkaar, met een iPod in onze oren en een stapel boeken voor onze neus. Katrien werd omgedoopt tot Links, Kurt tot Rechts.
Rechts. Een fluisterende mannenstem leest met me mee. Hij geeft me instructies, ook. Instructies zoals mijn linkerhand op de linkerpagina leggen, om dan de aandacht te trekken van Links door een vinger op te lichten. Links doet prompt hetzelfde, maar dan in spiegelbeeld. We lachen, in spiegelbeeld. De stem leidt me door José Saramago’s Stad der Blinden en Agotha Kristof’s Het Grote Schrift, twee van mijn favoriete boeken. Links wijst dingen aan in mijn boek, ik in het hare. Ik lees ondersteboven en voel me lichtjes onnozel. Niet zo onnozel als de man die wat verderop de boel bij elkaar neuriet, weliswaar. Ik vermoed dat Katrien een potje slappe lach inslikt. Na afloop doet de leeszaal onwerkelijk aan, dit was een bizarre trip.
Links. Handtas en jassen achterlaten, klinkt het streng. Stiekem smokkelen we onze smartphone mee binnen. Een ervaring zonder selfie, is niet echt ervaren toch? Al gauw ga ik helemaal op in deze allround ervaring. Ik volg gesproken instructies die naadloos overvloeien in een geschreven tekst. Is die onbekende stem nu echt gestopt met spreken? Waar is het lezen begonnen? Als er links van mij een neuriënde man plaatsneemt, weet ik zeker te zijn beland in een leeszaal vol acteurs. Is die kuch achter mij deel van het complot? En was dat stoelgeschuifel niet heel toevallig getimed? Of hebben die starende blikken alles te maken hebben met Kurts pinkgewuif en mijn subtiel opgestoken middelvinger. Of is het mijn intense gestaar om het woord ‘kleuren’ op een leeg blad te projecteren terwijl Rechts heel hard zijn best doet om hetzelfde te doen met het begrip ‘zichzelf’? Een bevreemdende ervaring waarin geen toeval bestaat en gedachten worden gelezen.
Van postmodern interactief theater krijg je altijd zin in koffie, dat is bewezen. Die was ruimschoots voorhanden in de BartleBar, genoemd naar Herman Melville’s Bartleby The Scrivener. Gelukkig stootten we bij het bestellen niet op Bartleby’s legendarische ‘I would prefer not to’. Kom niet tussen een Boekenknecht en zijn koffie.
Tot dusver verliep de planning vlekkeloos. We lieten zwerfboeken achter, hier en daar, en beenden daadkrachtig voorbij de zonovergoten terrasje. Pas bij onze volgende stop werden we op het verkeerde pad gebracht. Op zoek naar mooie illustraties voor onze posts, vroegen we Grafische WaaghalzenLéonie Bischoff en Lies Van Gasse om het antwoord te tekenen op twee vragen over de Boekenmeisjes. We hadden beter geen koffie in onze Boekenknecht gegoten.
De vraag van Kurt aan Léonie Bischoff, immers: ‘Hoe zouden Boekenmeisjes eruit zien als je van lezen dik wordt?’
Léonie ging lachend aan de slag. Vol bewondering keek hij toe hoe Léonie een klein kunstwerk afleverde. Dat de Boekenmeisjes dit niet onbeantwoord zouden laten, werd pennentrek na pennentrek duidelijk.
De vraag van Katrien aan Lies Van Gasse: ‘Wat gebeurt er wanneer Boekenmeisjes zoveel werk hebben dat ze gedwongen worden een knecht aan te nemen?’ Lies maakt er haar werk van. Het is maar dat Kurt beloofd heeft de waterverfillustratie te zullen inscannen of ze hing al te pronken aan Katriens muur.
We beleefden zoveel plezier met onze prachtige illustraties dat we onze volgende halte vergaten. Oh well. Kurt beleefde nog wat plezier aan het dichten samen met Remco Campert in de Gamezone, waarna we besloten de namiddag in dezelfde teneur voort te zetten door te gaan luisteren naar de Keuze van de Kosmos van Randall Casaer.
Randall, huistekenaar van de Slimste Mens en zelfverklaarde mensenfluisteraar en grommelpot, mag kiezen welke meesterwerken het waard zijn om in een sonde naar de uiterste grenzen van de kosmos geschoten te worden. Hij kiest voor de verhalenbundel Nobody Belongs Here More Than You van Miranda July. Kurt valt geestdriftig knikkend van zijn stoel. Katrien rolt met de ogen wanneer hij vermoedt dat ze bij Passa Porta het programma op zijn Goodreads-lijst hebben gebaseerd. Miranda July’s authenticiteit en zuivere stijl is voor Randall voldoende reden. Dat hij even moest gaan liggen toen zijn vriendin hem July’s verhaal This Person voorlas, is voor ons dan weer voldoende reden om het opnieuw te lezen.
“Dit is zo een goede vraag! Kan je ze nog eens stellen?” (Randall Casaer)
Randalls tweede keuze, Shelter, is een vintage boek uit 1973 geschreven door twee hippies die beschrijven hoe mensen over de hele wereld een dak boven hun hoofd zetten. De ultieme handleiding voor de constructie van een mancave. Katrien rolt met de ogen wanneer Kurt in mansplaining over bouwtechnieken met duct tape en montagekit ontsteekt.
Dat onze tochten tussen Muntplein, de Beursschouwburg en De Markten telkens de terrasjes van Sint Katelijne kruisen is overigens zuiver toeval. Echt.
Weer volgetankt met vitamine D en een adequate hoeveelheid rosé stapten we vrolijk naar De Markten, voor een interview met Dimitri Verhulst.
Mochten we hebben gehoopt dat Dimitri Verhulst ons warm zou maken voor Made in Europe, het culturele televisieprogramma in de voetsporen van Pieter Steinz, dan hadden we het mis.
Verhulst bekent immers meteen dat ze als televisieploeg hebben tekort geschoten en dat de enige echt goede aflevering nog moet komen. Die van komende zondag, volgens Verhulst: “Wat mij stoort bij televisie, is dat men ervan uitgaat dat de kijker dom is. Alle moeilijke fragmenten zijn eruit geknipt.”
“Ik vind het gênant hoeveel ik zelf in beeld kom. Dan interview ik een Nobelprijswinnaar en krijgt de kijker een close-up van mijn haarlok te zien.”
Gelukkig herwint Verhulst zijn enthousiasme bij de herinnering aan zijn verpletterende ontmoeting met Jeanette Bougrab, de weduwe van de vermoorde Charlie Hebdo cartoonist Charb: “Hoe kan een vrouw met een kind van drie en een fatwa boven het hoofd nog strijdlustig zijn?” Het antwoord is… niet meer.
Over Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk is Verhulst opnieuw vernietigend. “Hij heeft een deal met de overheid gesloten. Je kon hem op geen enkele controversiële uitspraak meer betrappen.
“We hadden hem als de meest antipathieke lul ooit kunnen portretteren. Uit beleefdheid hebben we ons ingehouden.”
Is er wel een gedeelde Europese cultuur vraagt VRT-journaliste Annelies Van Herck tot slot? “We zijn inderdaad niet fantastisch verbonden,” geeft Verhulst toe. “Maar hét ultra-Europese cultuurobject is kinderliteratuur. Europa is het enige continent waar alle kinderen kunnen lezen. Op de tweede plaats zou ik ‘ironie’ zetten. Buiten Europa lijken ze vaak niet te snappen dat lachen met niet hetzelfde is als uitlachen.” Onduidelijk of Kurts monkellach na afloop ironisch bedoeld is.
Bij het verlaten van De Markten zien we nog hoe een man ons zwerfboek oppikt. Hij gaat veel plezier beleven met 2084.
De ondergaande lentezon zet Brussel in brand. Ons pad naar de volgende halte ligt bezaaid met hindernissen. Terrasjes, vol vrolijk pratende mensen. De Monk, dealer van de beste spaghetti van Brussel. Erika Fatland zullen we niet bereiken. Overmacht, heet dat dan.
Terwijl de wijn ons overmoedig maakt, leggen we Randall Casaer de volgende situatie voor. Hoe zou de wraak van de Boekenmeisjes eruit zien, mocht Kurt de knechtenregels overtreden? Casaer laat Katrien de eerste zeven potloodstrepen trekken. “Heerlijk gestructureerd”, aldus Casaer. En ook “fuck it, ik ga mezelf niet censureren.” En jawel, de eerste Casaer-Elen is geboren en is meteen gewaagd. Of de Boekenmeisjes in de toekomst als Book Bitches door het leven zullen gaan, valt nog af te wachten, maar zeg eens… wat is jouw interpretatie van dit abstracte kunstwerk?
Ons schema hebben we overboord moeten gooien. Passa Porta plannen kan zoals voorspeld alleen maar fout aflopen. We hebben veel haltes gemist. Maar in de plaats kregen we prachtige illustraties, onverwachte, vrolijke ontmoetingen en een volcontinue literaire douche op een zonnige lentedag. Zo pakken het we het weer aan, volgende keer. Boekenmeisje Katrien Elen en boekenknecht Kurt Van Gasse schrijven voor de boekenblog This is how we read.
Katrien Elen is een van de auteurs van This is how we read, een ‘pretblog van drie professionele boekenmeisjes’. Onlangs bezocht ze in Brussel de foto- en kunstboekenwinkel Taschen en De Belgen, de tentoonstelling over Belgische mode in de Bozar.
Of we niet overdressed zijn, vragen we ons af als ik de auto laveer op de Wetstraat en we de voorbijgangers zien voorbijsjokken in short en T-shirt.
Maar hé, wij gaan naar Brussel voor een dosis (g)lit(t)eratuur. Eerste halte op deze zonnige zaterdag is de TASCHEN Store aan de Zavel, de foto- en kunstboekenwinkel van de gelijknamige en gerenommeerde uitgeverij. TASCHEN heeft winkels in trendy steden als Miami, New York en Londen en sinds 2008 ook in Brussel. Voor de inrichting deed TASCHEN een beroep op Philippe Starck, de huisdesigner van de uitgeverij.
Katrien Elen is coördinator van taalvakanties voor jongeren en schrijft literatuurrecensies voor het magazine Psychologies. Samen met Barbara De Munnynck en Eveline Janssens heeft ze een ‘pretblog van drie professionele boekenmeisjes’: This is how we read. Zondag was ze in Brussel voor het literaire parcours van het Passa Porta Festival. Verslag van “een perfect georganiseerde mix van beleving, inspiratie en ontspanning”.
Het was zondag koppen lopen in Brussel, niet alleen voor de Hart boven Hard-betoging, maar ook het Passa Porta Festival trok een pak bezoekers. Zondag konden de festivalgangers een literair parcours volgen door de stad. Samen met een goede vriend trotseer ik regen en wind en dompel ik me een namiddag onder in de festivalsfeer.
Ieder uur kan je kiezen tussen verschillende activiteiten. Een moeilijke bevalling. Tijdens een laat ontbijt in De Markten maken Kurt en ik hartverscheurende keuzes met de pen in de hand. We herkennen ondertussen J.M.G. Le Clézio, de Franse Nobelprijswinnaar die donderdag het festival mocht openen. Wat is het leuk om een hele dag Hollywoodgewijs literaire idolen te spotten en elkaar aan te porren ‘hé is dat niet…’.