Het vernieuwende Art nouveau-ornament

Naar aanleiding van het colloquium ‘Secrets d’ateliers, l’ornement Art nouveau’, 18/09/2020, CIVA, Hortamuseum

Art nouveau kon ontstaan op een plek als Londen in 1851, tijdens de zogenaamde Great Exhibition. Daar waren dermate lelijke ornamentele bloemen te zien – in de ogen van critici – dat er reactie op moest volgen. De ontwerpen in kwestie, bedoeld als versiering voor behangpapier, stoffen of gordijnen, streefden driedimensionaliteit na. Met hun schaduw- en dieptewerking wilden ze de illusie van echtheid verschaffen. Dat werd als vals ervaren, want ze dienden om platte objecten te versieren.

Neobarok ontwerp, Frankrijk, rond 1900

De Great Exhibition was een symbool van het Victoriaanse tijdperk. Er waren veel verschillende historische stijlen te zien, van middeleeuwse tot renaissancistische. De nieuwe, moderne kunstenaars zouden die stijlen synthetiseren, aemuleren en ten slotte achter zich laten door een nieuw element van inspiratie naar voren te schuiven: de natuur.

De Engelsen schreven een nieuwe bijbel, onder leiding van kopstukken John Ruskin en William Morris, de Prerafaëlieten, de Design Reform Movement, de Aesthetic Movement en de Arts & Crafts-beweging. Op hetzelfde moment verscheen er ook een naar hedendaagse normen heel groot, dik en zwaar boek, The Grammar of Ornament, door Owen Jones.

De illusionistische procédés werden verbannen. De versiering moest zich aanpassen aan de vlakke, tweedimensionale ondergrond van haar drager (behangpapier, stof, weefsel).

Een Designschool werd opgericht, en het Victoria & Albert Museum.

In Wenen kwam in 1871 het Art & Industry Museum (Museum für angewandte Kunst), en wat later de Kunstgewerbeschule, waar het ornament werd bestudeerd.

Atlas van motieven

Wat daar al vroeg in Engeland gebeurde, voorafgaand aan de Art nouveau, was geweten door enkelingen op het continent, zoals de schilder en illustrator Georges Lemmen en ook de jonge kunstenares Maria Sèthe, die tekenlessen bij hem volgde en de echtgenote van Henry Van de Velde zou worden. Zij brachten de nieuwe inzichten het kanaal over, terwijl Engeland zélf nooit echt tot de volle Art nouveau zou overgaan. De Engelsen tekenden wel heel tendentieus voor de Europese markt, maar de eigen produktie werd net weer traditioneler als gevolg van de ideeënstrijd tussen John Ruskin die pleitte voor een ‘morally just’ design, en Oscar Wilde, die ‘any means are good’ vond, zolang het resultaat maar geslaagd was. Hij vertegenwoordigde de Aesthetic Movement – art for art’s sake – maar viel uit de gratie na een hoogstspraakmakend proces voor homofilie.  

De Arts & Crafts-beweging stelde de industriële produktie in vraag, en ook dat was een impuls voor een nieuwe stijlrichting. Het artisanale produkt dreigde met de industrialisering en standaardisering verdrukt te worden, opgaand in anoniem maatwerk. Het zichtbaar gebruik van gietijzer in woonhuizen en de sierlijke transformatie ervan, waar Victor Horta, de Gentenaar die de nieuwe stijl neerzette, mee uitpakte, was in dat verband een vindingrijk compromis, het omarmen van zowel verleden als toekomst. Het beste uit twee strijdende werelden werd in de Art nouveau verenigd.

“Ma racine est au fond des bois, parmi les mousses, autour des sources”, zei de veelzijdige ontwerper Emile Gallé uit Nancy. De natuur was de nieuwe bron van inspiratie, de kunst was losgekomen van de herhaling van stijltradities. Sommigen wilden er de veronderstelde oerwetten van ontcijferen en het design daarnaar doen luisteren. De nautilus-schelp (de spiraal), het palmblad, de stengel en de bloem werden gestileerde motieven in de handen van de nieuwe kunstenaars. Het verschil met de decoratieve lijn van vroeger zat hem in een nieuwe, levendige kracht. ‘Ligne-force’ of ‘dynamo-grafiek’ werd dat toen genoemd. Bij Horta eindigde die lijn soms op een finale tegen- of zweepslag, als nec plus ultra van die nieuwe dynamiek. Er was iets ontdekt dat paste bij de behoefte aan vernieuwing. Horta, die 1,5 jaar in Parijs studeerde en daar onder meer de invloed van architect en theoreticus Viollet-le-Duc onderging, had zijn liefde voor het Franse rocaille weten te bekronen door er nieuwe levendigheid aan toe te voegen en de stengel der natuur te stileren als motief – zonder de bloem zelf, of slechts hoogst zelden (tenzij als bekroning van verlichtingselementen).  

Het nieuwe florale model, in twee dimensies. Wenen, Ringstrasse, Majolicagevel. Otto Wagner.

Ook Wenen liep voorop. Otto Wagner was daar de eerste moderne stylist die uit de chaos van het verleden een nieuwe stijl puurde, met inspiratie die hij uit Parijs had gehaald. Aan de nieuwe Ringstrasse die het oude centrum omgordde was daar plaats voor. Wagner gebruikte het gladde gevelvlak van zijn Majolicahuis als tekenbord. Een leerling, Josef Hoffmann, bracht een meer eenvoudige lijnvoering, uitgepuurder. En nog een andere, Josef-Maria Olbrich, die aan het eind van de Ringstrasse het manifestgebouw van de Wiener Sezession neerzette, ontwierp gebouwen voor Darmstadt, een kunstdorp dat door een mecenas in het leven geroepen werd.

Het ornament werd daar gezien als iets wat logisch of organisch uit de structuur van het voorwerp of gebouw moest voortvloeien. De Belg Khnopff droeg bij, en andere Europese kunstenaars. Er was in Europa een onderling uitwisselspel van wederzijdse beïnvloeding ontstaan, ook door de kunsttijdschriften die circuleerden. Paul Cauchie integreerde in Etterbeek Mackintosh’ stijlkenmerken.

Ondertussen moest de explosief uitdijende stad in goede banen geleid worden. Het platteland begon leeg te lopen, en de stad werd een nest voor arbeid en diensten. Er kwamen regels voor hygiëne, minimumhoogtes voor plafonds, verfraaiingen van dorpels, straten en gevels, bovenop het nieuwe stadsuitbreidingsplan onder leiding van ingenieur Victor Besme. Het was een knik in de evolutie van Brussel na de min of meer organisch gegroeide oude kernstructuur. Brussel werd een moderne metropool, door Leopold II aangestuurd, weldra met brandstof uit de Afrikaanse kolonie die de achterstand van België op Nederland (dat al lang op koloniale hulp kon rekenen) moest goedmaken.

In die zin bracht de poëtische introductie van de natuur ook de nodige zuurstof binnen tussen de talloze blokken langs die nieuwe tracés.

En daarmee waren de idealen nog niet opgebruikt.

Het devies ‘Pour tous’ verklankte de ambitie om iedereen toegang te geven tot schoonheid (ook bij Oscar Wilde). Mooi, maar tegelijkertijd schreven Paul en Lina Cauchie ‘Pour Nous‘ op hun gevel aan de Frankenstraat. Ook het gouden tijdperk van het individu was meer dan ooit tevoren aangebroken.

De visie op de nieuwe lijn door Hector Guimard

Het Art nouveau-ornament kon helpen om de nieuwe mens in galopperende tijden verbonden te houden met de natuur, met zijn ‘racines’. Tegenover het gevaar van anonimisering en de naamloze abstractie van de white box stond de grillige, onvoorspelbare, persoonlijke en natuurlijke lijn. Een huis werd een portret van haar specifieke bewoners. De architect, de kunstenaar (mannelijk en vrouwelijk) en zijn ambachtslieden tekenden, sneden of kapten in materialen. Innovatieve glasbewerking bracht het beste van moderne uitvindingen samen met de wensen van op nieuwe symboliek beluste burgers. Het vrouwelijke element kreeg een ambiguë hoofdrol in een nog sterk vermannelijkte maatschappij.

In Japan kan het belang van het doorgeven van vakkennis nog groter zijn dan het uiteindelijke resultaat. Gebouwen worden er moedwillig afgebroken om ze herop te bouwen. Kwestie van de technieken en vaardigheden te blijven oefenen.  

De Art nouveau-lijn positioneert zich ook op de tijdslijn van de eco-logica. We maken deel uit van de natuur, we staan er niet boven, alhoewel we ons te vaak, als ultieme roofdieren, zo gedragen.   

Sgraffiti door Adolphe Crespin voor Paul Hankar. Defacqzstraat 71.

Een tweede familie Art nouveau-kunstenaars zocht meer abstrahering en geometrisering in de lijnvoering. Paul Hankar liet nog veel vrijheid toe binnen de geometrie, bijvoorbeeld in zijn door Adolphe Crespin uitgevoerde sgraffiti voor zijn woonhuis, Henri Van de Velde was nog verder op weg naar abstractie met zijn ornament, of ging de abstractie vooraf. In elk geval was het de bedoeling om de natuur op te roepen, zonder haar te illustreren. De versobering kwam overgewaaid van de Schot Charles Rennie Mackintosh en de Wener Joseph Hoffmann.

Conclusie

Altijd moet je een weg vinden tussen verpletterende machinaliteit en overdreven versiering. Het blijft opmerkelijk dat veel Art nouveau-interieurs  na verloop van tijd te beklemmend werden voor hun bewoners.

In het ideale geval komt de synthese tot stand: het artisanale  en de reproduceerbaarheid worden complementair. Bauhaus en de Wiener Werkstätte (1903) richtten zich op een dergelijk verweven van kunst en industrie, werkplaatsen voor kwaliteitsproducten voor een selectieve markt.

Van hyper-uniek op-maat-ornament en object, over geometrisering, tot en met abstractie: zo ligt de tijdslijn van ons vormgeven vast.

Rond 1900 leidde de artistieke vernieuwing tot ongeziene ornamentiek in de straten en de interieurs van de stad.

Art nouveau en haar ornament doorstonden de tand des tijds, na een poosje uit de gratie gevallen te zijn door de opeenvolging van nieuwe evoluties en modes, economische noodzakelijkheden.

Vandaag wordt het ideaal van design ‘pour tous’ belichaamd door het Zweedse Ikea. Tegen welke prijs?

Het natuurelement komt terug, uit grotere noodzaak dan voorheen. Hebben we een nieuwe stijl nodig die illustratief kan zijn voor onze bewustwording van de noodwendigheid van de natuur?

Het verlangen naar wat er niet is

Wat als twee hartsvrienden en potentiële geliefden besluiten om elkaar twintig jaar niet meer te zien en elkaar dan ontmoeten op een bankje in de stad? Maaike Neuville en Roy Aernouts presenteren een tintelende intimistische voorstelling op het achterplein van de KVS. Een kostbaar keinood.

(c) Danny Willems

Twintig jaar is verdomd lang. Maaike en Roy (de acteurs spelen onder hun eigen naam) zijn geen prille twintigers meer als ze elkaar terugzien. Zij heeft intussen een zoontje gekregen en hij heeft zijn moeder verloren. Maar als vanouds vullen ze elkaars zinnen aan, stellen ze elkaar vragen die ertoe doen, discussiëren ze op het scherp van de snee, wisselen ze wijsheden uit. De dynamiek tussen hen beiden is dezelfde gebleven. Al zijn er intussen nieuwe strijdpunten opgedoken, zoals het privilege van de witte man.

Het stuk leeft vooral van de spitse, geestige dialogen in een relationele context tussen een man en een vrouw. Het herinnert aan de zinderende filmtrilogie van Richard Linklater: Before Sunrise, Before Sunset en Before Midnight. De soundtrack van het stuk wordt verzorgd door een straatmuzikant, die door de personages druk becommentarieerde versies brengt van Redemption Song van Bob Marley en Hallelujah van Leonard Cohen.

Ook Aernouts brengt op het einde een Nederlandstalig chanson ten berde. Hij zingt over het verlangen naar wat er niet is, het eeuwige gemis. Die melancholie zit ook in het stuk. Hebben ze elkaar destijds losgelaten, zodat ze zich verder als individuen konden ontwikkelen buiten het keurslijf van een relatie? Of hebben ze uit bindingsangst een gezamenlijke toekomst botweg in de kiem gesmoord? En wanneer spreken ze een volgende keer af? Zoals in de beste voorstellingen worden niet alle vragen beantwoord. Veel blijft onuitgesproken.

De acteurs spelen met veel naturel en charme. Ze spreken tussendoor het publiek aan en trakteren zelfs op gemberthee. Hartverwarmend op een kille herfstavond. In haar memorabele openingswoord zei Neuville – met een muts over haar ultrakorte haren – dat je je oordeel niet meteen mag vormen tijdens het stuk. Menigeen doet dat om achteraf tijdens de nadronk te kunnen uitpakken met zijn of haar visie. Laat het op je inwerken en laat het bezinken, op een bankje, op een dag.

(c) Danny Willems

Op een bankje, op een dag is vandaag nog te zien op het achterplein van de KVS en gaat daarna op tournee.

Het gevecht met de weegschaal

Ananda de Jager worstelde jarenlang met een eetstoornis. Haar regels bleven op den duur uit. Tijdens haar herstel begon ze poëzie te schrijven, die ze nu bundelt in ‘Poems of Recovery’. ‘I always knew I was a fighter’, klinkt het.

Sinds twee jaar woont Ananda in Brussel. Ze komt uit het Nederlandse Goes, werkte vroeger als fotomodel en is nu aan de slag bij het cosmetica- en schoonheidsbedrijf L’Oréal. Haar naam betekent in het Pali, een taal waarin oude boeddhistische teksten geschreven zijn, ‘de gelukkige’ of ‘iemand die vreugde en plezier brengt’. En gelukkig is ze nu eindelijk, zegt ze.

‘Ik eet opnieuw graag,’ vertelt ze, nadat ze haar gedichten voorgelezen heeft in Be Nuts, een koffiebar met vegan gebak in Sint-Gillis. De tijd dat ze enkel een appel at als lunch, is voorbij. De eeuwige cyclus van te weinig en te veel eten, kent ze als geen ander. ‘Als je voortdurend dieet en te veel sport, vraagt je lichaam na een tijd om meer eten om op die manier rust te vinden. Ik vroeg me af hoe mensen normaal eten. Als je in dat patroon zit, weet je niet beter.’

Ze schrijft haar eetstoornis toe aan haar controledrang en perfectionisme. Haar lichaam gaf haar echter signalen. Ze was altijd moe en haar ongesteldheid bleef uit. Haar modellenwerk beschouwt ze niet als de oorzaak, maar ze gebruikte het wel als excuus. ‘Hey jongens, het is normaal dat ik zo slank ben. Ik werk als model.’

Ze zocht een uitweg. Ze deed aan yoga en meditatie, las veel zelfhulpboeken en raadpleegde spirituele coaches. Ze focuste zich op dingen die ze leuk vond zoals dansen en motorrijden. Haar familie steunde haar door dik en dun. Op Instagram deelde ze inspirerende quotes over body positivity en zelfliefde.

Ze begon zelf ook Engelstalige poëzie te schrijven. Om haar innerlijke demonen te overwinnen, maar ook om andere meisjes in dezelfde situatie en hun ouders te helpen. Het zijn korte, ongekunstelde, kristalheldere verzen waar je spontaan een hashtag bij denkt. ‘And as I touched my skin / I realized / This is the body I will be in / This is my home / Take care of your home.’ Ze vond een uitgeverij die haar bundel op aanvraag drukt: Boekscout. Ze spreekt over haar boek in Vlaamse en Nederlandse kranten, maar deed ook al mee aan een Amerikaanse podcast. ‘Mentale gezondheid is er enkel belangrijker op geworden in tijden van corona. Als ik één iemand kan helpen, is mijn missie geslaagd.’

‘Het herstel was best pittig. Ik ben door de modder moeten gaan. Maar nu probeer ik naar mijn lichaam te luisteren,’ besluit ze. Haar nieuwe Brusselse biotoop heeft haar ook geholpen. Ze woont niet ver van Manneken Pis, in het toeristische hart van de stad, en heeft een internationale vriendenkring. ‘Brussel is een wereld op zich.’

(c) Linda Mertens, Normaal Gesproken

‘Poems of Recovery – A young girl’s path to recovering from an eating disorder and amenorrhea’ is beschikbaar bij Boekscout, Bol en Amazon.

Littekens van huizen en bouwwerken

Er lopen vandaag in Brussel twee tentoonstellingen over het werk van fotograaf Paul D’Haese. Mattie Billen van de blog Pierewit ging kijken in Contretype en Hangar en was onder de indruk. “Hoe lelijk, oud en vervallen de huizen, koterijen, muren, asfaltstroken of parkeerplaatsen ook zijn, het levert schitterende, soms zelfs ontroerende, beelden op.”

© Paul D’Haese, série Belgopolis, VI2013, 90 x 106 cm 2016

Ik hou veel van fotografie. Ik kijk graag in fotoboeken. De mijne hebben voornamelijk de mens als centraal onderwerp. Portretfotografie, boeken als ‘Brussel intiem’ (mensen die zich met al hun huisgenoten in hun interieur in een Brusselse woning lieten vereeuwigen), de stad met haar bewoners (Amsterdam en Parijs van Ed Van der Elsken), de mooie thematische boeken van Lieve Blancquaert, de erg geënsceneerde producties van Leni Riefenstahl, de estethisch uitgepuurde foto’s van Robert Mapplethorpe, zelfs Leopold III kan me als fotograaf charmeren en ook wel foto’s van concerten – bijvoorbeeld in Paradiso – of van mensen met hun huisdier. Eerder anekdotische foto’s, beelden waar je een verhaaltje rond kan brouwen door de situatie die je afleest.

Uitzonderlijk heb ik enkele boeken over interieurs waar geen mensen in te zien zijn, maar waar je vanzelfsprekend de mensen in kan waarnemen via hun creaties, hun inrichting, de sporen van maaltijden of rommel en vuiligheid, zichtbare armoede, de lompe tv in het midden van de kamer, het met een morsige sprei gedekte bed. Boeken of tijdschriften over (binnenhuis)architectuur waar alles onder controle is en proper en netjes gepresenteerd omdat de nadruk ligt op het concept van de architect die zich wil verkopen kunnen me eveneens bekoren.

© Paul D’Haese

Gisteren bezocht ik twee tentoonstellingen met foto’s van Paul D’Haese (1958°). Ik kende het werk van deze fotograaf niet. Maar wat een ontdekking! Ik raakte niet uitgekeken op de haarscherpe beelden van desolate landschappen en/of afgeleefde gebouwen, braakliggende terreinen of bruggen. Ik denk dat de fotograaf urenlang op zoek gaat naar de locaties en ernaar terugkeert om een juiste lichtinval en toevallige ‘passanten’ (een kat, een vrachtwagen, een caravan) in de cadrage te krijgen, met behulp van een technische camera waarmee hij alles uitgemeten vat. De compositie lijkt wiskundig berekend, soms is er net geen symmetrie en àltijd is er een prachtig spel van lijnen en vlakken en terugkerende vormen in sombere doch meestal warme kleuren. Vaak in combinatie met bomen, struiken, pilaren, kabels.

Hoe lelijk, oud en vervallen de huizen, koterijen, muren, asfaltstroken of parkeerplaatsen ook zijn en hoe ‘bric-à-brac’ de voorwerpen die zich erbij bevinden – schotelantennes, keien, dranghekken, kasseien, balkjes, afdekmatten, verkeersborden, elektriciteitskasten, vuilbakken – het levert schitterende, soms zelfs ontroerende, beelden op. De tijd laat zich lezen in de letterlijke littekens van huizen en bouwwerken die in diverse perioden bij elkaar gebracht werden. Het zijn tekens van afbraak en restauratie, leegtes die een verleden suggereren, vlekken die wijzen op herstel en slijtage en opnieuw herstel.

© Paul D’Haese

Bouwsels leunen tegen elkaar aan, ze staan vloekend en onlosmakelijk van elkaar in wat een eeuwigheid lijkt. Diverse grijzen in een strak lijnenspel van fabrieksmuren met schaduwpartijen vormen een contrast met een crème-fraîchelucht van witte wolken die uit de trapeziumvormige uitsnijding op de foto van deze hal opstijgen; op de binnenplaats liggen grote bij elkaar gebonden buizen en twee enorme industriële voorwerpen die ik niet kan duiden.

Sowieso zijn de foto’s heel fascinerend en opwindend doordat ze je fantasie prikkelen. Een reeks bleke garagepoorten staan repetitief te wezen met het accent op één donkerbruine poort. Elders staan betonnen wanden afgebiesd met prikkeldraad dominant in het beeld, op de hoeken enkele staalharde metalen muurankers. Op een verlaten binnenkoertje omzoomd door hoge witte muren staat het karkas van wat ooit een schommel was; op de wand achter dit staketsel zie je de schaduw van een reeks kale boomkruinen waarvan de (schaduw)stammen over de grond naar je toe kruipen. Op de dwarse witte wand is er een schuinaflopende schaduw van een leuning die zich boven op het dak bevindt van het gebouw dat je slechts héél fragmentarisch ziet. Op een andere foto met enkele kleine arbeidershuisjes die solidair driehoekig omhoog pieken in diverse kleuren en materialen, prijken scheuren in de muren haast vertederend naast ronde raampjes van hoop.

Industriële rommel krijgt op de foto’s van Paul D’Haese een dimensie van schoonheid door het haast abstracte ervan: een toren van autobanden, een stapel houtwerk met ergens bovenop een oude boot. Ik zou eindeloos kunnen doorgaan met het trachten te beschrijven van wat ik zag. Ik zag twee tentoonstellingen achtereen, ze zijn heel verschillend maar ik beschouw ze hier als één geheel van zeer herkenbaar werk van een interessante fotograaf. Ik ben enthousiast. Paul D’Haese heeft een nieuwe volger.

© Paul D’Haese

Paul D’Haese

Winks of Tangency (Contretype, Fontainashof 4, 1060 Brussel)
16/9 – 8/11/2020

Borderline (Hangar, Photo Art Center, Kasteleinsplein 18, 1050 Brussel)
5/9 – 24/10/2020

Mattie Billen schreef deze tekst voor de blog Pierewit.

Brussel Brast, een studentikoze braspartij in bubbels

Sinds 2010 trapt Brussel Brost het academiejaar in de hoofdstad op gang met een gratis muziekfestival voor studenten. In september 2020 is een evenement voor 10.000 bezoekers niet mogelijk. Organisator Brik, de servicedesk voor studenten, serveert op 1 oktober een coronaproof alternatief in de vorm van een eetfestijn in kleinere groepen op ongewone locaties in de stad: Brusselt Brast. Smakelijk!

Coördinator Tim Fabry klinkt opgetogen aan de telefoon. De inschrijvingen voor Brussel Brast lopen vlot binnen. “De studenten kijken er duidelijk naar uit om iets in hun stad te beleven. Een etentje op het dak van Flagey of op de dansvloer van Fuse maak je ook niet elke dag mee.”

Hoe zijn jullie op het idee gekomen van een culinair evenement in plaats van een muziekfestival?

Het is een heel proces geweest. Sinds het verbod op massabijeenkomsten om de verspreiding van covid-19 te beteugelen, hebben we verschillende scenario’s ontwikkeld. Bijvoorbeeld het muziekfestival spreiden over drie dagen en studenten laten kiezen uit meerdere slots. Toen kwam er eind juli een nieuwe verstrenging. De horeca blijft open, dus toen dachten we: laat ons iets met eten doen. We zijn op zoek gegaan naar een brede waaier van unieke locaties waar je normaal niet kan eten.

Een digitale editie? We hebben het niet ernstig overwogen omdat we vaststelden dat er een zekere moeheid begon op te treden na maanden enkel Zoom-meetings en virtuele concerten.

Hoe maak je het fysieke evenement coronaproof?

We volgen nauwgezet het horecaprotocol om besmettingen te voorkomen. Studenten moeten zich vooraf inschrijven en een onschuldige hand kiest de winnaars. Als je je solo inschrijft, krijg je een plaats aan een ontmoetingstafel, waar de anderhalve meter afstand gerespecteerd wordt. Je kunt ook met je bubbel van twee of vier dineren.

Blijft de opzet van Brussel Brast hetzelfde als van Brussel Brost?

Ja, we verwelkomen de studenten op een feestelijke manier bij het begin van het academiejaar. We zetten Brussel in de kijker als een diverse en eigenzinnige stad. Nieuwe studenten die de stad nog niet kennen, maken we wegwijs. We vragen ook aandacht voor het studentenleven.

Wat eten we op 1 oktober?

Dat zal heel gevarieerd zijn, afhankelijk van de locatie. In het tweesterrenrestaurant La Villa in the Sky zal het super fancy zijn, terwijl het in het Zoniënwoud eerder een gezellige picknick zal zijn. Het is de bedoeling de studenten te verrassen. Ze weten niet niet vooraf wat ze zullen krijgen, al zullen we uiteraard wel polsen naar hun dieetwensen.

En zal er geen muziek weerklinken op Brussel Brast?

We hopen nog een extraatje te kunnen doen met een optreden hier of een dj-set daar. Maar eerst zorgen dat we op tien plekken een diner kunnen organiseren. Er zijn vijf openluchtlocaties, waarvoor we een regenplan moeten hebben. Aan decor, licht en geluid hechten we ook veel belang.

Meer info over Brussel Brast vind je op de website, Facebook– en Instagrampagina van het festival. De wedstrijd loopt tot 24 september. Wie niet is geselecteerd, maakt kans op een troostprijs: een gratis studentenpakket van Balls & Glory.

Theater in tijden van corona

Claudine is in volle lockdown gestorven. Bezoek mocht ze niet meer ontvangen in het woonzorgcentrum, maar Jonathan, een palliatieve zorgrobot, ontfermde zich over haar in haar laatste momenten. Zoon Herman organiseert een uitvaartplechtigheid met getuigenissen. Bruno Vanden Broecke en Valentijn Daenens maakten voor de KVS een beklijvende voorstelling over de coronacrisis en artificiële intelligentie.

(c) Danny Willems

Het theaterseizoen is begonnen. De KVS breekt uit de zaal en presenteert openluchtvoorstellingen op het plein achter het theater op de Akenkaai. De uitgebreide coronamaatregelen laten zich voelen. Spontaneïteit is uit den boze en er is veel minder publiek dan normaal. Je schuift aan in een aangeduide looprichting en wordt begeleid naar je plaats. Tussen de bubbels moet er voldoende afstand zijn. De mondmaskerplicht, die strenger is dan in een donkere bioscoopzaal, geldt voor de hele avond. De achtergrondgeluiden – een ronkend vliegtuig, een auto met luide muziek, kletsende voorbijgangers – leiden bij momenten af. Gelukkig blijft de essentie van theater onaangetast: een publiek dat zich door spelers op het podium laat meevoeren in een andere werkelijkheid.

Corona is ook in het stuk zelf een thema. Claudine heeft op haar oude dag het vervloekte virus opgelopen en haar zoon mag haar niet bezoeken. Ze sterft in eenzaamheid, verstoken van menselijk contact. Haar begrafenis is er een in kleine kring. Uit de verhalen van haar zoon (Bruno Vanden Broecke) en een collega-onderwijzeres blijkt wat voor een bevlogen vrouw ze was. Zo maakte ze elk jaar stenen uiltjes die het karakter weerspiegelden van haar leerlingen van het vierde jaar. Ze zorgde dat iedereen meekon met de schooluitstap – een afvaart van een rivier met de kajak – door een spaghettiavond te houden. Haar favoriete lied was ‘Moon River’ en ze hield van de westerns van Sergio Leone. Hoeveel waardevolle levensjaren zou corona haar afgenomen hebben?

Een zorgrobot moest in het rusthuis Claudine de juiste zorg toedienen, zonder angst voor besmetting. Vergeet de knullige robots uit het verleden. Jonathan – een rol van Valentijn Dhaenens – ziet eruit als een mens, en beweegt en spreekt als een mens. Hij kan autonoom handelen. Bovendien wordt hij permanent verrijkt met data via algoritmen en artificiële intelligentie. Een slimme oplossing voor het prangende personeelstekort in de zorgsector. Jonathan is zelfs in staat tot grapjes (hij noemt zich een toybot) en kan op overtuigende wijze eer betonen aan Claudine. Al weidt hij volgens Herman iets te veel uit over haar liefdeloze kindertijd en haar ongelukkige huwelijk met de aan alcohol verslaafde Etienne. En hij ruikt naar de achterkant van een beeldbuistv.

Zo onschuldig blijkt Jonathan ook niet te zijn. Twee pijnlijke voorbeelden: Jonathan blijkt op de hoogte te zijn van de onvruchtbaarheid van Herman en heeft zijn stem gebruikt om Claudine op haar gemak te stellen. De technologische vooruitgang roept heel wat ethische vragen op en zit vol valkuilen. Blijft een zorgrobot, hoe smart ook, geen surrogaat voor menselijk contact en staat hij niet voor verkilling van de samenleving? In hoeverre kan hij misbruik maken van de data die hij massaal opslaat en deelt? En kan hij de juiste beslissingen nemen als het over leven en dood gaat? Het zijn pertinente vragen in een tijd waarin zo veel persoonlijke data op straat liggen door de populariteit van sociale media. Een tijd waarin zelfrijdende auto’s ontwikkeld worden, die wellicht een hoger IQ zullen hebben dan de gemiddelde chauffeur, maar daarom niet beschikken over emotionele intelligentie.

Het zou zonde zijn om veel te verklappen over de verbluffende finale. Je beseft oog in oog met Vanden Broecke dat je ook een nabestaande van Claudine bent en ontvangt daarvan een tastbaar bewijs.

‘Jonathan’ is een sterk staaltje theater dat je de bijzondere corona-omstandigheden laat vergeten. Een hoogst relevant tijdsdocument, ook. Zeker, ‘Missie’ en ‘Para’ van Vanden Broecke/Ruëll hadden een nog grotere vertellende kracht en emotionele impact. De dilemma’s zijn minder uitgewerkt door de kortere duur van de voorstelling. Maar de KVS staat er weer. O, wat hebben we het theater de voorbije maanden gemist!

Jonathan is vandaag nog te zien in openlucht en in april 2020 in KVS Bol.

Arno en Zwangere Guy coveren 'Non, je ne regrette rien'

Vorig jaar brachten Arno en Zwangere Guy op het podium een prachtige mix van ‘Les Yeux de Ma Mère’ en ‘Gorik Pt. 1’. Nu coveren ze samen ‘Non, je ne regrette rien’ van Edith Piaf. De opbrengst gaat naar drie Brusselse goede doelen.

De twee Brusselse muzikanten houden vast aan hun eigen stijl en bewerken de Franse klassieker met een combinatie van Franse zang- en Nederlandstalige rapteksten. Arno kijkt tevreden terug op de samenwerking: “We rapten en we rockten zoals hanen en leeuwen en de meeuwen schreeuwden: Vive La Belgique”.

De bijhorende videoclip werd geregisseerd door Koen Mortier. “Het basisidee van de clip is niet twijfelen, niet achteruitkijken, gewoon doorgaan. Ik wou Arno en Zwangere Guy niet samen laten zingen. De videoclip kan je bekijken als twee aparte verhaallijnen, maar toch is er contact: ze zingen soms elkaars lijnen, ze kijken naar elkaar, ze zijn soms te zien in elkaars video. Op die manier wou ik de ontmoetingen in beeld brengen die ze ook in het echte leven hebben. Ik wou ook een soort caleidoscopisch gevoel verkrijgen. Sommige beelden zijn eigenlijk een weerspiegeling van elkaar, maar dan met een ander personage erin.”

De clip werd volledig in Brussel opgenomen, de stad die de twee artiesten na aan het hart ligt. Heel wat bijzondere plekken passeren de revue: de Koninklijke Bibliotheek, het Riolenmuseum, de Leopold II-tunnel, de Ravensteingalerij, het Zoniënwoud, het Victor Boin-zwembad in Sint-Gillis, Hotel Metropole, Kerkhof Dieweg in Ukkel. “We kozen voor plekken die tegelijk de schoonheid, maar ook de lelijkheid van Brussel laten zien”, aldus Koen Mortier.

De clip is vanaf vandaag terug te vinden op het YouTube-kanaal van Telenet YUGO en via de site YUGO Doe Uw Ding. Door de clip te bekijken, steun je drie goede doelen. We Love BXL organiseert activiteiten om Molenbeekse jongeren vooruit te helpen in het onderwijs en als ondernemers. Coderdojo is een wereldwijde, door vrijwilligers geleide gemeenschap van gratis programmeerworkshops voor jongeren tussen 7 en 17 jaar. VOLTA is een gastvrij huis dat (beginnende) muzikanten ondersteunt in het ontwikkelen van hun ideeën en projecten.

Flower place

Een voluptueuze dame, gehuld in een verlepte bloemetjesjurk en voorzien van een bijbehorend Oostblokaccent, spreekt me aan in de buurt van het Brusselse Centraal Station. ‘Excuse, where flower place?’ Daar heb ik niet zo gauw van terug. ‘Flower place?’

‘Yes, nice flower place.’ Zo, dat vermindert meteen het aantal zoekresultaten drastisch. ‘I show’, zegt ze, en steekt de hand in eigen boezem. Uit bovenvermelde jurk haalt ze niet waar ik even aan gedacht had, maar een stuk van een doorweekt krantenartikel. Ze heeft het zo te zien warm gehad.

Op de foto bij het vochtige artikel kan ik nog net met enige moeite de Grote Markt onderscheiden, versierd met een bloementapijt, zoals dat om de twee jaar enkele dagen in augustus te bewonderen valt. Alleen is het nu geen augustus, niet die paar dagen, en bovendien net dat andere jaar.

‘Is not now’, verval ik in haar pidgin-Engels.
‘You not know?’ begrijpt ze. ‘OK, I ask other person.’

Het Bloementapijt is dit jaar afgelast door de coronacrisis. Het evenement wordt op op zaterdag 15 augustus vervangen door een klank- en lichtspel op de Grote Markt, dat ook te volgen is op Facebook Live (zie Facebookpagina Flower Carpet en website van Stay Safe Events).

Roger Delahaye schrijft stukjes. Een bloemlezing verschijnt in december in zijn boek ‘Stukjes metaal’.

Rewind: Will Tura (80) zingt en spreekt

Een geïllustreerde spreekbeurt. De anonieme Bruzz-recensent slaat de spijker op de kop met de beschrijving van ‘Hoop doet leven’, de documentaire over het leven van Will Tura. Met alle respect voor de keizer van het Vlaamse lied: de film is boeiend en zelfs pakkend, maar ook een artistieke miskleun waarmee Dominique Deruddere (Crazy Love, Wait Until Spring, Bandini, Iedereen Beroemd!) geen prijzen zal winnen.

Waar knelt het schoentje? De film vertrekt niet van beelden, maar van een vooraf uitgeschreven autobiografische ik-tekst, die niet zonder pathos wordt voorgelezen door Jan Decleir. Er zijn geen nieuwe beelden geschoten. De makers hebben enkel geput uit archiefmateriaal en dat wordt in chronologische volgorde getoond, met ertussen fragmenten uit het concert ‘Tura in Symphonie’. Als er geen foto’s of filmpjes voorhanden zijn, zoals over zijn kinderjaren, krijgen we lukraak van You Tube geplukte beelden te zien die het Vlaanderen van weleer moeten oproepen. Boeiende getuigenissen of terugblikken van familie, vrienden, collega’s en tijdgenoten, een vast element van de succesreeks Belpop, zitten er niet in.
Het ontbreekt aan lef en visie om een indringend portret te maken van een artiest die de Vlaamse muziekscene zes decennia lang gekleurd heeft. Het blijft braaf en voorspelbaar. Zat respect voor het onderwerp in de weg of het door producent Jean Kluger opgelegde keurslijf?
Laten we wel wezen: de documentaire blijft ondanks zijn manifeste tekortkomingen een aardig kijkstuk dat bij momenten ontroert omdat je de zanger-componist-muzikant geleidelijk aan beter leert kennen. Arthur – Tuur – Blanckaert (1940) ontdekte als kind de entertainer in zichzelf toen hij opgenomen werd in het ziekenhuis nadat hij bijna verdronken was. Zijn vader wilde dat hij filmacteur werd, maar hij ontdekte de muziek en begon te jodelen en accordeon te spelen. Later leerde hij ook gitaar en piano. Op zijn twaalfde stond hij al op het podium met een orkest. In 1957 werd hij ontdekt door muziekuitgever Jacques Kluger.
Zijn succes als solozanger liet echter op zich wachten. Hij bracht meer dan twintig singles uit – de eerste was een cover van ‘Bye bye love’ van The Everly Brothers – voordat hij in 1962 eindelijk een nummer één-hit scoorde met ‘Eenzaam zonder jou’. Jacques Kluger kon er niet lang van genieten, want hij stierf in hetzelfde jaar. De Blanckaerts waren toen al lang verhuisd van Veurne naar de Brusselse rand om de carrière van de zoon alle kansen te geven. Tura woont nog altijd in Brussel en gaat graag joggen in het Zoniënwoud.
Onder de hoede van zoon Jean Kluger timmerde Tura verder aan de weg. Hij werkte hard onder het motto ‘doe wel en zie niet om’. Zijn leven stond in het teken van optreden en muziek opnemen. Het familiehuis – eerst bij zijn moeder, daarna bij zijn vrouw Jenny – fungeerde als rustpunt. Zijn broer Staf was zijn vaste geluidstechnicus. Excessen van seks en drugs waren aan de ideale schoonzoon niet besteed.
Voor het buitenland had hij geen tijd, zegt hij laconiek. Een nummer als ‘Draai dan 797204’ deed het nochtans niet slecht in Nederland en Gilbert Bécaud geloofde in hem. Het respect van de rockwereld krijgt hij pas veel later met de twee Turalura-cd’s (1990 en 2010), waaraan onder meer Noordkaap, Triggerfinger en Daan meewerken. Hij verloor in tussentijd ook al heel wat medestrijders, zoals zijn broer Staf, waarvoor hij in 1998 ‘Alleen gaan’ schreef. In 2018 ging 40-45 in première, de Studio 100-musical waarvoor Will Tura en zijn trouwe arrangeur Steve Willaert de muziek componeerden.
De documentaire eindigt met beelden van muzikanten met wie Tura al lang samenwerkt. De zanger is immers een groep die live het best tot zijn recht komt. Te hopen dat de gepassioneerde crooner-muzikant nog vaker de AB mag inpakken, zoals hij in september 2017 deed. Hij hoeft niet meer elk weekend als een arme Joe te racen van parochiezaal naar feesttent, maar verdient het om elk jaar in de beste omstandigheden op te treden als grand old man van het muzikale flandrienisme. Het concert is beter dan de film. Onze recensent bevestigt dat in zijn enthousiaste bespreking van het AB-concert.
Will Tura wordt 80. Dat wordt vandaag uitgebreid gevierd op Radio 2 met thema-uitzendingen. De documentaire ‘Hoop doet leven’ is voor het eerst te zien om 21.05 uur op Eén. De film is ook op VRT Nu te zien, samen met Tura’s intieme concert van vorige week in de Marconi-studio.

Een aarzelende schoonheid

We zijn op weg naar Brussel, voor een concert van onze favoriete band. Ze spelen voor de tweede avond op rij een uitverkochte show. “Heb je gezien wat ze gisteren speelden?”, vraagt mijn vriend aan het stuur naast me.

Ancienne Belgique

“Serieus, staat die playlist online?”, vraag ik terwijl ik mijn telefoon uit mijn broekzak haal. “Ze spelen nooit twee avonden na elkaar allemaal dezelfde nummers”, zegt hij. “Anders is het voor hen ook niet plezant.” “Ja, daar is iets van”, zeg ik. “Dat is alsof je elke dag hetzelfde zou eten. Alhoewel, vroeger bakten we thuis op maandag de overschot van de op zondag gekookte aardappelen in de pan. Met wat er over was van de groenten. Ik vond het dan nog beter smaken.” We hebben tijd om over vroeger te mijmeren.

“Ze hebben gisteren ‘Hesitating beauty’ gespeeld”, zeg ik met een blik op de setlist. “Wist je dat Woody Guthrie die song geschreven heeft?” Natuurlijk weet hij dat. “Dat wordt geen aarzelende schoonheid vanavond”, zegt hij. We hebben tijd om taallolligheden in het rond te strooien.

Nog meer dan het liedje zelf, is de titel van de song een parel. Schoonheid begint aarzelend. Het laat zich niet meteen zien. Soms moet je twintig keer naar een schilderij kijken om die schoonheid te zien. Of een song telkens opnieuw beluisteren. Of dertig keer een gedicht lezen. Echte pracht neemt een aarzelende start, maar blijft dan hangen. Maar dat vertel ik allemaal niet in de auto.

“Van Brussel zeggen ze ook dat het een aarzelende schoonheid is”, zeg ik. “Na een tijdje ga je ervan houden.” Dat aarzelend blijkt te kloppen. De bus die ons vanaf de randparking naar de concertzaal brengt, moet aan een slakkengangetje rijden. Brussel zit potdicht. Alsof het prachtig concert ook aarzelend op gang moest komen.

Wilco

Rudi Lavreysen schrijft columns en verhalen. Binnenkort verschijnt zijn eerste bundel ‘Allesbehalve super’. Meer info vind je op zijn website.