Richter in Brussel

Nog een tiental dagen loopt er in BOZAR een tentoonstelling over en met werk van Vjeneslav Richter. Onder meer het Expo 58-paviljoen van Joegoslavië, een ontwerp van hem, komt aan bod.

Vjenceslav Richter was de toonaangevende architect van Joegoslavië. Het gaat hier om de confederatie Joegoslavië die tot aan het begin van de jaren 90 van de vorige eeuw op wereldvlak deel uit maakte van een clubje van landen dat zich onafhankelijk opstelde ten aanzien van zowel het communistische als het kapitalistische blok en op economisch vlak een derde weg tussen een geleide en een markteconomie bewandelde. Politiek was het de ex-partizanenleider Josip Broz, beter bekend als Tito, die er de lakens uitdeelde.

Net als elders in Europa werden in Joegoslavië door de overheden programma’s opgezet die steden omvormden. Betaalbare woningen bouwen was hierbij een van de speerpunten. Ondanks het feit dat Richter zich kort bij het politiek machtscentrum bevond heeft hij als bevoorrecht architect weinig of geen publieke opdrachten van een grote omvang aangenomen. Hij was eerder een multidisciplinair artiest die zijn ideeën zocht te ventileren door projecten theoretisch uit te werken en opdrachten voor paviljoenen op internationale tentoonstellingen aangreep om zijn drang tot vernieuwing te uiten.

Vanaf 1954 werkte Richter het concept Synthurbanisme uit. Synthurbanisme (of synthetic urbanisme) ging uit van een theoretisch model voor een autonome stad waarin de mens centraal stond bij het opschalen van architectuur in een ruimer geheel. Uitgaand van zijn theoretische grondslagen werkte Richter een project van een stedebouwkundige eenheid uit die, in een raster geplaatst, meerdere sociale en economische functies incorporeerde en zo locaties waar men zou gaan leven, werken of waar men zich zou gaan ontspannen op een functionele wijze fysiek dichter bij elkaar bracht.

Op de tentoonstelling zijn grondplan, dwarsdoorsnede en perspectiefzicht van zo’n eenheid te bekijken. Het project was niet utopisch bedoeld maar omwille van de radicale visie op stadsontwikkeling is het evenwel nooit in zijn geheel uitgevoerd.

Een ander project van Richter dat belicht wordt op de tentoonstelling, nl. het paviljoen van Joegoslavië op de wereldtentoonstelling Expo 58 in Brussel, geeft evenzeer aan hoe Richter in zijn ontwerpen zijn theoretische ideeën wou doordrijven. Bij het daadwerkelijk realiseren van het paviljoen werd de constructieoptie om het gebouw in zijn geheel op te hangen aan een centrale pilaar verlaten. Ook met wat er in de plaats kwam, een regelmatige grid van stalen pilaren, bleef de visuele verstoring doorheen het gebouw beperkt.

De tentoonstelling ‘The World as a Pavilion. Vjenceslav Richter’ is tot 21 juli te bezoeken in BOZAR (Paleis voor Schone Kunsten, Ravensteinstraat 23, 1000 Brussel).
Openingsuren: van dinsdag tot zondag van 10u tot 18u, laatste bezoek vanaf 17u.
Reserveren vooraf door keuze van een tijdslot is nodig.

foto Expo 58-paviljoen: persdienst BOZAR

Marc Didden, con amore

Twee jaar geleden stelde Marc Didden in Bozar een liefdevolle tentoonstelling samen om de door hem bewonderde schrijver Hugo Claus te eren, een decennium na zijn dood. Nu brengt documentairemaakster Lauranne Van den Heede een ode aan Didden in de kortfilm ‘Een redelijk leven’. Een precieus kleinood bij leven en welzijn van de schrijver-cineast-flaneur.

In zijn appartement in de Dansaertstraat mijmert de 70-jarige Brusselaar over zijn leven. Het was geen fantastisch leven, maar zeker ook geen vreselijk leven. Zijn drie jeugddromen zijn uitgekomen: van zijn pen leven, een goede, mooie vrouw leren kennen en New York zien. Soms had hij het gevoel dat hij verdwaalde en ging hij gebukt onder twijfels en eenzaamheid. Na de verscheurende kritiek op zijn film Sailors Don’t Cry wou hij drie jaar in zijn bed blijven liggen.

Niemand vertelt als Marc Didden. Hij heeft zijn karakteristieke stem, maar hij is vooral een heerlijke causeur met een laconiek gevoel voor humor en een gezonde dosis zelfrelativering. Zo herinnert hij zich dat hij zich de koning te rijk voelde als zijn vader hem in het park op het standbeeld van een hond zette. Hij besefte dat hij ‘een beetje’ kon schrijven toen zijn broer tijdens zijn legerdienst aan de telefoon liet weten dat hij graag meer brieven van het thuisfront wilde ontvangen. Als muziekjournalist op de Humo-redactie werkte hij tussen een bende lelijke mannen. Tot een prachtige vrouw met een zomerjurk haar intrede deed. Telkens als hij New York verlaat, moet hij huilen, omdat het de laatste keer zou kunnen zijn dat hij de stad ziet.

Een beklijvende monoloog maakt nog geen mooie film. Het is de grote verdienste van de regisseur om de pakkende en vermakelijke woorden te combineren met prachtige beelden van vroeger en nu. We zien foto’s en video’s van de jongere Didden, die muzieksterren interviewt of Vlaamse punkjongeren aan de tand voelt over de toekomst. Op de set van Brussels By Night dolt hij met zijn kompaan Dominique Deruddere. Zijn literaire held Claus komt in beeld als hij achter op de scooter kruipt bij Sylvia Kristel. We horen filmdialogen en filmsongs van Raymond van het Groenewoud en Elisa Waut. Een man die de hond uitlaat, een dansend koppel in een café, een scène in de tram: de filmt observeert indringend, net zoals de schrijver als hij door de stad flaneert of door het raam kijkt.

‘Een redelijk leven’ is een tijdloze film over de voorbijvliedende tijd. Door het sfeervolle zwart-wit weet je niet meteen of iets zich afspeelt in het heden of het verleden. De verteller heeft meer geschiedenis dan toekomst, maar blijft zich als columnist interesseren voor wat er vandaag speelt. Hij weet dat de straat van hem is, maar ook van degene die er voor hem woonde en er na hem zal wonen. En van de jongen die er nu op een voetbalveldje speelt. Redelijk indrukwekkend.

‘Een redelijk leven’ is tot 4 augustus te zien op VRT NU.

Rewind: De terugkeer van het generatieconflict

De fictiereeks Generatie B is deze zomer opnieuw te zien op VRT NU. Het absurdistische geesteskind van Joost Vandecasteele en Pieter Van Hees intrigeert door zijn messcherpe satire en behoort tot het geestigste wat de afgelopen jaren op tv-gebied in Vlaanderen gemaakt werd.

Het uitgangspunt van Generatie B is eenvoudig: België zinkt weg in een diepe crisis nadat de rating van het land verlaagd is van AA+ naar B. De zondebok is snel gevonden: de hoopopgeleide blanke jongeren in de stad. Zij vallen ten prooi aan werkloosheid en kunnen zich geen dak meer boven hun hoofd permitteren. De volgevreten babyboomers laten intussen geen kruimels vallen van hun rijke feestdis. De ouders zijn in die ijzeren economische logica niet langer de beste vrienden van hun kinderen. Geen wonder dat het Generation Liberation Front het licht ziet.

Te laat geboren

Tegen die grimmige achtergrond proberen twintigers in Brussel te overleven. We zien hoe Jonas (een rol van Jeroen Van der Ven) zich tevreden moet stellen met een gehuurde zetel in een schamel appartement en een nachtelijke job in een ondergronds callcenter onder leiding van slavendrijver Ibrahim (Zouzou Ben Chikha). Hij kan zijn ex-vriendin Brulletje (Eva Binon) maar moeilijk vergeten. Flatgenote Lisa (Ella-June Henrard) probeert als wrapster aan de bak te komen, al moet ze daarvoor met de tv-producent naar bed gaan. Voor Sebastiaan (Jeroen Perceval) gaan vrije liefde en politieke revolutie hand in hand: “Deze keer gaan ze echt ontploffen, die babyboomers!” De goeroe leidt een sekte met stuk voor stuk bloedmooie vrouwen.
De reeks valt niet alleen op door de verfrissende kosmopolitische insteek, die het Vlaanderen van onder de kerktoren feestelijk negeert, maar ook door de ijzersterke dialogen. Een voorbeeld: als Jonas te horen krijgt dat hij als loslopende jongere moet terugkeren naar zijn eigen land, verdedigt hij zich door te zeggen dat hij hier geboren is. “Maar te laat”, is het gevatte antwoord. Of wat te zeggen van de vraag van één miljoen van Sebastiaan: “Brussel vraagt toch ook geen geld aan al die pendelaars die hier komen werken?”

Van vlees en bloed

De levensechte dialogen dragen er ook toe bij dat de personages mensen van vlees en bloed worden. Antihelden, zeg maar. Jonas tracht zich bijvoorbeeld vergeefs los te rukken van zijn bemoeizuchtige moeder en slaagt er niet in om geld los te weken bij zijn grootvader tijdens een familiefeest dat volledig ontspoort. Hij klampt zich vast aan het verleden en kan moeilijk keuzes maken. Lisa doet zich stoer voor, maar is hopeloos romantisch en drinkt te veel.
Ondanks het bevreemdende absurdisme zijn sommige geschilderde wantoestanden pijnlijk herkenbaar voor de jeugd van tegenwoordig. Denk maar aan de uitbuiting op de arbeidsmarkt door stagecontracten en andere onbeschermde statuten, de verre droom van een eigen huis voor jonge tweeverdienersgezinnen en discriminatie van bepaalde groepen.
De jeugdige acteurs, die vooralsnog weinig schermbekendheid genieten, voelen zich zichtbaar in hun sas, terwijl er ook heerlijke gastrollen weggelegd zijn voor gevestigde waarden als  Josse De Pauw, Peter Van den Eede, Damiaan De Schrijver, Anemone Valcke en Katelijne Damen.
En ja, er is ook naakt te zien. Het geslacht van Jeroen Perceval bungelt al eens nonchalant in beeld. Het is eens iets anders dan borsten. De soundtrack bevat aanstekelijke Franstalige rap.

Generatie B ging in 2017 in première op Canvas. De reeks bevat zes afleveringen van circa 35 minuten. Nog tot 31 augustus 2020 te zien op VRT.NU.

Wie zoekt, die vindt

Het Davidsfonds organiseert voor de 34ste keer een zomerzoektocht. Voor het eerst strijkt het evenement neer in de hoofdstad. Je kunt kiezen uit vier wandelingen. Een boeiende stadsgids krijg je erbij. De zoektocht is een ludieke activiteit om met familie, vrienden of collega’s te doen. Ook als je in Brussel woont, steek je er wat van op.

Buiten de Vijfhoek

Of je nu gaat voor Brussel Mini (4 km), Brussel Central (8 km), Brussel Classic (12 km) of Brussel Max (16 km), elke wandeling start aan treinstation Brussel-Centraal. Maar het zijn geen lusvormige wandelingen. Je komt telkens op een andere plek aan: de Hallepoort, Ambiorixsquare, het Atomium en het gemeentehuis van Evere. Er zit dan ook opvallend veel diversiteit in de tochten. De samenstellers beperkten zich zeker niet tot alom bekende bezienswaardigheden en verlaten vlotjes de Vijfhoek.

De begeleidende brochure serveert hapklare informatie over bijzondere plekken in Brussel. De natuur krijgt extra aandacht door de samenwerking met Natuurpunt. De route wordt duidelijk uitgelegd, al is het jammer dat een handige plattegrond ontbreekt. Ik ontdekte onder meer verborgen street art in hartje Brussel, het standbeeld van Pater Damiaan aan de Basiliek van Koekelberg, de mengeling van sociale woonblokken en villawijken in Ganshoren en de weidse parken van Jette.

Homo ludens

Geen zoektocht zonder vragen. De soms cryptische raadsels zijn gefundenes Fressen voor de homo ludens. Het komt erop aan goed rond te kijken om aanwijzingen te vinden en foto’s te herkennen. Het standbeeld van Karel Buls op de Grasmarkt krijgt je volle aandacht als je er stedennamen op moet terugvinden. Je speurt het gemeentehuis van Sint-Joost af naar een naam. En waar zit de stoutmoedige alcoholische drank verstopt in het parkje voor de Sint-Michiels- en Sint-Goedelekathedraal?

Het deelnamepakket bevat ook een stadsgids. Na het voorwoord van ondernemer Hassan Al Hilou nemen vier gepassioneerde gidsen je op sleeptouw door Brussel: historica Brigitte Raskin, VRT-contentinnovator Karen François, biersommelier Sofie Vanrafelgem en journalist Pascal Verbeken. Zij bekijken de stad vanuit hun eigen invalshoek en bewijzen daardoor het gelijk van de gidsen: Brussel is niet één stad, maar verschillende steden (Verbeken) en net door de lelijkheid ga je van de stad houden (François).

Onbekend maakt onbemind

Uit de lichtvoetige causerieën over cultuur en geschiedenis onthou ik onder meer dat standbeelden weleens verhuizen. De graven Egmont en Hoorn verkasten van de Grote Markt naar de Kleine Zavel en Karel van Lotharingen van het Koningsplein naar het Museumplein. De omstreden Koning Leopold II regeerde Congo Vrijstaat vanuit een Noorse chalet in de Brederostraat. In het museum van het Groot Serment kun je leren kruisboogschieten. Brussel was tot de jaren zeventig de belangrijkste Belgische industriestad, met dank aan vele kleinere fabrieken en ateliers. In Molenbeek zijn ettelijke huizenblokken gesneuveld voor de aanleg van de metro, terwijl huizen aan de andere kant van het Kanaal gespaard werden. Interessante Brusselse bieradresjes zijn het café Gist op Oud Korenhuis en het Italiaanse restaurant La Tana in de Onderrichtstraat.

De stadsgids wordt ontsierd door enkele storende schoonheidsfoutjes en onvolkomenheden. België telt zes in plaats van drie parlementen, en het Waalse Parlement bevindt zich niet in Brussel, maar in Namen. De Belgische staatshervormingen worden gereduceerd tot de taalstrijd, terwijl economische emancipatie ook volop meespeelde. Brussel als zetel van de Europese instellingen komt nauwelijks aan bod. De nieuwe locatie van Brasserie de la Senne op Thurn & Taxis staat er nog niet in, en de diversiteit van de bevolking van Molenbeek wordt onvoldoende benadrukt.

De balans blijft heel positief. “Brussel is een pruttelende mengelmoes van mislukkingen en successen”, zegt Al Hilou. De zomerzoektocht van het Davidsfonds is een prima gelegenheid om het voor velen onbekende en dus onbeminde stadslaboratorium beter te leren kennen.

Meer info vind je op de website van de Zomerzoektocht. Voor één wandelroute, plus stadsgids, betaal je 25 euro. Voor 50 euro doe je alle wandelingen. Er zijn verschillende prijzen te winnen.

Een hart voor Laken

Het Atomium en het Koning Boudewijnstadion kent iedereen, maar Laken heeft zoveel meer te bieden. Sinds 2000 neemt de vzw Laeken Découverte / Laken Onthuld bezoekers en inwoners op sleeptouw door de gemeente. Nu het openbare leven zich na de lockdown opnieuw op gang trekt, staat er binnenkort een bijzonder bezoek aan het kerkhof van Laken op het programma. Thomas Sennesael, bestuurslid en gids, onthult een tip van de sluier.

Lichtend hart Evrard – Flignot (c) Thomas Sennesael

Brussel telt heel wat gidsenverenigingen die stadswandelingen aanbieden. Wat maakt Laken Onthuld speciaal?

Onze tweetalige vereniging is gestart vanuit een sterk sociaal bewustzijn. We willen er zijn voor de Lakenaars die hun eigen gemeente willen ontdekken en hanteren voor de rondleidingen democratische tarieven. We geven werklozen een kans om ervaring op te doen als vrijwilliger. We organiseren ook laagdrempelige activiteiten, zoals een soepfestijn, of we staan op de bloemenmarkt.

Onze focus ligt uiteraard op Laken, een gemeente met een rijk patrimonium dat onvoldoende bekend is. Laken is deel van Brussel-stad en wordt altijd wat stiefmoederlijk behandeld. We zouden eigenlijk de twintigste burgemeester van het Brussels Gewest moeten hebben (lacht).

Hoe ziet een gidsbeurt er bij jullie uit?

We tonen interessante plaatsen en vertellen de geschiedenis erachter. Dat kan heel leerrijk zijn en zaken in een ander perspectief plaatsen. Maar we praten niet alleen over oude borstbeelden, we vertellen ook over nieuwe ontwikkelingen, van migratie tot burgerinitiatieven, en laten ook al eens een Zinnebir proeven. Ik ga zelf heel graag in gesprek met het publiek.

Treintunnel – Leopold II – cressonnière (c) Thomas Sennesael

De volgende rondleiding is op 21 juni op het kerkhof van Laken, volgens jullie het Père-Lachaise van Brussel. Die dag is niet toevallig gekozen.

Klopt, het is dan zomerzonnewende en het ideale moment om het grafmonument van beeldhouwer Léonce Evrard en zijn geliefde Louise Flignot te bezoeken. Als de zon rond het middaguur door de opening van de koepel valt, vormt het licht een perfect hart. Een ultieme blijk van eeuwige liefde. Er staat ook nog een beeld van een treurende vrouw. Haar hand strekt uit naar het hart. In de plannen van het monument staat helemaal niets vermeld over het hart. Heel mysterieus.

Het kerkhof van Laken is het laatste in Brussel dat binnen de muren van de stad gedoogd werd. Keizer Jozef II verbande begraafplaatsen naar buiten de stad, om hygiënische redenen, maar ook om de macht van de Kerk te breken. Je kunt er veel praalgraven van beroemdheden en notabelen bewonderen. Ik noem er enkele: operazangeres Maria Malibran, schrijver Michel de Ghelderode, warenhuisoprichter Adolphe Delhaize en de laatste Lakense burgemeester Emile Bockstael. Er zijn ook prachtige ondergrondse grafgalerijen. Weinig mensen weten dat De Denker van Rodin – een origineel afgietsel – hier ook staat.

21 juli-square (c) Thomas Senneseael

Heb je nog Lakense insidertips?

De keuze is groot. De koninklijke parken, het industriële verleden van de Tivoliwijk, de serre van Parckfarm op Thurn & Taxis, de belle époque van de Bockstaelwijk, de Chambontunnel. Laken heeft een zekere grandeur. Ook al is het nu op sommige plaatsen een aankomstgemeente, arm, multicultureel en dichtbevolkt, er blijven tegelijk ook microkosmossen bestaan van bourgeoisie. Die enorme diversiteit maakt Laken heel aantrekkelijk.

Metro Pannenhuis (c) Thomas Sennesael

Laken Onthuld heeft een eigen website en Facebook-pagina. De volgende rondleidingen zijn op het kerkhof van Laken (zondag 21 juni), in de koninklijke parken (zondag 28 juni) en Thurn & Taxis (zondag 5 juli). Op de Facebook-pagina kun je nu ook video’s bekijken die toelichting geven bij plekken in Laken.

And we sing, it's all right

Bruxelles Zingt, het kleinere broertje van het Bal National op het Vossenplein, zal deze zomer niet kunnen plaatsvinden. Maar tijdens de lockdown hebben veel Brusselaars op hun balkon hun zoetgevooisde stem laten horen. Bozar gaat door op het elan en nodigt iedereen uit om op zondag 7 juni aan zijn raam of aan zijn voordeur mee te zingen met The Beatles. “Here comes the sun / And I say, it’s all right.”

Singing Brussels Celebration is een ode aan samen zingen. Het evenement lokte de voorbije jaren tweeduizend zangers uit diverse gemeenschappen van Brussel naar de Bozar.

In het door corona besmette jaar 2020 gaat het event noodgedwongen digitaal. Van ‘s morgens tot ‘s avonds kun je via Facebook verschillende workshops volgen over zingen, ritme en ademtechnieken. Deelnemers kunnen onder meer genieten van Afrikaanse en Aboriginalliedjes, beatbox en een webinar van Paul Smith, oprichter van de Britse a-capellagroep Voces8.

Het slotakkoord, om 20.05 uur, vormt het gezamenlijke zangmoment ‘Live, Love Sing!’. De publieke radiozenders (Radio 1, Radio 2, Klara, StuBru, MNM, La Première, Musiq’3, Classic21, Pure, VivaCité en BRF) zullen dan ‘Here Comes The Sun’ spelen en iedereen mag op zijn balkon of voor de deur meezingen. Bozar verwacht een moment om samen te delen, een ogenblik van eenheid en veerkracht. Deelnemers mogen hun filmpje delen, zodat er van alle inzendingen een filmpje van een virtueel koor gemaakt kan worden, dat via de sociale netwerken gedeeld zal worden.

Meer info vind je op de website van Bozar en de Facebook-pagina van Singing Brussels Celebration. De tekst van het nummer van George Harrison oefenen kan op YouTube.

Het verborgen leven van René Magritte

Dat het nooit goed zou komen tussen René Magritte en mij, wist ik al heel lang. Ik heb namelijk altijd moeite gehad met het imago van brave burgerman dat hij meedroeg. Geef toe: een schilder wiens beroemdste schilderij-met-de-pijp ‘La trahison des images’ heet (Het verraad der beelden), verdient toch enig gezond wantrouwen?

Ooit sprak ik met Georgette Berger, weduwe Magritte. Of liever: ooit was ik aanwezig bij een gesprek tussen haar en wijlen mijn vriend, de discrete kunsthandelaar en galeriehouder Louis Hutse uit Jette, die de schilder goed had gekend en nog regelmatig met zijn weduwe contact had. De Magrittes hadden een kwarteeuw op een paar honderd meter van hem gewoond, vandaar.

Plaats van het gebeuren was de hal van het Congressenpaleis onder de trappen van de Kunstberg in Brussel. Ik weet niet meer welke tentoonstelling er geopend werd, maar Georgette en Louis raakten in gesprek over schilderspraktijk van haar man.

Nu moet u weten dat Georgette Berger, hoewel ze vijfenveertig jaar met de kunstenaar getrouwd was geweest – van 1922 tot zijn dood in 1967- zeker geen al te betrouwbare bron is (was) als het om zijn oeuvre gaat! Zo schreef zij, uiteraard tegen fikse vergoeding, nogal wat certificaten uit wanneer haar een werk ter authentificatie werd getoond. Haar gevleugelde woorden “C’est sans aucun doute de René: j’étais là quand il l’a peint!” werd bijna een running joke in Brusselse kunstmiddens. Zelf heb ik een aantal tekeningen gezien waarop zij zijn handtekening in balpen had gezet “omdat het potlood erg vervaagd was”. In die tijd waren de schilderijen van haar man misschien wel al veel geld waard, maar de meesten waren reeds lang in het bezit van galeristen en verzamelaars. Zijzelf bezat amper nog werk van haar overleden echtgenoot. En ze had geld nodig. Georgette was ongetwijfeld een zeer aantrekkelijke vrouw geweest, maar op het einde van haar leven (ze werd vijfentachtig) werd het steeds moeilijker om de jonge mannen met wie zij graag omging te motiveren om haar te vergezellen in de duurste restaurants.

Enfin, in die hal probeerde Louis, die welopgevoed was, met veel tact haar te laten toegeven dat de grote kunstenaar die – volgens zijn legende althans – eenzaam in zijn eetkamer of keuken aan zijn omvangrijk oeuvre werkte, af en toe ‘wat hulp van assistenten had gekregen’. Ik herinner mij zijn woorden nog letterlijk: “Mais enfin, Georgette, vous devez quand même avouer que René s’est parfois fait aider!” (Komaan, Georgette, u moet toch toegeven dat René soms wat hulp gekregen heeft!) Waarna de hoogbejaarde weduwe bits repliceerde: “Mais c’est un mensonge! Où allez-vous chercher cela? Il a toujours tout peint tout seul. J’étais là!” (Maar dat is een leugen! Waar haalt u dat vandaan? Hij heeft altijd alles alleen geschilderd. Ik was erbij!)

“Mais enfin, Georgette, regardez!” vervolgde Louis, We stonden voor een fresco van haar man. “Regardez, c’est écrit là!”, zei Louis Hutse wat misnoegd over zoveel duidelijke kwade wil. En inderdaad, onder de handtekening van Magritte stond geschreven: ‘Exécutant: P.W. De Muylder’ (Uitvoerder: P.W. De Muylder). Dezelfde De Muylder, leraar schilderkunst aan en later directeur van de academie van Sint-Jans-Molenbeek, die trouwens de grote werken van Magritte in het casino van Knokke uitvoerde. Zonder een woord keerde zij ons de rug toe en verdween, champagneglas in de hand, tussen het volk.

Later zou diezelfde galeriehouder voor mijn ogen een brief uit zijn kluis halen en liet mij lezen: “Mon cher … tu es le seul qui arrive à peindre comme je le veux. Je te joins les … francs (ik herinner mij de som niet meer precies) promis et encore quelques croquis.” (Mijn beste… je bent de enige die kan schilderen zoals ik het wil. Hierbij de beloofde … franken en nog wat schetsen.) Ik had maar wat graag de brief meegekregen, of een kopie ervan, want daar zat een smeuïg artikel in, maar mijn goede vriend zei mij dat daar geen sprake van kon zijn; hij bezat zélf nog een aantal schilderijen van de Meester en wou de waarde van zijn kapitaal niet kelderen. Zonder de schriftelijke bewijzen kon ik er natuurlijk niets over schrijven. Daar ging mijn primeur. Maar dit terzijde.

Monsieur Tout-le-monde

Ik heb dus nooit veel waarde gehecht aan het beeld van een ‘monsieur-Tout-le-monde’ die in de beslotenheid van zijn bescheiden huisje een teruggetrokken leventje leidde, samen met zijn vrouw Georgette. Het dagelijks uitlaten van de keeshond Loulou kon toch moeilijk zijn enig vertier zijn? Er moest toch iets anders zijn? Iets wat meer in de lijn lag van de verwachtingen als het ging om een kunstenaar die in zijn jonge jaren revolutionaire manifesten opstelde of ondertekende. Was het jeugdige provocatie? Misschien, maar feit is dat achter de man met de eeuwige bolhoed een andere René Magritte schuilging. Eentje die hij op latere leeftijd blijkbaar het liefst wou vergeten of in elk geval doodzwijgen. Zelfs met zijn trouwste vrienden of biografen sprak Magritte nooit of slechts in vage termen over zijn wilde jaren. Hij stelde onomwonden: “Je hais mon passé et celui des autres!” (Ik haat mijn verleden en dat van de anderen!) Misschien was er wel een goede reden om niet meer achterom te kijken?

Eén man heeft dertien jaar van zijn leven gewijd aan het ontrafelen van dit mysterie. Tussen 1985 en 1998 ondernam de Belgische psychoanalyticus Jacques Roisin een speurtocht naar ‘René avant Magritte’ en publiceerde de schokkende resultaten van zijn onderzoek in ‘René Magritte, la première vie de l’homme au chapeau melon’. Het boek van zo’n 250 pagina’s leest als een roman, hoewel de auteur er een erezaak van gemaakt heeft zijn weergave van de feiten uiterst grondig te documenteren. Vijfendertig pagina’s bibliografie en voetnoten staan garant voor accurate citaten. Wanneer zijn bronnen wat twijfelachtig zijn, durft Roisin te vermelden dat de getuige bijvoorbeeld door zijn of haar hoge leeftijd wat verward overkomt of geheugenproblemen heeft. Ook confronteert hij regelmatig tegenstrijdige bronnen, de lezer kan dan wel de conclusie trekken.

Een voorliefde voor excrementen

René Magritte was in zijn jeugdjaren een regelrecht crapuul dat, samen met zijn twee broers Paul en Raymond, zijn omgeving het leven zuur maakte. Hij hield van practical jokes waarbij zijn voorliefde voor excrementen opvalt. Drollen werden op deurklinken gesmeerd, of in kranten gewikkeld aan voordeuren gelegd en dan in brand gestoken. De organist van de kerk kreeg zelfs een volle emmer stront vanop een brug over het hoofd gekieperd.

Ook was René op zeer jonge leeftijd al een regelmatige bezoeker van de hoerenbuurt van Charleroi. Op vijftienjarige leeftijd moest hij samen met zijn oudste broer, behandeld worden voor syfilis!

Natuurlijk waren er verzachtende omstandigheden. Zo was Léopold Magritte verre van een voorbeeldige vaderfiguur. Half zakenman half oplichter, slaagde hij erin tweemaal een groot fortuin te vergaren om dat dan te verspelen in wilde braspartijen en op de paardenrenbanen van Brussel. De hautaine man werd gehaat in zijn opeenvolgende woonplaatsen, niet het minst omdat hij zijn echtgenote op schandalige wijze behandelde. De moeder van Magritte pleegde trouwens zelfmoord door in de Samber te springen toen René veertien was. In hun woonplaats Châtelet werd onomwonden de schuld van het drama bij vader Magritte gelegd.

Allesbehalve een vlijtige student

René Magritte ontmoet Georgette Berger wanneer zij amper twaalf jaar oud is. Eerder had hij al een ‘affaire’ gehad met de even jonge dochter van de conciërge van het oude kerkhof van Soignies (Zinnik) – het dorpje waar hij de vakanties bij zijn grootmoeder doorbracht; ze ‘speelden’ er vaak samen in opengebroken graftombes. Zijn eerste schilderijen maakte de jongeling trouwens in datzelfde kerkhof waar hij de schilder Léon Huygens aan het werk had gezien.

Wanneer Magritte vanaf oktober 1915 naar de Brusselse Koninklijke Academie voor Schone Kunsten trekt, is hij allesbehalve een vlijtige student. In het verlengde van zijn eerdere strapatsen blinkt hij vooral uit als het om drinkgelagen en studentikoze grappen gaat. Hij volgt er wel onregelmatig les bij Montald en Combas, maar neemt meer niet dan wél deel aan de eindproeven. Uiteindelijk houdt hij het daar in 1919 voor bekeken.

De Eerste Wereldoorlog belette René niet om zijn liederlijk leven in Brussel voort te zetten. Hij aarzelde daarvoor zelfs niet opdrachten voor affiches van de Duitse bezetter te aanvaarden (Magritte had zich in 1915 ook als vrijwilliger aangeboden om in Duitsland te gaan werken, maar dat plan werd op het nippertje verijdeld door zijn vader die hem van de trein kwam plukken). Hij liet die affiches trouwens voor een habbekrats uitvoeren door berooide medestudenten en stak het ruime verschil in zijn zak.

Naar Parijs en terug

In Brussel ontmoette hij weer Georgette, die verkoopster was in een winkel van schilder- en tekengerief. Ze werden een koppel en zij poseerde vaak voor hem. Magritte behandelde haar echter slecht: tegen haar levenslange vriendin Jacqueline Nonkels, bekende zij later dat hij haar regelmatig opsloot terwijl hij nachtenlang op stap ging met zijn vrienden. Georgette bleef ook na hun huwelijk in 1922 in de ‘Cooperative Artistique’ werken en haar loon was lang het enige regelmatig inkomen van het koppel tot Magritte in 1926 een contract kreeg bij P.G. Van Hecke, die hem in ruil voor schilderijen een bescheiden maandloon uitkeerde. Van Hecke, die het contract deelde met galerie ‘Le Centaure’, hield een tweehonderdvijftigtal doeken over aan de deal, zowat een kwart van het totale oeuvre van de schilder! Met dat maandgeld kunnen de Magrittes zich nabij Parijs vestigen en kan René zich volledig aan de schilderkunst wijden. Ze vertoeven er in de kringen rond de ‘Paus’ van het surrealisme, André Breton.

Een vreemd voorval ligt aan de basis van hun terugkeer naar België en de jarenlange ruzie tussen Magritte en Breton. Deze laatste dreef op een avond de spot met het kruisje dat Georgette om de hals droeg en eiste dat ze het zou afleggen. Magritte stond op met de woorden: “Viens, Georgette. On s’en va!” Het zou twintig jaar duren vóór hij naar Parijs terugkeerde.

Het vreemde is dat René, in zijn academietijd, er zélf een duivels genoegen in schiep om de draak te steken met de godsdienst. Het leidde zelfs tot een hevige ruzie met zijn vriend en medestudent Pierre-Louis Flouquet die erg gelovig was en die door de constante aanvallen van René in een depressie geraakte.

Tijdens zijn kinderjaren in Châtelet dreef de kleine René (misschien onder invloed van zijn hevig antiklerikale vader?) regelmatig de spot met de pastoor door op de dorpel van het huis van zijn ouders de mis op te dragen, gehuld in zelfgemaakte papieren kazuifels. Hij maakte ook tientallen keren achter elkaar het kruisteken vóór het eten, tot wanhoop van de meid die onomwonden tegen zijn moeder zei: “Madame, votre fils est complètement fou!”. Misschien was er dus wel een andere reden om Parijs te verlaten en was het incident met het kruisje een voorwendsel?

‘Gene gewone’

Dat Magritte in zijn jeugd ‘gene gewone’ was, blijkt ook uit de tientallen getuigenissen over die jaren die Jacques Roisin verzamelde. Zo vertelden gewezen klasgenoten dat de jonge René door seks bezeten was en tijdens de studie zijn schriften voltekende met gewaagde tekeningen. Zijn vader bezat trouwens een grote verzameling ‘pornografische’ bladen. Die vader liet zijn gezin regelmatig achter om ‘op zakenreis’ te gaan. Hij liet daarbij zijn zenuwzieke vrouw vaak zonder geld achter, maar zijn drie zoons kregen van hem dan weer grote sommen geld toegestopt. René en zijn broers Raymond en Paul waren dus volledig op zichzelf aangewezen.

Uiteraard bleef dat niet zonder gevolgen: hun kattenkwaad werd alsmaar driester en hun gedrag losbandiger. René werd al zeer jong een bordeelbezoeker en pochte tegen zijn kameraden dat hij het ook met de minnares van zijn vader deed. Dat kan natuurlijk stoerdoenerij geweest zijn, maar feit is dat hij al voor zijn vijftiende voor een venerische ziekte moest behandeld worden, net als zijn oudere broer.

Later zou Magritte over zijn kunst verklaren; “L’art n’a pas besoin d’analyse ou d’interprétation, mais de commentaire.” Als een van de weinige surrealisten zag hij niets in de theorieën van Freud en verzette zich tegen interpretatie van zijn werken vanuit het onderbewuste. Het siert Roisin, die zelf psychoanalyticus is, dat hij die invalshoek voor het grootste deel achterwege laat. Zijn onderzoek baseert zich op honderden interviews en ontmoetingen met protagonisten en getuigen.

Oedipiaanse, dieptepsychologische of Freudiaanse analyse laat hij voor rekening van de lezer. De feiten spreken ruimschoots voor zich, zal hij gedacht hebben. We kunnen hem geen ongelijk geven.

René Magritte. La première vie de l’homme au chapeau melon verscheen in 2014 bij uitgeverij Les Impressions Nouvelles.

Yves de Vresse schreef deze bijdrage voor de blog Pierewit.

Schone kunsten in huis halen

lost...
Lost … (c) Le Mat (Some rights reserved)

Na weken van lockdown kunnen vanaf 18 mei musea onder voorwaarden de deuren opnieuw openen. Voor de beslissing er kwam werden er vanuit de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België (KMSMB) aan de bevoegde overheid voorstellen overgemaakt. Het Old Masters Museum, een van de musea gelegen aan de Regentschapsstraat, zal door deze demarche op 19 mei kunnen heropenen. Ondertussen bieden de KMSKB met Fine Arts at Home een digitaal aanbod voor jong en oud. Een selectie.

Voor wie het Bruegeljaar aan zich liet voorbijgaan en nu zijn schade wil inhalen of voor wie niet genoeg kan krijgen van deze humanist zijn er op de website van Google Arts & Culture maar liefst 12 virtuele tentoonstellingen online te bekijken. In de reeks Stay At Home Museum van Flemish Masters kun je ook een rondleiding volgen. Museumdirecteur Michel Draguet gidst je door de Bruegelcollectie van de KMSKB.
naar Google Arts & Culture, naar Flemish Masters

In samenwerking met Amnesty International selecteerden experts uit verschillende disciplines werken uit de collecties van de KMSKB, lang voor er sprake was van een lockdown. De werken dienen als uitgangspunt voor een dialoog over mensenrechten zoals die in het Europees mensenrechtenverdrag voorkomen. Dit resulteerde in een twaalftal video’s die als YouTube-kanaal te bekijken zijn. Wat op de schilderijen te zien is, illustreert verbanden tussen heden en verleden en vormt de aanleiding om in te gaan op tegenstellingen die er bestaan tussen respect voor mensenrechten in België en andere landen. Begin 2019, nog voor alle video’s vrijgegeven waren, publiceerde BrusselBlogt al een artikel hierover. In betere tijden kon deze selectie uit de collecties in de KMSKB als een parcours bezocht worden.
naar YouTube

En dan zijn er nog de twee creative workshops die je kunnen helpen kinderen een prettige namiddag te bezorgen. Ga je ermee aan de slag en wil je het resultaat wereldkundig maken? Foto’s kunnen opgestuurd worden naar info@brusselblogt.be . We zorgen dat ze een plaatsje krijgen in onze virtuele vitrine (lees: op onze sociale media).
naar YouTube

De ontmoeting met het onbekende. Terugblik op het Bewogen Festival

Ik was meteen geïntrigeerd door het doel van het Bewogen Festival, een cultureel festival in Brussel dat streeft naar kleinschalige ontmoetingen tussen vluchtelingen, nieuwkomers en Brusselaars die al lang in de stad wonen. De vraag die me bezighoudt, ook in mijn eigen creatieve praktijk, is of we kunnen groeien naar een inclusieve samenleving door middel van culturele en artistieke activiteiten, gebaseerd op het stimuleren van dergelijke kleinschalige ontmoetingen, zoals het festival voor ogen heeft.

Bal Bougé, het grootschalige avondprogramma met diverse activiteiten op zaterdag 15 februari in De Markten, georganiseerd door verschillende partners van het festival, was het hoogtepunt van het festival dat plaatsvond tussen 12 en 16 februari. Dat evenement bood me een perspectief op de vraag of het mogelijk is sociale verandering teweeg te brengen door middel van culturele en artistieke activiteiten, dat is ‘crossing the arc’.

De Markten is een van de 22 gemeenschapscentra van de Vlaamse Gemeenschap in Brussel. Van de 22 centra is De Markten het meest centrale centrum van de stad. Tijdens enkele uitwisselingen met ‘oude’ Brusselaars stelde ik al vast dat dit gemeenschapscentrum vrij onbekend is bij hen. Hoewel het vrij groot is, veel uiteenlopende activiteiten aanbiedt én vlakbij het beroemde Sint-Katelijneplein ligt. Hoewel ze er duizenden keren langs liepen, hebben ze nog nooit een stap gezet in de overdekte doorgang naar De Markten.

De stap naar het onbekende

Toen ik op 15 februari met mijn dochter aankwam bij De Markten, iets na het startuur om 16 uur, werden voorbijgangers tot de ingang van de boog verleid door de slagwerkmuziek, gespeeld door enkele leden van de VSP (la Voix des Sans-Papiers, een collectief van inwoners zonder papieren die actief zijn in Brussel). Een jonge vrouw kwam naar me toe om me informatie te verstrekken over het evenement in drie talen: Engels, Nederlands en Frans.

Met een verlegen zonnestraal in de lucht – wat altijd als een zegen aanvoelt in Brussel – heb ik me met mijn dochter een weg gebaand door muzikanten, dansende kinderen en nieuwsgierige voorbijgangers die foto’s namen door de boog richting de binnenplaats van De Markten. Soms is enkel een verwelkomende glimlach en wat muziek nodig om een architectonische grens over te steken richting het onbekende.

© Ahmad Al Saadi

Nadat we de binnenplaats hadden overgestoken, gingen we het gebouw binnen. Op de benedenverdieping waren enkele exposities, een knusse hoek met kussens, een eetkraam, de mogelijkheid om te schilderen, om een aardappeldruk te maken en om geschminkt te worden. Er was ook een reuzenschaakspel, een filmprojectieruimte (die ik pas ontdekte vlak voor ik naar huis ging)… niets bijzonders, maar wel alles wat je nodig hebt om je comfortabel te voelen en uitnodigend om wat rond te hangen. Het zijn de details die het gevoel geven in een gastvrije omgeving te vertoeven. De foto’s tonen aan de ene kant het gezicht en aan de andere kant de achterkant van enkele individuen. Ze hangen op ooghoogte en geven de indruk in een tuin van vreemden te wandelen, met de mogelijkheid ze te ontmoeten, een blik te wisselen…

Net naast dit comfortabel hoekje vind je een moedige uitnodiging, voorgesteld op een zeer bescheiden manier: Wil je een minuutje in de ogen van een vreemde kijken? Geen regels, geen verplichtingen. We hebben misschien maar een eenvoudige uitnodiging nodig, een simpel excuus om die stap naar een ‘ander’ te zetten.

© Ahmad Al Saadi
© Ahmad Al Saadi

Laten we samen dansen

Toen ik naar boven liep, om mijn nieuwsgierige dochter te volgen, ontdekten we het podium dat klaar stond voor de concerten en een bar aan de zijkant. Om te beginnen waren er opnieuw muzikanten en dansers van VSP op het podium. Daarna was er een korte stand-upcomedyshow over de culturele schokken van de Syrische vluchteling Bazel Addoum, die de show bracht namens RANA (Refugees Are Not Alone). Dat werd gevolgd door een concert van Gueladio Ba, die aangesloten is bij open kunsthuis Globe Aroma. Zijn muziek kan beschreven worden als West-Afrikaanse blues, met veel traditionele invloeden.

Na het energieke spektakel van Watan Dabke, een internationale groep van folkloristische (Dabke) dansers uit het Midden-Oosten, begon ik na te denken over de afstand dat het toeschouwerschap opbouwt. Hoewel enkele minuten later de dansvloer, die tot dan toe vooral door kinderen werd bezet die zich minder van sociale grenzen aantrekken dan volwassenen, veranderde in een gemeenschappelijke plaats voor iedereen die aanwezig was en de ritmes van Dabke probeerde in te halen. Terwijl het ‘ergens naar kijken’ een vorm van ‘othering’ accentueert, brengt dansen en samen genieten ons echt samen.

Ik verliet het evenement met deze verheven stemming, die voortvloeide uit het gevoel van samenhorigheid, een beetje teleurgesteld door mijn ouderschapsbeperkingen en benieuwd naar wat Bal Bougé nog meer te bieden had. Ik ben er nog steeds niet van overtuigd dat ik een feestje van 182 nationaliteiten heb meegemaakt, noch geloof ik nu dat we de samenleving echt kunnen veranderen met culturele activiteiten.

Maar we kunnen wel een opening, een uitnodiging of een aanmoediging aanreiken om de boog over te steken en het andere te ontdekken. Het hangt van onszelf af of we de stap zetten of de tijd nemen om de grens over te steken, de grens die naar de ontmoeting met het onbekende leidt. Ik geloof in de aantrekking die we hebben voor het onbekende, het verlangen om te delen met de ander – of het nu vreugde of verdriet is – vooral als we de kans en een veilige ruimte hebben om dat te doen.

© Piet Deslé
© Luc Auwaerts
© Luc Auwaerts

Kunstenares Damla Ekin schreef deze tekst in het Engels. Stiene Prinsen nam de vertaling voor haar rekening. Deze tekst verscheen eerder op de blog van het Bewogen Festival.

Rewind: de overdrijvingskunstenaar

Damiaan De Schrijver heeft er de naam voor om als missionaris op te treden voor de schone letteren. Vanavond leest hij voor uit het werk van de Oostenrijkse proza- en toneelschrijver Thomas Bernhard tijdens het programma Zandman op Radio 1.

Thomas Bernhard Nachlaßverwaltungderivative work: Hic et nunc / CC BY-SA 3.0 DE (https://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/de/deed.en)
Tijdens een middagsessie van Broodje Brussel in het Goethe-instituut in 2011 getuigde de acteur, bekend van toneelgezelschap Stan en tv-reeksen als De Ronde en Terug naar Oosterdonk, al over zijn liefde voor Thomas Bernhard (1931-1989). De Schrijver gaf toe dat hij verslaafd is en dat hij zo goed als alles van de eeuwige kankeraar gelezen heeft, weliswaar in Franse vertaling, omdat zijn Duits niet goed genoeg is. Als het aan hem zou liggen, zou hij enkel Bernhard en Tsjechov spelen. Hij looft de muzikaliteit van de taal en de zwarte humor, die de vlammende scheldtiraden draaglijk maakt. Hij illustreerde dat wonderwel met lappen tekst van Bernhard die hij uit het hoofd kent.
Thomas Bernhard heeft inderdaad een schare fans, maar niet elke toneel- en literatuurliefhebber is voor hem gewonnen. Zijn werk bestaat vooral uit lange monologen die een heel repetitief karakter hebben en bol staan van overdrijvingen. Zijn hoofdpersonages, steevast intellectuelen en kunstliefhebbers die in hun eigen monomane gedachtegangen verstrikt raken, zijn herkenbaar door hun eenzaamheid, hun zwartgalligheid en hun haat jegens alles en iedereen. Ze gaan tekeer tegen de hypocrisie van de kunstenwereld, het collectieve falen van ouders en leraars, de nationaalsocialistische en katholieke erfenis van Oostenrijk en de eigen lafheid en middelmatigheid. Tot de favoriete woorden van Bernhard behoren weerzinwekkend (widerlich), stompzinnig (stumpfsinnig) en afstotelijk (abstossend).
Achter dat agressieve pantser – zo weet de fan – schuilt een onmetelijk verlangen naar schoonheid  en waarheid in een lelijke wereld van leugen en bedrog. De walging blijkt een overlevingsstrategie van een getormenteerde en kwetsbare ziel. Er zit veel passie in de niet aflatende woordenstroom. In onsterfelijke meesterwerken van de muziek, de schilderkunst en de filosofie vinden de personages troost, ook al gaan ze ook daar op zoek naar de fouten erin. De vriendschap en het voortdurende reizen tussen stad en platteland bieden eveneens momenten van rust en herkenning.
Zandman met Damiaan De Schrijver is op 9 april na het nieuws van 22 uur te horen op Radio 1. Alle afleveringen staan ook op de website van Radio 1.