Tag: Brussel

Het vernieuwende Art nouveau-ornament

Naar aanleiding van het colloquium ‘Secrets d’ateliers, l’ornement Art nouveau’, 18/09/2020, CIVA, Hortamuseum

Art nouveau kon ontstaan op een plek als Londen in 1851, tijdens de zogenaamde Great Exhibition. Daar waren dermate lelijke ornamentele bloemen te zien – in de ogen van critici – dat er reactie op moest volgen. De ontwerpen in kwestie, bedoeld als versiering voor behangpapier, stoffen of gordijnen, streefden driedimensionaliteit na. Met hun schaduw- en dieptewerking wilden ze de illusie van echtheid verschaffen. Dat werd als vals ervaren, want ze dienden om platte objecten te versieren.

Neobarok ontwerp, Frankrijk, rond 1900

De Great Exhibition was een symbool van het Victoriaanse tijdperk. Er waren veel verschillende historische stijlen te zien, van middeleeuwse tot renaissancistische. De nieuwe, moderne kunstenaars zouden die stijlen synthetiseren, aemuleren en ten slotte achter zich laten door een nieuw element van inspiratie naar voren te schuiven: de natuur.

De Engelsen schreven een nieuwe bijbel, onder leiding van kopstukken John Ruskin en William Morris, de Prerafaëlieten, de Design Reform Movement, de Aesthetic Movement en de Arts & Crafts-beweging. Op hetzelfde moment verscheen er ook een naar hedendaagse normen heel groot, dik en zwaar boek, The Grammar of Ornament, door Owen Jones.

De illusionistische procédés werden verbannen. De versiering moest zich aanpassen aan de vlakke, tweedimensionale ondergrond van haar drager (behangpapier, stof, weefsel).

Een Designschool werd opgericht, en het Victoria & Albert Museum.

In Wenen kwam in 1871 het Art & Industry Museum (Museum für angewandte Kunst), en wat later de Kunstgewerbeschule, waar het ornament werd bestudeerd.

Atlas van motieven

Wat daar al vroeg in Engeland gebeurde, voorafgaand aan de Art nouveau, was geweten door enkelingen op het continent, zoals de schilder en illustrator Georges Lemmen en ook de jonge kunstenares Maria Sèthe, die tekenlessen bij hem volgde en de echtgenote van Henry Van de Velde zou worden. Zij brachten de nieuwe inzichten het kanaal over, terwijl Engeland zélf nooit echt tot de volle Art nouveau zou overgaan. De Engelsen tekenden wel heel tendentieus voor de Europese markt, maar de eigen produktie werd net weer traditioneler als gevolg van de ideeënstrijd tussen John Ruskin die pleitte voor een ‘morally just’ design, en Oscar Wilde, die ‘any means are good’ vond, zolang het resultaat maar geslaagd was. Hij vertegenwoordigde de Aesthetic Movement – art for art’s sake – maar viel uit de gratie na een hoogstspraakmakend proces voor homofilie.  

De Arts & Crafts-beweging stelde de industriële produktie in vraag, en ook dat was een impuls voor een nieuwe stijlrichting. Het artisanale produkt dreigde met de industrialisering en standaardisering verdrukt te worden, opgaand in anoniem maatwerk. Het zichtbaar gebruik van gietijzer in woonhuizen en de sierlijke transformatie ervan, waar Victor Horta, de Gentenaar die de nieuwe stijl neerzette, mee uitpakte, was in dat verband een vindingrijk compromis, het omarmen van zowel verleden als toekomst. Het beste uit twee strijdende werelden werd in de Art nouveau verenigd.

“Ma racine est au fond des bois, parmi les mousses, autour des sources”, zei de veelzijdige ontwerper Emile Gallé uit Nancy. De natuur was de nieuwe bron van inspiratie, de kunst was losgekomen van de herhaling van stijltradities. Sommigen wilden er de veronderstelde oerwetten van ontcijferen en het design daarnaar doen luisteren. De nautilus-schelp (de spiraal), het palmblad, de stengel en de bloem werden gestileerde motieven in de handen van de nieuwe kunstenaars. Het verschil met de decoratieve lijn van vroeger zat hem in een nieuwe, levendige kracht. ‘Ligne-force’ of ‘dynamo-grafiek’ werd dat toen genoemd. Bij Horta eindigde die lijn soms op een finale tegen- of zweepslag, als nec plus ultra van die nieuwe dynamiek. Er was iets ontdekt dat paste bij de behoefte aan vernieuwing. Horta, die 1,5 jaar in Parijs studeerde en daar onder meer de invloed van architect en theoreticus Viollet-le-Duc onderging, had zijn liefde voor het Franse rocaille weten te bekronen door er nieuwe levendigheid aan toe te voegen en de stengel der natuur te stileren als motief – zonder de bloem zelf, of slechts hoogst zelden (tenzij als bekroning van verlichtingselementen).  

Het nieuwe florale model, in twee dimensies. Wenen, Ringstrasse, Majolicagevel. Otto Wagner.

Ook Wenen liep voorop. Otto Wagner was daar de eerste moderne stylist die uit de chaos van het verleden een nieuwe stijl puurde, met inspiratie die hij uit Parijs had gehaald. Aan de nieuwe Ringstrasse die het oude centrum omgordde was daar plaats voor. Wagner gebruikte het gladde gevelvlak van zijn Majolicahuis als tekenbord. Een leerling, Josef Hoffmann, bracht een meer eenvoudige lijnvoering, uitgepuurder. En nog een andere, Josef-Maria Olbrich, die aan het eind van de Ringstrasse het manifestgebouw van de Wiener Sezession neerzette, ontwierp gebouwen voor Darmstadt, een kunstdorp dat door een mecenas in het leven geroepen werd.

Het ornament werd daar gezien als iets wat logisch of organisch uit de structuur van het voorwerp of gebouw moest voortvloeien. De Belg Khnopff droeg bij, en andere Europese kunstenaars. Er was in Europa een onderling uitwisselspel van wederzijdse beïnvloeding ontstaan, ook door de kunsttijdschriften die circuleerden. Paul Cauchie integreerde in Etterbeek Mackintosh’ stijlkenmerken.

Ondertussen moest de explosief uitdijende stad in goede banen geleid worden. Het platteland begon leeg te lopen, en de stad werd een nest voor arbeid en diensten. Er kwamen regels voor hygiëne, minimumhoogtes voor plafonds, verfraaiingen van dorpels, straten en gevels, bovenop het nieuwe stadsuitbreidingsplan onder leiding van ingenieur Victor Besme. Het was een knik in de evolutie van Brussel na de min of meer organisch gegroeide oude kernstructuur. Brussel werd een moderne metropool, door Leopold II aangestuurd, weldra met brandstof uit de Afrikaanse kolonie die de achterstand van België op Nederland (dat al lang op koloniale hulp kon rekenen) moest goedmaken.

In die zin bracht de poëtische introductie van de natuur ook de nodige zuurstof binnen tussen de talloze blokken langs die nieuwe tracés.

En daarmee waren de idealen nog niet opgebruikt.

Het devies ‘Pour tous’ verklankte de ambitie om iedereen toegang te geven tot schoonheid (ook bij Oscar Wilde). Mooi, maar tegelijkertijd schreven Paul en Lina Cauchie ‘Pour Nous‘ op hun gevel aan de Frankenstraat. Ook het gouden tijdperk van het individu was meer dan ooit tevoren aangebroken.

De visie op de nieuwe lijn door Hector Guimard

Het Art nouveau-ornament kon helpen om de nieuwe mens in galopperende tijden verbonden te houden met de natuur, met zijn ‘racines’. Tegenover het gevaar van anonimisering en de naamloze abstractie van de white box stond de grillige, onvoorspelbare, persoonlijke en natuurlijke lijn. Een huis werd een portret van haar specifieke bewoners. De architect, de kunstenaar (mannelijk en vrouwelijk) en zijn ambachtslieden tekenden, sneden of kapten in materialen. Innovatieve glasbewerking bracht het beste van moderne uitvindingen samen met de wensen van op nieuwe symboliek beluste burgers. Het vrouwelijke element kreeg een ambiguë hoofdrol in een nog sterk vermannelijkte maatschappij.

In Japan kan het belang van het doorgeven van vakkennis nog groter zijn dan het uiteindelijke resultaat. Gebouwen worden er moedwillig afgebroken om ze herop te bouwen. Kwestie van de technieken en vaardigheden te blijven oefenen.  

De Art nouveau-lijn positioneert zich ook op de tijdslijn van de eco-logica. We maken deel uit van de natuur, we staan er niet boven, alhoewel we ons te vaak, als ultieme roofdieren, zo gedragen.   

Sgraffiti door Adolphe Crespin voor Paul Hankar. Defacqzstraat 71.

Een tweede familie Art nouveau-kunstenaars zocht meer abstrahering en geometrisering in de lijnvoering. Paul Hankar liet nog veel vrijheid toe binnen de geometrie, bijvoorbeeld in zijn door Adolphe Crespin uitgevoerde sgraffiti voor zijn woonhuis, Henri Van de Velde was nog verder op weg naar abstractie met zijn ornament, of ging de abstractie vooraf. In elk geval was het de bedoeling om de natuur op te roepen, zonder haar te illustreren. De versobering kwam overgewaaid van de Schot Charles Rennie Mackintosh en de Wener Joseph Hoffmann.

Conclusie

Altijd moet je een weg vinden tussen verpletterende machinaliteit en overdreven versiering. Het blijft opmerkelijk dat veel Art nouveau-interieurs  na verloop van tijd te beklemmend werden voor hun bewoners.

In het ideale geval komt de synthese tot stand: het artisanale  en de reproduceerbaarheid worden complementair. Bauhaus en de Wiener Werkstätte (1903) richtten zich op een dergelijk verweven van kunst en industrie, werkplaatsen voor kwaliteitsproducten voor een selectieve markt.

Van hyper-uniek op-maat-ornament en object, over geometrisering, tot en met abstractie: zo ligt de tijdslijn van ons vormgeven vast.

Rond 1900 leidde de artistieke vernieuwing tot ongeziene ornamentiek in de straten en de interieurs van de stad.

Art nouveau en haar ornament doorstonden de tand des tijds, na een poosje uit de gratie gevallen te zijn door de opeenvolging van nieuwe evoluties en modes, economische noodzakelijkheden.

Vandaag wordt het ideaal van design ‘pour tous’ belichaamd door het Zweedse Ikea. Tegen welke prijs?

Het natuurelement komt terug, uit grotere noodzaak dan voorheen. Hebben we een nieuwe stijl nodig die illustratief kan zijn voor onze bewustwording van de noodwendigheid van de natuur?

Een jaar van polarisatie en de rol van de nieuwe media

De laatste momenten van het jaar 2019 gaan voorbij. Tussen druppels en droge dagen leeft grijsheid op, en soms krijgt ook hoop haar kans om op te flakkeren, wanneer zo’n toffe post passeert waarin een FB- vriend mijn geloof in geluk met enkele goedgekozen, warme, wervende woorden op mijn scherm tovert.

Meestal echter dit jaar sloegen de sociale media gaten in mijn vertrouwen dat empathie, solidariteit en luisterbereidheid ertoe doen, want 2019 was een jaar van doorgedreven polarisatie.

De katalysators van die kanker zijn de media zelf.

The medium is the message

Meer dan de mensen die ze gebruiken.

‘The medium is the message’, zei Marshall Mc Luhan (socioloog, eind jaren ’60, 20ste eeuw), waarmee hij bedoelde dat de pure aard van het medium bepalender is voor de effecten ervan, dan wat je er als gebruiker mee doet. Facebook of Twitter zijn als medium doorslaggevender voor het genereren van haatspeech dan de haatspeechers zelf. ‘t Gaat minder om de post, dan om het platform, daar komt het op neer. Net zoals TV onze maatschappij grondig heeft veranderd, veranderen Facebook, Instagram, Twitter en alle nieuwe snelle media ons op hun manier.

TV, door ons vast te zetten in een zetel (thuis, en zelfs meer en meer op café, paradoxaal genoeg), waar we kunnen interageren zonder onze mond open te hoeven doen. De schermen worden groter. Haar invloed groeit nog steeds.

Willen we niet blind geleid worden door onze technologieën, dan moeten we proberen te begrijpen hoe ze ons formatteren. Dat is voer voor leerstof op school. Politici hebben begrepen dat “media-training” van belang is, schooldirecties nog niet.

Elk medium ontstaat als reactie op veranderingen, op toegenomen druk, op tempoversnellingen. Het schrift zorgde ervoor dat iedereen gelijk werd voor dezelfde wet, dat het individu zich ontwikkelde, los van de stam of gemeenschap. en dat het visuele (het fonetische alfabet) dominanter werd dan horen, voelen en proeven. 

Het wiel was een technologie die voor een noodzakelijke versnelling van de voet zorgde, toen de uitwisselingen meer schriftelijk en monetair werden.

De koptelefoon en het geluid dat we meedragen in de metro is onder andere een bescherming tegen de aanblik van al die zichtbaar toegenomen armoedige types. Armoede in het aangezicht kijken is heel ongemakkelijk, naar stoere rap luisteren is een tegengif.

Ik krijg er niet genoeg van

Begerig als we zijn, willen we elk nieuw medium leren kennen, exploiteren, beheersen. Het zijn nieuwe snufjes. De sociale media draaien wat dat betreft nog op volle toeren.

Schrijfpraat

Wat doen Facebook, Instagram en het internet, wanneer we in plaats van te gaan wandelen, ons neerzetten bij een brownie en een handvol updates? O, wat zijn ze een verleidelijke plek voor het ventileren van onze schoonste impulsen!

Posts op sociale media houden het midden tussen geschreven en gesproken taal. Je typt, maar het is bijna alsof je spreekt. Online zijn – en ook online beledigen – is zo verleidelijk omdat het als spreken is, echter zonder lastig wederwoord van een fysiek aanwezig persoon, als communiceren zonder buiten te komen: snel, kort, en op veilige afstand van vriend en vijand, die verplicht is om te wachten tot je helemaal bent uitgetweet, en voor je zover bent, zit je gemakkelijk aan je tweede brownie. Indien het antwoord, als dat er komt (graag, want dan besta ik!), je niet bevalt, dan kan je nog vrij kiezen hoe je reageert. Eerlijk en genuanceerd, na enige zelfreflectie (minder waarschijnlijk, want kwetsbaar en tijdrovend), scherp en gevat en al dan niet to the point (zeer waarschijnlijk, want je houdt er je ego mee in leven), aanvallend (vaak, want het doet deugd om de hond in je los te laten), of helemaal niet (waarbij je onpeilbare stilte in het midden laat of je sprakeloos gevloerd ligt of soep aan het maken voor een gezellige bende vrienden).

Mocht de toegebeten online domoor plots voor je staan, dan zou je snel een toontje lager zingen, door zijn of haar blikken, lichaamstaal, of fysieke gebaren en reacties.  Je bent echter onaantastbaar.

Geschreven spreektaal leent zich niet goed voor het creëren van wederzijds begrip, zeker waar dat nog wankel is. Het leent zich veel gemakkelijker voor statements, over en weer.  Je ziet, voelt, hoort de ander niet, en begrijpt hem dus veel minder volledig. Lichaamstaal is een essentieel onderdeel. De boodschap komt enkel over in lettertaal, een reductie.

Je eigen TV-programma

En, ook mooi meegenomen, zolang je indrukwekkend atletische vingers kunnen tokkelen, ben je bezig. Je doet iets! Meer nog, je leven lijkt zelfs wel wat op dat van een ster, met al die aandacht die je online kan opwekken. Prettiger dan toen je anoniem door het leven moest. En je ondertekent nog een online petitie, want zoveel onrecht willen je vingertoppen met klem bestrijden!

Een post kan je ook sexy verpakken met woord, beeld, geluid… de online nieuwsstroom werkt als TV die we zelf maken (reclameblokken bijgeleverd), terwijl we zappen (scrollen) door de berichten van onze collega-programmamakers.

Iedereen journalist

Een post is ook telkens een publicatie: zwart op wit afgedrukte woorden die je ook uren of dagen later nog kan terugvinden! Snel ingetypt weliswaar en met de allure van vluchtige gesprekstof, maar je mengt je wel trots onder het gild van schrijvers en journalisten (en zelfs de poëzie leeft er tegenwoordig van op), ook al kan je maar heel of half spellen. En o ja, daarbij zijn feiten en opinies slechts tweelingen van elkaar, waar de president van de Verenigde Staten, maar ook de gewone anonieme stem, naar believen uit mag kiezen.

En posten maar! Welk speeltje was ooit leuker?

Lage krachten borrelen op

Het medium fluistert ook het ruwe in ons los, kwaadheid. Thuis, of zelfs onder  volk op een terras, ben je altijd in je comfortabele wereld als je kan tokkelen. De vloek en de zucht die je – terwijl we steeds eenzamere mensen worden – ook op hond, kind, partner of vriend zou kunnen loslaten, of door te eten of te drinken, vindt een nieuwe uitweg. Je woorden en emoji’s (stukjes lichaamstaal) treffen doel van vlees en bloed, maar de slaag die je kan krijgen, doet minder zeer.

De vrijheid om loos te gaan via ‘sociale’ media is vooralsnog heel groot. De elfen en trollen zitten en staan werkelijk overal. Je ziet ze door het rood oversteken, ze tweeten zich een weg door de gemeenteraad. Voetbalsupporters zaten vroeger nog eendrachtig samen om hun spanningen te projecteren op het spel van getrainde en verfijnde vechters, maar zijn nu door Stasi-legers van binge-schermwatchers geïnfiltreerd.  Vechtlust,  gestook en gepook, onze vernietigingsdrang, zelfbeschermende reflexen, het komt allemaal gemakkelijker naar boven.

De verbazing over de aard van de mens verbaast

Dat die dingen goed in ons ingebakken zitten, hoeft toch weinig betoog? We tonen graag onze mooiste face en onze gulle lach (in een selfie of spiegelbeeld, hoe ‘lame’ is dat?), we beroepen ons op ons vermogen tot empathie en we zouden graag uit niets dan liefde bestaan – vooral in de ogen van een ander – maar we stammen ook af van apen die vreemde indringers collectief doden. Met plezier, zelfs. Laten we toch onder ogen zien hoe weinig verbazingwekkend het is dat mensen zich via de vlotte, vrije en behoorlijk anonieme sociale media negatief uitlaten tegenover nieuwe en zelfs tegen reeds gevestigde inwoners uit andere culturen, zeker wanneer het gaat om andere dan de ons vertrouwde Europese, en om sociale klassen die bedreigend overkomen, omdat ze ofwel lager ofwel hoger dan onszelf staan. Ook in het superdiverse Brussel.

Laten we ook minder verbaasd zijn wanneer een asielcentrum in brand wordt gestoken. Waarom zouden Belgen beschaafder zijn dan iemand anders? Vooral wanneer hen weinig of geen informatie over de als bedreigend ervaren verandering is gegeven? Groepen die een groot comfort hebben, zijn vaak tegelijk ook mensen met een hoge beschermingsdrang, uit angst voor verlies van dat comfort. En het staat sowieso al onder druk, dat comfort, want de wereld is écht aan het veranderen (en dát is de ontregelende pointe). Comfort is iets anders dan empathie of solidariteit. Comfort werkt verslavend, het maakt gemakzuchtig. Wij Belgen zijn in concreto meer aan comfort gehecht dan aan lastige waarden als de rechten van de mens. Vandaar dat de politieke reacties die de brandstokers scherp veroordelen slechts een gering effect kunnen hebben. Denk je dat je die pyromanen tot inkeer krijgt door hen te veroordelen? Ze zullen zich misschien wel een béétje beraden, maar vast niet zo grondig als je zou wensen. De vermanende vingers zeggen vaak meer over de vermaner dan over de dader: “ik veroordeel dit, want ik ben moreel goed.” Onze Westerse samenleving begrijpt zichzelf echt nog niet voldoende. De al te menselijke reflexen die weggeduwd worden, die lastig te aanvaarden zijn, leven wel aan alle tafels.

De verantwoordelijkheid van onze volksvertegenwoordigers

En wellicht zijn de brandstichters en applaudisseerders in Bilzen ook opgejut via sociale media, waarop sommige politici simpele sexy boodschappen droppen. Ze gebruiken de graffitimuren gretig.

Verkozen mensen met een voorbeeldfunctie laten de publieke opinie toe om onder drempels te duiken. Om goed klinkende, korte ‘waarheden’ te ventileren. Om de altijd complexe werkelijkheid te versimpelen (het simpele komt naar boven – heel wat werk voor genuanceerden om dat te counteren in begrijpelijke woorden).

En dat aan alle kanten, ‘links’ en ‘rechts’, elk met hun te fel verwoord gelijk.

Ook zij, bij uitstek, begrijpen niet goed hoe de nieuwe media werken,  en welke evolutie ze veroorzaken. Ze dénken  goed te beseffen wat ze doen, welk buskruit ze in handen hebben, waarmee ze als leerling-tovenaars spelen, maar ze ‘schieten zichzelf in de voet’.

We hoeven niet te wachten op barre tijden, we plukken al hopen rotte appels hier en nu.  

Het grote drama: ‘links’ begrijpt ‘rechts’ niet, en omgekeerd. De dialoog smelt weg, en België erbij. Er zijn kampgevechten ontstaan op allerlei niveaus. En de polarisatie, die via de tweets en posts gevoed wordt, vindt haar bekroning op de marktplaats van de politiek.

Over en weer terechtwijzingen, groot gelijk en fundamenteel onbegrip regeren te vaak (oef, zo hebben we dan toch nog een regéring).

Het is nog een lastige waarheid: dat het knap moeilijk is om mensen te verzoenen, om elkaar te begrijpen. Op een bepaald niveau verschillen mensen vaak grondig. En ze blijven ook heel graag zo lang mogelijk in hun stevig opgebouwde mentale constructies verschanst zitten.

Nu de wereld langzaam maar hardhandig vervelt, worden er loopgraven gemaakt, en toch zouden de vechtersbaasjes iets meer vriendjes kunnen worden. Hun spontane reacties van afkeer, hun scherpe veroordelingen van elkaar, de “Je les connais par coeur”, “Híj is het die polariseert”, de niet-in-mijn-naam-hashtags, het  fileren, het roepen, het kleineren… Iemand die toegebeten wordt zal altijd hard wegrennen en nooit iets bijleren. Vaak zelfs nog versterkt in eigen mening of gelijk. Een kind dat stout is, ga je niet toesnauwen, een leerling die het niet begrijpt, geef je geen oorveeg, maar de N-VA moest luid horen dat ‘le bruit des bottes in aantocht was’. Zijn volwassenen wel zo anders dan die kinderen en leerlingen? Hebben ze geen fragiele, gekwetste, angstige zielen onder het uiterlijke sérieux? Is harde veroordeling wel de goede aanpak, of moeten we proberen te begrijpen wat er scheelt en empathisch zijn? Ik hengel niet naar een simpel antwoord, maar ik hoop dat de vraag doet nadenken.

Nuance, mooi woord

De waarheid is dat we allemaal links én rechts denken. We zijn allemaal kwaad op wie zijn afval voor de deur dumpt. We houden allemaal van onze eigen kleine bakkers die met ander meel bakken dan die anderen. We staan allemaal open voor een vriendelijke blik, een vriendelijke geste, van wie die ook komt. Iedereen vindt sluiers een stap terug naar de tijden van de nonnekes. Iedereen wil sluiers toelaten uit respect voor andere gewoontes en zienswijzen. Iedereen zoekt gezelligheid in de winkels van de binnenstad. Iedereen zoekt goedkope kleren op internet. En al die waarden zijn constant in beweging.

Het is altijd gemakkelijk om een uitspraak te counteren, want gelijk welke uitspraak is als een medaille met een keerzijde, een ja maar. Als je uit de kortzichtige, comfortabele logica van het counteren stapt, kom je in een wereld van nuance. Zonder potjes toe te dekken en bewust van onze diepe neigingen. Geen hippies noch fascisten, maar vreemde contradictorische wezens.

Ja, het comfort staat onder druk. Door multinationals als Zalando waaraan we zelf bijdragen, omdat we voor veel te weinig geld veel te veel spullen willen. Thuis geleverd, straks in Lissabon flanerend, lekkere wintertomaatjes. Daar is duidelijk een naam voor: decadentie. Ondertussen heeft nog slechts 50% van de Vlaamse helft van de Belgische bevolking werkbaar werk. Gelukkig wordt dat door kindwerkers in een ver land gecompenseerd (maar wat hebben ze mooie stranden!).

De macht aan de tokkelaar

Dit jaar werd de Brusselse gemeenteraad voor het eerst livegestreamd. Plots kregen we de fysieke aanwezigheid van de gemeenteraadsleden te zien, hoe ze erbij zitten, hun elan of het gebrek eraan bij een vraag of een antwoord. Een heel interessant spektakel. De camera filmt maar door. Het brengt ons burgers dichter bij de politiek. Het gros heeft een scherm of een schermpje dicht bij de hand. Naast het gefluister en gebabbel wordt er ook voortdurend vanalles online gedaan terwijl de debatten plaatsvinden. Wellicht nuttig, maar behoort ‘live’ vanuit de raadszaal reageren op reacties die op sociale media verschijnen ook nog tot de essentie? Waar ligt de grens? Een goede politicus, zo lijkt het, is er één die erin slaagt gelijke tred te houden met de onoverzichtelijke aantallen berichten en posts. Welke effecten heeft dat op de kwaliteit van beslissingen? Ik kruiste onlangs een Brusselse politicus in de bus. Op zich tof dat dat kan gebeuren,  méér ministers moesten metro, bus en tram maar eens zelf regelmatig nemen. Maar een kort gesprek zat er niet in, de man was echt verwoed bezig zijn posts te trachten up to date te houden. Als je je communicatie wil controleren, sluit je maar beter een pact met je mobieltje, en wie weet behaal je een verkiezingsoverwinning tussen duim en wijsvinger.

Jan met de pet en vrouw met de broek doen niet onder, daarvan getuigen de anonieme, bevreemdende wezens die je, hoofd naar beneden, voorbijlopen, die zich in een ander hier en nu bevinden, en, wanneer ze niet met spelletjes bezig zijn, de macht doen verschuiven: een uitspraak van een politicus is minder verheven boven de stem van het volk dan vroeger.

Off(line)

De loktoon van het online-zijn klinkt luid, en meer dan ooit komen geesten daar met elkaar in aanraking/botsing, maar laat ons ook meer genieten van echte ontmoetingen. Laten we gaan wandelen en sporten, ook al vraagt dat meer moeite (grote voldoening nadien). Laten we meer praten van mens tot mens, met lichaamstaal, fysieke gebaren en blikken. Laten we aan de verleiding weerstaan om onze angst snel in een boze post om te zetten. En geef ons veelzijdige politici met meer gevoel voor nuance.

BRUSSHELL

Shell building sept 2019
c Thomas Sennesael

Notities bij de tentoonstelling ‘Alexis Dumont & C°’ in de St-Gorikshallen

Kunnen we blij zijn met de Shell-building, tussen Cantersteen en Ravensteinstraat?

Het gebouw is één van de vele gelijkaardige, qua functie, stijl en kleurtoon, die tussen 1930 en 1960 werden opgetrokken op de steile Hofberg, tussen hoog- en benedenstad, tussen het oude Coudenbergkasteel/Koninklijk Paleis en de Grote Markt in, en die de rand van de oude kern van Brussel een belangrijke tertiaire invulling gaven, samen met een nieuwe architecturale – modernistische – impuls.  

BRUSSEL STEEDS BETER BEGRIJPEN

Kijk naar een beeld van de terreinen kort vóór de bebouwing van de vroege jaren ’30, toen het renaissancistische, italianiserende paleis van Granvelle daar nog stond. De harde Granvelle was een staatsman voor onze gewesten in de 16de eeuw, die de macht van de stedelingen wou inperken in dienst van de Spaanse Habsburgers (Filips II). Zijn paleis, niet zijn persoonlijke reputatie, heet in verschillende bronnen één van de mooiste van zijn tijd en in zijn soort te zijn in de lage landen. Het werd in de Expo (’58)-jaren afgebroken, en vervangen door de Ravensteingalerij.  

Het Granvelle-paleis op de plaats van de huidige Ravensteingalerij. Links plaats voor de Shell building.
c alexisdumont.brussels

Ravensteingalerij en Shell-building zijn van de hand van architect Alexis Dumont (en partners), een ingeweken Brusselaar, aan wie een tentoonstelling is gewijd in de Sint-Gorikshallen. Het werk van Dumont bekijken, brengt nieuw inzicht in de stedenbouwkundige evolutie van onze stad.

Het Granvelle paleis op de plaats van de huidige Ravensteingalerij

Is de buurt beter geworden post-Granvelle?

De planningsgeschiedenis van de site is interessant. Ten eerste: sowieso moest de oude Putterijwijk er blijkbaar aan geloven, met haar oude woonhuizen, steile trappen én Granvelle-paleis (waar de eerste ULB-studenten nog lang gebruik van maakten, tot het hopeloos te klein werd). De stad besloot tot tabula rasa en mikte op een nieuwe zakenwijk. 1200 huizen werden gesloopt.

De tijden bieden een verklaring. Na WOI waren we al overgeschakeld naar meer eenvoud en minder luxe (Art déco), en naar 1930 toe moderniseerde de architectuur verder, terwijl de menselijke economische activiteit ook veranderde. Het agrarische, ambachtelijke en nadien industriële binnen de stad ging over in tertiairisering als belangrijkste bron van werkgelegenheid, tegelijk met het fenomeen van de internationalisering.

DRIE ARCHITECTEN

In die geest was de eerste kandidaat voor de monumentale site de architect Van Hardeveld. Hij zondigde echter tegen een door de Stad gestelde voorwaarde, jawel, een bouwkundige voorwaarde: de zogenaamde erfdienstbaarheden van uitzicht moesten gerespecteerd worden. Dat betekent dat je vanaf de Koningstraat ter hoogte van Baron Horta de binnenstad ongehinderd moet kunnen zien liggen. De voorziene 90 meter hoge toren stond in de weg.  

De volgende tekenaar was de late Victor Horta, die van het Centraal Station, het buurgebouw aan de overkant van Kantersteen. Zijn plannen, met een toren van een zestigtal meter, gingen echter de schuif weer in toen de wereldeconomie in ’29 toeklapte. Zijn Engelse ondernemer ging namelijk failliet.

Ontwerp V. Horta (beeld CIVA)

En zo kwam de opdracht bij Alexis Dumont terecht. Die inspireerde zich op Horta’s ontwerp, een groot gebouwencomplex dat op zijn renaissance-voorganger lijkt voort te bouwen. Dumonts uiteindelijke resultaat verschilt er toch wel heel wat van.

De opdrachtgever was (Belgian) Shell, dat kwiek uit de Krach kroop. Het is dus de industrie van de oliewinning geweest die daar in dat stuk van Brussel haar eerste grote vlek neergoot. Het autotijdperk zou zonder onderbreking volgen. Functionaliteit, schaalvergroting, moderne voorzieningen zoals liften, linoleum en self-service waren kernwoorden. Kunstenaars zoals Olivier Strebelle werkten gezwind mee aan het vormgeven van die nieuwe tijd.

BUILDINGS OP MENSENMAAT

Vandaag staan we stil bij die zakelijke erfenis. We denken na over een stad met meer groen en minder vervuiling, meer mens, minder gladde gevels. De modernistische en functionalistische geste, en de internationalisering, lijken evenwel definitief deel van ons leven te zijn geworden.

Gebouwen kunnen nu, net als kunst, abstractie uitstralen, in tegenstelling tot Art nouveau-artefacten, waar er via imitatie van de natuur en de uniciteit van elke lijn getracht wordt om iets kostbaars te realiseren. Niet helemaal tegenstelling: Horta bewaarde, zoals bekend, enkel de stengel en niet de bloem, en bracht zo al stilering aan. Hij evolueerde nadien zelf weg van de stijl die hem faam bezorgd had, maar altijd bleef hij een evenwicht zoeken tussen ambachtelijkheid en standaardisatie (die hij in de USA had gezien).

Een gebouw als de Shell-building gaat veel verder. Voorbij een tipping point van menselijk begrip?

Hoe voel je je als je daar loopt, afdalend tussen Bozar, Ravenstein, Shell-building en Centraal station? Op je gemak, of vervreemd?

Bij uitbreiding: hoe voelt de Europese wijk aan, aan de overkant van de Kleine Ring? Ook daar is de stad gemuteerd tot een internationale zakenwijk – onder veel protest van buurt- en stadsverenigingen.

Is er een evenwicht tussen functionele stad en stad op mensenmaat?

Ik hou wel van het rumoer daar dat zo internationaal smaakt, van het dambordpatroon dat geknipt lijkt om tot grootstadbuurt te dienen, van de buildings die de blokken vorm geven. Tegelijk lijkt het me duidelijk dat het Luxemburgplein haar aantrekkingskracht uit haar historisch bewaarde schoonheid put.

Door de quasi ongehinderde sloop van architecturale schoonheid in Brussel in de twintigste eeuw, met de jaren ’60 als kookpunt, dragen de Brusselaars een litteken dat hen vaak belet venieuwing en verandering nog te kunnen toelaten.

We zijn er gelukkig wel kritischer door geworden voor slecht architectuurbestuur, en enkele stadsverenigingen waken over elke beweging. De functie van de gewestelijke Bouwmeester zorgt er ook voor dat puur schraal machtsvertoon, in een stad van gemeentelijke machten, en een wereld van korte termijnplanning en maximale winstkansenberekening, minder kansen krijgt om rond zich heen te grijpen. Kristiaan Borret als hedendaagse versie van een Granvelle (zonder persoonlijk paleis).

EEN ONTBREKENDE TOREN

Maar terug naar het Shell-gebouw.

De toren, die ook in het ontwerp van Dumont voorzien was, zou er uiteindelijk nooit komen. Misschien had die het geheel meer grandeur kunnen geven dan voor mij nu het geval is. Vergelijkbare Shell-gebouwen van dezelfde periode elders in Europa zijn gedurfder uitgewerkt.

London Shell Mex House
Shell Haus Berlin

Een andere voorwaarde betrof de winkels, die de sokkel moesten verlevendigen, daar waar de rest kantoorruimte was. Het moesten kwaliteitszaken zijn, niet te populair. Grappig als je denkt aan Biberium, pal op de ronding aan de hoek van Kantersteen, een weinig aantrekkelijk café met een povere bediening, en aan die andere o zo Brusselse etablissementen in de Ravensteingalerij, waar ‘s avonds rumoerige retro-muziek en gesloten gordijnen dansende serveersters en drinkende tooghangers omhullen. Het populaire gedijt er best goed, al bij al. Prima ingreep, wel, om op voetgangershoogte voor publiek toegankelijke activiteit te zorgen.

De teksten bij de expo in de Sint-Gorikshallen lijken soms weinig kritisch, daar waar ze de architect optimistisch aan het woord laten over zijn bouwkunde. Het zijn citaten uit publicaties van toen, die de architectuur pogen te herdefiniëren. Op de heel verzorgde en behoorlijk uitgebreide website bij de expo (https://alexisdumont.brussels/nl) kom je een stuk meer te weten over het parcours van de architectendynastie Dumont.

Deze tentoonstelling kadert trouwens in een bredere reeks om het publiek te laten kennismaken met haar “markante figuren uit het Brusselse bouwkundige erfgoed”. Dit is expo drie.

 

13/09 – 17/11/19 Sint-Gorikshallen

Organisatie: Archistory – urban.brussels – CIVA – Sint-Gorikshallen

Zomerlectuur: afscheid van Laken

Ken je “la baguette magique”, de toverstaf? Telkens je er iets mee aanraakt, verandert alles, naar wens, vol kleuren en tintelend van magie. Onlangs, in Brussel, kreeg ik er één in handen.

EEN DRAMATISCHE WENDING

Ik heb zeven jaar in Laken gewoond, op twee verschillende plekken. Ik zei altijd dat ik in een populaire buurt woonde. In de betekenis van volks. “Ca c’est les vrais quartiers populaires”, zoals iemand in een gesprek over Laken eens zei, terwijl we het hadden over de eiland-straten Prudent Bols en Richard Neybergh, waar elk riant huis een voortuintje heeft en een smeedijzeren hek, uit de begintijd toen burgemeester Bockstael mikte op het aantrekken van gegoede bourgeoisie naar de nieuwe wijken.

Laken heeft zo wel een dozijn microkosmossen, met voortuintjes en hekwerk, maar het is ook en vooral, naar mijn aanvoelen toch, een populaire gemeente – en deelgemeente. Arbeiders vermengen er zich met bourgeoisie, al sinds heel lang, want kanaalzonegemeentes hebben sinds de industriële revolutie altijd cités en fabrieken gekend.

De laatste paar decennia heeft de populaire trend zich doorgezet. De Maria-Christinastraat, eens concurrente van prinses Louiza, ontvangt nu de opeenvolgende immigranten, van Siciliaanse in het begin tot Oost-Europese vandaag, met vele anderen daartussen, in winkels en snackbars waar enkele euros vaak al kunnen volstaan om, al dan niet voldaan, gezakt weer buiten te komen. Christiaensen de speelgoedwinkel, de banketbakkers/patisserieën fournisseurs de la Cour hebben Laken verlaten, tot spijt van niet weinigen die die tijden hebben gekend.

Windowshoppen in de
Maria-Christinastraat

Toch blijft Laken in een sfeer van grandeur gedijen, met het rijke patrimonium dat er nooit ver te zoeken is, en ook meer bemiddelde en westers geschoolde nieuwelingen komen zich hier nestelen, de vierde Europese school in de Sint-Annadreef vlakbij wetend en met huizenprijzen die tot nu toe nog altijd merkelijk lager kunnen liggen dan elders in de stad – en met hekje, met wat geluk. Ook groene ruimte en vergezichten krijg je erbij.

Dat publiek hunkert naar hippe pop-ups, of al was het maar een eerste goede bakkerij – naar westerse normen – om de mix op te vrolijken, maar ‘t blijft heel moeilijk. Veelbelovende initiatieven zoals een mooi ingerichte ontbijt- en broodjeszaak waar iedereen zich cross-culture toe aangetrokken voelt, een knap ogende ijsjeswinkel, ze openen om na enkele weken alweer te sluiten of blijven zelfs koudweg in de steigers staan, de belofte van vers bloed niet verder nakomend dan een glimmende vitrine en een gloednieuw uithangbord. Zohra, in de krappe Fransmanstraat, met haar authentiek Marokkaanse tajines en hippe interieurdecoratie, hielp iedereen over de streep, maar ze hield het slechts een tweetal jaar uit. Zij was precies wat ‘Bockstael’ als beste te bieden kan hebben, een ontmoetingsruimte voor de verschillende mensen die hier samenwonen maar niet samenzijn.

Aantrekkelijke broodjeszaak, slechts enkele weken geopend

Daarvóór was Christ’Inn (Maria-Christinastraat) nog tot voor kort de laatste magische ouderwetse tea-room (éclairs in de vitrine) maar hij kon niet meer op tegen het geweld van de maghrebijnse bakkers die de een na de andere opengaan en het gros van het publiek opzuigen met nieuwere winkelinrichtingen en minder goed meel.

Van de rest van de stad gescheiden door het kanaal (al sinds de 16de eeuw), en doorsneden door spoorwegen, ondergaat Laken een sterke invloed van doorvoer en transport, die haar als gemeente streng doorkruisen en opdelen. De lange en brede Emile Bockstaellaan, die dan opwelt naar Houba en de Heizel toe, trekt dat spoor nog dieper door, met de metro eronder, die enerzijds de wijken gelukkig goed verbindt met andere delen van de stad, maar ook aan funderingen van huizen wrikt.

De brug te ver zijn de laaghangende vliegtuigen, die van en naar Zaventem donderen. Hun lawaai en frequentie vallen niet te negeren.

Bij mij kwam daar nog de tram bij. Handig, die tram, zeker als je een halte schuin voor de deur hebt. Maar aan het geluid van de T2000 heb ik nooit kunnen wennen. Ik ben wellicht fragiel en gevoelig, meer dan gemiddeld, maar tegen die snerpende slang, dat misbaksel uit de jaren ’90 worden actiecomités opgericht. De MIVB geeft toe dat het model gebreken heeft, maar op mijn vraag om hem versneld te vervangen, kreeg ik als antwoord dat de nog oudere modellen “natuurlijk” voorrang hebben. Nou, die vind ik echt de tand des tijds nog knap doorstaan.

Hoe hij om de paar minuten botsend tot stilstand komt, de straat afgedaald tot vlak onder mijn oren, onderweg dat huilende geluid makend dat mij zo geterroriseerd heeft.

Ik ben een buurter. Lelijk woord misschien dat ik hier neergooi, maar je begrijpt meteen waar ik het over heb. Ik wil altijd leven in mijn straat en in mijn buurt. Leven: dat doe je toch voortdurend? Mensen groeten, mooie dingen zien. Lijkt me logisch. Zodra ik buitenkom, zit ik in vibes, en die beïnvloeden me. Ik verdraag slecht levenloosheid en lelijkheid. Lelijke dingen (hier schuilt ook een waarde-oordeel in) wil ik bestrijden, op mijn manier. Hoe mooi is het streven om iets mislukts om te toveren naar iets moois, en er anderen mee van te laten profiteren. Zo hielp ik mee een reuzegrote en aartslelijke tag die onder een muurschildering van Tiny/Martine plakte, te laten verwijderen door de stadsdiensten, na aandringen en door goede contacten. Hij was van ver te zien, vanuit verschillende hoeken, en hij groette je hardvochtig telkens je met tram 62 of 93 richting kanaal Laken verliet. Die stadsdiensten, netheid en cultuur, zaten er in een onderling robbertje over verwikkeld. “Wij mogen geen fresco overschilderen van Cultuur”, maar bij Cultuur was het budget op. Resultaat: standstill. En de Lakenaar, bij uitbreiding Brusselaar, legde zich erbij neer, zoals zo vaak. What can a poor boy do? “Ach, Laken is een beetje zo, daar valt weinig aan te doen. Meld het op fixmystreet!”

Ik dank Corrinne nog eens voor haar daadkracht en het forceren van een oplossing.

Kruispunt Bockstael. De herinrichting via het Wijkcontract zal binnenkort beginnen.

De ‘populaire’ deelgemeente lijkt – ís – altijd minder belangrijk en verder af van het bed dan het centrum van Brussel-Stad, ook al volgen de Wijkcontracten zich op en wordt er veel energie in gestoken. Logisch, lijkt mij: Brussel-Stad, waar Laken sinds 1921 toe behoort, is geografisch zo tentaculair dat het ongetwijfeld moeilijk moet zijn om op alle schaapjes even goed te letten, met het stadscentrum dat sowieso altijd harder aan het laken trekt. Árme schaapjes vallen daarenboven, wat socialisten ook zeggen, gemakkelijk naar een tweede échelon terug, waar ze maar moeilijk uit kunnen geraken. Zeker niet wanneer de uitgestoken hand joviaal hulp aanbiedt die het overleven garandeert (van kiezer en verkozene), maar verdere ambities versmoort. Wanneer je taallessen aanbiedt aan anderstalige beginners, zorg er dan voor dat er engagement en vooruitgang bij de leerlingen is, niet dat iedereen met een mooi maar inhoudsloos getuigschrift huiswaarts keert, terwijl allen elkaar publiekelijk op de schouder kloppen en elkaar feliciteren over het fijne samenzijn.

Ook aanbieders van deelfietsen, -steps of -auto’s hebben blijkbaar koudwatervrees om hier investeringen te doen. En dat ondanks Tour & Taxis, het Atomium en de Heizel, Docks, en de aanwezigheid van de koninklijke familie. Die veelbesproken polen zijn soms maar doekjes voor het bloeden, want wie het over Neo, T&T of het vuurwerk onder de negen bollen heeft, allemaal grondgebied 1020, praat die dan eigenlijk wel over Laken?

Nee hoor, Laken dat is het leven daartussen, op en rond het Bockstaelplein, de Emile Bockstaellaan, Houba-Destrooper. Overbezette huizen waar tot in kelders toe gewoond  wordt, PVC-voordeuren die de originele vervangen, klein en grof vuil dat continu aangevuld wordt, als illegale maar getolereerde straathoekdecoratie, gratuite geweldplegingen na 22:00 wanneer er geen enkel toezicht meer is – het gebrek aan de geur van autoriteit die ontradend werkt, een chaotische stedelijke inrichting , en een macho-motorcultuur die nog gedijt als in haar beste dagen.

Zo som ik natuurlijk enkel negatieve dingen op. Maar het moet van het hart. En ‘t is deel van de realiteit.

Hoe gek is het nu toch dat het halve Schepencollege van Brussel-Stad in Laken woont? Hun aanwezigheid lijkt vooralsnog niet echt te helpen om de zere plekken te behandelen. Slapen ze hier enkel, na een lange dagtaak op de Grote Markt?

Zijn het wel buurters?

Vaste stek voor sluikstort. Regelmatige ophaling verzekerd. Ook sporen van wild rijgedrag te zien.

De buurt heeft me veel gegeven. Ik kon een wijkkrant oprichten met stadsgeld van het Wijkcontract (alleen jammer dat ik geen medestanders vond om hem verder te zetten), ik gaf er les Nederlands aan buurtbewoners en kwam zo directer in contact met andere culturen (alle mensen zijn gelijk, en je hoeft de sociaal of economisch zwakkeren niet te pamperen), ik plande projecten en belegde vergaderingen van utopische signatuur (zo bleek jammerlijk), ik verdiepte me in de gemeenteschiedenis en werd gids bij Laken Onthuld/Laeken Découverte – die onvolprezen kenners van de Brusselse geschiedenis – het geheim van de gedachten van de Denker van Auguste Rodin ontsluierend op het rijkgevulde kerkhof van de arme doden. Ik hielp Parckfarms toog op poten zetten en leerde beton gieten en tuinaanleg in het Pocketpark Jardin Station.

‘t Pakte niet, dat Pocket Park. Of  misschien moet ik zeggen ‘nog niet’… De buren doen niet mee, hoewel het voor hen is bedoeld. Er zijn er genoeg op afgekomen in het begin, maar ze hebben allemaal stilletjes afgehaakt. Zelfbestuur is mooi, maar moeilijk. “Niks voor deze buurt”, zeiden buren me. In elk geval, toen ik er een zomerfeestje organiseerde en mensen wou samen brengen, stond ik er twee uren helemaal alleen tussen mijn twee lampions. Ontmoedigend.

En toen had ik al een mislukte collectieve tuin-ervaring achter de rug (vandalisme, brandstichting, gebrek aan ambitie), een initiatief waar ik had gehoopt mooie dingen mee te doen en iets mee te helpen opbouwen. 

Die ontmoediging in mij zette zich rustig verder. Misschien heb ik niet genoeg op het pedaal geduwd, te veel goed geleefd, te weinig rondgebeld, me te weinig volop ingezet.

Paradox: burgerinitiatieven ontstaan uit de noodzaak die sommigen voelen om beter te leven of het buurtleven te verbeteren, maar ze draaiend houden is net veel werk, dat ook nog eens onbezoldigd is. De slaagkansen hangen af van de respons, van de dynamiek die er ontstaat, van het enthousiasme dat je weet te creëren.

Het heeft me bitter gesmaakt dat ik mijn enthousiasme niet beantwoord heb gezien zoals ik het me voorstelde. Ik ben op ego’s gebotst, de mijne incluis, en de uit- of onuitgesproken clashes tilden ons niet hoger.

Misschien had ik me ook kunnen aansluiten bij de drie- of viertal grotere burgerinitiatieven die wél werken, in plaats van hardnekkig mijn eigen creaties op poten te willen zetten. Maar als creëren in het bloed zit en je leeft voor een ideaal…

Ondertussen leerde ik wel een pak mensen kennen, en we deden wel wat samen, ook als mislukkingen in de sterren geschreven stonden. Discussiëren natuurlijk, vaak over eindeloos hetzelfde in telkens nieuwe varianten – met facebook  op de achtergrond of de voorgrond, als klankbord dat steeds, als een cementmolen, blijft verderdraaien – maar ook ageren, organiseren. De nood aan verandering brengt mensen samen. Bijeenzijn, half in vergadering, half kennismakend, half genietend van het werk of van de stadsnatuur die ons exclusief gereserveerd was. Van een boomexpert lerend hoe te snoeien, een paysagiste hoe een fruitboom te beschermen, een landschapsarchitect hoe naar een plein te kijken, een duurzaamheidscoach hoe te vergaderen, een urbanist hoe de openbare ruimte leesbaarder te maken, een voedselkenner hoe iets klaar te maken of een bewoner de geschiedenis van de buurt.  

Ik hou van veel mensen die ik in Laken heb leren kennen, en er zitten vrienden tussen die ik graag wil houden.

Kleur en animatie op de jaarlijkse Bloemenmarkt
La petite géante gaat uit voor La fête des Lumières in de winter

En op een ochtend…

Toen was het glas plots halfleeg. Het gevoel dat spreekwoord echt te beleven. Ik sta op het Bockstaelplein, wachtend op de bus die me naar mijn werkplek in de buurt brengt. Rondkijkend. Ik begin de gewone dagelijkse Lakense realiteit donkerder waar te nemen dan gewoonlijk. Ik zie enkel nog verpieterde mannen rond mij. Kommer en kwel op de gezichten, gebrekkige mensen, harde woorden, gespuw. Zelfs een vrouw spuwt (ook al heeft ze daar evenveel zin in als een man, het maakte het voor mij nog erger, te erg). Ik voel me fataal omgeven door mensen die met een andere strijd dan de mijne bezig zijn, maar ik bevind me wel op hun terrein, en ik kan me niet langer rechthouden aan het idee dat iemand zal voorbijkomen die op mij lijkt, en die ik hartelijk zal groeten, dankbaar voor zijn of haar onverwachte verschijning.  

Mijn mensenliefde bezwijkt finaal, overgevoelig geworden aan het tekort aan respect, schoonheid, courtoisie. Huiverend, voor het gebrek aan licht in de ogen en de armoedigheid, die me enkel nog pijn doen. Zuchtend en moedeloos sta ik daar.

Bockstael, grote plek, vol leven en krassen, doorsneden door autogeweld en een niet stoppende metroroltrap.

Café La Perle, centrale baken van volks geluk

En de bus kwam (een heel fijne bus, hybride, stil, met mooie comfortabele zittingen in leder, en proper ook nog). Hij voerde me omhoog langs het koninklijk park, ik keek naar de rijtjes purperrode bloemen in het perk voor het Belvédère, we draaiden linksweg rond de gerestaureerde fontein van Neptunus, door Leopold II besteld als één van de glorierijke toegangen tot zijn koninkrijk. Maar ondanks die royale blijken van schoonheid was het glas van Laken halfleeg. Ik zag nu alles anders.

Na het werk. Ik neem een nieuwe bus.

Ik heb zin gekregen om mijn nieuwe, toekomstige buurt te verkennen.

Ik woon er nog niet, maar ik sta in mijn toekomstige straat. Ze is vlak, en tamelijk lang. Ik kijk links. Het is rustig. Er lijkt niet veel verkeer te zijn hier. Ik kijk rechts. Nergens zie ik vuil, alles is proper. Ik schrik, aangenaam verrast. Links en rechts, tot op het eind van de straat, en ook op het andere trottoir, geen vuiltje. Mooi, vlak en proper: het trottoir.

Ik ben wat op wandel. Ik voel me lichter. Toch eens die Carrefour hier binnengaan, nu. Carrefour associeer ik met onaangenaam. Hier klopt dat niet. Álles is er! Iberico’s, parmesans, bufalas, chocolades van chocolatiers, vele soorten lekker uitziend brood, fruit, bloemen, rijen verschillende fruitsappen, schappen vol bieren van macro- tot microbrasserieën… Alles volgestouwd met alle denkbare westerse luxe. In Laken in mijn supermarkt, waar de gerant toch zo vriendelijk was en zijn best deed, kende ik de betere produkten van buiten, ik kon ze op een hand tellen. Hier lopen de winkelende klanten voorbij, onbewust, gewoon, kalm, vertoevend in hun wereld. voor mij is het een sprookje, ik ben in een andere wereld.

Ik zet me neer op een bank. Ik draai een park binnen. Met mijn belegd broodje kies ik een discreet plekje in het gras. Het is mooi en helder lenteweer. Wat een mooie bomen rond de vijver, die kalmte en rust brengt. Voor me zit, ook in het gras, een jonge familie. Ze staan op nu, de kinderen kirren en de ouders lopen hen achterna en tillen ze op, lachend, enthousiast, ronddraaiend. Het lijkt me erg lang geleden dat ik iets dergelijks heb gezien.

Een straat. Ze gaat omhoog, in fases. Het wemelt van stadsvoortuintjes, klimplanten die op de beperkte oppervlakte tegen de gevel zijn gezet, potten met planten of bloemen, verzorgd, met trots aangebracht en eerbiedigd. Rozenstruiken vol kleine roosjes, die hun doornen gevaarlijk over het voetpad laten uitzwaaien. Stokrozen. Clematis.

Ik kom aan een spoorweg, en hoog op de berm is een wandelpad gemaakt, afgezoomd met een stijlvolle koperkleurige reling. Ik bedenk dat dit in Laken ook in de steigers staat en gepland is. Maar hier is het er gewoon. Mooie mensen lopen er af en aan. Ik test het uit.

Soms gaat iemand discreet en beleefd opzij wanneer het voetpad te nauw is. De ogen en de houdingen van de voorbijgangers stralen drive, optimisme en kalmte uit.

Wanneer ik deze toverstaf zal teruggeven, wordt dit ongetwijfeld allemaal een stuk vanzelfsprekender.

Brief van Brusselaars


Wie ben ik? Niemand. Wat wil ik? Alles. Wat kan ik? Iets (vrij naar Jean-Luc Godard).
“Brussel is de stad waar wij willen wonen, de grootste stad van België, een stad met een heel diverse, internationale bevolking, met een lange geschiedenis, met een mooi en uniek patrimonium. Een stad met een uniek potentieel. Dat potentieel moet nu een kans krijgen om uit te groeien, om te bloeien, en om vruchten af te werpen. In de huidige bestuurlijke constellatie kan dat niet.”

Continue reading

Duizend bommen en granaten… neen, dankje!

De combinatie regenachtig weer en een beetje suf van de oudejaarsnacht leek ons de uitgelezen combinatie om naar de cinema te trekken. En gelijk hadden we! Na een spannende film kwamen we drukdoend buiten aan de UGC-cinema. Het hoekje om en op de terugweg. Het miezerde nog steeds, maar wat nattigheid op het gezicht kon ons niet deren.
Een passerende kleine auto hield even in, er viel een brandend lontje uit het raam naar beneden. Na bijna 20 jaar Brussel wist ik wat me te doen stond: wegduiken, handen op de oren houden, kinderen waarschuwen. Het duurde allemaal net iets te lang. En met de regen dacht ik dat het wel zou uitdoven. Serieuze misrekening. BOEM! Het was een beest van een klapper. Allez, hoe kon ik me zo misrekenen? Verdoeme toch! Ik was niet de enige. Mijn kinderen hadden helaas het voorbeeld van hun vader gevolgd. Gehuil, boze reacties.

De auto ben ik nog achterna gelopen, maar een hek belette me om er bij te geraken. Twee volwassen mannen zaten in de auto en grijnsden mijn richting uit. Ik ontplofte bijna! Stelletje losers!
Ook de andere passanten die naast ons stonden toen het gebeurde waren redelijk in schok, maar de echte schok kwam pas achteraf toen ik stilstond bij deze fait divers.
Zo bommetjes laten afgaan lijkt op zich allemaal vrij onschuldig en kan je hoogstens omschrijven als vuile puberale streken. Maar toch, dit waren geen pubers. Denk even met me mee: waarom nemen twee volwassen mannen plaats in hun auto op een feestdag en doorkruisen de stad om heel bewust groepjes mensen uit te kiezen en welgemikt bommetjes te lanceren? Hoe zinloos kan hun bestaan zijn dat ze zich daarmee moeten bezighouden?
Maar vooral het “waarom” is de vraag die me bezighoudt. Wat is de amusementswaarde? Is er een achterliggende strategie of is het onschuldig en beseffen ze gewoon niet wat het effect is?
Ik vermoed dat ik wel degelijk een welgemikt doelwit ben en aan die grijns af te leiden weten ze heel goed wat het effect is. Tijdens navraag bij Brusselse vrienden kwamen dezelfde verhalen naar boven. Bommetjes die in de tram werden gegooid bij het sluiten van de deuren. Of in volle drukte plots een voetzoeker tussen de massa gegooid krijgen. Iedereen was het erover eens dat het bomgekletter tegenwoordig alom aanwezig is. Hele wijken worden aangepakt de maanden voor en na Nieuwjaar. Het lijkt hen bijna een hype om mee te ‘terroriseren’. Ook de vorm is anders geworden de afgelopen jaren. Piraten zijn nitraten geworden. Een knalletje is een knal geworden. Het voelt allemaal heel passief agressief en vrij ongrijpbaar aan. Volgens een vriend is het een uitloper van frustraties tegenover de maatschappij waarin ze geen plaats vinden. Akkoord, maar wat moet ik ermee en wat kan ik eraan veranderen?
Tot slot nog een klein gevolgje waaraan ik deze fait divers niet snel zal vergeten. Ik had reeds gehoorschade, maar nu merk ik een harder gefluit. Merci gasten! Misschien moet ik volgend jaar voorzorgen nemen en de weken voor en na Nieuwjaar misschien iets minder buiten komen in Brussel?

Wie kent Brussel?

Brussel ligt in België, en is zijn hoofdstad.
Brussel ligt ook in Vlaanderen, en is zijn hoofdstad.
Brussel is ook de hoofdstad voor de Gemeenschap Wallonie-Bruxelles.
Brussel is ook zelfstandig, onder de naam Brussels Gewest.
Brussel is ook de hoofdstad van Europa.
Brussel is ook een gemeente, met de officiële naam Brussel-Stad. Brussel-Stad bevat ook de deelgemeenten Laken, Haren en Neder-Over-Heembeek.
Weinig steden zo kleurrijk als Brussel!
Weinig steden waar zoveel kan als in Brussel.
Weinig steden waar zoveel niet kan als in Brussel.
Wie kent Brussel?

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
In de rubriek Met minder woorden schrijven we teksten in een duidelijke taal. Voor mensen die Nederlands leren en alle anderen. We werken samen met het Huis van het Nederlands en de website Nederlands Oefenen in Brussel (website, Facebook-pagina).

Brussels marathon – relaas van een stervende zwaan

Oktober 2016 vroeg men mij op het werk of ik mee wilde instappen in een sporttraject. We zouden onder begeleiding van EnergyLab een jaar trainen, de whole shabam, met als einddoel de marathon van Brussel. 1 oktober 2017 was met zweet gemarkeerd in mijn agenda.
Niet dat ik ervoor echt weinig sport deed – 2 maal voetbal per week, hardlopen en wekelijkse ritjes op de racefiets. Mijn eerste lichaamsscan bevestigde dat ook: 12% vetmassa voor iemand die graag eet en al wel eens ‘iets’ durft te drinken. De sportdokter zei wel dat ik echte ‘voetballersbenen’ had met véél te korte hamstrings – maar daar komen we later nog op terug. Wat de diëtiste zei heb ik 2 weken volgehouden. Ik ging ervan uit dat ik wel gezond at.
Om een lang verhaal kort te maken: Lopen lopen lopen lopen
Aan het einde van het traject moest ik in 4 looptrainingen per week tussen de 40 en de 50 km lopen: een marathon per week dus. Ik liep wel graag en merkte de vooruitgang, maar een jaar trainen is echt wel heel lang, zeker omdat je ook andere sporten moet links laten liggen omdat er gewoon te weinig tijd is en je lichaam ook wat rust nodig heeft. 3 weken voor de marathon toch even gezondigd en mee gaan voetballen. Noodlottig, zoals het vaak gaat in de laatste meters… Ik wil een iets te platte bal controleren onder mijn voet, bal rolt eronder en mijn lichaam wil corrigeren zodat ik niet op mijn rug beland: ontsteking van de aanhechting van de adductoren in de lies. Bloed, zweet en trainen heeft het me gekost om te geraken waar ik was, maar die laatste maand loopt alles mis. Omdat ik niet zomaar wilde opgeven ben ik dan twee weken lang naar een kine geweest. Zijn verdict: “Mja, je kan het proberen, je adductoren heb je niet echt nodig om te lopen, maar ik zou wel niet meer te veel lopen nu.”

Je lijft smeekt je om te stoppen en dan moet je de kracht hebben om je brein te laten zeggen ‘fuck it, we gaan door’.

En zo geschiedde: Zonder verdere training stond ik 3 weken later aan de start van de marathon. Doodzenuwachtig, met tranen in de ogen puur van nervositeit en spanning. Het enige wat er door mijn hoofd ging was: ‘Ik ga toch geen jaar getraind hebben om hier na 10km uit te moeten vallen!?’ Ik besloot het per 5km aan te pakken en dan te evalueren. Lukt het nog of niet. Eens de 30 km bereikt, zou ik sowieso toch pijn hebben vermoedde ik, dus dan moest ik maar doorbijten.
Tot 20 km ging alles redelijk goed. Na 15 km zag ik mijn vrouw, broer, schoonzus en hunScreen Shot 2017-10-01 at 16.32.53 schatten van kinderen die helemaal voor mij naar Brussel afgezakt waren. Net als ik gingen zij erna richting Tervuren, alleen zij met de auto en ik met de benenwagen. Toen ik hen de tweede keer zag, bijna in Tervuren en dik 23 km ver begon de eerste vermoeidheid te spelen, maar ik wist dat wanneer ik het toertje in Tervuren rond de vijver had gelopen, ik hen weer zou passeren. Ik liet het ‘om de 5km evalueren’ plan varen en ging voor de emotionele mijlpalen en deelde mijn race op in wanneer ik hen langs de route zou zien staan. Ik merkte dat me dat een enorme boost gaf. Toen ik van Tervuren weer richting Brussel liep, en hen voor de tweede keer zag, was het even op. Mijn ‘voetballersbenen’ en korte hamstrings hadden het opgegeven. Er stond zoveel spanning op dat ik mijn benen haast niet meer gestrekt kreeg en bijgevolg niet meer vooruit raakte. Ik stopte even bij hen en de krampen schoten in mijn been. Opgeven of nù doorlopen!
Toen zei mijn schoonzus: ‘wij gaan nu naar de finish en zien je daar.’ Oh boy, dat gingen nog 14 lange km worden. Volledig verkrampt, met zere knieën, enkels en voeten ging ik door. Toen de pijn in mijn knieën te erg werd, besloot ik er een bekertje koud water over te gieten. Dat ijskoude water liep in mijn schoenen, over de bovenkant van mijn voet – die voelde of ie gebroken was – en de combinatie van dat water op mijn voet deed me denken aan wanneer je in de Zwitserse alpen je voet in een ijskoud riviertje zet en het lijkt of er duizend naalden in je huid geduwd worden. Dat is dus wat ze bedoelen wanneer ze zeggen dat je een marathon meer uitloopt op karakter dan op kunnen. “Yesterday was an easy day” zeiden de NAVY SEALS, opgeven is geen optie.  Je lijft smeekt je om te stoppen en dan moet je de kracht hebben om je brein te laten zeggen ‘fuck it, we gaan door’.
Na Tervuren sloten we terug aan bij de halve marathonners, richting jubelpark omhoog (toch even moeten stappen hoor) om vanuit het jubelpark naar beneden te duiken richting finish. Gewoon je gewicht naar voor leggen en je benen laten volgen. Ik wilde af en toe stappen maar plots kom je in de stad, via de grote markt waar toeristen achter dranghekken je toejuichen. Tja, dan geef je ook niet op. En zo eindigde na 4 uur en 20 min bewegen mijn eerste marathon. Helemaal kapot. Geen greintje last gehad van mijn lies. Het lichaam leeg, de emotie zwaar. Er waren traantjes, en pijn. Maar door alle pijn toch ook wel veel euforie.
Thuis even een glimp van hoe ons leven binnen 40 jaar er zou uitzien. Ik die mezelf de trap optrek en mijn vrouw die mij tegen mijn gat omhoog duwt. Het moet een zicht geweest zijn. Nu, twee dagen later, trekt de pijn weg en worden de plannen gesmeed voor een volgende loopwedstrijd. Een marathon hoeft niet onmiddellijk, maar de halve marathon van Gent eind deze maand zie ik zeker wel zitten!
Nog twee bemerkingen:

  • Ik zweet vrij veel en er was me dus gezegd dat ik onderweg veel moest drinken omdat ik anders zou verkrampen. Eigenlijk een liter per uur. Tijdens de 20km van Brussel krijg je flesjes water die je eigenlijk kan meenemen en rustig opdrinken tot aan de volgende waterpost. Bij de marathon kreeg je een bekertje. Als je loopt met een bekertje is het na 2 passen leeg. Dat impliceert dat je dus een ad fundum moet doen om water binnen te krijgen, wat dan weer niet goed is voor je maag. Als de organisatie dat volgend jaar zou willen aanpassen, zou ik misschien iets verder hebben kunnen lopen vooraleer ik begon te verkrampen.
  • De trainingen van EnergyLab waren zeer goed, maar we hebben geen enkele keer een run van 30 km moeten doen. Het meeste wat ik gelopen heb in een run was 23 km. Als ik er nu aan terugdenk, was het misschien beter geweest hadden we toch ook tijdens onze trainingen een paar keer ons lichaam tot dat punt moeten drijven, zodat we wisten wat er ons stond te wachten.

Link naar Strava activity
 

De revolutionaire conclusies van volksuniversiteit Brussels Academy

Wat zijn de cruciale uitdagingen voor Brussel en meer bepaald voor haar instellingen, die voor de Brusselaars moeten zorgen? Volksuniversiteit Brussels Academy stelt radicale antwoorden voor.
Waar het in het begin van het debat nog voorzichtig klonk aangaande onze instellingen: “Complexe ne veut pas dire inefficace”, gaf Eric Corijn nadien snel plankgas: “La langue dans laquelle on s’exprime ne veut plus rien dire.”
Datum: 19 mei
Locatie: Huis van de culturen in Molenbeek
Met: Alain Deneef (Intendant Brussels Metropolitan, opgericht om de drie regio’s beter te laten samenwerken), Alain Maskens (arts en essayist, schrijft over taalproblemen), Eric Corijn (sociaal geograaf, initiatiefnemer en directeur van Brussels Academy), het publiek.
Onderwerp van debat: hoe moet het verder met de Brusselse instellingen?
 
We moeten, volgens Corijn, aan de Brusselaars een wereld-systeem uitleggen, we moeten finaal afstappen van het te kleindenkende tweestromenverkeer, want, zo zegt hij, de twee gemeenschappen die de beslissingen nemen, zijn allebei in de minderheid in de urbane omgeving.
Ze zullen zich bovendien zelf niet kunnen hervormen, zo denkt hij, ze zullen onvermijdelijk imploderen onder het gewicht van de ‘Internationale Stad’, onder de spanning tussen het communautaire en de ‘stedelijkheid’. “Les élus sont dans le box, donc incapables de penser out of the box”, vat Alain Deneef het samen.
Het is de verantwoordelijkheid van de dominante gemeenschap, de Franstalige, om samen stad te maken, vervolgt Corijn, maar “ze bevecht de Nederlandstalige minderheid en vergeet daarbij dat ze een samenleving heeft te onderhouden.”
Nee, we moeten in verschillende talen functioneren. Zes of zeven liefst, bijvoorbeeld in de ziekenhuizen. En daarvoor moeten we de huidige winkel opblazen (“faire sauter la baraque”). Zelfs tweetalige scholen zijn niet mogelijk, het onthaal van nieuwkomers is penibel, Europese inwoners kunnen geen stem uitbrengen, enz.
 
Hoezeer ik de gebrekkige samenwerking tussen Nederlands- en Franstalig Brussel betreur, ik kan me onmogelijk bij deze revolutionairen aansluiten wanneer ze zeggen dat Brussel wordt bestuurd door twee minderheden. De Nederlandstalige minderheid in Brussel is mijns inziens een vertegenwoordiger van een Nederlandstalige Belgische meerderheid, die op haar beurt weer waarden en normen vertegenwoordigt en uitdraagt die de onze zijn. Dat waardesysteem moet heel zelfkritisch zijn, en het heeft via Brussel, die steeds groter wordende kleine wereldstad, alle kansen zich te meten met de wereld en haar verschillende systemen, maar fundamenteel staan we toch ergens voor, denk ik. Hoe flou de grenzen van elk waardesysteem uiteindelijk ook mogen zijn. Si, la langue dans laquelle on s’exprime veut encore dire quelque chose. Ik geloof niet in een stadssysteem waar je de historische en geografische pijlers van wegneemt, om ze te laten opgaan in een nieuw Babel.

Op zoek naar sympathiek en snel internet in Brussel

Het jaar 2000: net aangekomen in Brussel als student! Het was een verkwikkende tijd. Op kot moest je improviseren. Als student had je ook niet veel nodig: een campingvuurtje om te koken, een badkamertje voor de was en de plas en een telefoonaansluiting om het internet op te gaan. Snel was het niet die 56k modem. Vooraf moest je goed nadenken voor hoe lang en wanneer, want online gaan en telefoneren ging niet samen.

Een paar jaar later was het zover: echt op eigen benen in de grootstad. Tijd om ook alles zelf te regelen. Niet alles liep zoals je het verwachtte: internet aangesloten krijgen liep moeizaam. Achteraf het contract afsluiten heeft een klein trauma nagelaten. Ellenlange wachtrijen, onbeholpen medewerkers en assertief reageren in gebrekkig Frans droeg al evenmin bij aan de klantenervaring. Ik was niet alleen. De merknaam Coditel zal nog bij menig Brusselaar het nekhaar doen rijzen. Maar goed, tijden veranderen. Coditel werd Numericable om uiteindelijk herdoopt te worden tot SFR. Kort nadien schakelde ik over naar Mobistar ADSL: een straf en goedkoop aanbod voor (toen) redelijk wat bytes.
Bij leverancier Mobistar, nu Orange, was het ook niet allemaal peis en vree. Af en toe zakte de bandbreedte tot het niveau van de oude 56kb modem, zelfs eens 5 weken zonder connectie leek hen niet veel te kunnen deren. En voor alle werkjes aan de koperlijn moet ze eerst aankloppen bij grote broer Proximus. Tijd dus voor iets nieuws!
Even rondgesnuffeld op internet, maar tot mijn verbazing waren de alternatieven eerder beperkt. Even technisch; er bestaan 2 soorten operatoren: zij die over de coaxkabel komen (de vroegere televisiedistributie) en zij die via de koperen kabel komen (de vroegere telefoonkabel). ADSL, VDSL.
Tot die eerste groep behoren SFR (voorheen: numericable, coditel), VOO (voorheen Brutele) en TELENET (voorheen: UPC). Zij hebben, in tegenstelling tot de rest van België, elk maar dekking in een stukje van Brussel, per gemeente verdeeld. Soms verschillend van straat tot straat. Heel verwarrend.

 

Tot de tweede groep behoren Proximus, Scarlet en andere goedkope(re) providers zoals Orange, Billi en EDPnet die hun toegang via het kopernetwerk van Proximus leveren.

 

Via Proximus of Scarlet internet binnenhalen leek me weinig zinvol. Blijkbaar is het kopernetwerk op de plaats waar ik woon erg verouderd en is het hoogstens iets sneller dan wat ik nu bij Orange heb. Blijkbaar ben je beter af op den buiten dan in het centrum van het land. De hoge aantal bytes die op de website van de aanbieders vermeld worden zijn puur indicatief. Alles hangt ook af van hoever je van het ‘kastje’ woont. Als je dan nog de pech hebt dat er een Netflix-adept, een gamer of een bedrijf of twee op je kabel zitten dan kan je het helemaal vergeten.

 

Telenet sprak me wel aan, maar daarvoor verhuis ik best naar één van volgende gemeentes: Schaarbeek, Etterbeek, Koekelberg, Sint-Agatha-Berchem, Ganshoren, Jette of Vorst.
 
Een overzichtskaartje 2017 (bron Astel):
Welke provider dan wel?

 

Welke provider dan wel? Volgens de website van www.astel.be rest er me enkel SFR. Euhja SFR is dat niet de opvolger van… Coditel? En daar was het jeugdtrauma terug! Waarschijnlijk zal het niet meer zo bedroevend zijn als weleer, maar als ik op hun website kijk merk ik toch enkele taalfoutjes op: “1 factuure”, “met geïtegreerde wifi”, “gedurende 1 yaar”,… Uiteraard schept dit weinig vertrouwen in hun professionalisme. Volgens een collega-blogger is de communicatie met SFR ook van hetzelfde niveau. Iemand bereiken via telefoon is een opgave, ook in de kantoren gebeurt communicatie blijkbaar nog steeds eenzijdig in het Frans. Hebben ze dan niets geleerd tijdens de afgelopen 15 jaar?
Maar er is hoop: Telenet heeft SFR in Brussel overgenomen. Benieuwd wanneer dit ook merkbaar zal zijn. Proximus zal binnenkort ook z’n glasvezel-netwerk uitrollen in Brussel. Rond de Anspachlaan zijn ze al bezig. Check hier de status.
Tot slot nog een bedenking: alles zit toch in de cloud? Bijna overal is er snel 4G in Brussel. Waarom dan géén internet ‘plukken’ uit de lucht? Orange is één van de eerste die er mee uitpakt. Installeer een Flybox die het 4G signaal omzet naar Wifi en surfen maar. Hou er wel rekening mee dat het surfvolume beperkt is 15GB per maand. Da’s géén vetpot als je af en toe eens een filmpje online meepikt. Ook Telenet heeft zo’n apparaatje in zijn gamma.

 

Internet? Wel, voorlopig nog niets beslist. Deel hier gerust je ervaring en je mening.