Author: De rode valies

Sneeuwwandeling met fotograaf

Begin december 2016, een natte winteravond. Ik liep naar het Kaaitheater. Bus 14 had me tot bij Thurn en Taxis gebracht. Ik had niet, zoals gewoonlijk, de metro naar IJzer genomen. Waarom ik de bus had genomen? Afwisseling is soms nodig. De bus of de metro, het zijn van die kleine beslissingen die het verschil kunnen maken in een leven, in goede of slechte zin.

(c) Kim Sattler
Het was donker langs het kanaal. Ik liep over de brug. In het midden van de brug werd het voetpad versperd door het statief van een fotograaf. Ik probeerde te zien wat hij fotografeerde. Het nachtelijk verkeer dat vanuit de stad de brug over reed. Ik zag de poëzie er wel van in. Ik had zin om de man aan te spreken, maar durfde niet goed. Hij was heel toegewijd bezig, leek alle tijd van de wereld te hebben. Ik niet, ik had een beetje haast. Ik liep naar het theater, haalde mijn ticket af. De fotograaf bleef in mijn gedachten. Misschien had er een verhaal in gezeten.
Tot mijn verbazing zag ik hem even later in de inkomhal van het theater. Weer had hij zijn statief opgesteld. Hij nam foto’s van de foyer en van de neon van Tim Etchells die er boven de deuren hangt: ‘Al we have is words all we have is worlds’. Ik verzamelde mijn moed en sprak hem aan. Waarom nam hij foto’s, wat deed hij ermee? Was hij beroepsfotograaf? Nee, dat niet. Hij had in de sociale sector gewerkt en was sinds enige tijd werkloos. Elke dag ging hij wandelen door Brussel om foto’s te nemen, ‘om niet gedeprimeerd te raken’. Ik vroeg of ik zijn beelden ergens kon zien, hij schreef zijn naam voor me op een briefje. Toen moesten we afscheid nemen, de voorstelling begon.
De volgende dag waren we vrienden op Facebook. Zo snel gaat dat soms in deze wereld. We hadden geen gemeenschappelijke vrienden, wat ik prettig vond. We bewegen ons te vaak in dezelfde vertrouwde kringen waarin vrienden vrienden van vrienden zijn. Ik zag de foto die hij van de foyer van het Kaaitheater had genomen. Het was niet de volle foyer waarin ik me had bevonden, maar de verlaten foyer tijdens de voorstelling, met één persoon die in schemerlicht op de bank zit te wachten onder de woorden ‘Optimism in practice’.

(c) Kim Sattler
De foto was genomen op dag 29 van de ‘Défi 365 jours’ die de fotograaf zich gesteld had. Nog 336 foto’s te gaan, nog 336 dagen rondwandelen in Brussel. Sindsdien volg ik hem. Ik vind zijn foto’s niet altijd goed. Maar het gaat niet om goed zijn. Ook niet om consequent zijn. Het gaat om het wandelen, het ontdekken, het onderzoek: van de stad en van de fotografie. De ene dag in kleur, de andere dag in zwart-wit. De ene dag bewerkt, de andere dag niet. De ene dag figuratief, de andere abstract. De ene dag een studie van gezichten weerspiegeld in ramen, de andere dag de regendruppels op die ramen. Ik deel zijn interesse voor bomen, mensen en vensters. Die keren steeds terug in zijn werk. Het is een plezier om elke dag mee te kijken naar mijn geliefde Brussel door de ogen van deze fotograaf.
Eergisteren lag de eerste sneeuw van deze winter in onze stad. Ik ging niet naar buiten: het was te koud en te glad, bovendien had ik binnen te veel werk. ’s Avonds zag ik Kims foto. Een bankje in het Warandepark. Een man zit erop, met één been in de sneeuw. De voet van zijn andere been rust op de knie van het been dat in de sneeuw staat. Het been dient als een bankje voor een tengere gestalte in amazonezit. Haar benen bungelen in een grappig benenspel naast de zijne, haar voeten in elkaar gehaakt. Ze draagt een jas met grote ruiten die haar kleine lichaam benadrukken. Hun hoofden zijn versmolten in een innige kus. Ze zijn zo klein in vergelijking met de bomen. Die kijken stilzwijgend naar het leven dat beneden voorbijgaat. De vluchtigheid van de kus versus de eeuwigheid van hun kruinen.
Even ben ik het weer wier benen boven de sneeuw bungelen. Dan zoom ik uit en zie ik de fotograaf staan, een eind van hen verwijderd, in zijn aangename eenzaamheid. Ik ben hem dankbaar voor de wandeling die ik vandaag zelf niet kon maken. Hoeveel boeiende, getalenteerde mensen lopen zo nog rond in deze stad? Het enige wat je moet doen is om je heen kijken en iemand aanspreken. Het helpt om niet gedeprimeerd te raken.

(c) Kim Sattler
Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.

Oud papier

Net Brussel heeft de regeling voor de ophaling van huisvuil drastisch veranderd. De communicatie hierover was bijzonder onduidelijk: we kregen een folder in een bruine envelop. Nergens stond er dat deze belangrijke nieuwe informatie bevatte over de huisvuilophaling. Er was ook geen moeite gedaan om het enigszins visueel duidelijk te maken, voor mensen die het Nederlands of Frans nog niet zo goed beheersen.
De gevolgen voor de stad laten zich raden. Omdat we niet zo graag elke dag op afval uitkijken, hebben we zelf een affiche met de nieuwe regeling op de boom tegenover onze deur gehangen. De huisvuilophaling is ontregeld. Toch zag ik gisterochtend ook poëzie in de enorme papierberg voor onze deur (die intussen wel werd opgehaald).

Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.

Net als in de film

Naast de school waar ik op zaterdag les volg, is een kleine snackbar die uitgebaat wordt door twee Marokkanen. Je kunt er niet goed naar binnen kijken. Op het gelijkvloers staan bakken in plexiglas waar je zelf met een grijptang een koffiekoek uit mag nemen. Om naar het verbruikersgedeelte te gaan, moet je trapjes op. Daar is de toog. Je kan er een broodje smos bestellen, maar ook een broodje kefta of een tajine.
Een cappuccino kost er maar 2,20 euro, als ze de prijs niet afronden naar 2 euro. De muntthee is er ook lekker, je krijgt hem mee in een kartonnen beker met een deksel. De school heeft momenteel geen cafetaria. Wie in de pauze een betere koffie wil dan die van het automaat, gaat naar de snackbar. Soms ben je dan wat te laat in de les, want in de koffiebar kennen ze geen haast. Het interieur is wat stoffig en bruinig en er heerst altijd een gezellige familiale sfeer.
it-happened-one-night
Gistermiddag ging ik er rond een uur of drie een muntthee halen. Er was niemand in de zaak. De twee uitbaters zaten samen aan een rond tafeltje naar een film op tv te kijken. Een zwart-wit-film op één. Ik wist niet dat ze dat nog deden, oude klassiekers uitzenden op zaterdagnamiddag. Als kind en als tiener keek ik er vaak naar. Zo ben ik fan geworden van de screwball comedies uit de jaren 1930-1940, waarin een man en een vrouw voortdurend bekvechten maar eigenlijk verliefd op elkaar zijn. Naar zo’n film waren de twee mannen aan het kijken.
Ik bestelde de muntthee. ‘Met of zonder suiker?’ ‘Een beetje suiker,’ zei ik, want ik weet dat de suiker er volgens het echte recept in móet. De man verdween naar de achterkeuken om thee te gaan zetten. Ze maakten die niet met heet water uit de koffiemachine maar waarschijnlijk op de traditionele manier, bedacht ik toen hij lang wegbleef.
Zijn kompaan keek intussen verder naar de film. ‘Welke film is dat?’ vroeg ik. ‘Ik weet het niet,’ antwoordde hij. ‘Mooi dat ze nog zulke oude films geven op tv. Ik wist niet dat ze dat nog deden. Vroeger als kind heb ik er veel gezien,’ zei ik. ‘Ik zie dat graag. Ze acteren anders dan nu,’ zei de man. Het geluid stond niet aan, maar er werd met veel mimiek en gebaren geacteerd. ‘Een beetje nog zoals in de stille films,’ zei ik, ‘expressiever’. ‘Ja, expressiever,’ zei hij. Ik vond het mooi dat hij dat woord herhaalde.
Zijn Nederlands was beperkt, later zou hij een van mijn cursisten kunnen zijn. Ik vertelde dat ik de lerarenopleiding volgde. ‘De SLO?’ vroeg hij. Ik verbaasde me erover dat hij de afkorting voor ‘specifieke lerarenopleiding’ kende, tot voor kort had ik daar zelf nog nooit van gehoord. ‘Ik ga me ook inschrijven. Om Frans te geven aan Nederlandstaligen. In februari begin ik.’ Later zou ik ook een cursist van hem kunnen zijn.
We keken verder naar de film. Een man en een vrouw zaten samen op een grote passagiersboot. ‘Ik denk dat die actrice Claudette Colbert is,’ zei ik. Het had me niet verbaasd als hij haar had gekend. Toen was mijn muntthee daar. Ik nam afscheid en kwam iets te laat in de les aan. Met binnenpret om die kleine scène in de snackbar, die zelf uit een film had kunnen komen. Ik nam een slokje van de muntthee. Mierzoet.
Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.

De boot van Kuifje

We zijn wat laat vertrokken. De rommelmarkt loopt al op zijn einde. We vinden het niet erg, we komen voor de sfeer. Bovendien kan je net nu soms koopjes doen. Het eerste wat we zien is een zeilboot. ‘Zoals Kuifje in “Het geheim van de Eenhoorn”’, zegt mijn man.
Boot Kuifje
Hij heeft onlangs de film nog eens bekeken met onze jongste dochter. Aan het begin van de strip koopt Kuifje op het Vossenplein een maquette van een Portugese zeilboot, als cadeau voor Kapitein Haddock. De strip verscheen oorspronkelijk in afleveringen in de kinderbijlage van Le Soir, van 11 juni 1942 tot en met 14 januari 1943, in volle oorlogstijd. Vijfenzeventig jaar later kan je naar deze markt komen en er nog steeds zo’n boot op de kop tikken. Het is spijtig dat de kranten geen kinderbijlagen meer hebben. Andere dingen zijn gelukkig niet veranderd.
Het is erg druk vandaag. Toch veel mensen die op 1 november niet naar het kerkhof gaan. Bij een doos vol oude familiealbums blijf ik staan. Ik doorblader ze, ze dateren van de jaren 1970, de bijschriften zijn in het Duits. De foto’s zijn kiekjes, vaak onscherp, van te ver genomen en slecht gekadreerd. Altijd weer vraag ik me af hoe die albums hier terecht zijn gekomen, of er niemand meer is die nog om de mensen op de foto’s geeft. Je kan dit plein ook als een kerkhof zien. Al blijft er hoop op een tweede leven.
Ik koop een gehaakt oranje jaren 1970 bedsprei. Er moeten ooit vele uren werk in zijn gekropen. Het zal mijn jongste dochter ’s nachts warm houden. Even later valt mijn oog op een doos met pakjes in eenzelfde oranje. Ze bevatten cichorei van Pacha. De Pacha-fabriek werd in 1999 afgebroken. Ze bevond zich in Halle, vlak achter mijn middelbare school. Ik herinner me de geur weer levendig. Vooral als het mistig was kon ze sterk blijven hangen. Het was een bittere, indringende, verbrande geur die lang niet zo lekker was als de geur van de Cote d’Or-fabriek, die we roken wanneer we met de auto Brussel langs het Zuidstation binnenreden. ‘De Pacha stinkt weer’, zeiden we dan. Toch voelt de herinnering eraan warm. De pakjes liggen zo mooi oranje te glanzen in de zon. Er staat geen vervaldatum op.
  Bedsprei     Pacha
Daar ligt een leuk groen stoffen valiesje met bloemenprint. Ik neem het vast, toon het mijn man. ‘Voor onze dochter?’ ‘C’est vendu!’ roept de verkoper. ‘Ik heb het gekocht’, zegt iemand. Het is een van de beste vriendinnen van een van mijn beste vriendinnen, een vrolijk makende verschijning. Het valiesje is haar gegund. Wij hebben thuis al een rood valiesje.
Een lichtblauwe cache-pot, twee piepkleine bordjes die handig zijn om theezakjes op te zetten en een oude versie van het letterspel crossword tik ik nog op de kop. Dan keer ik terug naar de boot van Kuifje. Ik maak er een foto van. De verkoper, een vriendelijke, wat oudere man, zegt dat hij er dertig euro voor vraagt. Voor mij wil hij er wel twintig van maken. Bij Kuifje vraagt de verkoper vijftig frank, maar Kuifje dingt af naar veertig. ‘Omdat u het bent’, zegt de verkoper in de strip. Ik vertel de man over Kuifje en zeg dat ik al blij ben met een foto van de boot. Hij antwoordt dat het een Spaanse boot is en dat de zeilen van haaienvel zijn gemaakt.
Dan vraagt hij: ‘Où est votre mari?’. Ik antwoord dat mijn man hier ergens rondwandelt. We raken elkaar hier makkelijk kwijt, omdat we bij andere dingen blijven stilstaan. ‘Je voudrais vous inviter pour aller danser’, zegt hij. ‘Pas comme on danse maintenaint, mais comme dans le temps.’  We lachen. Dan zie ik mijn man. ‘Mon mari est là’, zeg ik en loop naar hem toe. Van op afstand kijken we samen nog eens naar de boot. De verkoper geeft mijn man een knipoog.
Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.

Terug naar Maalbeek

Vandaag moet ik naar metro Maalbeek. Het schiet als eerste door me heen bij het ontwaken. Het maakt me een beetje zenuwachtig. Sinds de aanslagen, nu zeven maanden geleden, ben ik er nog niet geweest.
Maalbeek (c) De rode valies
Ik heb niet veel te zoeken in de rijke Europese wijk. Maar vandaag moet ik naar een infosessie over de groepsverzekering. Een moeilijke materie. Praten met werknemers over hun overlijdensverzekering vind ik ook altijd moeilijk. Het is delicaat om hen te vragen wat ze na hun dood willen nalaten en aan wie. Ze denken niet graag aan doodgaan, laat staan aan hun nalatenschap. Zelf sta ik er elke dag bij stil. Dat het misschien vandaag voorbij kan zijn. Zoals die ochtend voor twintig mensen in metro Maalbeek om elf na negen. Ik ben blij dat het net iets later zal zijn wanneer ik daar aankom.
Bij de bushalte voor mijn huis stap ik op de dertien. Er is veel leven op de bus, een kleuterklas op uitstap. Ik zie een oude meneer achteraan gekke bekken trekken naar de kleuters. ‘Laat die meneer met rust!’ zegt de juf. Maar de meneer gebaart dat hij het niet erg vindt. Even later zit ik op de metro tegenover twee twintigers. ‘Zouden zij terroristen kunnen zijn?’ vraag ik me af. De volgende halte stapt een vriend van hen op. Ze beginnen met elkaar te vechten. Een beetje stompen en treiteren, ik kan altijd vol verbazing kijken naar deze vorm van vriendschap.
We stoppen in Beekkant, ik moet overstappen. Nu zit ik tegenover Paulus de Boskabouter: klein, dik, kalend en grijs. Stevige frak aan, een ribfluwelen broek. Hij leest in de Franstalige Test Aankoop een enquête over zaagmachines. Hij ziet er niet uit alsof hij er kwade bedoelingen mee heeft. Ik vermoed dat hij boswachter is. Naast hem aan de overkant zit een mooie slanke vrouw met dik zwart krullend haar en felrode lippenstift. Ze leest een boek waarvan de snede zwart is. Haar kledij is ook zwart. Met een balpen zo rood als haar lippen onderstreept ze zinnen. Ik verbaas me erover dat zij en de boskabouter tot dezelfde soort behoren.
We komen aan in Maalbeek. Er zit bijna niemand op het perron. Er stapt bijna niemand op. Zouden mensen dit station nog mijden? Je kan makkelijk uitwijken naar de nabije stations Kunst-Wet en Troon. Even heb ik dat ik ook overwogen. Maar dit was de meest nabije halte. Op het perron sta ik stil, kijk om me heen. Het is heel smal. Ik kan me de hel van 22 maart voorstellen. Maar er is geen spoor meer van te zien. Juist dat vind ik verontrustend: het is hier allemaal zo clean.
Met de trap ga ik naar boven. Daar liggen bloemen, bij een gedenkmuur met handgeschreven namen en boodschappen. Ook hier is het rustig, niemand te zien. Alleen een werkman brengt met zijn fluogeel pak wat leven tussen de zwijgende witte tegels. Even staakt hij zijn bezigheden om stil te staan bij de doden, te lezen wat voor hen op de muur geschreven staat. Ik neem de trap naar boven. Op straat komt een grote blonde dame gehaast voorbij. Ik bevind me nog in de stilte van deze beladen plek, langs haar raast het verkeer door de Wetstraat. Even, in haar haast, werpt zij een blik naar binnen. Ik zie: zij denkt hetzelfde als ik.
maalbeek_tear_2
Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.

Zon in de metro

Zondagavond, het regent, het is kil, de herfst is eindelijk daar. Ik ga naar een concert. Als ik mijn kaartje niet maanden geleden al gekocht had, zou ik niet meer buitengaan.
Het was niet nodig het kaartje zo lang op voorhand te kopen. De zangeres die optreedt is nog onbekend. Dat ik vanavond op weg ben naar dit concert, dank ik aan het toeval. Ergens in de maand april hoorde ik de zangeres in een nieuwe koffiebar, waar ik op weg naar het Vossenplein toevallig voorbijkwam. Haar stem raakte me. De vriendelijke baristo liet me de mooie LP-hoes zien waar de zangeres in profiel, gekleed in een geel truitje tegen een gele achtergrond poseert. Ik was meteen verkocht.
laura_gibson_empire_builder_digital_album_cover
Empire Builder van Laura Gibson verscheen bij Barsuk Records.

Als ik die zonnige zaterdagochtend in de lente niet langs die koffiebar was gepasseerd, zou ik op deze regenachtige zondagavond in de herfst gewoon thuisblijven, denk ik op de metro. Mocht ik ooit een roman schrijven, dan zal hij gaan over iemand die zijn leven door het toeval laat bepalen. Ze gaat in een café naar het toilet, ziet een telefoonnummer op de muur, belt ernaar, ontmoet iemand, ze ziet een bus voorbijrijden waarop een vacature staat, ze solliciteert voor die job, vindt nieuw werk waar ook weer van alles gebeurt, op een ochtend staat een camionette van een aannemer voor haar deur en ze besluit die aannemer te vragen haar huis te verbouwen, enzovoort, voortdurend neemt ze besluiten op basis van het toeval, ze heeft er een grenzeloos vertrouwen in maar is heel onbesuisd, zo gaat haar leven alle richtingen uit.
Het is niet zo makkelijk zo’n gegeven goed uit te werken, denk ik en dan merk ik dat mijn gedachtestroom een soundtrack heeft gekregen. Ik hoor een melancholisch gezang en een getrommel dat vanuit een zonniger wereld onder de evenaar lijkt te komen, het komt van de man aan de overkant van het gangpad. Hij zingt zachtjes voor zich uit en drumt op zijn dijen. Ik kijk weer luisterend voor me, het is aangrijpend, dan kijk ik weer naar de man. “C’est beau,” zeg ik. “Vous chantez dans un groupe?” Maar de metro maakt zoveel lawaai dat ik hem niet kan verstaan, ik sta recht en ga dichterbij staan, ik moet er toch bijna uit.
“Vous êtes musicienne?” vraagt hij. “Non, je suis écrivain.” En omdat dat me te zwaarwichtig klinkt, zeg ik: “J’écris des petites histoires sur des rencontres dans le métro”. “Dans quelle langue?” vraagt hij. “Néerlandais”. Hij zegt dat hij ook schrijft en muziek maakt, ik vraag of hij een site heeft. “Il est en construction”, antwoordt hij. Hij vraagt waar ik woon, in Jette, zeg ik. Hij kijkt me lief aan met zijn kleine, donkere, ronde ogen. Hij vraagt waar ik moet afstappen. “Botanique,” zeg ik. “Je vais à un concert.” “De qui?” “Laura Gibson, une chanteuse américaine peu connue», zeg ik en ben verbaasd over mijn openheid.
We zijn bijna bij Botanique. “Comment peut-on se revoir ?” vraagt hij. “Quoi ?” zeg ik. “Comment peut-on se revoir?” vraagt hij opnieuw. Ik haal mijn schouders op. Mocht ik het al willen, er is geen tijd meer om nog een telefoonnummer op een briefje te krabbelen. “Peut-être on se voit encore, par hasard”. Daar heeft hij vrede mee. We zijn in Botanique, de metrodeuren gaan open, “au revoir” zeg ik en stap uit. Op het perron hoor ik hem nog roepen: “Tot ziens!” – in het Nederlands.
Bovengronds voel ik hoe warm mijn hart is. Ik had het gesprek best nog even willen voortzetten. Het was gemoedelijk, alsof we elkaar al lang kenden. Was ik een personage in de roman die ik allicht nooit zal schrijven, dan was ik op de metro blijven zitten. Wie weet waar die koffie in de Marollen dan toe geleid had. Gelukkig ben ik verstandig. Het is wel altijd mogelijk dat ik hem nog eens tegenkom. Ik betwijfel of ik hem zal herkennen, ik denk van niet. Alleen als hij weer zingt.
Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.

Dag Wim!

Tegenover me zit een man op zijn smartphone. Naast me zit een vrouw op haar smartphone. Schuin tegenover me zit een vrouw met oortjes in. Ik staar wat voor me uit, naar het felgroene brede lint dat de man om zijn hals heeft hangen, met een badge eraan, waarop zijn naam, Wim Martens.
WIM-logo-400px
Waarom heeft hij zijn badge aangehouden? Als een statussymbool? Is hij een ceo, of juist niet? Vreemd wanneer een toevallige medereiziger een identiteit krijgt, al is deze relatief, want ik vermoed dat er veel Wim Martensen in Vlaanderen zijn. Hij draagt een bril en een hemd, wit met een fijn blauw streepje, daarover een antracietkleurig kostuum. Zijn haar is grijzend, zijn schedel kalend, hij heeft een klein buikje. Hoeveel mannen zouden beantwoorden aan deze persoonsbeschrijving? Erg sympathiek lijkt hij niet, maar ik heb niet veel anders om naar te kijken.
“Dag Wim!” zeg ik in gedachten en het is alsof hij me hoort. Hij kijkt op en werpt me een verwijtende blik toe. Dan kijkt hij meteen weer naar zijn smartphone. Vlak na de aanslagen ging het even beter. Toen hadden we weer oog voor elkaar, maar intussen zijn ze al te lang geleden. Nu haalt ook de dame met de oortjes haar smartphone boven. Gelukkig ben ik ter bestemming. Ik stap uit, samen met een mama die met de ene hand haar kindje en met de andere een roze fietsje vasthoudt. Ze staan voor me op de roltrap. Bovengronds fietst het kindje weg, de dag in. Wat een geluk.
Ik wandel verder en denk aan Wim. “Dag Wim!” zeg ik nog eens in gedachten en dan kruis ik iemand die dag zegt tegen mij. Bijna had ik haar niet gezien, een vriendin.
Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.
 

Brussel op z'n Parijs

We stappen uit in premetro Parvis de Saint-Gilles, met de glanzend blauwe tegeltjes waarop fragmenten uit de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens zijn aangebracht. Eén letter op elke tegel, met monnikenwerk moet het tot stand gekomen zijn. Dit indrukwekkende kunstwerk werd ontworpen door Françoise Schein. Haar naam doet misschien geen belletje rinkelen, maar zij ontwierp ook de Parijse metrohalte Concorde. “Brussel op zijn best, is Brussel op z’n Parijs”, schreef Bernard Dewulf eens in de goede oude De Morgen-tijd.
In de zomer wordt Brussel weer van de Brusselaars. De automobilisten blijven dan liever buiten de ring, de pendelaars verblijven in het buitenland of binnen hun vertrouwde bebouwde kom. De toeristen, voor zover ze nog durven te komen, beperken zich tot de omgeving van Manneke Pis, met eventueel een uitstapje naar het Atomium. Kortom, de Brusselaars zien hun geliefde stad weer leefbaar worden.
Het is stralend weer. Op de Parvis willen we falafelzaak Chana bezoeken waarover we veel goeds hebben gelezen in Agenda toen die nog bestond. Vroeger had je hier alleen den Union en de Brasserie Verschueren, maar de voorbije jaren is het plein, mede door de aanwezigheid van deze twee authentieke cafés, zo populair geworden dat je er het ene gezonde restaurantje naast het andere hippe eethuisje vindt.
Chana is met vakantie. Dan toch naar de Verschueren. Vroeger kon je hier een soep en een croque eten, vandaag niet meer. Maar we kunnen gerust wat eten gaan halen bij Manuka, de biowinkel om de hoek, zegt de vriendelijke en knappe ober. Hij beveelt ons hun lunchbox aan. We steken de straat over. We kunnen nog net de laatste lunchbox kopen, wat een geluk. En een stokbrood en een stuk kaas, voor acht euro hebben we onze lunch.
Lunchbox
We lopen terug naar de Verschueren en begroeten documentairemaker Farzad Moloudi, die op het terras zit. Farzad maakte de aangrijpende documentaire Zone Zero, over de bezetting van de Gésukerk in de Koningsstraat door 150 mensen met verschillende achtergrond, van 2011 tot 2013. Een uniek document, aangezien hij er zelf woonde en alle gebeurtenissen van nabij volgde.
De Verschueren is afgestemd op een publiek van bohémiens. Cafés waar je je eten zelf mag meebrengen, zie je nog zelden. We krijgen zelfs bestek. We smullen bij een soundtrack van oude hits. Na het eten schrijven we elk een postkaartje. Voor onze dochters die op kamp zijn. Wanneer we bijna klaar zijn en de kaartjes uitwisselen om onze naam erop te schrijven, hoor ik nog net deze zinnen zingen voor het volgende nummer begint: “Send me a postcard darling/Send me a postcard now”. Deze noodkreet van Shocking Blue uit 1968 moet de hele tijd gespeeld hebben terwijl we aan het schrijven waren. We lachen om zoveel toeval.
Brasserie Verschueren
We zetten onze tocht voort. We wandelen langs de lange Lyceumlaan die leeg is, geen auto’s, geen voetgangers. We komen voorbij het Athenée Royal Victor Horta, een prachtig schoolgebouw dat dringend nieuwe ramen nodig heeft. Het dateert van 1903 en werd ontworpen door gemeentearchitect Edmond Quétin, zo lees ik later.
Dan zien we de ingang van een parkje, het Pierre Pauluspark. We besluiten een kleine omweg te maken en er even door te wandelen. We komen terecht in een sprookjesachtig park met grote hoogteverschillen. Het is geïnspireerd op de romantische Engelse tuin, lees ik achteraf in de inventaris van het natuurkundig erfgoed van Brussel. We kunnen onze verbazing niet op over dit vrij goed verstopte bijzondere parkje, vooral wanneer een kip met haar tien kuikentjes voor onze voeten een smal paadje oversteekt. Dromen we? Is dit Brussel?
Pierre Pauluspark
Via de Bordeauxstraat gaan we verder. Ook daar weer een mooi maar erg verwaarloosd schoolgebouw, de gemeenteschool J.J. Michel. Later verneem ik dat het ontworpen werd door dezelfde architect als het Victor Horta-atheneum, Edmond Quétin, in 1891. Er zijn zoveel verkommerde schoolgebouwen die hoogdringend aan renovatie toe zijn. Dan zien we rechts van ons een opmerkelijk modernistisch huis. Het dateert van 1931 en is ontworpen door F. Vervalcke en A. Marit. Er is weinig bekend over dit duo en dit is hun enige huis in Brussel. Misschien dat we er daardoor nog nooit van gehoord hebben. Maar wat een prachtig huis met die gedurfde oranje-zwarte façade. We zijn jaloers op de bewoners.
F. Vervalcke en A. Marit
We steken de Chaussée de Charleroi over en komen aan bij het einddoel van onze wandeling: de tentoonstelling van Jean Prouvé in La Patinoire Royale, een galerie die vorig jaar zijn deuren opende in een voormalige rolschaatsbaan. De renovatie van het gebouw uit 1877 is ronduit indrukwekkend. Sober maar met de mooiste, duurste materialen. Wanneer we even naar de blinkende wc gaan, hebben we het gevoel in een vijfsterrenhotel te gast te zijn. Wat een contrast met de verwaarloosde schoolgebouwen die we op onze weg zagen. Waarom investeren rijke mensen vaker in galerieën met dure kunst, dan in onderwijs, in jeugd, in de kunstenaars van morgen vraag ik me ietwat naïef af. Jean Prouvé is een meubelontwerper wiens kasten, stoelen en tafels nu enorm gegeerd zijn. Zijn ontwerpen zijn eenvoudig, functioneel, solide, elegant, ingenieus, modern en warm. In La Patinoire Royale staat, behalve een selectie van zijn meubels, een paviljoen van hem opgesteld dat oorspronkelijk als klaslokaal was bedoeld. Eromheen een houten terras en een vijver met vissen. Het kan niet op.
La Patinoire Royale
Verbluft staan we even later weer op straat. We kijken uit op de lege, zonnige Rue Blanche, een smalle straat met statige witte huizen die van Haussmann zouden kunnen zijn, oude straatlantaarns en volle boomkruinen die haar overkoepelen. Brussel op z’n Parijs.
Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.

Domweg gelukkig in de Rue de la Vermicellerie

Een somber en vuil straatje in Molenbeek: de Vermicellifabriekstraat. Mocht ik er wonen, dan zou ik mijn adres ongetwijfeld in het Frans zeggen: Rue de la Vermicellerie. Het genot die “vermicellerie” over mijn tong te laten rollen…
Vermicellifabriekstraat 1
Het is in Brussel heel gebruikelijk dat je als Nederlandstalige bepaalde straatnamen in het Frans zegt. Zo noemt iedereen de Maria Christinastraat de rue Marie-Christine, of zelfs kortweg de Marie-Christine. Weinigen zeggen Vlaamsesteenweg, want het is een foute vertaling van Rue de Flandre. De woorden avenue en boulevard verliezen hun grandeur in het Nederlands, waar ze allebei “laan” heten. Een Brusselaar kiest de bekendste of de best klinkende naam, vaak de Franse. De Boulevard Anspach of de Anspachlaan, de keuze is snel gemaakt. Dat doet me denken aan de “Avenue du Boulevard” in Sint-Joost. In het Nederlands heet die natuurlijk niet de Laanlaan, maar de Bolwerklaan.
De Vermicellifabriekstraat. Ik passeerde er vandaag voor de tweede keer, en meteen voelde ik hetzelfde als de eerste keer. Een instant-geluksgevoel. Vermicelli, het doet me denken aan de soepen van mijn grootmoeder. Net als tapioca, een op kikkerdril gelijkend ingrediënt zonder enige smaak. Ze zijn een beetje in onbruik geraakt. Marokkanen gebruiken nog veel vermicelli in hun keuken, in soepen of in gefrituurde hapjes. Zou deze straatnaam van voor of na hun komst dateren?
Er staat geen vermicellifabriek in de Vermicellifabriekstraat. Zoals er in de betonnen Peterseliestraat geen sprietje groen groeit. Maar dat bederft de pret niet, nee, het prikkelt de fantasie.
Soms heb ik weinig nodig om vrolijk te worden. Een bordje met “Rue de la Vermicellerie” is al voldoende. Zelfs als het een troosteloos straatje is en een miezerige dag.
Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.