Volgens het tv-scherm zijn we aangekomen in Antwerpen-Centraal, maar de trein staat stil in Brussel-Noord. Een oudere vrouw spoort met haar man naar Charleroi. Naast haar zit een jonge moeder met een guitige baby op haar schoot. De grijze vrouw kijkt vertederd en glimlacht naar de moeder. “Mignon,” zegt ze tegen haar man. Plotseling staat de jonge vrouw op. “Could you hold her a moment, please,” vraagt ze in Oxford-Engels. Haar buurvrouw staat perplex. Waarop de mama vraagt of ze Engels spreekt. “A little bit,” stamelt de oude vrouw. De mama trekt zich even terug om spullen te pakken om de baby nog beter in te duffelen. De oude vrouw koestert de rondkijkende baby alsof het haar geliefkoosde kleinkind is. Als ze de baby zachtjes teruggeeft, vraagt ze in moeizaam Engels of het een jongen of een meisje is en hoe oud het kind is. Een meisje van twaalf weken, vertaalt ze tegen haar man. Haar blik blijft gericht op de baby. Ze wuift en maakt babygeluidjes. Als ze in Charleroi aankomt, zal ze nog naglunderen.
Shit. Hij zoekt mijn ogen, hij gaat iets vragen. Er staan groeven in zijn gezicht en hij houdt een halve liter bier in zijn rechterhand. Er ontstaan rimpels op mijn gezicht en in mijn rechterhand houd ik een groene sleutelhanger in de vorm van een vogel waaraan mijn fietssleutel bengelt.
“Spreekt ge een beetje Frans?” vraagt een kerel me op de Vlaamsesteenweg. Dubbele shit. Hoe vaak heb ik deze vraag al niet gekregen en werd ik na mijn eerlijke antwoord overvallen. Letterlijk, zonder pistool ofzo, maar ik was geld kwijt voor ik het wist. En figuurlijk, door een grote schaamte. Ik kan altijd wel een euro of twee drie missen. De gedachte dat ik in de winkel niet zelden een kwartier voor een rek sta te twijfelen tussen het kussenzacht toiletpapier van Scottex dat bestaat uit zes laagjes of een goedkoper merk met twee laagjes, schiet door mijn hoofd. Ik voel de twee laagjes zelfs even schuren.
Op andere momenten wanneer mijn eeuwige twijfel lijkt te slapen, bestel ik glazen en flessen à volonté en denk ik op den duur niet meer na. Voor hulp aan de overstroomde gebieden in Bosnië wil ik ook wel geld bijdragen, omdat een goede vriendin van me, Azra, van daar afkomstig is en ik haar moed en haar energie om haar thuisland van op afstand te steunen groot vind. Maar de sukkelaar op de stoep wandel ik voorbij. Voorbij wandelen, vluchten van een overdosis verdriet die niet voorbij gaat. Geld uitgeven, een spelleke roulette.
Ik heb iets met mannen. Ik wil mijn leven delen met een vrouw. Maar ik heb iets met mannen. Met Soran dacht ik dat het een toevalstreffer was. Na de banaan bij de snack om de hoek en na de ontmoeting met Süleyman, weet ik het zeker. Ik heb iets met mannen. Met mannen die een dürümzaak uitbaten, wel te verstaan. En neen, ain’t no maneater… Ik ga er wel degelijk voor het vlees. Oké, dat klinkt nog steeds dubbelzinnig, ik moet duidelijker zijn.
Het zit zo. De dürümzaken waar ik naar blijf terugkeren, zijn die waar ik de volgende combinatie terugvind: vlees van goede kwaliteit met een lichte bruin gebakken korst dat aan een braadspies ronddraait langs een warmhoudrek achter de toonbank én een uitbater die zoekt naar het menselijk contact bij de klanten. Hij zoekt het achter hun formaliteit, achter hun hongerige ogen, achter ‘een dürüm met goed veel andalouse alstublieft’.
Zoals Soran. Een 58-jarige man van Koerdische afkomst. Een held, een filantroop, een intellectueel die blinkt – en mij ontroert – als hij over boeken praat. Hij studeerde filosofie in Turkije, journalistiek in Duitsland, Germaanse filologie in Griekenland. Hij las Jane Austen, uren en avonden lang. Of werken van de familie Brontë, “al die mooie romantiek”, noemt hij het. Hij las Virginia Woolf en Hugo Claus door elkaar. “Maar met dat lezen sta je nergens. En ‘s morgens moet je vroeg opstaan om te gaan werken”, wimpelt hij wel vaker zijn kwetsbare kant weg.
Voor de meeste mensen is hij echter een buitenlander, een kleine zelfstandige met een andere kleur die kebab verkoopt. Ik krijg het altijd warm vanbinnen wanneer ik opmerk dat iemand het doorheeft. Dat hij een belezen man is, een professor eigenlijk. Wanneer hij iemands mond doet openvallen van verbazing met zijn wijsheid en zijn zachtheid. Dan krijg ik zin om er van achter de comptoir een blokje fetakaas in te werpen, om ‘score’ te roepen en om Soran een high-five te geven. Maar ik heb geleerd om niet altijd te uiten wat ik denk (schrijven mag gelukkig wel).
Ze kent Bob Dylan niet, poetst telefoons bij Mobistar en gokmachines in een casino dat ik niet ken. “En gij kent dat niet? Ze maken daar toch reclame over op den tv, allez?”. Bob Dylan versus casino:1-1, we zijn aan elkaar gewaagd. Ik kijk naar mijn mp3-speler alsof ik er van verwacht dat hij me aangeeft dat ik beter blijf luisteren naar ‘Blood on the tracks’ of dat ik deze treinconversatie gewoon moet aangaan en dat de reden daarvoor mij nog wel duidelijk zal worden.
Ik had namelijk in Antwerpen-Berchem een vertrouwde trein naar Brussel genomen. Het leek trouwens alsof ik de enige was. De hele trein was leeg, niemand te zien. Ik legde mijn voeten op het tafeltje in het midden van een vierzits en ik besloot kerstdag te eindigen met Bob Dylan, die mij er altijd weer aan herinnert dat ik niet mag vergeten onder de sterrenhemel te dansen – ‘with one hand waving free’. En dat als je goed luistert, de antwoorden op je vragen in het waaien van de wind oplaaien. Hij geeft me altijd moed en het gevoel dat ik op mijn eentje de wereld kan doorstaan.
Toen stapte zij op in Mechelen. Ze was zijdelings op haar zetel gaan zitten alsof mijn leven een film was – bij wijlen – en ze op de eerste rij wilde zitten. Ondeugend had ze me aangekeken. Plots was ze beginnen giechelen en krolde ze zich op als een kat tegen de zetel. Haar haar kreeg elektriciteit van de wrijving van haar vlijende bewegingen. Ik had de mp3-speler uit mijn oren gehaald en hoorde: “Het is precies goeie muziek. Uw kop gaat zo heen en weer”. “Bob Dylan”, had ik samenzweerderig gezegd. Maar ze kende hem niet. Ik liet haar even luisteren. “Dat is niet van mijnen tijd”, had ze gezegd. En dat ik nog een jong ding ben en dat ik daarom Bob Dylan ken. En dat zij Miranda heet en van ’69 is. (tiens, toen had Bob Dylan al een ‘Greatest Hits’ uit… maar oké.).
Het is niet wat we denken.
Goed en slecht niet meer als tegenpolen.
Maar vredig naast elkaar.
In de gangen van het metrostation, loopt de wereld naast elkaar. Op de zeldzame vrije vierkante meter perron staan ze broederlijk naast elkaar: de zakenman en de zwerver. Beiden zijn klaar voor een dag werken, geld in het laatje brengen, elk op hun eigen manier. Ze doen het, ze doen hetzelfde, maar zijn zo verschillend.
Ze checken allebei aan het begin van de ochtend. De ene de beurscijfers op zijn iPad, de ander de schrijfwijze op zijn kartonnen bordje. Daarmee begint de dag. Gevolgd door een bekertje koffie on-the-road voor de ene. De ander prefereert een halfvol achtergelaten blikje bier. Elk zijn smaak natuurlijk en de dag is nog lang, je mag best met iets strafs beginnen. De ene keilt zijn beker achteloos richting vuilnisbak, de ander houdt zijn blikje bij, dat kan straks misschien nog dienen.
Het contrasteert schoon: de hoogbouw van de ene naast de bomen van de ander. (Sara Van Looveren)
De vrouw naast mij barst in lachen uit. We zitten aan het Zuidstation in Brussel naast elkaar en we wachten op tram 83 richting Montgomery, die binnen 1 minuut aankomt. Ik kijk naar haar, zij voelt het en kijkt ook naar mij.
Ze vertelt me dat ze gelukkig wordt van de vrouw aan de overkant van de tramsporen die zingt, danst en glimlacht naar iedereen die haar voorbij loopt. Zonder alcohol, eenvoudigweg blij op zichzelf en in het moment. Ze zegt dat deze vrouw buiten op straat slaapt. Maar dat als we nu allemaal zouden omkomen door een of andere storm, chemische aanval of ijstijd, zij deze wereld gelukkig verlaat. En velen van ons niet. Ze vertelt dat haar dochter van 14 dit had moeten zien en dat ze een beetje speciaal is. Gelukkig maar.
Ze kent ook een verhaal over een rijke man die op een zeker moment in zijn leven zulke stukjes schoonheid van andere mensen gewaar werd en daarom besloot boeddhist te worden. Ze vertelt dat we meerdere levens hebben en dat we niet in ons verleden gevangen mogen blijven zitten. Dat we het een plek moeten geven en dan naar onze toekomst horen te kijken. Ze drukt uit wat ik de laatste dagen ervaar en waar ik voor kies.
Ik moet er al uit aan de halte Koningslaan, zij rijdt nog wat verder mee. Ik geef haar een hand en zij wenst mij nog veel geluk. Ze zegt dat ik een aardige glimlach en iets kunstig over mij heb. Ik bedank haar en ben benieuwd naar waarom ze dat laatste zei. “Omdat jij veel absorbeert. Teken of schilder jij misschien?” “Ik schrijf heel graag”. En waarschijnlijk ook iets over deze ontmoeting, over uw glimlach en de gedachte die erachter zat, denk ik, terwijl ik opgewarmd de tram uitstap. (Jill Marchant)
Een zondagnamiddag in Etterbeek. Ik fiets van het dichtstbijzijnde wassalon naar huis als een vrouw op het trottoir mij aanspreekt: “Monsieur!” Ze sleept een rolkoffer achter zich aan en draagt ettelijke plastic zakjes. Of ik haar kan helpen, vraagt ze in gebroken Frans. Ja, ik heb tijd en wil haar gerust een handje helpen. Ze reikt me haar boodschappen aan en ik stop ze weg in mijn lege Ikea-tas, waar het vuile wasgoed in heeft gezeten. Ze bedankt me voor mijn vriendelijke hulp en gaat voor. Mijn vraag of het ver is, negeert ze. Ze gaat de eerste straat rechts. Daarna volgt een stuk bergop. Ik stap achter haar aan, met de gevulde tas op de bagagedrager. Ze vraagt of het niet te zwaar is en herhaalt dat ik heel vriendelijk ben. Andere mensen die ze aangesproken had, wilden niet helpen. Als ze nog eens afslaat, weet ik niet meer waar ik juist ben. En ik moet tijdig terug zijn in het wassalon om het schone wasgoed op te pikken.