Hij klimt op de stoel naast mij en grijnst zijn ontbrekende voortand bloot. Er is een Batman op zijn gezicht geschilderd. Ik vraag of dat ‘Spiederman’ (en français) is die op zijn koppie is vereeuwigd voor nog enkele uurtjes. ‘Mais non! Spiederman, il est rouge et…?’ Het duurt even voor ik doorheb dat hij het zelf wel weet maar mij even wil uitvragen als een onderwijzer. ‘Tu le sais quand même?’, kijkt hij mij onderzoekend aan.
Ik antwoord schaapachtig: ‘bleu’.
En wat later, nadat we een discussie hebben gehad over wievan de twee nu de sterkste is, vraagt hij: ‘toi, tu es un garçon?’. Dat is mij niet meer gevraagd sinds mijn zevende. Ik wijs naar mijn jurkje en hakken en zeg dat ik een femme of toch tenminste een fille ben. ‘Mais il y a aussi des hommes qui portent des jupes!’, antwoordt het bijdehandje met een frons.
Waarom zijn de mannen waar ik op val altijd twintig jaar te jong?
Ik dacht, laat ik mij er eens makkelijk van af maken. Stoofvlees met frieten vindt bijna iedereen lekker en ik zocht een kleine formule voor een trieste verjaardag. Mijn intimi opgetrommeld om het afscheid van mijn jeugd in stijl te vieren. Vier kilo stoofvlees, evenveel appelmoes, een astronomische hoeveelheid frieten.
Ik heb me jarenlang verzet tegen het bezitten van een frietpot. Ongeveer alles is lekker als je het enkele minuten hebt ondergedompeld in kokend vet. Maar het is razend ongezond en je wordt er heel erg dik van. Ik bezwoer vriend en vijand dan ook om mij nooit zo’n ding cadeau te doen want dat ik mij dan zou verliezen in het maken van allerhande kroketten. Vorig jaar ben ik dan toch overstag gegaan. Voor een keer vind ik het niet zo erg dat ik in appartement woon zonder dampkap want dat verplicht mij om op mijn balkon frieten te bakken want anders ruikt het drie dagen later nog naar frituur.
Dus ook deze keer heb ik mijn balkon in een frietkotje omgetoverd. Stoofvlees op de stoof. Zelfgemaakte mayonaise en tartaar. Twee bakken Jupiler aangesleept. Weinig verfijning maar onvervalst gezellig. Er wordt opgeschept en bijgeschept en iedereen eet zijn buik vol, zachtjes tegen de misselijkheid aanschurkend.
En dan gaat de bel. Twee agenten aan de deur. Twee heel erg mooie agenten. Ik bloos. “Ik ben dertig”, is het enige wat ik kon uitbrengen. “Mogen we even bij u binnenkomen juffrouw?”. “Ja hoor, we eten net stoofvlees met frietjes en er is nog over”. Eenmaal boven stappen ze kordaat naar het balkon, zeggen dan iets onduidelijks in hun walkie talkie. “Wat bent u hier aan het doen?”. Beteuterd wijs ik naar de dampende friteuse. Het begint mij te dagen dat ze nog steeds geen cassetterecorder hebben bovengehaald en ik Joe Cocker nog niet hoor weerklinken. En dat de kans steeds kleiner wordt dat zij alsnog strippers blijken te zijn.
De zon schijnt en dat is eigenlijk al genoeg om mij met een glimlach door het leven te laten stuiteren. Maar die glimlach werd zo mogelijk nog breder toen ik het werk zag van enkele onverlaten in de bib op het Muntplein.
Teleurgesteld in de lijstjes die ons daar moeten aanmanen om de leukste dvd’s en boeken in ons karretje te leggen, bleven ze niet bij de pakken zitten maar gingen zelf aan de slag met de kleurenprinter. Het publiek van de bib verdient beter was daarbij het motto!
En ik moet hen gelijk geven, hun tips zijn een pak inspirerender dan die van pakweg Jo Lemaire…
Aan gevoel voor humor lijkt het ook de mensen van de bib gelukkig niet te ontbreken!
Ze zien er niet allemaal even fris uit. Bohochic zonder chic, zoiets. De wereld wordt verbeterd in de juiste tweedehandsoutfit. Hier en daar zou een goede scheerbeurt geen kwaad kunnen. Of gewoon een frisse douche al een wereld van verschil kunnen uitmaken. Maar toch moet ik empirisch vaststellen dat er op het voorplein van Sint-Gillis, bij de plaatselijke neringdoeners, een opvallend hoge concentratie mooie mannen is aan te treffen.
De jongen die mij in de lokale brasserie mijn witte wijn brengt, gedienstig op de knieën gaat om mijn laptop in te pluggen, altijd een beetje triest kijkt alsof hij het gewicht van de wereld op zijn schouders meetorst en volgens mij in een mansardekamer aan een walgelijk goed poëziealbum schrijft wanneer hij hier niet tussen de tafels laveert, een blauw hemd en een versleten Levi’s draagt als ware het een smoking, en die mij deze avond al tot driemaal toe een aardverschuivende glimlach heeft toegeworpen, die jongen, is de mooiste van allemaal…
Middernacht. Mijn balkon. Het decor is er altijd. Het schouwtoneel eveneens. Ik houd van de geur van ‘gepoetst café’ die tot bij mij omhoog kringelt: een doorrookte Mr Proper gedrenkt in gerstenat. Ik houd ook van het geluid van de schuurborstel op de stoep, de emmer die wordt leeggegooid op straat. Met het lichtgrauwe zeepsop worden ook de laatste stamgasten buitengeborsteld. Hoog en droog turf ik de passanten die strompelend en mompelend huiswaarts trekken. Eentje tuimelt over het struikgewas waarvan hij de hoogte verkeerd heeft ingeschat. Zijn drinkebroer draait zich om als hij het gestommel hoort en reikt hem de hand. Schouder en schouder zigzaggen ze verder. Aan de andere kant wiegt iemand zachtjes heen en weer terwijl staat te urineren tegen een lantaarnpaal. Drie meisjes zingen een hitje. Een moeder sleept een kleuter voort die al heel lang had moeten slapen.
Telkens als iemand mijn blikveld is uitgewandeld, stapt er aan de ander kant weer een ander personage mijn wereld binnen. Allen in een of ander stadium van de dronkenschap. Een enkeling bloednuchter. Ik drink zelf mijn glas leeg en verlaat de tribune.
Hij is schuin tegenover mij komen zitten met dat dampende zakje. Het is niet doorschijnend maar toch weet ik wat erin zit. Ik was al Pavloviaans aan het likkebaarden door de frituurlucht toen we nog stonden te wachten aan de geïmproviseerde tramhalte. Ik wend mijn begerige blik af. Tracht hem te negeren en diep een leesboek op uit mijn tas en probeer mij te concentreren. Uit mijn ooghoeken kan ik natuurlijk wel zien hoe hij een koolhydratenfestijn van frietjes en durum naar binnenspeelt. Schrokt. Grote happen wegkauwt met open mond. Ik kijk niet op uit mijn boek, tenzij de andere kant op, om de voortgang van de tram in de gaten te houden. Als we de hoek omdraaien waar ik eruit moet, grijpt hij plots mijn arm vast en roept: “Doet u dat altijd, mevrouw? Vindt u dat normaal????” In zijn mondhoeken hangt looksaus en ook een klein beetje in zijn haar. “Voelt u zich beter dan ons misschien?” Ik sta perplex en zoek verbouwereerd naar steun bij mijn medereizigers. Een mevrouw tikt met haar wijsvinger tegen haar slaap, dat universele teken. De deuren van de tram zijn al open en ik ruk mijn arm los uit zijn vettige hand. Hij roept me nog woest iets na, maar ik kan het niet meer horen omdat de tram al verder rijdt.
Mijn maag krimpt ineen van de honger.
een vrouw met een sluier en een vrouw met een snor zitten tegenover elkaar op de 48. die eerste noemen we met een modern woord een moslima, die tweede een genderbender. de gesluierde vrouw geeft haar ogen de kost en tegelijkertijd uitgebreid commentaar op de vreemde aanblik voor haar. snorrevrouws vraagt haar brutaal in het nederlands of er iets te zien valt misschien. De vrouw met de hoofddoek antwoordt, ‘ja, je hebt een snor’ in het arabisch. haar man naast haar probeert haar ondertussen sussend tot stilte aan te manen maar ze ratelt verder.de twee dames sputteren ongeneerd voort, de ene in het nederlands, de andere in het arabisch. ik versta de beide kanten en toch weiger ik het te begrijpen. zelfs als zou ik me hier als vertaler opwerpen, het heeft weinig zin, want hier wordt niet dezelfde taal gesproken. communicatie vereist naast woorden vooral een open geest.
De kolossale man naast mij leunt tegen mij aan. Ik begin wat ongemakkelijk te wrikkelen maar hij wil van geen wijken weten. Zijn dikke dijen duwen tegen de mijne. Ik kantel mezelf zoveel mogelijk naar de andere kant tot ik met al mijn gewicht op één bil zit. Hij blijft even wijdbeens zitten. Ik kan ruiken hoe onfris hij is en adem dan maar door mijn mond, tracht mij op iets anders te concentreren. Tevergeefs. Ik sta enkele haltes voor mijn stop zuchtend op. Dan liever rechtstaan. Net als ik me omdraai om hem een van mijn ‘viezerikblikken’ toe te werpen, zie ik dat zijn ogen bloeddoorlopen zijn en twee verschillende kanten op kijken. En dat de oude vrouw naast hem, zijn moeder neem ik aan, zorgvuldig zijn veters strikt. En dan zijn muts wat beter over zijn hoofd trekt.
Haar duffe outfit is slechts schijn. Er is weinig verbeelding nodig om de diva te zien. Vuurrode lippen, enorme wimpers, het haar strak achteruit opgestoken, ik verzin er de flamencojurk vlotjes bij. Een Almodovarfilm die nog niet is gemaakt. Dit moet ooit een bloedmooie allumeuse geweest zijn en natuurlijk draagt ze geen trouwring. Mijn blik valt op haar witte steunkousen en als ik haar terug aankijk, trekt ze een wenkbrauw op en vertelt me zonder woorden dat ze nog lang geen vergane glorie is. Ze staat moeizaam op en stapt dan kaarsrecht uit de tram, het podium op…