Dixit: ik leerde de doden kennen
Wat is een stad? Een verzameling straten en gebouwen of toch eerder de optelsom van heel uiteenlopende individuen en huishoudens die zich ergens vestigen en voor kortere of langere tijd in relatie met elkaar staan? Welke betreurde schrijver van proza en toneel beschrijft hoe zijn beleving van Brussel verandert als hij er gaat wonen en mensen leert kennen?
Later kwam ik zelf in Brussel wonen en werd er hopeloos verliefd op Astrid. Ik hoorde Patrick trombone spelen en zag hoe Georges poppen sneed uit kersenhout. Ik danste op de muziek van Spermicide in een zaaltje aan de Oude Graanmarkt. Ik leerde Jacques kennen, de tekenaar met wie ik tekenfilms en een stripverhaal maakte. Ik hield Dar gezelschap, een oude grijze neger die ergens als hulpkok werkte en die na middernacht een joint kwam roken aan de toog van het café waar ik toen tapte. Ik leerde de doden kennen. Johan Snoek die zich voor een trein wierp. Willy die zich te pletter reed tegen dezelfde boom waar zijn vriend tegen gecrasht was. Edmond Van Houtte die op hetzelfde moment stierf als zijn vriendin. Want dat was Brussel vooral: mensen en hoe die door de wetten van het toeval door elkaar werden geschud. Geen lichaam was de stad meer, maar duizenden en duizenden kleine cellen die door elkaar woekerden, samenklitten en plots afstierven, telkens als je er het minst op bedacht was. En één van die cellen was ik.
Patati patata