Tag: tentoonstelling

Spanish Still Life, The Miracle of Painting, again

“Peut-être même le summum de la peinture”, zo liet Head of Exhibitions bij Bozar Sophie Lauwers haar gevoel spreken. Ze verwees naar het genre van het stilleven in de schilderkunst, dat vaak ondergewaardeerd bleef en blijft. Geen tweederangsgenre volgens Lauwers, maar eersteklas. Het summum van schilderen zelfs.
In Bozar is Spanish Still Life begonnen, de tentoonstelling die tot 27 mei de hele evolutie van Spaanse stillevens toont, aan de hand van werken uit de Spaanse schatkamers in bruikleen uit de beste musea en privé-collecties. Veertien schilderijen uit het Prado, en verder werken uit de National Gallery London, Fitzwilliam Cambridge, Louvre en Centre Pompidou Parijs, Uffizi Firenze, MOMA New York, et cetera.

Het stilleven ontstond als genre gelijktijdig in het Noorden en het Zuiden van Europa rond 1600, met grote verschillen in aanpak evenwel. Bij ons in ‘t Noorden zien we heel vaak het afbeelden van overvloed en luxueuze attributen, al dan niet afgezet tegen doodskoppen, gedoofde kaarsen of andere symbolen van de dood in de zogenaamde vanitas (ijdelheid)-schilderijen. De Spanjaarden kennen een veel soberdere traditie, in de lijn van het werk van wegbereider Juan Sánchez Cotán (eind 16e begin 17e eeuw). Cotán’s werk ‘Stilleven met appel, kool, meloen en augurk’ is het eerste doek van de tentoonstelling, en het legt de basis voor al wat volgt. Heel precies geschilderd hangen daar in een vensteropening aan een touw een appel en een kool, en daarnaast in het midden ligt een opengesneden meloen, en rechts een augurk. Op de voorwerpen het volle felle licht van de zon die van linksboven komt. De achtergrond van het tafereel is echter zwart. Door dit contrast worden de vruchten fel geïsoleerd, ze verschijnen op dit toneel. Tastbaar zijn ze ook verbonden met het wegsterven en wegvallen, het verdwijnen, door de donkerte die aan hun aanwezigheid likt. De schilder van het stilleven lijkt te zeggen: dit is leven, apprecieer het, straks zie je niets meer.
Een typisch element dat ook op dit doek te zien is, bij de augurk, is het plaatsen van voorwerpen op of over de rand van het raamwerk, vergezeld van een slagschaduw die hen nog verder duwt naar het bijna-moment van vallen.
Later wordt het Spaanse stilleven, waar veel vraag naar was vanwege kunstkopers, barokker, met beweeglijkere composities, en dan zal het ook komen tot het subgenre van de vanitasstillevens, in Spanje bekend als ‘ontnuchteringen van de wereld’ (desengaños del mundo’). Symbolen van rijkdom en macht liggen in al hun glorieuze pracht klaar om aangevreten te worden, naast schedels, of spookachtig in reflecties weerspiegeld.
Het merendeel van de stillevens viert echter wel de overvloed van het leven, in bloementaferelen of door het uitstallen van allerlei etenswaren op keukentafels. We zien bijvoorbeeld een prachtige koperen cacaotrembleuse, bij porseleinen kopje en breadrolls, getuige van de populariteit van de Zuid-Amerikaanse godendrank in het koloniale Europa, die toen via de Italiaanse en Franse chefs van de renaissance toegang tot de salons vond. Stillevens zijn via de voorwerpen dus ook eersterangs getuigen van de cultuurgeschiedenis.
Twee aparte werken op de expo zijn van Francisco de Goya daterend van +/- 1810. Goya schilderde slechts twaalf stillevens, voor eigen gebruik, met grote creatieve vrijheid tot gevolg. Het zouden de stille pendants zijn van zijn twaalf bekende revolutieschilderijen (met ‘El tres de mayo’ – drie mei – als bekendste). De vissen en de kalkoen die je hier ziet, zijn meesterwerken uit de kunstgeschiedenis.
Het motto van het genre van het stilleven, dat onder zeer religieus gesternte van start ging, zou kunnen zijn: ‘spiritueel voedsel is minstens even belangrijk als echt voedsel’, of zoals bij Ovidius: ‘Bouw een karakter, want dat blijft, versterk je schoonheid daarmee; slechts dat bewaar je tot het laatste uur’ (ars amandi). Daarmee overstijgt het genre de plaats die het aanvankelijk in de perceptie kreeg toebedeeld, die van een simpele imitatie van de realiteit. Stillevens maken van de vruchten en de voorwerpen schilderkunst. Picasso en anderen zullen in de twintigste eeuw nog een stap verder gaan door het einddoel van de driedimensionale afbeelding weg te schilderen en de kunst toe te laten de realiteit opnieuw een stapje voor te zijn, een eigen realiteit te boetseren, die ons weer nieuwe ogen gaf. Life imitates art more than art imitates life, zei Oscar Wilde daarover.
Tot 29 april loopt ook in Bozar de tentoonstelling van het werk van fotograaf Dirk Braeckman nog, zoals dat in Venetië te zien was op de Biënnale. Ik raad aan om deze hedendaagse donkere stillevens als dessert erbij te nemen, laat deze suggestie van topchef Bozar niet staan, want het menu is uitzonderlijk. Braeckmans werk toont de consequenties van het genre voor de eenentwintigste eeuw.

House of European History – eerste bezoek/deel één

“From myths and discoveries to the chaos and cohesion of the 20th century, the House of European History will take visitors on a journey along the path of Europe’s history and challenge them to contemplate its future.” (brusselsmuseums.be)
De makers van het nieuwe House of European History in het Leopoldpark nodigen je uit om ‘Europa’ te blijven herinterpreteren.
Was het dus goeie seks of slechte seks, toen Zeus de Libanese bloemenplukkende prinses Europa begeerde en haar, vermomd als stier, (mee)nam naar Kreta? Europa, de bekoorlijke, opgaand in een verleidelijke Unie, of Europa, de mismeesterde, die van onheil behoed moet worden wanneer nieuwe kandidaten klaarstaan om haar te omarmen?

Continue reading

Rik Wouters, de retrospectieve

Nog tot begin juli loopt er in Brussel een overzichtstentoonstelling met werk van Rik Wouters, een grote naam uit de Belgische kunstwereld van voor de Eerste Wereldoorlog. Ook vandaag nog wordt hij op handen gedragen. Wie kent er niet het iconisch beeld Het zotte geweld, ook te bekijken op de tentoonstelling? Wie veel meer van hem wil zien wordt in de KMSKB verwacht.

Zelfportret met sigaar (1913)
Zelfportret met sigaar (1913)

Het gaan zoeken in Brussel, het kan wel tellen om je van je kleinburgerlijke afkomst te distantiëren. Rik Wouters kwam in het jaar 1900 naar  Brussel  om er op de academie te studeren en zou er ook het grootste deel van zijn actief leven verblijven. In tegenstelling tot tijdgenoten vond hij het weinig of niet nodig om maatschappelijke evoluties van zijn tijd in zijn kunst te verwerken. Aanvankelijk was het quasi uitsluitend Nel, zijn vrouw, model en muze, die hem als beeldend kunstenaar artistiek inspiratie bracht. Later zou hij de beslotenheid van het atelier verlaten en ook landschap en natuur als onderwerp van zijn kunst gaan nemen.

 kunstenaarschap
Wouters koos ervoor om zich artistiek te ontwikkelen, wars van elk commercieel compromis. Welbewust onderging hij wel de invloed van kunstenaars die hij bewonderde . Ondanks zijn aanvankelijk  op materieel vlak onzekere levensstijl  – een samenwerking met een Brusselse kunsthandelaar zou hier later verandering in brengen – leerde hij de voorbeelden kennen die zijn artistieke evolutie mede zouden bepalen. Hoewel hij figuratief werk bleef maken ging hij in navolging van Paul Cezanne met gebruik van kleurvlakken een vorm van abstractie van het traditioneel perspectief  in zijn composities  introduceren.  Voor het gedurfd  gebruik van heldere en contrasterende kleuren is hij dan weer deels schatplichtig aan James Ensor. De kunstenaar uit Oostende had het aan het begin van de 20ste eeuw al helemaal gemaakt. Wouters zou pas aan het eind van zijn kort leven tijdens de Eerste Wereldoorlog in de periode die hij in exil doorbracht in Nederland de erkenning krijgen die hij verdiende.
Tot op de dag van vandaag wordt Wouters, ook in brede lagen van de bevolking, beschouwd als een groot kunstenaar. In elke openbare bibliotheek van Vlaanderen is er wel een kunstboek over hem te vinden. Zijn eerlijkheid en ook wel  de durf waarvan zijn werken getuigen maken hem tot publiekslieveling. Zijn ongecompliceerde virtuositeit, de kracht die van zijn werk uitgaat en zijn  keuze voor wat hem omringt bij het vinden van inspiratie maken hem tot wat hij voor iedereen ook nu nog is: de kunstenaar die zijn persoonlijke ervaringen, in voorspoed en in tegenspoed, op een hem eigen manier tot picturale schoonheid herleidt.

Vrouw in zwart die een krant leest (1912)
Vrouw in zwart die een krant leest (1912)

De fluitspeler (1914)
De fluitspeler (1914)

de tentoonstelling
Bij het realiseren van de retrospectieve heeft men ervoor gekozen om het tentoongestelde voor zich te laten spreken. Een eerste zaal (deze die van bovenaf  zichtbaar is voor de tentoonstellingsruimtes worden betreden) geeft weliswaar in woord en beeld een chronologische overzicht  van leven en werk van de kunstenaar, voor de eigenlijke retrospectieve die volgt heeft men ervoor geopteerd om doorheen de tentoonstelling geen verklarende bijschriften te voorzien. Er is een audiogids die het bezoek kan begeleiden maar men heeft er ook hier voor gekozen om formele statements achterwege te  laten  en wel door een 20-tal van de 210 werken die in de tentoonstelling aanwezig zijn van commentaar te voorzien als  zijn het visuele experimenten van de kunstenaar zelf.
Deze tentoonstelling gewijd aan Rik Wouters is de meest uitgebreide ooit. Er zijn niet enkel schilderijen en beeldhouwwerken maar ook werken op papier (aquarellen, gouaches, gravures) te bekijken. Een aantal van de tentoongestelde werken zijn niet van Wouters zelf maar van zij die hem sterk beïnvloed hebben en van tijdgenoten. De tentoonstelling is het resultaat van de samenwerking tussen de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België (KMSKB) en het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen (KMSMA).  Een viertal wetenschappelijke medewerkers van beide musea hebben bijdragen geleverd aan het realiseren ervan onder meer door het maken van de selectie van de werken uit de uitgebreide collecties van de KMSKB en het KMSKA, uit deze van andere musea en privécollecties.
Gebogen buste met haarwrong (1909)
Gebogen buste met haarwrong (1909)

 De tentoonstelling ‘Rik Wouters – retrospectieve‘ is nog tot 2 juli 2017 te bezoeken in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België (Regentschapsstraat 3, 1000 Brussel). Open van dinsdag t.e.m. vrijdag van 10u tot 17u, tijdens het weekend van 11u tot 18u.

illustraties: persdienst KMSKB Brussel

Steve McCurry, fotograaf met negen levens

Nog tot 25 juni kun je in de Beurs de fototentoonstelling The World of Steve McCurry bezoeken. Het is de meest volledige retrospectieve van de Amerikaanse Magnum-fotograaf tot nu toe. In 2013 sprak ik met McCurry naar aanleiding van zijn boek Voorbij de camera, waarin hij vertelt over z’n leven als fotojournalist.

Dust Storm, Rajasthan, India, 1983

Steve McCurry is een kat met negen levens. Hij overleefde twee arrestaties in Afghanistan, viel bijna van het dak van een rijdende Indische trein, stond op een brug in Goa die instortte door de moessonregen, crashte met een vliegtuigje in het Sloveense meer van Bled, reed met z’n auto rakelings langs een landmijn in Koeweit en verdronk haast tijdens een hindoeïstisch festival voor de olifantengod Ganesh. De bekende Amerikaanse reportagefotograaf heeft in z’n 35-jarige carrière wel een en ander meegemaakt.
Zijn boek Voorbij de camera: Het verhaal achter de foto (Phaidon/Terra) bevat naast honderd twintig grote kleurafdrukken van McCurry’s beste werk ook pittoreske anekdotes over zijn werkomstandigheden en avonturen on the road. Bovenal biedt het boek echter inkijk in McCurry’s lievelingsthema’s en diepere drijfveren. En in zijn onwrikbare geloof in de kracht van fotografie.
Wij krijgen McCurry aan de lijn op een zonnige zaterdag in september, die hij doorbrengt in zijn New Yorkse studio. Hij lacht wanneer we hem omschrijven als moderne nomade: “Welnee, ik voel me een echte New Yorker. Of ik nu zes, negen of elf maanden per jaar in het buitenland zit: hier liggen mijn spullen, hier bewaar ik mijn werk. New York is mijn thuis. Ik ben geen ontheemde.”
Was dit boek jouw idee? Wat motiveert je om het verhaal achter je foto’s te vertellen?
Steve McCurry: Ik merk dat mensen daar nieuwsgierig naar zijn, of ze nu zelf fotograferen of niet. Ik werk in omstandigheden die vragen oproepen. Voor mijn project rond de moesson stond ik wekenlang kniediep in het water te fotograferen en moest ik ’s avonds letterlijk de bloedzuigers van me afbranden. Toen ik in 1997 voor het eerst naar Jemen trok, had dat land de hoogste kans ter wereld om als buitenlander gekidnapt te worden. Hoe zoek je dan toch een veilige route? Ik wou dat soort ervaringen graag delen, zolang ik ze maar niet zelf moest opschrijven (lacht). Ik heb een reeks interviews gegeven aan iemand van de uitgeverij. Daarom gaat het in het boek altijd over ‘McCurry’.
Je hebt in je lange carrière de overstap moeten maken van analoog naar digitaal. Daarover rep je nergens. Ging het zo geruisloos?
SMC: Ik herinner het me wel, het was tijdens een reportage in Afghanistan. Ik had naast mijn gewone spullen voor het eerst een digitale camera bij die ik eens wilde testen. Op dat moment was me al duidelijk dat digitaal de toekomst was. Vraag was alleen nog op welk moment ik zou overstappen. Ik schoot mijn eerste beelden analoog, maar heb de reportage op de digitale camera afgewerkt. Ik was meteen overtuigd. Het is zo’n immens voordeel om je beelden onmiddellijk te kunnen evalueren. Niet dat ik het vroeger vreemd vond dat zoiets niet kon, of dat mijn beeldredacteur – naar wie ik mijn onontwikkelde rolletjes opstuurde – mijn foto’s zag en publiceerde voor ik ze zelf had kunnen zien. Dat was toen gewoon de realiteit.
Je duikt graag traag en diep in een onderwerp. Voor je reportage over Mumbai woonde je twee à drie maanden in de stad. Met hoeveel foto’s eindig je dan?
SMC:  Ik vind het totaal irrelevant hoeveel foto’s iemand op een dag maakt. Mij interesseren alleen de foto’s die uiteindelijk op tafel komen. Zijn die sterk genoeg? Spreken die aan? Ik druk niet in het wilde weg op de ontspanknop. Elke opname moet zinvol lijken. Maar je kunt het moment van je beste fotokans nooit voorspellen. Daarom is het absurd om maar één beeld te maken van een interessante situatie. Dat is zo bij portretten, want de persoon voor je lens kan plots bewegen of emotie tonen. Maar het geldt ook bij andere foto’s.
Ik bereid me voor: als ik een stadsbeeld wil fotograferen met een trein op een brug, dan check ik vooraf de dienstregeling. Maar dan nog blijft het afwachten of en wanneer alle elementen op hun plaats vallen. Een fotograaf moet altijd alert blijven.

Fishermen at Weligama, Sri Lanka, 1995.
In Voorbij de camera staat een foto van een huilende Vietnamese vrouw. Je noemt dat een moeilijke opname waartoe je jezelf moest dwingen. Heb je regelmatig zo’n opgelaten gevoel?
SMC: Eigenlijk niet. In beladen situaties vraag ik me altijd af: ‘Waarom ben ik hier?’  Ik respecteer de mensen die ik fotografeer en heb genoeg empathie om te beseffen dat er momenten zijn waarop je liever geen camera ziet. Die Vietnamese vrouw had net gehoord dat haar HIV-test positief was. Dan stort je wereld in. Toch heb ik de foto gemaakt, precies omdat die vrouw wist waarom ik er was. Ik volgde haar gezin meerdere weken in het kader van een boek voor The Global Fund, een organisatie die gratis medische zorgen verstrekt aan HIV- en aidspatiënten in arme gebieden. Zij had hulp nodig en mijn fotoverhaal was de manier om die te krijgen. Ik doe mijn werk omdat ik rotsvast geloof dat foto’s een verschil kunnen maken.
Op jouw portretten kijken mensen altijd recht in de lens. Je mantra is dan ook: ‘Eerst contact leggen met de persoon, dan pas fotograferen’. Heb je nog zulke vuistregels?
SMC: Zoek je eigen stijl en aanpak, maar behandel de mensen voor je lens met respect. Het is grappig dat we altijd hopen dat succesvolle mensen ons hun geheim kunnen verklappen, een simpele maar feilloze regel: ‘Doe dit of dat en je zult zonder grote inspanningen fantastisch werk maken.’ Zo gaat het natuurlijk niet. Je kunt de jaren van zoeken, proberen en ervaring opdoen niet zomaar overslaan. Ik geloof trouwens dat de meeste fotografen niet van te veel advies houden. Die doen gewoon hun eigen ding.
Tijdens je hachelijke avonturen ben je al meerdere camera’s verloren. Zit je daar diep over in? Ben je gehecht aan je materiaal?
SMC: Ik voel geen emotionele band met mijn camera’s. Voor mij tellen alleen de foto’s en het verhaal.  Zo heb ik ook geen lenzen waarbij ik zweer, noch een uitverkoren type toestel. Mijn materiaal heeft het vaak hard te verduren. Tijdens de reportage over de milieuramp in Koeweit na de Golfoorlog reden we tussen de brandende olievelden. Zoveel stof en as in de lucht is nefast. Het moessonproject was ook een uitdaging. Toen huurde ik een lokale assistent in om een paraplu boven me open te houden. Ik probeer verstandig te werken, maar houdt het meestal op minimale bescherming. Als mijn materiaal het begeeft, dan is dat zo.
Women shoppers dressed in the tradional burqa, Kabul, Afghanistan, 1992

In 2005 richtte je ImagineAsia op, een organisatie die onderwijs voor Afghaanse kinderen stimuleert. Word je als fotojournalist sneller filantroop dan iemand anders, omdat je zoveel ellende ziet?
SMC: Ik hoop dat iedereen het verlangen voelt om iets bij te dragen, om van de wereld een betere plek te maken. Waarom zijn we anders hier? Als fotograaf heb ik in mijn ogen het voordeel dat ik met relatief weinig moeite veel kan doen. Soms doneer ik een afdruk om geld in te zamelen. Voor andere projecten maak ik foto’s uit overtuiging.
Het verlangen om iets terug te doen typeert Steve McCurry. Als er één foto is die zijn carrière heeft gemaakt, dan is het Afghan Girl, zijn portret van een 12-jarige Afghaanse vluchtelinge met groene ogen, een rode omslagdoek en een bijzonder indringende blik. Het portret stond in 1985 op de cover van National Geographic en groeide vervolgens uit tot een modern icoon, een van de best herkende foto’s van de afgelopen vijftig jaar.
 
Sharbat Gula, Afghan Girl. Peshawar, Pakistan, 1984.


In 2002 ging Steve McCurry met een cameraploeg van National Geographic Television op zoek naar ‘zijn’ onbekende Afghaanse meisje. Hij wilde kijken wat er van haar was geworden en of hij iets voor haar kon doen. Na lang en moeizaam speurwerk kwam de ploeg uit bij de enige echte Sharbat Gula – haar naam betekent ‘zoetwater bloemenmeisje’ in het Pasjtoe. Ze was intussen getrouwd en herinnerde zich McCurry. Hij mocht een tweede foto maken – een confronterend beeld dat is opgenomen in Voorbij de camera. En wat verlangde Sharbat Gula, toen ze – zoals in een sprookje – haar wensen mocht doen? Medische zorgen voor haar man en drie kinderen, een naaimachine en een bedevaart naar Mekka.
The World Of Steve McCurry loopt nog tot 25 juni in de Beurs.

Barbara De Munnynck publiceerde deze bijdrage op de boekenblog This is how we read. Het interview verscheen eerder in het fotografiemagazine Shoot.

Kunst in tijden van oorlog

Tussen de familiebezoeken en nieuwjaarsrecepties door een museum bezoeken? Moet kunnen. De mooie tentoonstelling ‘14-18. Rupture or Continuity?’ in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten biedt je dezer dagen de kans te reflecteren over kunst in België tijdens Wereldoorlog I en de decennia die erop volgden. Een selectie van werken uit de eigen collectie van het museum en de interactieve multimediaopstelling Digital Experience kunnen hierbij een leidraad zijn.

–

Madame Nelly Hurrebrick (Jules Schmalzigaug, ca. 1917)

Waar elders in Europa gedurende de genoemde periode op kunstgebied nieuwe stromingen onder de noemer avant-garde vormtradities in vraag stelden was er in België minder sprake van aardverschuivingen op kunsttechnisch vlak. Van algehele windstilte was er evenwel geen sprake. Een aantal kunstenaars werden wel beïnvloed door baanbrekende vernieuwers uit het buitenland maar weinigen wierpen radicaal het roer om.

Al van voor de Eerste Wereldoorlog waren er in het noordelijk deel van België intellectuelen en kunstenaars die zich afzetten tegen een Franstalige bovenlaag die niet bepaald het bevorderen van emancipatie van brede lagen van de bevolking voorstond. Om een voet tussen de deur te krijgen streefde men met het promoten van het gebruik van het Nederlands in onderwijs en overheidszaken de vorming van een Vlaamse culturele identiteit na. Een deel van de culturele elite die dit streven belichaamde zou zich tijdens de Eerste Wereldoorlog in mindere of meerdere mate inlaten met het bereidwillig samenwerken met de bezetter. Het is vreemd dat de kunstenaars die hun artistieke activiteiten met medeweten van de bezetter konden voortzetten, en die later als activistisch zouden worden bestempeld, het verst gingen in het ingang doen vinden van avant-garde.

De evolutie die de Brusselse kunstkring ‘Doe Stil Voort’ doormaakt is in dit verband veelzeggend. In 1917 wordt de kring die tot dan niet bepaald bekend stond voor een bereidheid om avant-garde te omarmen, heropgericht rond de figuur Willem Gijssels (hoofdredacteur van Vlaamsch Leven, een tijdschrift met activistische inslag). Er was eerst sprake van promotie van avant-garde waarna leden van de kunstkring daadwerkelijk avant-gardekunst gingen maken. Op de tentoonstelling zijn werken van Jozef Peeters, Felix De Boeck, Prosper De Troyer, Edmond Van Dooren en Victor Servranckx (allen kunstenaars die tot de kunstkring behoorden) te bekijken.

–

La couturière (Prosper de Troyer, 1920)

Huile n° 21 (Jozef Peeters, 1924)

Wat zwaar op de hand, zal je wel denken. Laat je evenwel niet afschrikken om de tentoonstelling te bezoeken. Verkeerd geweest zijn in de oorlog is bespreekbaar gemaakt en dat kunstenaars opportunistisch uit de hoek kunnen komen is van alle tijden. De werken van de leden van Doe Stil Voort mogen overigens wel gezien worden en wat er hangt en staat van onder meer Vlaamse expressionisten en sterk door het impressionisme beïnvloede schilders behoort tot het beste wat ik al zag  van Belgische kunst. Bovendien heeft slechts een klein deel van wat er hangt de oorlog als thema. Zoek je dan weer dieper te graven dan de opstelling met kunstwerken, dan is er de reeds vermelde Digital Experience, die voor deze gelegenheid een bron van kennis is over de kunstperiode waar het hier om gaat.

De tentoonstelling ‘14-18. Rupture or Continuity?’ loopt nog tot 22 januari in de zaal Patio van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België (Regentschapsstraat 3, 1000 Brussel). Toegankelijk van dinsdag t.e.m. vrijdag van 10 u tot 17 u, tijdens weekends van 11 u tot 18 u.

illustraties: persdienst KMSKB Brussel

Zie ook: filmpje over Digital Experience bij een vorige tentoonstelling

[youtube https://www.youtube.com/watch?v=_M8rgpzMTD0]

Avant-garde in de beeldende kunst, een tentoonstelling

De tentoonstelling The Power of the Avant-Garde, Now and Then in de Bozar brengt een aantal avant-gardestromingen voor het voetlicht. Naast werken van avant-gardekunstenaars uit wat nu de historische avant-garde wordt genoemd is er ook hedendaagse kunst te bekijken. Nog te bezoeken tot begin volgend jaar.

foto1La danse de l’ours au Moulin Rouge (Gino Severini, 1913)

Een zoektocht naar een geschiedenis van de avant-gardekunst door stromingen, kunstbewegingen en individuele kunstenaars onder de aandacht te brengen, dat is het uitgangspunt van de tentoonstelling. Aan het eind van de negentiende eeuw en gedurende de eerste twee decennia van de twintigste prikkelen wijzigende sociale structuren en maatschappelijke transformaties kunstenaars bij het zich afzetten tegen traditie of geldende artistieke normen. Kunstenaars zagen, onder invloed van het gedachtegoed van intelligentsia die reflecteerden over mogelijkheden en gevaren van technologische vooruitgang en nieuwe maatschappelijke paradigma’s, hun kans schoon om vernieuwingen in de beeldende kunst ingang te doen vinden. Artistieke kringen als Die Brücke, Der Blaue Reiter en Bauhaus en bredere kunststromingen als het kubisme en het constructivisme ontdekken werkvelden waar kunst tot dan toe niet kwam. Ook solitaire artiesten als James Ensor, Edvard Munch of Egor Schiele nemen het voortouw.

foto3Lady in Tram (Kazimir Malevich, 1913)

Langs een parcours van een twintigtal secties wordt ingegaan op het heterogeen landschap van de historische avant-garde (avant-garde van voor de Tweede Wereldoorlog). In een aantal zalen zijn selecties uit het werk van kunstenaars uit de genoemde artistieke kringen te bekijken. In andere zijn kunstwerken die refereren aan thema’s die de avant-garde typeren samengebracht. Fragmentatie en transparantie, de metropool als embleem van vooruitgang of nieuwe communicatiemiddelen, de moderne mens in al zijn facetten biedt inspiratie. Schilderijen, een aantal sculpturen en ook film zijn er te zien. Film als medium wordt hier ook tot de avant-garde gerekend.
Tussen de bedrijven door gaan hedendaagse kunstenaars in dialoog met een door hen gekozen werk van voor 1920. Telkens neemt een werk van henzelf de honneurs waar.
Wat er hangt en staat en hoe het is opgesteld laat zich niet in een paar woorden beschrijven. Niet enkel de curator van de tentoonstelling en de uitgenodigde kunstenaars hebben een inbreng gehad. Ook het Militärhistorisches Museum der Bundeswehr (Dresden), Cinematek (Brussel) en de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten (Brussel) droegen bij aan de complexiteit van de tentoonstelling. Men heeft zich overigens niet beperkt tot het bijeenbrengen en bespreken van beeldende kunst. Ook op het vlak van scenografie is nagedacht.

foto2Four Persons Standing (David Claerbout, 1999)

Het concept om hedendaagse kunstenaars toe te laten om te participeren zegt meer over de kunstenaars van vandaag dan over de avant-garde van voor de Tweede Wereldoorlog. Bij de interpretaties worden pogingen gedaan om historische verbanden te leggen. Een pastiche, gebruik van een vormkenmerk of een actualisatie van een bestaand werk, het is duidelijk dat kunstenaars geen historici zijn en de waarde van hun standpunt wel erg dunnetjes uitvalt. Het inpassen van werken van vandaag ondermijnt de kracht van de werken uit de periode van de historische avant-garde. Er is hier een kans verkeken om, door beter het onderscheid te maken tussen then (historische avant-garde) en now (hedendaagse kunst), nog meer duidelijkheid te scheppen over waar de avant-garde kunstenaars voor stonden.
Of het überhaupt een goed idee is om hedendaagse kunstenaars te bevragen over hoe historische avant-garde hem heeft beïnvloed? Voor de kunstprofessional zal het wel, als vorm van spielerei, om van te smullen zijn. Voor de kunstliefhebber brengt het weinig bij aan wat kunstenaars uit de hoogdagen van de avant-garde te zeggen hadden. Het werkt meer ontluisterend waar het de hedendaagse kunstenaars betreft.
De tentoonstelling The Power of the Avant-Garde – Now en Then loopt nog tot 22 januari in Bozar (Paleis voor Schone Kunsten, Ravensteinstraat 23, 1000 Brussel).
Open van dinsdag tot zondag van 10u tot 18u (op donderdag tot 21u). Op maandag gesloten. Prijs van de tickets: 16 euro.
Illustraties: persdienst Bozar

Naoorlogse kunst in een Europees perspectief

Vorige vrijdag opende  in Bozar een tentoonstelling die de evolutie toont die Europese kunst na de Tweede Wereldoorlog doormaakte. ‘Facing the Future’ is het resultaat van een samenwerking tussen het Brusselse Bozar, het ZKM (Centrum voor Kunst en Media uit Karlsruhe) en het Pushkin State Museum of Fine Arts in Moscou en het mag gezien worden.
 –
Removal of the Sphinxes
Max Beckmann, Removal of the Sphinxes, 1945
 –
De tentoonstelling toont een parcours in een zestal stadia gaand van naoorlogs rouwen en herinneren over de angst en ideologische wedijver van de Koude Oorlog naar het zoeken van nieuwe kunststromingen die een tweedeling in de Europese kunst ontkennen, dit laatste  door aan te geven dat kunstenaars internationale politieke tegenstellingen overstegen en de moderniteit van technologische vooruitgang, consumptiepatronen en  optimisme als onderwerp voor kunst namen. Zo wordt in de tentoonstelling ontkend dat naoorlogse West-Europese kunst  voor het grootste deel door Amerika werd beïnvloed. Doorheen de hele tentoonstelling zijn kunstwerken van zowel het toenmalige Oostblok en als van West-Europa samengebracht om directe en indirecte verbanden aan te tonen. Een aantal kunstwerken plaatsen de oorsprong van de popart in Europa en ook de bewering dat abstracte kunst een exclusief West-Europees fenomeen zou zijn geweest wordt naar het land der fabelen verwezen.
 –
 PairKarel Appel, Pair, 1951
 –
De tentoonstelling is alles behalve makkelijk en voorkennis van kunststromingen is mooi meegenomen. Een bezoekersgids kan hier wonderen doen om de heterogeniteit die doorheen de tentoonstelling aanwezig is te plaatsen en te begrijpen. De aangeraakte onderwerpen zijn niet altijd even vrolijk en niet alles zal iedereen bekoren. Persoonlijk was ik niet weinig ontstemd bij het zien van de evolutie die de Europese kunst in de loop van het derde kwart van de twintigste eeuw doormaakte, een evolutie die hier frappant duidelijk wordt gemaakt en ook vandaag nog doorwerkt. Het is niet de abstractie als beeldtaal die me hierin tegenstaat, het is de intellectualisering als onderwerp van kunst dat esthetiek in de weg lijkt te staan en ontmenselijking doet ingang vinden.
 –
Le drapeau noir - Tirage limitéMarcel Broodthaers, Le drapeau noir – Tirage limité, 1968-1969
 –
De tentoonstelling ‘Facing the Future – Art in Europe 1945-68’ loopt nog tot 25 september in Bozar (Paleis van Schone Kunsten, Ravensteinstraat 23, 1000 Brussel).
Open alle dagen van 10u tot 18u, behalve op maandag. Op donderdag ook wel tot 21u.
 –
foto’s: website Bozar

Arabische Lente in Brussel

De Arabische Lente ligt al een aantal jaar achter ons. De revolutionaire bewegingen uit verschillende landen van Noord-Afrika en het Midden-Oosten die onder deze gemeenschappelijke noemer worden aangeduid, waren protestuitingen die politieke veranderingen opeisten en waarden als emancipatie van het Westen, burgerlijke vrijheid en religieuze macht voorstonden. In de Bozar brengt de in Iran geboren Belgische fotografe Mashid Mohadjerin de rol van vrouwen in burgerbewegingen voor het voetlicht.
I do #revolution (c) Mashid Mohadjerin
(c) Mashid Mohadjerin
Door het heterogene karakter van de activisten en tegenstand van de politieke machthebbers is er na de Arabische Lente in mindere of meerdere mate een terugval geweest. Tunesië, het land waar voor het eerst de protesten opflakkerden, lijkt politiek het meest de vruchten te plukken van het burgeractivisme dat opgang maakte. In Egypte lijkt er door een uitgesproken tweedeling in de burgerbeweging tussen een religieus conservatisme en het op het Westen geïnspireerd vrijheidsdenken naar buiten toe uiteindelijk weinig veranderd . Het zittend regime in Syrië heeft dan weer elke vorm van protest onderdrukt, wat een voedingsbodem vormde voor het ontwikkelen van een terroristische organisatie als Islamitische Staat.
Activistes in beeld
Wat heeft Brussel hier in godsnaam mee te maken, kan je je afvragen. Gebeurtenissen die zich twee maanden geleden in Brussel en Zaventem afspeelden tonen maar aan dat openheid een westerse maatschappij kwetsbaar maakt voor indoctrinatie van enkelingen en grenzen geen sluitende oplossing bieden tegen terrorisme dat geïnspireerd is op een voor Europa achterhaald maatschappijmodel. Na andere steden deelde ook Brussel in de klappen, niet enkel door de gebeurtenissen zelf maar ook bij de nasleep ervan. Wat zich afspeelt in de Maghreb en het Midden-Oosten komt dan wel erg dichtbij.
I do #Revolution! is een van de labs van de kunstmanifestatie Imagine Europe, die momenteel loopt in Bozar. Het artistieke project van fotografe Mashid Mohadjerin gaat over de rol die vrouwen spelen bij het in vraag stellen van religieus conservatisme en autocratische regimes. Lang voor de Arabische Lente was er al sprake van vrouwen die protesteerden tegen vrouwendiscriminatie. Een collage toont activistes die de hun door de traditie opgelegde ondergeschikt rol in het openbaar leven expliciet in vraag stellen.
Ook Mashid Mohadjerin zelf is niet aan haar proefstuk toe waar het gaat om het bijstellen van het beeld van vrouwen in het Midden-Oosten. Hier toont ze portretten van activistes die ze als bepalende figuren in de burgerbewegingen beschouwt. Na voorafgaande research reisde ze meerdere keren af om ter plaatse de vrouwen op te zoeken, wat niet altijd vanzelfsprekend was. Naast de portretten zijn er ook objecten die refereren aan het gebruik van traangas bij betogingen te zien.
Imagine Europe 27
Imagine Europe 26
(c) Bozar
De vrijblijvendheid doorbroken
Een andere factor die de Arabische Lente mogelijk maakte, is de inzet van blogs en sociale media. Waar persvrijheid beknot wordt, kunnen deze nieuwe media een uitkomst bieden bij het verspreiden van dissidente geluiden. Als voorbeeld is in de tentoonstellingsopstelling op een scherm een feed met twitterberichten te bekijken.
Voor het merendeel beperkt de kunstmanifestatie Imagine Europe zich tot vage statements en hedendaagse esthetisering door elitair aandoende wereldverbeteraars. Of het een tegengewicht kan bieden voor een oprukkende nationalisme in Europa is nog de vraag. Het project van Mashid Mohadjerin doorbreekt de vrijblijvendheid met indringende portrettering en klaagt actuele misstanden aan door deze te kaderen in wat is gebeurd. De uitspraak van de Egyptische activist en mensenrechtenadvocaat Mahienour El-Massry die ze citeert spreekt boekdelen: ‘Revolution is ongoing as life and dreams are ongoing’ (de revolutie gaat door, net als het leven en het dromen).
Mashid Mohadjerin publiceerde reeds in onder meer The New York Times, Newsweek, The Wall Street Journal en Le Monde en won in 2009 de World Press Photo in de categorie Contemporary Issues. Haar fotoreeksen focussen vooral op identiteitskwesties en de menselijke natuur.
De fototentoonstelling I do #Revolution is nog tot 29 mei te bezoeken in de foyers van Bozar (Paleis van Schone Kunsten, Ravensteinstraat 23, 1000 Brussel). Vrij toegankelijk van dinsdag tot zondag van 10u tot 18u, op donderdag tot 21u.
Zie ook: Imagine Europe, een kunstmanifestatie voor Europa

Een stad tussen oost en west

Istanboel is kosmopolitisch, inspirerend en confronterend,  een stad waar moderniteit botst met traditie. De stad ligt geprankt tussen twee culturele werelden. Invloeden van het Westen en het Midden Oosten werken er op elkaar in. Geografisch ligt een deel ervan op het Europees vasteland, een ander in Klein Azië. De tentoonstelling ‘Imagine Istanbul’ die nog tot zondag loopt in Bozar, verbeeldt de complexiteit van deze stad.

Karaköy, Istanbul, 1965 / © Ara Güler

Continue reading

Dodencultus uit het Oude Egypte

Een eeuwig leven en wel door na de dood in een hiernamaals te zijn, ook vandaag nog geloven mensen dat het kan. Ver voor onze tijdsrekening, gedurende een periode die meer dan 3000 jaar overspant, waren het koningen en later ook hogere functionarissen en priesters die er naar streefden. ‘Sarcophagi – onder de sterren van Noet‘, een tentoonstelling die momenteel loopt in het Jubelparkmuseum, geeft aan de hand van stukken uit de eigen collectie inzicht in de wijze waarop de Oude Egyptenaren hun doden bijzetten.
 
 

Mummiemasker (anoniem)

Continue reading